Categorieën
poëzie

hemel en aarde

de Hollanders

            gaan niet op hun knieën maar

                        kijken wel hun ogen uit:

hemel en aarde bewegen

            bij Takeda’s mechanische poppen

oranda ga / ashi mo kagamanu / me de mireba / tenchi mo ugoku / takeda karakuri

らんあしもかゞまぬて見ればてんうごたけからくり

Settsu meisho zue deel 4b, p. 10v-11r.

We zien een scène uit Geïllustreerde beroemde plaatsen in de provincie Settsu (Settsu meisho zue 摂津名所図会) in negen boekdelen uit de jaren 1796-1798. Dit bewuste deel behandelt de stad Osaka en de pagina’s in kwestie betreffen ‘Een mechanisch theaterstuk van Takeda Ōmi’ (takeda ōmi karakuri shibai たけあふからくり戯場しはひ). Rechtsonder zien we drie Nederlanders op krukken zitten (en dus niet op hun knieën, zoals de Japanse toeschouwers) die vanachter een tafel de voorstelling bewonderen.

Op hun jaarlijkse —en na 1790 vierjaarlijkse— hofreis naar Edo kenden de gezanten van de Nederlandse handelspost op het kunstmatige eilandje Dejima in de haven van Nagasaki vaste programmaonderdelen. Eén zo’n standaardbezoek onderweg was bijvoorbeeld de Niken Chaya, in de wijk Gion in Kyoto, een theehuis dat onder meer beroemd was om zijn tofu-gerechten.

Of het door poppenspeler Takeda Ōmi 竹田近江 opgerichte theater dat we hier zien ook zo’n vast punt op de reisroute was weet ik niet, maar ik vermoed van wel — anders zou auteur Akisata Ritō (data onbekend) de Nederlanders in het publiek nooit hebben opgenomen in zijn beschrijving van bezienswaardigheden in de regio. De exotische westerlingen waren tenslotte al net zo’n schouwspel als het bijzondere poppenspel in het Takeda-theater.

Het poppentheater was ongekend populair in zeventiende- en achttiende-eeuws Japan, vooral in de Kamigata, het gebied dat Osaka en Kyoto bestreek. Veel beroemde kabuki-stukken zijn bewerkingen van stukken die voor het poppentheater bedacht zijn. Zo schreef theaterauteur Chikamatsu Monzaemon 近松門左衛門 (1653-1725), die rond 1900 ‘de Shakespeare van Japan’ genoemd werd, voor poppen, niet voor levende acteurs. 

Takeda Ōmi was in feite de beroepsnaam van een specifieke tak poppenspelers. De eerste met die naam (?-1704) was actief in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Diens zoon zette het theater voort onder dezelfde naam. De gimmick van de Takeda was dat zij hun poppen niet direct zelf met de hand bespeelden, maar dat zij mechanische poppen gebruikten. Geïnspireerd door westerse klokmechanieken die vanaf de zestiende eeuw in Japan geïmporteerd waren ontwikkelden wonderbaarlijk vernuftige knutselaars een Japanse traditie van apparaten die aan achttiende-eeuwse Europese automata doen denken. Door een ingenieus systeem van radarwerk en hefbomen bewogen de poppen zelfstandig en konden een ingewikkelde reeks van handelingen uitvoeren.

De Japanse term voor zulke mechanieken, en meer specifiek de poppen die erdoor werden voortgedreven, was karakuri (geschreven als からくり, 絡繰 of 機関 — of, zoals door Akisato, 機振, ‘mechanisch bewegen’), 

Er zijn gelukkig nog een aantal mechanische poppen uit de vroegmoderne periode bewaard gebleven, en verschillende specialisten hebben er een aantal weten te reconstrueren. Die laatste gaan vaak terug op het werk van een man die als ‘uitvinder’ van de Japanse versie van automata die een specifiek kunstje opvoeren wordt gezien: Tanaka Hisashige 田中久重 (1799-1881), die bij leven ook bekend stond als ‘Technieken-Gi’emon’ (Karakuri Gi’emon からくり儀右衛門). Tanaka stond aan de wortels van het elektronicabedrijf Toshiba. Het zal duidelijk zijn dat er in Japan al lang vóór Tanaka vernuftige mechanische poppen werden gemaakt.

We weten ook welk stuk de Nederlanders eind achttiende eeuw zagen in het Takeda-poppentheater in deze tekening van Takehara Shunchōsai 竹原春朝斎 (?-1800). Dat is een poppenversie van een voorstelling die teruggaat op het vijftiende-eeuwse -stuk Benkei in de boot (Funa benkei 船弁慶).

Deze blogpost is spin-off van huiswerk voor een voordracht die ik op 28 april a.s. geef als randversiering bij een drietal heel leuke lezingen over de notie van mecha メカ (‘Giant Robots’) in Japanse anime.

De afbeelding toont de bewuste pagina’s uit Geïllustreerde beroemde plaatsen in de provincie Settsu (Settsu meisho zue 摂津名所図会, 1796-1798). De illustratie is van Takehara Shunchōsai 竹原春朝斎 (?-1800); de tekst is van Akisato Ritō 秋里籬島 (data onbekend). Collectie Waseda University Library.

Categorieën
poëzie

ritme van de eenzaamheid

Gedicht op het thema ‘Desolaat klinkt de duistere regen die tegen het venster slaat’ in De verzamelde werken:

hunkeren, dat is

zelfs in een droom die ander

            te hopen zien

om dan door regen tegen het raam

            wakker te moeten worden

koishiku wa / yume ni mo hito o / mirubeki o / mado utsu ame ni / me o samashitsutsu

  文集の蕭〻暗雨打窓声といふ心をよめる
恋しくは夢にも人を見るべきを窓打つ雨に目を覚ましつゝ

Goshūi wakashū 17-1015. In de context van Heian-hofpoëzie zijn ‘De verzamelde werken’ eigenlijk altijd die van de Chinese dichter Bai Juyi (772-846), die al vroeg uitermate populair werd in Japan. ‘Desolaat klinkt de duistere regen die tegen het venster slaat’ (shōshō-taru an’u mado o utsu koe 蕭〻タル暗雨打声) is een versregel uit zijn gedicht ‘De vrouw met grijze haren in het Shangyang-paleis’  (Shàngyáng báifà rén 上陽白髪人).

Een waka van Fujiwara no Takatō 藤原高遠 (949-1013). In 1004 werd hij benoemd tot Assistent-Gouverneur-Generaal (daini 大弐) van Dazaifu, het hoofdkwartier van het centraal gezag in het meest westelijke eiland Kyushu; vandaar dat hij ook wel bekend staat als Daini Takatō 大弐高遠. Hij is één van ‘de zesendertig dichter-onsterfelijken’ (chūko sanjū rokkkasen 中古三十六歌仙).

Zijn gedicht is een typisch voorbeeld van ‘gedichten harmoniërend met versregelthema’s’ (kudai waka 句題和歌). Bij dit in de klassieke periode populaire genre werd een regel Sinitische poëzie als uitgangspunt gebruikt om een waka te schrijven.

Bai Juyi’s gedicht ‘De vrouw met grijze haren in het Shangyang-paleis’ is één van zijn ‘nieuwe balladen’ en heeft als onderwerp een keizerlijke concubine die nooit de keizer dienen mocht, omdat de jaloerse Verheven Gade Yang het monopolie op de affecties van de keizer wilde bewerkstelligen door alle knappe concubines te verbannen naar een afgelegen paleis, waar zij de rest van hun leven opgesloten bleven.

Voor een volledige vertaling van Bai’s gedicht, zie: Bai Juyi, Gedichten en proza, gekozen, vertaald en ingeleid door W.L. Idema (Amsterdam: Atlas, 2001), p. 131-132.

De foto toont regen op een autoruit, Takebe, Okayama, 7 april 2026. Foto Lara Smits.

Categorieën
poëzie

ik wil niet meer

deze baan wil ik niet meer

            wil ik niet meer wil ik niet meer

                        bloesems vallen bloesems vliegen

kaisha yametashi / yametashi yametashi / rakka hika

会社やめたしやめたしやめたし落花飛花

Een haiku van Matsumoto Tefco 松本てふこ (1981) uit haar debuutbundel De vruchten van het zweet (Ase no kajitsu 汗の果実, 2019). Baanonzekerheid zal er waarschijnlijk voor zorgen dat de dichter toch naar haar werk op een kantoor zal blijven gaan.

Ik las bij Ozawa Minoru 小澤實 (1956) dat de frase ‘bloesems vallen bloesems vliegen’ (rakka hika 落花飛花) een variant is op de uitdrukking ‘bloesems vliegen bloesems vallen’ (hika rakka 飛花落花, let. ‘vliegende bloesems vallende bloesems’) van de haikudichter Mizuhara Shūōshi 水原秋桜子 (1892-1981). Die werd zo vaak door andere dichters gebruikt dat Shūōshi uiteindelijk een verbod op het gebruik ervan uitvaardigde (niet dat daaraan gehoor gegeven werd). Matsumoto draait die uitdrukking om, mogelijk ook om elke regel te laten beginnen met een ‘a’-klank.

De foto toont kersenbloesems, Kurashiki, 10 april 2026.

Categorieën
poëzie

aan je haar getrokken

om narcissen in

            bloei uitgekozen was het

                        dat ik over het golvenpad kwam

iets blijft me tegenhouden

            op deze reis naar Awaji

suisen no / hana ni sugurare / namiji kitari ya / ushirogami hiku / awaji no tabi yo

水仙の花に選られ浪路来りや後髪引く淡路の旅よ

Een tanka met een wat aparte prosodie: 5-7-7-7-7. De uitdrukking ushirogami ga hikarareru 後髪が引かれる (let. ‘aan het haar op je achterhoofd getrokken worden’) betekent iets als: niet in staat zijn een volgende stap in je leven te zetten omdat je nog blijft hangen in te verleden. 

Aan het strand van Keino Matsubara op de zuidwestkust van het Japanse eiland Awaji groeit een pijnboombos. Daardoorheen loopt het anderhalve kilometer lange ‘Aanzoekpad’ (puropōzu kaidō プロポーズ街道). Dat pad is weer gelardeerd met tegels (of eigenlijk ‘dakpannen’, kawara ) met daarop gegraveerde teksten.(De teksten zijn op de tegels aangebracht voordat ze de oven ingingen.)

Die teksten zijn onderdeel van een competitie. Voor Valentijnsdag 2024 werden er zoetsappige teksten beoordeeld door een jury (zie dit filmpje), met de wat tenenkrommende slogan ‘aanzoektegels voor een onveranderlijke liefde’ (puropōzu kawaranu ai プロポーズ瓦ぬ愛).

Er zit een geforceerd woordspel in de slogan: kawara (‘dakpan’) en kawaranu (‘onveranderlijk’).

Blijkbaar was in een eerder stadium de spelregel dat men waka of haiku schrijven moest. Die gedichten zijn soms minder zoetsappig.

Tegels (‘dakpannen’) met traditonele poëzievormen langs het Aanzoekpad, Keino Matsubara, Awaji-shima, 28 maart 2026. Foto Lara Smits.

Bij deze een van die gedichten, door ene Yamaji Setsuko 山路節子, uit de stad Sakai, net ten zuiden van Osaka.

Ik heb ze niet gezien, maar in maart bloeien er op verschillende plekken op het eiland inderdaad trompetnarcissen (rappa suisen ラッパスイセン). De verleiding is groot om te speculeren dat de dichter naar het eiland kwam om een oude liefde of moeilijke relatie te vergeten, met de narcissen als excuus, en in die missie niet zo slaagt.

Het gedicht van Yamaji Setsuko (rechts) langs het Aanzoekpad, Keino Matsubara, Awaji-shima, 28 maart 2026.

Categorieën
poëzie

ga nou maar

‘van de lente de dageraad’

zou je zo langzamerhand

            niet eens naar huis gaan?

haru wa akebono / sorosoro kaette / kurenai ka

春は曙そろそろ帰つてくれないか

De openingswoorden van deze haiku van Kai Michiko 櫂未知子 (1960) zijn de legendarische openingswoorden van Het hoofdkussenboek (Makura no sōshi 枕草子) van Sei Shōnagon 清少納言 (ca. 966-ca. 1017). In deze passage benoemt Sei Shōnagon van elk seizoen het meest aansprekende element. Vandaar dat ik de woorden tussen aanhalingstekens zet, ook al maakt Kai in haar gedicht daarvan geen gebruik: het is na duizend jaar onmogelijk ze niet als een citaat te lezen.

Dit is een van Kai’s bekendste haiku. Ze wekt de suggestie dat iemand bij de dichter de nacht heeft doorgebracht. Het schurende en daardoor ergens ook grappige contrast tussen een citaat uit het laat-tiende-eeuws Japans en de nadrukkelijke spreektaaltoon van de rest van de haiku maakt er een ontnuchterend gedicht van. Het is nu wel genoeg met dat romantische gedoe.

‘Dat contrast [tussen klassieke schrijftaal en moderne spreektaal] is wel een techniek die je eigenlijk maar één keer kan toepassen’, zegt Kai in een interview. Met het gebruik van een spreektaaltoon (kōgochō 口語調) in een traditionele poëzievorm haakt Kai aan bij een geschiedenis van vormexperiment in moderne haiku.

Kai speelt hier met het thema van ‘het de-ochtend-erna-briefje’ (kiniginu no fumi 後朝の文) en draait daarbij het perspectief om. Zulke briefjes vormden onderdeel van een hoofse grammatica van liefdesrelaties die de adel van klassiek Japan in haar greep hield. Wanneer een hoveling de nacht had doorgebracht met een vrouw en ’s ochtends vroeg, nog voor het eerste ochtendlicht, weer thuis was gekomen, stuurde hij haar nog diezelfde ochtend een gedicht (‘het de-ochtend-erna-briefje’ dus) om zijn verlangen naar haar uit te drukken. In dit gedicht is het de vrouw bij wie de man de nacht doorbracht die aan het woord is. Dat alleen al maakt het een gedicht van een moderne vrouw. De strekking ervan onderstreept dat.

Kai Michiko in gesprek over haar haiku, die hier op een poëziecartouche (shikishi 色紙) geschreven staat. Bron: YouTube, gepost op 1 juli 2022. Kai maakt in dit interview wel een mooie observatie over de relatie tussen een poëziecartouche en het gedicht dat je daarop schrijft. Cartouches hebben namelijk altijd een (semi-)publieke functie: ze zijn bedoeld voor display. ‘Normaal kun je dit gedicht niet op een poëziecartouche (shikishi) schrijven’ – ‘Waarom is dat?’ – ‘Nou, dat is onbeleefd voor de mensen die naar de dichtbijeenkomst zijn gekomen. […] In de hal ophangen gaat ook niet.’

Ikzelf zie er nóg een ironische twist van Het hoofdkussenboek in, omdat ik Kai’s haiku ook associeer met de observaties van Sei Shōnagon over het contrast tussen de ideale minnaar en de minnaar waarmee je het maar te doen hebt: 

Je mag toch hopen dat een man, wanneer hij bij dageraad weer naar huis gaat, niet zo bezig is met zijn kleren te fatsoeneren en zijn kap op zijn knot vast te snoeren. Wie zou hem herkennen of uitlachen wanneer hij er niet uitziet in zijn verfomfaaid hofgewaad of jachtkleed?

            Het gedrag van een man bij dageraad moet elegant zijn. Vol tegenzin draalt hij bij het opstaan, zodat zij hem moet aansporen: ‘Het wordt al te licht. Je bent echt te erg’, zegt ze hem. Zijn gezucht wekt de indruk dat hij werkelijk nog geen genoeg van haar heeft en somber is over zijn aanstaande vertrek. Zittend probeert hij niet eens zijn broek aan te trekken, maar kruipt naderbij en fluistert in haar oor flarden van wat hij de afgelopen nacht tegen haar zei. Hoewel onduidelijk is wat hij precies doet, blijkt zijn riem dan toch vastgeknoopt. Hij tilt het roosterluik omhoog en leidt haar mee naar de openslaande deuren waar hij haar zegt hoezeer hij de komende dag zonder haar betreuren zal, om dan weg te slippen; zij kijkt hem na vol bekoorlijke gedachten aan hun samenzijn.

            En dan heb je er die zich opeens iets herinneren en actief uit bed springen om luidruchtig op te staan en ritselend hun broek vastsnoeren, de mouwen van hun bovenkleed of jachtkleed oprollen en met geweld hun armen erdoorheen steken, hun riem heel stevig vastsnoeren, en dan is er het geluid dat ze neerknielen en het snoer van hun kap stevig aantrekken, en hoewel ze hun waaier en pakje papier bij het hoofdkussen neer hebben gelegd, zijn ze die nu kwijt, maar omdat het donker is kunnen ze niet zien waar die nu zijn en ‘Wáár? Wáár dan?’ mopperend graaien ze in het rond, en als ze die dan te pakken hebben klappen ze de waaier open en steken schurend het papier weg in hun kleed; ‘Nou, dan ga ik maar,’ is het enige dat ze zeggen.

Makura no sōshi 1958, sectie 63. [NKBT 10, p. 102-104.] Wat me óók fascineert aan deze passage is dat die je beseffen laat dat een en ander zich in het duister van de heel vroege ochtend afspeelt (en elektrische verlichting had je nog niet rond het jaar 1000). Sei ziet niet zozeer wat haar minnaar doet, maar ze hoort zijn bewegingen.

Zoals de film Frozen (2013) een doorbraak in het Disney-prinsessengenre markeerde (prinsessen hebben geen man nodig voor een happy end), zo impliceert deze haiku ook dat de dichter pas tot zichzelf komt zónder een geliefde. Ook Sei’s ‘zij kijkt hem na vol bekoorlijke gedachten aan hun samenzijn’ bevat een realisering dat de herinnering aan het samenzijn misschien wel fijner is dan het daadwerkelijk samenzijn zelf. Kai’s haiku trekt de gedachtelijn verder en radicaler door.

De foto toont dageraad op Awaji-jima, 28 maart 2026, 5:47 uur.

Categorieën
poëzie

kruipend broedsel

Hij stamde af van Kiyo-mori, van wie men zei dat hij een kind was van de 50e Daïri [keizer], Koan-mou-ten-o [Kanmu tennō]; maar dat is een vergissing: want zijn vader was de 72e Daïri, Ziro-kava-no-fowo [Shirakawa (no) hōō], die overleed in de 1e maand van het 3e jaar Nin-fe [Ninpei/Ninpyō 仁平] (1153). Zirokava had hem [Kiyomori] gekregen bij een van zijn concubines, die hij schonk aan Fada-mori [Taira no Tadamori], terwijl zij nog zwanger was [van Shirakawa]. Enige tijd na de geboorte van Kiyo-mori, toen die nog op handen en voeten rondkroop, bracht Fada-mori hem naar de Daïri om hem te tonen en sprak toen deze versregels:

            I moga kao

            Fofo dono ni koso

            Nari ni kiri.

‘Wat moet er worden van de kruipende vrucht van een concubine?’

Zirokava antwoordde hem ter plekke met deze andere versregels:

            Fada-mori torite

            Yashi na-i ni ze yo.

Fada-mori, adopteer hem en zorg voor hem.’

Il descendoit de Kiyo-mori, qu’on disoit issu du 50e Daïri, Koan-mou-ten-o ; mais c’est une erreur : car son père étoit le 72e DaïriZiro-kava-no-fowo, qui mourut le 1er mois de la 3e année Nin-fe (1153). Zirokava l’avoit eu d’une de ces concubines, dont il fit présent à Fada-mori, lorsqu’elle étoit encore enceinte. Quelque temps après la naissance de Kiyo-mori, et lorsqu’il rampoit encore sure les pieds et les mains, Fada-mori le porta au Daïri pour le lui montrer et lui dit ces vers :
            I moga kao
            Fofo dono ni koso
            Nari ni kiri.
« Que doit devenir le fruit rampant d’une concubine ? »
Zirokava répondit sur-le-champ par ces autres vers :
            Fada-mori torite
            Yashi na-i ni ze yo.
« Fada-mori, adoptez-le, et prenez soin de lui. »

Isaac Titsingh, Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns, red. Jean Pierre Abel Rémusat (Parijs: A. Nepveu, 1820), p. 14-15. ‘Koan-mou-ten-o’ is de vorst Kanmu (Kanmu tennō 桓武天皇, 737-806). De ‘Dharmavorst’ Shirakawa (Shirakawa hōō 白河法王, 1053 -1129) was een invloedrijke ‘teruggetreden vorst’ (in 院); in 1153 was hij overigens al vierentwintig jaar dood. Taira no Tadamori 平忠盛 (1096-1153) was de vader van Taira no Kiyomori 平清盛 (1118-1181), een van Japans belangrijkste machtspolitici in de late twaalfde eeuw. Inderdaad is er de legende (die zelfs op zijn Japanse Wikipedia-pagina wordt herhaald) dat Kiyomori een bastaardzoon van Shirakawa zou zijn.

Ik vermoed dat dit de allereerste keer is dat een Nederlander melding maakt van het Japanse fenomeen ‘kettingvers’ (renga 連歌). Deze passage komt uit een postuum uitgegeven, Franstalig boek van Isaac Titsingh (1745-1812), die drie keer opperhoofd (directeur) was van de Nederlandse handelsvestiging op het kunstmatige eilandje Dejima in de haven van Nagasaki.

In zijn eind vorig jaar verschenen monsteroverzicht van het Japanse kettingvers (slechts 1102 pagina’s), stelt Mack Horton dat deze regels in de Engelse vertaling uit 1822 van Titsinghs boek tot de oudste Engelse vertalingen van Japanse poëzie behoren. [Horton 2025, p. 37, 852 (noot 45).] Frank Lequin stelt dat Titsingh de eerste Europeaan was die die Japanse ‘haiku’ (lees: traditionele poëzie) vertaalde. [Lequin 2002, p. 207.]

Vier jaar geleden schreef ik hier: ‘Bij mijn weten zijn De Vissers vertalingen in de voetnoot op p. 22 van zijn Oud en nieuw Japan (1913) de vroegste Nederlandse vertalingen van waka die direct uit de brontaal zijn gemaakt.’ Puur naar de letter leek me dat nog steeds zo, omdat de Nederlandse versie uit 1824-1825 van Titsinghs boek een vertaling is naar de Engelse vertaling van het Franse origineel en Titsinghs Franse vertaling daarin—dus drie keer verwijderd van het Japans. Hoe dan ook hebben we met Titsingh echt te maken met een Nederlander die begin negentiende eeuw met een (Franse) vertaling komt van Japanse poëzie — al blijft onduidelijk in welke mate hij het Japanse origineel echt goed lezen kon.

Titsingh was een zeer succesvolle werknemer van de VOC, de handelsorganisatie en staat-binnen-de-staat waarin hij uiteindelijk opklom tot een van de hoogste posities. Behalve een benoeming als gouverneur van de VOC-handelspost in Chinsura, Bengalen, en een diplomatieke missie naar de Qianlong-keizer van China in 1795, bracht Titsingh in totaal zo’n 35 maanden door in Japan, verdeeld over drie benoemingen als opperhoofd van de VOC-factorij op Dejima (1779-1780, 1781-1783 en 1784), waarbij hij in 1780 en 1782 de toen nog jaarlijkse hofreis naar Edo meemaakte. In 1794 werd hij gepolst voor de post van Gouverneur-Generaal in Batavia, de hoogste bestuurspost in Azië die de VOC te vergeven had. Titsingh weigerde, omdat hij naar Europa terug wilde om zijn levenswerk te voltooien: een veel omvattende studie van Japan. In Europa belandde hij uiteindelijk in 1801 in Parijs en had daar vanaf 1806 een eigen woning, waar hij in februari 1812 zou overlijden. [Boxer 1950; Lequin 2002; Screech 2006.]

Titsingh schreef zijn boek na terugkeer in Europa in 1796. De aanname is dat hij zijn veelomvattende studie van geschiedenis en verschillende cultuuraspecten van Japan in het Nederlands schreef. Een Nederlandstalig manuscript, in Titsinghs eigen handschrift (autograaf) ligt in de Koninklijke Bibliotheek, dat daar in 1938 door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen is gedeponeerd. [Lequin 2002, p. 209.]

Omdat rond 1810 een Nederlandstalige uitgave niet te realiseren leek, werkte Titsingh zijn tekst om naar het Frans. Ook deze Franse tekst verscheen niet tijdens zijn leven. Het was pas acht jaar na Titsinghs overlijden in Parijs dat het tot een Franstalige uitgave kwam. Die uitgave verscheen in 1820 onder redactie van de Franse sinoloog Jean Pierre Abel Rémusat (1788-1832) — mogelijk met hulp van zijn Duitse collega Julius Klaproth (1783-1835), die wél (tot op zekere hoogte) Japans kon lezen en in 1815 in Parijs was komen wonen. De Franse uitgave betrof een groot deel —dat wil zeggen: twee van de drie door Titsingh beoogde delen— van het manuscript, en kreeg als titel Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns. Die Franse versie was succesvol genoeg om naar het Engels te vertalen en verscheen in 1822 in Londen onder de titel Illustrations of Japan. Deze Engelse vertaling werd weer de basis voor een tweedelige Nederlandse vertaling die als Bijzonderheden over Japan in Den Haag in 1824 en 1825 werd uitgegeven. [Lequin 2002, p. 213; Screech 2006, p. 2-3.]

In 2006 publiceerde Timon Screech een opgeschoonde bloemlezing uit de Engelse vertaling uit 1822: Secret Memoirs of the Shoguns.

De passage in kwestie in de Nederlandse vertaling uit 1825 van Titsinghs boek, naar de Engelse vertaling die weer gebaseerd is op de Franse uitgave. Titsingh, Bijzonderheden over Japan, tweede deel, p. 17. Universiteitsbibliotheken Leiden, Bijzondere Collecties (355 E 16).

                                    *   *   *   *   *

Strikt gesproken hebben we in deze passage in Titsinghs boek te maken met een vroege vorm van het kettingvers die bekend staat als ‘kort kettingvers’ (tanrenga 短連歌). Verreweg de meeste waka uit de klassieke hofperiode, en ook wel daarna, laten zich in tweeën delen, waarbij het ritme dan bestaat 5-7-5 en vervolgens 7-7 morae (soms ook: 5-7 / 5-7-7). Vandaar dat poëtica’s wel spreken van een eerste (kami no ku 上の句) en een tweede versdeel (shimo no ku 下の句). Die twee versdelen hebben doorgaans een verschillende functie: observatie en reactie daarop bijvoorbeeld (of juist omgekeerd), of contrast en verwarring. Al vroeg opende dat de ogen van Japanners voor de mogelijkheid om samen één waka te maken waarbij elke dichter slechts een versdeel voor eigen rekening nam en zo dus een heel korte ‘ketting’ van slechts twee schakels ontstond.

De locus classicus van het (korte) kettingvers is de ontmoeting, vermeld in de vroeg-achtste-eeuwse Aantekeningen van oude zaken (Kojiki 記事記, 712), op de berg Tsukuba tussen de mythische held Yamato Takeru 倭建命 en een oude man die samen in een vraag-en-antwoord-constructie een sedōka (5-7-7-5-7-7 morae) creëren.

Vanaf de vroege twaalfde eeuw zie je dat twee hovelingen steeds vaker de twee versdelen gebruiken om samen één waka te maken als een meer reguliere vorm van dichterlijke conversatie. Dat is het moment dat tanrenga een zichtbaar onderdeel van poëziepraktijk wordt dat zich later zal ontwikkelen tot het middeleeuwse kettingvers—dat wel honderd schakels kennen kan.

                                    *   *   *   *   *

Helemaal waanzinnig vind ik dat Titsingh hier gebruik maakt van een verhaal dat teruggaat op een middeleeuwse tekst, Het verhaal van het Huis van Taira (Heike monogatari 平家物語). Ruwweg halverwege dat epos wordt stilgestaan bij de theorie dat Taira no Kiyomori 平清盛 (1118-1181), de pater familias van het tijdens zijn leven oppermachtige ‘Huis van Taira’, eigenlijk de zoon van een keizer was en er dus vorstelijk bloed door zijn aderen stroomde. Dat verklaarde dan waarom Kiyomori zo succesvol kon zijn; hij kreeg duwtjes in zijn rug van zijn biologische vader.

In deze theorie was Kiyomori’s moeder, ‘Vrouwe Gion’, een geliefde van de teruggetreden vorst Shirakawa 白河院 (1053-1129), die haar bezwangerde. Een van Shirakawa’s lijfwachten, Taira no Tadamori 平忠盛 (1096-1153), bewees hem een grote dienst en als dank schonk de teruggetreden vorst hem de zwangere Vrouwe Gion. Als het kind een meisje zou zijn, dan zou Shirakawa haar als dochter erkennen, maar als het een jongetje bleek, dan moest Tadamori hem als zijn eigen zoon opvoeden. Zoals de Heike monogatari meldt, ‘toen baarde zij een jongetje’ (sunawachi nan o umeri すなはちなんをうめり). [SNKBZ 45, p. 462.]

[Tadamori] probeerde [Shirakawa] hiervan [d.w.z. de geboorte van Kiyomori] op de hoogte te stellen, maar daartoe deed zich nooit een gelegenheid voor. Toen ging de Teruggetreden Vorst Shirakawa op pelgrimage naar Kumano en in de plaats Itogasaka in de provincie Kii liet hij zijn draagstoel neerzetten om daar enige tijd een rustpauze te nemen. In een bosje daar groeiden veel broedbolletjes van zoete aardappelen; Tadamori plukte er wat van, legde dat in zijn mouw, ging op audiëntie bij de vorst en sprak:

            dit aardappelbroed

            kan inmiddels al kruipen

                        zo groot werd het al

imo ga ko wa / hau hodo ni koso / narinikere

De Teruggetreden Vorst begreep hem meteen en vulde zijn gedicht aan met:

            pluk het maar, Tadamori,

                        en koester het als leeftocht

tada moritorite / yashinai ni seyo

このことそうもんせんとうかがひけれども、しかるべき便びんもなかりけるに、ある時しらかはゐんくまかうなりけるが、くにいとがさかといふ所に、おん輿こしかきすゑさせしばらく御きうそくありけり。やぶにぬかのいくらもありけるを、忠盛そでにもりいれてぜんへ参り、
  いもが子ははふ程にこそなりにけれ
と申したりければ、院やがて御心得あッて、
  ただもりとりてやしなひにせよ
とぞつけさせましましける。

Heike monogatari, boek 6 (sectie 10, ‘Gion nyōgo’ 祇園女御 [‘Vrouwe Gion’]). [SNKBZ 45, p. 463.] Voor een variante vertaling, zie: Jos Vos, vert., De val van de Taira (Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2022), p. 343-344.

Titsingh levert in zijn versie een klein meesterstuk af, wat mij betreft. In de transcriptie is hier en daar wat fout gegaan (‘Fofo dono’ in plaats van hau hodo, ‘Fadamori’ voor Tadamori) en de woordafbrekingen zijn curieus, maar Titsinghs vertaling is helemaal correct (zo behoudt hij ‘kruipend’, Fr. rampant, voor hau 這ふ).

De Franse vertaling van dit korte kettingvers is, nemen we aan, van Titsingh zelf, naar zijn onuitgegeven Nederlandse Urtext. [Lequin 2002, p. 209, 215.] Er heeft in de achterhoede van de weinigen die zich met Titsingh bezig hebben gehouden een discussie gewoed over de vraag in welke mate hij het Japans (en klassiek Chinees) beheerste. Timon Screech is het meest uitgesproken in zijn twijfel aan Titsinghs vermogen in zo korte tijd op dat niveau Japans geleerd te hebben. Titsingh zelf lijkt beweerd te hebben dat hij in twee jaar Japans geleerd had [Screech 2006, p. 3, 220 (noot 10).] en Japanse kennissen van hem waren onder de indruk van in ieder geval de ijver waarmee hij Japans leerde. [Boxer 1950, p. 146-147.] 

Zeer waarschijnlijk lijkt me dat Titsingh flink hulp gehad heeft bij het vertalen, zeker bij deze gedichten. De transcriptiefouten (‘fofo dono’ betekent niks, bijvoorbeeld, en is sowieso a far cry van hau hodo) suggereren een beperkte kennis van het Japans. Dat doet verder niets af aan de wonderbaarlijkheid van zijn tekst.

Het een-tweetje tussen Shirakawa en Tadamori hangt van woordspel aan elkaar. Tadamori gebruikt de broedbolletjes van de wilde, zoete aardappelen (Eng. yams, Jp. nukago ぬか子, var. 零余子 [modern Jp. mukago]), waarin het woord voor ‘kind’ verstopt zit (ko ), als beeldspraak voor het kind dat Shirakawa verwekt heeft bij Vrouwe Gion. Daarbij laat hij in het midden wiens kind dit is, omdat de frase imo ga ko (‘aardappelbroed’*) ook nog begrepen kan worden als ‘(mijn/uw) zusters/geliefdes kind’ (妹が子). Op zijn beurt koppelt Shirakawa ‘plukken’ (moru, mori-) aan Tadamori’s naam en geeft impliciet aan dat, door de jonge Kiyomori te adopteren, Tadamori mag rekenen op zijn blijvende steun (yashinai 養ひ, ‘leeftocht’).

*) Jos Vos (2022) en Royall Tyler [vert. The Tale of the Heike (New York/Londen; Viking/Penguin, 2012), p. 337-338.] kozen beiden voor respectievelijk ‘spruit’ en ‘[sweet] sprout’, wat gegeven de plantaardige associatie een mooie vertaaloplossing is.

                                    *   *   *   *   *

Afgelopen week zag ik kans om de Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag te bezoeken. 

(We —of alleen ik— zijn al zo ver afgegleden, dat elke keer dat ik onderzoek doe, het voelt als spijbelen, terwijl het toch echt in mijn taakomschrijving staat. Ik werd er voortdurend gebeld vanwege Dingen in de Wereld, zodat ik tussen het lezen van manuscripten door me in de zwarte ‘bel-cel’ in de KB moest opsluiten voor overleggen.)

De reden voor dat bezoek was dat ik bij Frank Lequin in zijn Titsingh-biografie uit 2002 gelezen had dat er in de KB een autograaf van Titsingh ligt van diens manuscript dat na zijn dood bewerkt zou worden tot Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns. De KB bezit zelfs twee versies van dat manuscript; het tweede manuscript is een kopie van de eerste, waarschijnlijk gemaakt met oog op publicatie. 

Dat tweede manuscript is een net afschrift (duidelijk in andere hand dan die van Titsingh) van Titsinghs manuscript, getiteld Nipon-O-day-itje-ran of Verslag van de Regeering der Dayris van Japan (signatuur KA.147: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’). Dit manuscript bevat een aantal landkaarten in kleur en een tekening van de uitbarsting van de vulkaan Asama in 1783. [Voor een reproductie van die laatste, zie Lequin 2002, p. 69, afb. 22.]

Mij ging het natuurlijk vooral om het manuscript dat eigenhandig door Titsingh is geschreven. Het is getiteld Tydrekening der Japanners en Chinesen (signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’), en heeft als vroegste datering 1807. 

(Op losse vellen zijn er aantekeningen in het manuscript gestopt van Titsingh met onder meer afschriften van brieven uit 1809 en 1810, en rapportages van latere lezers uit 1812, 1832 en 1833. Het geheel zit een map met opschrift ‘Mr. I. Titsingh over Japan’. De map is mogelijk bewerkt met arsenicum‚ blijkbaar niet ongebruikelijk rond 1800, zodat een mens die met medische handschoenen hanteren moet. Ik had dat nog niet eerder meegemaakt.)

Het was voor mij een ontroerend moment de bewuste passage in Titsinghs handschrift te zien. In bruin geworden inkt op papier stond daar toch echt dat korte kettingvers van Shirakawa en Tadamori, met een Nederlandse vertaling. Ik moest duidelijk mijn opmerking van vier jaar geleden herzien: in 1807 of mogelijk zelfs wat eerder —en dan ongetwijfeld op basis van aantekeningen uit de jaren ’80 van de achttiende eeuw— schreef een Nederlander een Nederlandse vertaling op van een Japanse gedicht, uit de brontaal. Die mijlpaal kon zo ruim een eeuw eerder gelegd worden. Niet De Visser in 1913 maar Titsingh in mogelijk al 1782 of 1783 en in elk geval in 1807 produceerde de eerste vertaling direct uit het Japans van flarden poëzie.

De passage in het manuscript is als volgt. Er zitten een paar verschillen met de Franse vertaling.

[…] hy was een nazaat van Kiyo Mori, die men wil dat van den 50sten Dayri Kwanmoe-ten-O afstamde, doch ten onregten, wijl hij een zoon was van den 72sten Dayri Zirokava-no-Fowo. Zijn schoonvader Tada Mori, in de 1ste maand van het 3de jaar der nengo Nin-fe (1153) overleden, stamde van KwanmoetenO af: Zirokava-no-Fowo gaf een zijner byvrouwen aan Tada Mori, zij was toen zwanger, en beviel van Kiyo Mori: Tada Mori bragt hem toen hij nog op handen en voeten kroop by den Dayri om hem zijn Vader te doen zien, aan wien hy in het volgende vaers vroeg

                        Imo ga ka O

                        Fo fo dono ni ko so

                        na ri, ni ki ri

            Wat moet vande kruipende vrucht van een byvrouw worden?

Zirokawa antwoorde terstond met de slotregels

                        Tada Mori torite

                        Ja si na i ze jo

            Tada Mori neem hem aan, en breng hem groot.

Isaac Titsingh, Tydrekening der Japanners en Chinesen (manuscript, 1807), p. 414-415. Bijzondere Collecties, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag (signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’).

Je kan zeggen: klein bier, maar het valt op dat de informatie in Titsinghs manuscript historisch correct is en dat er in zijn eigen Franse vertaling (1820) een aantal fouten is geslopen, die vervolgens consciëntieus zijn doorgegeven aan de Engelse (1822) en Nederlandse (1824-1825) vertalingen. Het is in Titsinghs Nederlandse origineel niet de vorst Shirakawa die in 1153 sterft, maar Taira no Tadamori: dat klopt. Dat de Taira-tak waarin Tadamori geboren werd ‘afstamde’ van de vorst Kanmu klopt ook. Dat Titsingh dat benadrukt lijkt voort te komen uit een poging tot verklaring: dat mensen dachten dat ook Kiyomori van Kanmu afstamde was dan omdat ze er ‘ten onregte’ van uitgingen dat Tadamori de biologische vader van Kiyomori was. (Er waren verschillende ‘clans’ die hun afstamming terugvoerden op de zoon van een vorst die de zoon in kwestie had ‘gedegradeerd’ tot gewone hoofse sterveling. Die daad werd gesymboliseerd door het schenken van een clannaam. ‘Taira’ is zo een naam; ‘Minamoto’ is een ander.) Ook transcribeert hij de naam van Tadamori correct; ik meen tenminste in zijn handschrift echt een ‘T’ te zien staan en geen ‘S’.

Interessant is dat Titsingh de Japanse term ‘nengo’ (nengō 年号) gebruikt. Nengō, of ‘periodenamen’ (meer letterlijk ‘jaarnamen’) waren in Oost-Azië de gebruikelijke manier om tijd te ordenen. Japan gebruikt de nengō nog steeds, maar sinds 1868 lopen die parallel met de regeerperiode van een keizer. (Zo leven we nu in het achtste jaar van de Reiwa-periode.) In premoderne en vroegmoderne perioden hadden regeerperioden en periodenamen niets met elkaar te maken. Ninpyō of Ninpei (‘Ninfe’) is de periodenaam voor het tijdvak 1151-1153. Titsingh was lichtelijk geobsedeerd door Japanse tijdbalken, heb ik het idee, dus heel verrassend is dit detail nu ook weer niet.

                                    *   *   *   *   *

In een volgende blogpost hoop ik terug te komen op Titsinghs interesse in Japanse poëzie. Zijn boek is gelardeerd met geciteerde waka en bevat zelfs een kort opstel over het onderwerp. Dat wist ik op zich wel (een en ander is ook opgenomen in Timon Screechs Engelse editie van 2006), maar nu pas besef ik dat Titsinghs Nederlandse origineel onder handbereik ligt. We hoeven niet meer te speculeren wat zijn vroege vertalingen hadden kunnen zijn, maar we kunnen het nalezen, in zijn eigen handschrift.

                                    *   *   *   *   *

Ik las:

  • C.R. Boxer, Jan Compagnie in Japan, 1600-1850 (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1950). [M.n. hoofdstuk 7, p. 135-172: ‘Isaac Titsingh, 1745-1812’.]
  • Heike monogatari 平家物語, ed. Ichiko Teiji 市古貞次, Shinpen nihon koten bungaku zenshū (SNKBZ) 44-45 (Tokyo: Shōgakukan, 1994).
  • H. Mack Horton, Linked Verse in Japan: History, Commentary, Performance (New York: Columbia University Press, 2025).
  • F. Lequin, Isaac Titsingh (1745-1812), een passie voor Japan: leven en werk van de grondlegger van de Europese Japanologie (Alphen aan den Rijn: Canaletto/Repro-Holland, 2002).
  • Timon Screech, red., Secret Memoirs of the Shoguns: Isaac Titsingh and Japan, 1779-1822 (Londen/New York: Routledge, 2006).
  • Isaac Titsingh, Tydrekening der Japanners en Chinesen (manuscript, 1807). Bijzondere Collecties, Koninklijk Bibliotheek, Den Haag; signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’.
  • Isaac Titsingh, Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns, red. Jean Pierre Abel Rémusat (Parijs: A. Nepveu, 1820).
  • Isaac Titsingh, Illustrations of Japan, vert. Frederick Shoberl (Londen: R. Ackermann, 1822).
  • Isaac Titsingh, Bijzonderheden over Japan, tweede deel, vert. uit het Engels (Den Haag: Weduwe Johannes Allart, 1825).

De afbeeldingen boven aan de blogpost tonen respectievelijk: [Links:] delen van pagina’s 414 en 415 in Titsinghs manuscript Tydrekening der Japanners en Chinesen (gedateerd 1807). Bron: Bijzondere Collecties, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag (signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’). [Rechts:] ‘Een afbeelding van een rokende Hollander’ (Orandajin tabako o suu zu 和蘭おらんだじん食煙たばこをす), toegeschreven aan Araki Jogen 荒木如元 (1765-1824), met als bijschrift ‘Een zwarte slaafgemaakte staat naast hem met een zilveren dienblad met daarop een asbak en een tondeldoos’ (meshitsukai no kurobō ginban ni haifuki to hi-ire to o nosete katawara ni tateri 奴隷めしつかひのくろぼうぎんぼん唾壷はひふきいれとをのせかたはらにたてり). Vermoedelijk eind achttiende eeuw. Slaafgemaakten zijn vrij onzichtbaar in de VOC-archieven, behalve bij verkoop of vermoede overtreding, maar Japanners waren zeer geïnteresseerd in de tot dienst gedwongen Aziatische jongens (want dat waren ze meestal) die de Nederlanders naar Dejima meebrachten. Isaac Titsingh zal er in zijn tijd in Japan allicht zo hebben uitgezien als de man links. Bron: Boxer, Charles Ralph, ‘“The Mandarin at Chinsura”: Isaac Titsingh in Bengal, 1785-1792’, Koninklijke Vereeniging Indisch Instituut: Mededeling No. LXXXIV, Afdeling Volkenkunde, No. 32 (1949), p. 3-28 (afbeelding tegenover p. 3).

Categorieën
poëzie

pruimenmeester

            Toen hij verbannen werd, wierp hij nog een laatste blik op de pruimenboom bij zijn huis:

                                                De Postume Opperminister [845-903]

als de oostenwind waait

            stuur me dan je geuren toe

jij pruimenbloesem:

denk niet ‘geen meester meer’

            om dan je lente te vergeten

kochi fukaba / nioi okose yo / mume no hana / aruji nashi tote / haru o wasuru na

  ながされ(はベリ)ける時、家のむめの花を見侍て
          贈太政大臣
かばにほひをこせよ梅花(むめのはな)あるじなしとて春を忘るな

Shūi wakashū 16 (‘Mengelwerk: lente’), no. 1006. Dat ‘Postume’ ( 贈) slaat op de mogelijkheid om iemand postuum een promotie in rang en/of benoeming te verlenen (zōi 贈位). Michizane werd pas na zijn dood benoemd tot Opperminister (daijō daijin 太政大臣). In een variante, wat latere versie heeft deze waka als laatste regel ‘haru na wasure so’ 春な忘れそ, met dezelfde betekenis. Dat ik haru 春 vertaal met ‘je lente’ in plaats van het neutrale ‘de lente’ is vanwege de gedachte dat Michizane hier niet simpelweg het voorjaar als seizoen van plantenbloei bedoelt maar zijn pruimenboom herinnert aan specifiek de eigen ‘bloei’ en pracht van de boom die de bloei van het Huis Sugawara weerspiegelt.

Deze waka wordt toegeschreven aan Sugawara no Michizane 菅原道真 (845-903). Michizane was in de eerste plaats een ‘geletterde’ (monnin 文人), iemand die flink had doorgestudeerd aan de hofacademie en doorkneed was in de klassieken van de Sinitische literatuur.

Michizane schreef dan ook vooral gedichten in literair Sinitisch — vele honderden zelfs. Er zijn maar 38 waka overgeleverd die aan hem toegeschreven worden.

Michizane had uitzonderlijk succes als academisch geschoold bureaucraat binnen het bureacratisch systeem van laat-achtste-eeuws Japan. Mede dankzij gunsten van de vorst, die in hem een instrument zag om de macht van het Fujiwara-Regentenhuis wat te beknotten, wist hij op te klimmen tot Minister ter Rechterzijde (udaijin 右大臣). Die bureaucratische carrière werd daarmee ook een politieke — en in het politieke machtsspel was Michizane minder bedreven dan de Fujiwara-kingpins.

Zodra ‘zijn’ vorst afstand deed van de troon en door een ander opgevolgd werd, verloor Michizane belangrijke vorstelijke steun en wisten de Fujiwara hem in 901 te laten verbannen. Die verbanning nam de vorm aan van ‘wegpromoveren’: hij werd benoemd tot Vice-Gouverneur-Generaal (gon no sochi 権帥) van Dazaifu, het hoofkwartier van het centraal gezag in het meest westelijke eiland Kyushu. Vandaaruit werden onder meer Japans handelscontacten met het Aziatische vasteland onderhouden. Maar een verbanning bleef het en Michizane zou in Dazaifu sterven.

Na zijn dood begon Michizane een tweede leven, dit keer als godheid. Na blikseminslagen in het paleis en onverklaarbare sterfgevallen in het Regentenhuis, besefte men in de hoofdstad dat dit het werk was van Michizane’s wraakzuchtige geest (onryō 怨霊) die genoegdoening wilde voor het hem aangedane onrecht. Dat besef leidde tot postume promoties en uiteindelijk tot de verheffing van Michizane tot ‘Hemelse Godheid’, of Tenjin 天神. Michizane is daarmee een van de vroegste voorbeelden (zo niet het vroegste) van de vergoddelijking van een historisch persoon.

Onder die naam staat hij tot op de dag van vandaag bekend in Japan. In het hele land zijn er zo’ 14.000 heiligdommen aan hem gewijd, meestal met de naam Tenmangū 天満宮. Niet heel verrassend, gegeven Michizane’s geleerdheid, zijn die heiligdommen er vooral om succes bij toelatingsexamens voor allerhande onderwijsinstellingen af te smeken.

De ‘vliegende pruim’ (tobi-ume 飛梅) op het terrein van het Tenjin-heiligdom (Tenmangū) in Dazaifu, Kyushu. Foto Wikipedia.

Net als zijn voorvaderen voor hem had Michizane een bijzondere voorliefde voor de pruim (Jp. ume, oud-Japans: mume ). De villa (of preciezer: de studeervertrekken) van de Sugawara-familie had als naam ‘Rode-pruimenhal’ (Kōbaiden 紅梅殿). 

En dan betreden we nu de wereld van mythologie: het verhaal wil dat Michizane toen hij verbannen werd een laatste blik wierp op de pruimenboom van zijn voorouderlijk huis. Een variant wil dat hij in zijn ballingsoord intens aan deze boom dacht. De pruimenboom —of er waren meer puimenbomen, maar slechts één ervan was sentimenteel— wist zich te ontwortelen aan de hoofdstedelijke grond en vloog naar het meest westelijke puntje van het land om zich daar bij zijn verbannen meester te voegen. Het gedicht van Michizane was voor de boom het duwtje in de rug om die stap te zetten.

Gelooft de lezer dit niet? Het bewijs is dat er in Dazaifu, op het terrein van het Tenjin-heiligdom daar, een zeer oude pruimenboom staat. Er staat een bord bij dat de boom officieel aanduidt als de ‘vliegende pruim’ (tobi-ume 飛梅) van Michizane.

Die ‘pruim’ is overigens een abrikoos (Japanse abrikoos, Prunus mume), maar laat ik —heel laf— niet proberen een eeuwenoude vertaaltraditie te negeren. 

Eerlijk gezegd weet ik niet of de mume in oud Japan inderdaad dezelfde boom is als de ume van vandaag de dag. 

                        *  *  *  *  *

Een bloeiende abrikoos (Prunus armeniaca), zusje van de Japanse ‘pruim’ (ume, die in feite een abrikoos is). Nieuwe Rijn, Leiden, 13 maart 2026.

Het gedicht van Michizane kun je op tenminste twee plekken in Nederland tegenkomen. Als onderdeel van het Leidse project Gedichten op muren (georganiseerd door de Stichting TEGEN-BEELD) staat het gedicht in kalligrafie van Chikako Wijsman-Saga op een muur bij de ingang van de Hortus Botanicus. Omdat die ingang van de Leidse hortus, als onderdeel van een stukje Rapenburg, in miniatuurvorm herschapen is in Madurodam, Den Haag, bestaat een miniatuurkalligrafie van het gedicht ook in Den Haag — voor wie daar goed zoekt.

                        *  *  *  *  *

‘De kers in de hof voor de Zuidhal was oorspronkelijk een pruim.’ (Naden no zentei no ōju wa moto kore ume nari 南殿前庭桜樹者本梅也.) Een passage uit de dertiende-eeuwse Shūgaishō 拾芥抄, geciteerd in De maan boven het meer-aantekeningen bij Het verhaal van Genji (Genji monogatari kogetsushō 源氏物語湖月抄, 1673).

Dat ik ‘haru in Michizane’s gedicht vertaal met ‘je lente’ in plaats van het neutrale ‘de lente’ is vanwege de gedachte dat Michizane hier niet simpelweg het voorjaar als seizoen van plantenbloei bedoelt maar zijn pruimenboom herinnert aan specifiek de eigen ‘bloei’ en pracht van de boom die de bloei van het Huis Sugawara weerspiegelt.

De pruimenbloesem stond voor een culturele houding die terrein aan het verliezen was in de hoofse wereld van klassiek Japan. De pruim was namelijk geliefd bij de cultuurelite in het oude China en de pruimenliefde van Michizane en andere geletterden in Japan was dan ook een echo van die continentale voorkeur. Vanaf ca. 900 voltrok zich een vrij heftige cultuuromslag in de wereld van de Japanse hofcultuur, waarbij afstand genomen werd van ‘China’ en er nadrukkelijk ruimte werd gecreëerd voor een culturele entiteit die ‘Japan’ was. In politiek opzicht betekende dit onder meer dat geletterden, die hun identiteit ontleenden aan ‘Sinitische’ kennis, gemakkelijker opzijgeschoven konden worden door de Realpolitiker van het Fujiwara-Regentenhuis. 

Symbolisch voor dat alles was dat er al generaties lang voor de ceremoniële Zuidhal (Naden 南殿, Shishinden 紫宸殿) van het paleis een mandarijn (tachibana ) en een pruim stonden geplant — tot het begin van de tiende eeuw. Toen werd die pruim vervangen door een boom die ‘Japansheid’ moest symboliseren: de kers (sakura ). En sindsdien staan er voor de Zuidhal een mandarijn en een kers, en is de pruim al elf eeuwen uit het vorstelijk zicht verdwenen.

Michizane’s val uit de gratie van het centrum van de Japanse cultuur ging dus gepaard met de verbanning van de pruimenboom. Zijn oproep aan de pruimenboom om de glorie en pracht van de Sinitische bloei niet te vergeten was tevergeefs. De pruimen bloeien natuurlijk nog steeds, vooral bij Tenjin-heiligdommen, maar doen dat weggestopt op plekken waar een mens vooral hopen moet op een goede afloop.

Het valt me zwaar om dit niet te vertalen naar het nu: een tijd waarin cultuuroorlog geen plek ziet voor kennis en voor een besef van langdurige verbinding tussen verschillende culturen.

Over de foto’s bovenaan deze blogpost — Links: een stukje Leids Rapenburg in Madurodam, Den Haag, met Academiegebouw en ingang van de Hortus Botanicus. Rechts: de ‘achterkant’ van de ingang van de Leidse Hortus Botanicus in Madurodam, Den Haag, met links het gedicht van Michizane. Foto’s uit 2008.

Categorieën
poëzie

boeken lezen (no. 1)

            Boeken lezen (1)

Mijn haren zijn nog niet grijs geworden;

toch deed ik al vroeg mijn kapinsigne af.

Al lukt het me nog niet in een woud te wonen,

sloot ik mijn deuren diep tussen ’s werelds gewoel.

’t Is niet dat ik geen vriendschap aanhou,

maar etiquette blijkt me niet goed af te gaan.

Converseren en lachen: het mag vrolijk lijken,

maar roddel dringt zich steeds weer op.

Ben ik trouw aan mezelf, dan bruuskeer ik iemand;

hou ik de schone schijn op, dan bleef ik beter stom.

Het beste is terug te keren naar mijn boeken;

daarin is tenminste iemand die mijn hart begrijpt.

 
読書八首(其一)。吾髪猶未白、早已擲華簪。未能住林壑、杜門紅塵深。豈無友朋締、俯仰非所任。言笑雖云楽、謗譏動侵尋。率意時触諱、飾情亦等瘖。不如還読書、有人獲我心。

SNKBT 66, p. 300-301. Voor de filologen: ‘een kapinsigne [let. fraaie haarspeld] weggooien of afdoen’ (kashin o nageutsu 擲華簪) is een ambtenarenbaan opzeggen (de haarspeld is een aan de kap bevestigd insigne van het ambt). Kōjin 紅塵 (let. ‘het scharlaken stof’) is een beeldspraak voor het wereldse leven in de grote stad. Fugyō 俯仰 (let. ‘[op de juiste momenten] vol eerbied neerliggen en vol eerbied opkijken’) is sociaal wenselijk gedrag vertonen. Shokki 触諱 (‘bruuskeren’ of ‘iemand tegen de haren in strijken’) is letterlijk het uitspreken van de ‘taboenaam’ (imina 諱, persoonsnaam voor privésituaties, dan wel de manier om postuum naar iemand te verwijzen) van een hogergeplaatst persoon; dat is een ongepaste lichtzinnigheid.

Dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) schreef een reeks van acht Sinitische gedichten op het thema ‘boeken lezen’ (dokusho 読書); eerder vertaalde ik nummers 3 en 6. Dit is dus nummer 1.

Wat er voor de buitenstaander te zien is van de ‘Purperbergen-en-klaarwater-stek’ (Sanshi-suimeisho 山紫水明処) in Kyoto, 21 oktober 2024.

In oktober 2024 vervulde ik een oude wens. Ik kon toen eindelijk naar binnen in de ‘Purperbergen-en-klaarwater-stek’ (Sanshi-suimeisho 山紫水明処) in Kyoto. Dat is de naam die Rai San’yō gaf aan zijn studeer- en ontvangstvertrek. Het bestaat nog steeds en zijn nazaten wonen in het huis ernaast, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is.

Duur was het niet om het huisje te bezoeken (de toegangsprijs was ¥700, op dat moment omgerekend €4,30), maar gedoe kostte het des te meer. In de stijl van veel plekken-voor-kenners in Japan is er voor de Sanshi-suimeisho wel een (archaïsch aandoende) website maar zijn er geen contactgegevens anders dan een postadres. Daarheen kan je, uiterlijk twee maanden vóór aankomst in Kyoto, een verzoek sturen waarin je twee data mag noemen waarop jij graag een bezoek zou afleggen. Je stuurt met dat verzoek een gefrankeerde briefkaart of envelop mee; daarmee krijg je dan vroeg of laat antwoord. Dat antwoord kan zijn dat die twee data niet uitkomen.

Eenmaal aangekomen werd ik hartelijk ontvangen door een nazate van Rai San’yō die de hele tijd de indruk maakte dat ze al die San’yō-adepten weliswaar gepast vleiend maar ook lichtelijk vermakelijk vond. Ik vroeg haar onder meer of er vaak mensen voor de Sanshi-suimeisho kwamen, omdat de aanmeldprocedure wat omslachtig is. Ik was al de veertiende bezoeker die maand, meldde ze. Het is altijd ontnuchterend te ontdekken dat, zodra je denkt dat je een bijzondere gek bent om een bepaalde moeite te doen, te ontdekken dat je in een wachtrij staat (‘Pick a number, son’). Een heel gezonde ervaring.

Hoe dan ook, die oktobermiddag zat ik dan op de tatami-matten in de ruimte waar San’yō (nemen we dan aan) zijn gedichtenreeks ‘Boeken lezen’ schreef — en ook die boeken las waarover hij het in de gedichten heeft. Beter nog: waar hij de sake dronk en de borrelhapjes verorberde waarvoor het boekenlezen de aanleiding was.

(Ik maakte uiteraard veel foto’s, maar heb op verzoek van de familie beloofd geen ervan openbaar te maken.)

De afbeelding toont het schilderij Henk de Court Onderwater [1877-1905] op zijn ziekbed (1904 of 1905), door Gerrit Willem van Blaaderen (1873-1935).

Categorieën
poëzie

des kats

            kattenlied

            .

kan dat, een kat in plaats van een klok?

en toch

is er in elk huis wel een kat

waar ze drentelend met vuile pootjes aan het spelen is.

de aard van een kat

is dat ze heel goed de aard van mensen doorheeft

bij aardige mensen blijft ze in de buurt,

bij nare mensen loopt ze een blokje om,

terwijl ze steeds zo’n beetje ligt te slapen

houdt ze met een half oog de mensen in de gaten.

in elk huis is er wel eentje,

maar kan dat, een kat in plaats van een klok?

            .

  猫のうた
 
猫は時計のかはりになりますか。
それだのに
どこの家にも猫がゐて
ぶらぶらあしをよごしてあそんでゐる。
猫の性質は
人間の性質をみることがうまくて
やさしい人についてまはる、
きびしい人にはつかない、
いつもねむってゐながら
はんぶん眼をひらいて人を見てゐる。
どこの家にも一ぴきゐるが、
猫は時計のかはりになりますか。
Links: Murō Saisei met zijn kat Gino ジイノ. Rechts: een tekening van Onchi Kōshirō 恩地孝四郎 (1891-1955) voor Murō’s gedicht, voor een uitgave van de bundel in 1933.

In 1929 publiceerde de dichter Murō Saisei 室生犀星 (1889-1962) zijn bundel Een poëziebestiarium (of misschien toch maar gewoon: ‘Dierengedichten’, Dōbutsu shishū 動物詩集, 1929). De bundel was op het oog bedoeld voor kinderen en doet een beetje denken aan Rudy Kousbroeks Lieve kinderen hoor mijn lied (1990). Zoals Bregje Boonstra destijds in De Groene Amsterdammer schreef (maar dan over Kousbroeks vervolgbundel Varkensliedjes uit 1996): ‘Eigenlijk denk ik dat we niet met kinderpoëzie van doen hebben, maar met light verse’, zo kan een mens ook bij de gedichten in Murō’s bundel wel eens twijfelen voor wie ze nu eigenlijk zijn bedoeld.

Vorige week was Kattendag in Japan, maar ik had dat schandelijk laten schieten. Bij deze een goedmakertje.

De foto toont een kat in een doos.

Categorieën
poëzie

droog luisteren

            Op ‘wind door de pijnbomen’:

                                    Een vorstelijke compositie van de teruggetreden vorst

om niet nat te worden

            sta ik een tijd te wachten

in de schaduw van een pijn

waar hij me naar de wind luisteren laat

            de regen die een ruisen blijkt

nururu ka to / tachiyasuraeba / matsukage ya / kaze no kikasuru / ame ni zo arikeru

  松風を
         院御製
ぬるゝかと立ちやすらへば松かげや風の聞かする雨にぞありける

Iwasa Miyoko benadrukt in haar commentaar bij dit gedicht dat het niet daadwerkelijk regent, maar dat de dichter beseft dat het ruisen van de wind door de pijnbomen de suggestie van het ruisen van regen oproept. Iwasa Miyoko 岩佐美代子, ed., Kigi no kokoro hana no kokoro: Gyokuyō wakashū shōyaku 木々の心 花の心:玉和歌集抄訳 (Tokyo: Kasama Shoin, 1994), p. 262.

            Uit vorstelijke gedichten over verschillende onderwerpen, op ‘wind’:

luid weerklinkend

            komt vanuit de pijnboomtoppen

                        naar beneden

om stil te eindigen in het gras

            de valwind vanaf de berg

hibikikuru / matsu no ure yori / fukiochite / kusa no koe ni yamu / yama no shitakaze

  雑御歌の中に、風
ひゞき来る松のうれより吹きおちて草に声やむ山の下風

Gyokuyō wakashū 16 (‘Gemengde onderwerpen 3’), nos. 2179-2180.

Een portret, toegeschreven aan Fujiwara no Tamenobu 藤原為信 (1248-?), van ‘Teruggetreden Vorst Fushimi’ 伏見院 (1265-1317), in Portretten van vorsten en regenten (Tenshi sekkan miei 天子摂関御影), een laat-dertiende- en vroeg-veertiende-eeuwse rolschildering met 131 (uiteraard goeddeels fictieve) portretten van vorsten en hoge hovelingen uit de Heian- en Kamakura-perioden (794-1333), die in 1878 aan het keizershuis werd geschonken. Bron: Wikipedia.

Twee gedichten van de oud-keizer Fushimi 伏見院 (1265-1317), die in 1298 afstand had gedaan van de troon en dus de ‘teruggetreden vorst’ (in ) was toen de Verzameling van gedichten als jade bladeren (Gyokuyō wakashū 玉葉和歌集, voltooid ca. 1313) op zijn verzoek werd samengesteld.

De foto is van Kaique Rocha.