diep gerimpeld
waren moeders handen die
als ze me aanraakten
naar de zee van Korea
en de wind daar konden geuren
shiwa fukaki / haha no morote ni / furetareba / chōsen no umi to / kaze ga nioeri
皺深き母のもろ掌に触れたれば朝鮮の海と風が匂えり
I Chonja, Ponsona no uta, p. 44.
wit ballonklokje
anders gezegd: doraji
die mijn vader plantte
die mijn moeder plantte en die ik
in mijn haar stak
shirokikyō / sunawachi toraji / chichi ga ue / haha ga ue ware wa / kami ni sasu
白桔梗すなわちトラジ父が植えまた母が植え吾は髪に挿す
I Chonja, Ponsona no uta, p. 150. De kikkyō 桔梗 (Platycodon grandiflorus) heet in het Nederlands wel ‘ballonklokje’ en in het Engels ‘Chinese bellflower’. De Koreaanse naam is doraji (of toraji). Dat is ook de titel van een (noord-)Koreaans volksliedje over die bloem dat in Japan populair werd vanwege de Japanse koloniale bezetting van dat land. (Hetzelfde geldt voor het in Japan zo populaire oud-Koreaanse liedje Arirang, dat ook zo’n ingewikkelde Japans-koloniale erfenis met zich meedraagt.)
landsgrenzen
over te steken — die gedachte
is mij onbekend
en (geen idee waarom) alleen voor
apathische Japanners een droom
kokkyō o / koyuru nado to wa / waga shirazu / naze ka kiyowaki / nihonjin bakari kou
国境を越ゆるなどとは吾がしらず何故か気弱き日本人ばかり恋う
I Chonja, Ponsona no uta, p. 81.
buiten dit land
was nergens nog een woonplek
voor mij voorhanden
tot me op een dag gevraagd werd
hoe zwaar mijn oogleden voelen
kono kuni no / hoka ni sumika wa / motezakarishi / aru hi mabuta no / omosa made tou
この国のほかに住み処はもてざかりし或る日まぶたの重さまで問う
Dat ‘tot’ (in vierde regel) leg ik zelf in de vertaling. Het tweede deel van deze tanka suggereert namelijk een omslag; ik lees in daarin de suggestie van acceptatie. Als zainichi was er in Japan eigenlijk geen plaats voor de dichter — en dan, ‘op een dag’, neemt iemand de moeite te vragen hoe moeilijk ze het heeft: ze wordt gezien.
in welke van al die
landstalen ze dan ook mag
schoongewassen zijn
als droefheid ondergronds
tot zero zal wegsterven
samazama na / kuni no kotoba de /arau to mo / kanashimi ga chika de / zero to naru nara
さまざまな国の言葉であらうともかなしみが地下でゼロと響るなら
Deze tanka is lastig—maar fascinerend. Ik vermoed in elk geval een woordspel: zero to naru (in de laatste regel) zal een mens in eerste instantie begrijpen als ‘tot zero/nul worden (teruggebracht)’, maar I schrijft het werkwoord naru niet als ‘worden’ (成る、なる) maar als ‘echoën’, ‘klinken’ (響る) — en dan moet je de frase toch uitleggen als ‘als zero echoën’ of misschien zelfs ‘als klank tot niks wegsterven’. Wat betekent dat? Dat is de paradoxale weerklank van een vacuüm. Droefheid is verdwenen en/óf een echo. Nog lastiger wordt het doordat I haar tanka eindigt met het woord nara (‘als’, ‘indien’), waarmee het gedicht een voorwaardelijke zin wordt (‘als …, dan …’) waarvan het tweede deel ontbreekt. Het gedicht is de formulering van een voorwaarde (en dus een bijzin), maar het gevolg krijgen we niet uitgespeld (in wat de hoofdzin zou moeten worden).
Alle vijf bovenstaande tanka staan (ook) in: Nakamura Sonoko 中村苑子, Baba Akiko 馬場あき子 en Shinkawa Kazue 新川和江, red., Josei sakka shirīzu 24: gendai shiika 女性作家シリーズ 24: 現代詩歌集 (Tokyo: Kadokawa Shoten, 1999), p. 276.
‘hé Koreaan
rot eens op naar Korea’
met die sfeermuzak
klinkend achter mijn rug
ging mijn meisjestijd voorbij
‘chōsenjin / chōsen e kaere’ no / hayashi-uta / sobira ni kikite / shōjoki wa sugu
「チョーセン人チョーセンへ還れ」のはやし唄そびらに聞きて少女期は過ぐ
I Chonja, Ponsona no uta, p. 42.

De tanka-dichter I Chonja (Kor. Lee Jung-ja; of, zoals ze zelf transcribeert: Lee Jungia) 李正子 (1947) is een zogenaamde ‘in Japan verblijvende Koreaan’ (Jp. zainichi chōsenjin 在日朝鮮人), de eufemistische benaming voor inwoners van Japan met Koreaanse wortels die doorgaans al generaties in Japan wonen, er geboren en opgegroeid zijn maar in veel gevallen geen aanspraak kunnen maken op Japanse nationaliteit.
In de regel stammen zainichi-Koreanen af van families die tijdens de Japanse bezetting van Korea (1905-1945) naar Japan overgebracht zijn, regelmatig voor een vorm van dwangarbeid, en na de Tweede Wereldoorlog om verschillende redenen besloten niet naar Korea terug te keren. Tot mei 1947 waren deze Koreanen onderdanen van het Japanse keizerrijk, maar daarna was dat niet langer het geval en werden zij geclassificeerd als buitenlander met permanente verblijfstatus. De geschiedenis van zainichi-Koreanen is er een van discriminatie met soms verschrikkelijke uitwassen. Schattingen zijn dat het aantal zainichi (maar dan inclusief hen die Japanse nationaliteit wisten te verkrijgen) rond de één miljoen individuen ligt; in een nauwere definitie ligt dat aantal rond de 600.000.
In plaats van zainichi chōsenjin (een term die Japanners muntten) hoor je ook wel zainichi kankokujin 在日韓国人. Het formele verschil is er een van nationaliteit. Omdat zainichi-Koreanen niet de Japanse nationaliteit hebben zijn zij gedwongen om te kiezen voor ofwel Noord-Koreaanse dan wel Zuid-Koreaanse nationaliteit. Het verschil tussen kankokujin (‘[Zuid-] Koreaan’) of chōsenjin (dan verwijzend naar kita-chōsen 北朝鮮, ‘Noord-Korea’) in de samenstelling met het woord zainichi is dan een aanduiding van het specifieke paspoort dat zij bezitten. Wel is chōsenjin ook een erfenis van het nog ongedeelde Korea (‘Chōsen’) én van Japans koloniaal bewind daarover. Er is behoefte aan naamgeving een keuze van zainichi-Koreanen zelf suggereert. Een door sommigen omarmde alternatieve benaming is zainichi korian 在日コリアン, maar echt aangeslagen lijkt dat nog niet. Dan is er ook nog de poging om zainichi kanjin 在日韓人 (met als Engelse vertaling ‘J-Koreans’) ingang te laten vinden (zie bijvoorbeeld The History Museum of J-Koreans; niet te verwarren met ‘Korean Japanese’, wat strikt gesproken slaat op van oorsprong Koreaanse mensen die de Japanse nationaliteit hebben verworven). Naamgeving doet veel voor en zegt evenzeer veel over identiteit. Soms wordt zainichi zonder samenstelling gebruikt; dan wordt het door velen ervaren als beledigend, omdat het regelmatig ook beledigend bedoeld is. Sinds een antidiscriminatiewet uit 2016 lijkt dat minder te zijn geworden; daarover kan ik niet oordelen. De aanduiding ‘in Japan verblijvend’ impliceert tenslotte dat iemand niet echt meetelt, maar een ‘vreemdeling’ is; dat voor veel zainichi-Koreanen die status geen eigen keuze is maakt dat extra wrang.
Op haar twintigste stuurde I Chonja onder haar Japanse naam Kayama Shōko (of Masako) 香山正子 een aantal tanka in voor de wekelijkse tanka-pagina van het dagblad Asahi shinbun; haar gedichten werden geselecteerd door een verantwoordelijke redacteur, de tanka-dichter Kondō Yoshimi 近藤芳美 (1913-2006). Kondō zou haar tanka-leraar worden en Lee werd lid van de Mirai 未来 (‘Toekomst’)-tankagroep.
Zainichi-Koreanen hebben doorgaans een Koreaanse naam, maar daarnaast ook een Japanse naam. Deels is dat een erfenis van de regel uit de koloniale periode waarin de Japanse bezetter Koreanen dwong om een Japanse familienaam aan te nemen. Voor de meeste zainchi-Koreanen is het gebruik ervan een manier om niet op te vallen als ‘vreemdeling’ in het land waarin ze zijn geboren en opgegroeid. Schatting is dat zo’n tachtig procent van zainichi-Koreanen een Japanse naam gebruikt. [Kimu 2004, p. 119.] (Naturalisatie vereiste sowieso een Japanse naam en bijschrijving in een Japans huishouden-register, of koseki 戸籍.) Dat I Chonja nadrukkelijk kiest voor haar Koreaanse naam is een bevestiging van haar specifieke identiteit.
I Chonja
of Lee Jungia
of toch Kayama
wat is nou je naam
vragen de kinderen
i chonja / mata ri shōko / aruiwa kayama / izure ga na ka to / ko ga toikakeru
イ・チョンジャまた李正子或いは香山いずれが名かと子が問いかける
I Chonja, Ponsona no uta (2003), p. 150. I speelt hier niet alleen met taal maar ook met verschillende schriftsoorten. ‘I Chonja’ イ・チョンジャ is geschreven in katakana, het lettergrepenschrift om buitenlandse woorden en namen mee te transcriberen. Wat ik vertaal als ‘Lee Jungia’ is geschreven met karakters, zodat je daar verschillende talen op projecteren kan.
Overigens is de titel van I’s debuutbundel, Ponsona no uta 鳳仙花のうた (‘Balsemienliederen’, 1984), al een onderstreping van haar Koreaanse wortels. Het is een impliciete verwijzing naar het lied ‘Bongseonhwa’ van de Koreaanse componist en musicus Hong Nan-pa (1898-1941), die het componeerde rond 1925. Het lied werd heel populair groeide uit tot een teken van hoop voor een volk onder koloniaal gezag. [Kimu 2004, p. 121.]
Dat Koreanen in Japan of Japanners van Koreaanse afkomst de tanka-vorm beoefenen is vrij uitzonderlijk. De Koreaanse vertaalster Kim Hun-a (Jp. Kimu Funa キムフナ) noemt als vroege voorbeelden Koreaanse auteurs in de jaren ’30 en vroege jaren ’40 van de vorige eeuw, dus tijdens de Japanse koloniale bezetting. [Kimu 2004, p. 101.] Op het eerste gezicht is dat niet verwonderlijk: een dichtvorm die de reputatie heeft een eeuwenoud, ‘puur Japans’ lyrisch genre te zijn is niet heel aantrekkelijk voor een mensen die door Japanners gekoloniseerd zijn. Toch leent de tanka zich als een modern genre voor vele toepassingen en vele stemmen.
Ook de Ainu-dichter Iboshi Hokuto 違星北斗 (1901-1929) gebruikte de tanka juist als een protestgenre voor aanklachten tegen Japanse onderdrukking.
Voor I Chonja was haar ontmoeting op de middelbare school met de tanka, toen haar leraar Japanse poëzie voorlas, een kantelpunt. [Kimu 2004, p. 104.] In een thuissituatie waarin haar ouders uiterst wantrouwend tegenover Japanners stonden en hun dochters liefst binnen de zainichi-gemeenschap zagen opereren was haar enorme affiniteit met tanka op zijn zachtst gezegd opvallend.
‘Met die Japanse
mannen geen geflikflooi, hoor je’
door vaders hand
werd dat zo vaak bij mijn zussen
en bij mij hard ingeramd
‘nihon no / otoko wa kou na’ / chichi no te ni / ikutabi ane mo / ware mo utarete
<日本のおとこは恋うな>父の掌にいくたび姉もわれも打たれて
I Chonja, Ponsona no uta, p. 151; ook geciteerd in Kimu 2004, p. 105. I’s vader, in 1910 in Korea geboren, kwam in 1929 naar Japan als arbeider; in Japan kreeg hij drie dochters.
In het Japans te schrijven is voor I Chonja minder beladen dan het voor een voorgaande generatie was, omdat het simpelweg geen keuze is. Als tweede-generatie Koreaanse Japanner (of ‘J-Koreaan’) is voor haar, net als andere Koreaanse Japanners van haar generatie het Japans haar eerste (en mogelijk enige) taal. [Kimu 2004, p. 109; Takayanagi 2007, p. 148.]
Het zoeken naar haar eigen plaats in dit krachtenveld van identiteiten is duidelijk —en niet zo verwonderlijk— een alles doordringend thema in haar leven en poëzie.
Waar ik ook was, ik was altijd een beetje anders. Het verschil tussen Korea en mij. Het verschil tussen Korea en Japan. Elke keer dat ik die subtiele maar o zo grote verschillen probeer te begrijpen, zie ik mezelf altijd omringd door een groep Japanners. Had ik tussen allemaal Koreanen gewoond, had ik misschien wel nooit tanka geschreven.
In mijn eentje dichten, denken. Dat is een wipwap-spel tussen het Japanse cultuurklimaat en mij. Het is een wipwap-spel tussen de tanka en mijzelf die opgroeide in het klimaat van het dunbevolkte Ueno.
どこにいても、いつも少し違う私。朝鮮と私の違い。朝鮮と日本の違い。微妙で、だが大きいその違いを分かろうとするとき、つねに日本人の群れのなかにいた私を思い浮かべる。朝鮮人が密集する地域にいたならば、私は短歌を作ることにならなかったかもしれない。
一人で歌い、考える。それは日本の風土と私のシーソーゲームである。過疎の地、上野の風土に育てられた私と短歌とのシーソーゲームである。
I Chonja, Ponsona no uta, p. 21. I gebruikt hier een in zekere zin oud woord voor ‘Korea’, namelijk chōsen 朝鮮: een woord dat verwijst naar een niet langer bestaand, ongedeeld Korea en daarmee naar het idee van een Korea-in-Japan. I groeide op in het plaatsje Ueno (ook wel Iga-Ueno) in de prefectuur Mie, met destijds een bevolking van slechts 60.000 en waar maar weinig zainichi woonden. Lastig te vertalen vind ik altijd het beladen woord fūdo 風土 (‘cultuurklimaat’): de term slaat niet alleen op de natuurlijke gesteldheid van een gebied maar heeft doorgaans de implicatie ook iets te zeggen over de culturele of zelfs spirituele aard van de mensen die daar wonen (ik overwoog iets met de dubbelheid van ‘natuur’ te doen, maar zag ervan af).
Omdat zainichi-Koreanen niet de Japanse nationaliteit hebben, worden zij in het dagelijks leven voortdurend gewezen op hun status als ‘vreemdeling’. Zo zijn zij uitgesloten van banen waarvoor de Japanse nationaliteit vereist is. Ook moeten zij ten alle tijden een registratie als wettelijk in Japan verblijvende vreemdeling op zak hebben. Tot 1993 was onderdeel van die registratie het nemen van vingerafdrukken. Omdat mensen met een Japanse nationaliteit hoeven hun vingerafdrukken niet laten nemen (dat is alleen van toepassing op gearresteerde misdadigers), was het voor zainichi-Koreanen in de praktijk onmogelijk om te voorkomen dat buurtgenoten hun status als ‘vreemdeling’ te weten kwamen wanneer zij op een gemeentekantoor hun vreemdelingenpas moesten verlengen.
Er waren langdurige protesten nodig om de vingerafdrukregistratie voor zainichi-Koreanen af te schaffen. Tegenwoordig moet verder elke niet-Japanner die het land binnenkomt, ook als kortverblijvende toerist, vingerafdrukken laten scannen; inkt komt er niet meer aan te pas. De schaal waarop het gebeurt, en het feit dat dat zo’n vingerafdrukregistratie voor buitenlanders nu natuurlijk voor meer landen geldt, gaat gepaard met gewenning.
Die vingerafdrukregistratie was stigmatiserend voor zainichi-Koreanen. Raar is het dus niet dat je in I Chonj’a poëzie dat als onderwerp ook tegenkomt. [Zie ook: Kimu 2004, p. 123.]
van het schiereiland
overgestoken is het iemands
ademtocht?
een brandmerk?
mijn vingers liet ik neerdrukken
en zette een vingerafdruk
hantō o / koekishi mono no / ikizuki ka / rakuin ka / yubi shimerasete / shimon o oshinu
半島を越えきしものの息づきか烙印かゆびしめらせて指紋を押しぬ
I Chonja, Ponsona no uta (2003), p. 154. Dit is een onregelmatige tanka, met zesendertig in plaats van eenendertig morae; je zou kunnen zeggen: een tanka met een extra ‘regel van vijf morae (5-7-5-5-7-7). Ik ben er niet uit hoe ik hier ikizuki 息づき (nu vertaald als ‘ademtocht’) het beste interpreteren kan.
een misdadiger
ben ik niet, protesteerde ik
in mijn vreemdelingenpas
zwarte vingerafdrukken te zetten
is iets dat langzaam went
hanzaisha / ni arazu to aragaishi / gaijin tōrokusho ni / kuroki shimon o / osu mo nareyuku
犯罪者にあらずとあらがいし外人登録書に黒き指紋を押すも慣れゆく
I Chonja, Ponsona no uta (2003), p. 154. Dat ‘ik’ voeg ik als vertaler telkens in. Het Japans maakt het mogelijk om niet te specificeren wie het onderwerp is. De ‘vreemdelingenpas’ (gaijin tōrokusho; de volledige term is gaikokujin-tōroku shōmeisho 外国人登録証明書, ‘bewijs van vreemdelingenregistratie’) is sinds 2012 een plastic kaart. Ik herinner me uit mijn eerste studieverblijven in Japan protestacties van in Japan wonende (witte) buitenlanders tegen het registeren van hun vingerafdrukken, met precies hetzelfde argument.

Japanse Koreanen (en Koreaanse Japanners) zijn in het dagelijks leven, zeker voor niet-Japanners, niet te onderscheiden van Japanse Japanners. Het is vooral in de zogenaamde ‘Koreatowns’ van de grote steden als Osaka, Tokyo of Yokohama dat je weer eens beseft dat Japan al heel lang een multi-etnische maatschappij is. Je kan natuurlijk ook I Chonja’s poëzie lezen.
Ik las:
- I Chonja [Kor. Lee Jungia (Lee Jung-ja)] 李正子, Ponsona no uta 鳳仙花のうた (Tokyo: Kage Shobō, 2003, 20122). [Dit is een vermeerderde editie van I’s Furimukeba nihon ふりむけば日本 (‘Terugkijkend: Japan’, 1994).]
- Kimu Funa キムフナ [Kim Hun-a], ‘Zainichi josei kajin I Chonja’ 在日女性歌人 李正子論, Senshū kokubun 専修国文 74 (2004), p. 101-132.
- Takayanagi Toshio 高柳俊男, ‘Zainichi bungaku to tanka: Kan Bufu o tegakari to shite’ 在日文学と短歌:韓武夫を手がかりとして, Shakai bungaku 社会文学 26 (2007), p. 148-160.
- Kayoko Aoki, ‘Over the Seas, over the Generations: Narratives of Multigenerational Korean Women in Japan and Japanese American women in the United States’, ongepubliceerd proefschrift, The University of San Francisco, 2008.
Verder is er een enorme hoop academische literatuur over zainichi-Koreanen, vroeger en nu.
De foto is een still uit de film GO ゴー (Go, 2001) van regisseur Yukisada Isao 行定勲, naar de gelijknamige roman uit 2000 van de zainichi-Koreaanse auteur Kaneshiro Kazuki 金城一紀 (1968). Het is het prijswinnende verhaal van een jonge zainichi-Koreaan die worstelt met het vinden van zijn plaats in de Japanse maatschappij, waarin mensen als hij worden gediscrimineerd, in zijn relatie met zijn vader die om materialistische redenen de onder zainichi-Koreanen vrij veel voorkomende identificatie met (communistisch) Noord-Korea verruilt voor (kapitalistisch) Zuid-Korea, en tenslotte in zijn relatie met een Japans meisje dat zich niet bewust is van zijn Koreaanse identiteit. Zie ook: David S. Roh, ‘Kaneshiro Kazuki’s GO and the American Racializing of Zainichi Koreans’, Verge: Studies in Global Asias 2: 2 (2016), p. 163-187. (Al begrijp ik niet waarom Roh schrijft dat de roman uit 1996 dateert.) De roman werd in 2018 naar het Engels vertaald: Kazuki Kaneshiro, Go: A Coming of Age Novel, vert. Takami Nieda (AmazonCrossing, 2018).



