Op ‘wind door de pijnbomen’:
Een vorstelijke compositie van de teruggetreden vorst
om niet nat te worden
sta ik een tijd te wachten
in de schaduw van een pijn
waar hij me naar de wind luisteren laat
de regen die een ruisen blijkt
nururu ka to / tachiyasuraeba / matsukage ya / kaze no kikasuru / ame ni zo arikeru
松風を
院御製
ぬるゝかと立ちやすらへば松かげや風の聞かする雨にぞありける
Iwasa Miyoko benadrukt in haar commentaar bij dit gedicht dat het niet daadwerkelijk regent, maar dat de dichter beseft dat het ruisen van de wind door de pijnbomen de suggestie van het ruisen van regen oproept. Iwasa Miyoko 岩佐美代子, ed., Kigi no kokoro hana no kokoro: Gyokuyō wakashū shōyaku 木々の心 花の心:玉和歌集抄訳 (Tokyo: Kasama Shoin, 1994), p. 262.
Uit vorstelijke gedichten over verschillende onderwerpen, op ‘wind’:
luid weerklinkend
komt vanuit de pijnboomtoppen
naar beneden
om stil te eindigen in het gras
de valwind vanaf de berg
hibikikuru / matsu no ure yori / fukiochite / kusa no koe ni yamu / yama no shitakaze
雑御歌の中に、風
ひゞき来る松のうれより吹きおちて草に声やむ山の下風
Gyokuyō wakashū 16 (‘Gemengde onderwerpen 3’), nos. 2179-2180.

Twee gedichten van de oud-keizer Fushimi 伏見院 (1265-1317), die in 1298 afstand had gedaan van de troon en dus de ‘teruggetreden vorst’ (in 院) was toen de Verzameling van gedichten als jade bladeren (Gyokuyō wakashū 玉葉和歌集, voltooid ca. 1313) op zijn verzoek werd samengesteld.
De foto is van Kaique Rocha.