Categorieën
poëzie

een wolk als envelop

Mijn oudere zus overleed en als een herinnering daaraan ontmoette ik iemand van wie de jongere zus overleden was — we beloofden aan elkaar te denken als vervanger van die overledenen. Op mijn brieven schreef ik ‘Aan mijn oudere zuster’ en zij schreef mij ‘Aan mijn middelste zuster’, maar toen we afscheid moesten nemen om allebei naar verre oorden af te reizen schreef ik op afstand, treurend om ons scheiden:

geef aan vleugels

            van ganzen naar het noorden

                        je gedachten mee:

met een wolk als envelop

            dat je niet opgeeft me te schrijven

kita e yuku / kari no tsubasa ni / kotozute yo / kumo no uwagaki / kakitaezu shite

  姉なりし人亡くなり、また人のおとと失ひたるが、かたみにあひて、亡きが代りに思ひ思はむといひけり。文ふみの上に姉君と書き、中の君と書きかよひけるが、おのがじし遠き所へ行き別るるに、よそながら別れ惜しみて
北へ行く雁のつばさにことづてよ雲のうはがきかきたえずして

Murasaki Shikibu shū 15; Shinkokin wakashū 9-859 (met als inleiding: ‘Toen zij afscheid nemen moest van iemand aan wie zij geen loze belofte had gedaan’ 浅からず契りける人の行き別れ侍りけるに). ‘Kumo no uwagaki’ is een zogenaamd ‘spilwoord’ (kakekotoba): kumo no ue [hier ‘verstopt’ in uwa], ‘boven de wolken’ of ‘over de toppen van wolken’, overlapt deels met uwagaki, ‘adres op een brief’, hier vertaald als envelop). Als jonge vrouw vertrok Murasaki Shikibu in 996 naar de provincie Echizen, ten noordoosten van de hofstad, aan de Japanse Zee, omdat haar vader daar benoemd was als provinciaal gouverneur. Wilde ganzen vliegen na overwintering in de lente weer naar het noorden. Het idee van zo’n gans als postbode gaat terug op een Chinese legende over de diplomaat Sū Wǔ 蘇武 (ca. 145-60 v.Chr.), die, na gevangen te zijn genomen door de Xiongnu, op die manier een geheime boodschap naar de hoofdstad wist te sturen.

1 november is, sinds 2012, in Japan bij wet de Dag van de Klassieken (koten no hi 古典の日). De definitie van ‘klassieken’ is heel breed, vindt het Bureau voor Culturele Zaken van de Japanse overheid (Bunkachō 文化庁), en slaat ook op bijvoorbeeld Sinitische poëzie, het gō-spel, klassieke muziek, buitenlandse literatuur in vertaling.

Dat voor 1 november is gekozen is omdat in de memoires van Murasaki Shikibu 紫式部 (978?-1016?) haar meesterwerk Het verhaal van Genji (Genji monogatari) voor het eerst ter sprake komt op de eerste dag van de Elfde Maand in het vijfde jaar van de Kankō 寛弘-periode (ons jaar 1008), volgens de oude maankalender. [Murasaki Shikibu nikki, episode 36; NKBT 19, p. 470; ShinchōNKBS, p. 52.]

Die dag viel in dat jaar overigens op 7 december, maar een kniesoor die daarop let, natuurlijk.

Kortom, het is een wat voorspelbaar gebaar naar vooral de eigen cultuurgeschiedenis, maar het is toch mooi dat een overheid vindt dat ook ‘cultuur van vroeger’ gevierd moet worden. 

De waka hier is van Murasaki Shikibu zelf; dat leek me gepast. Het is er een die ik om de een of andere reden al sinds mijn studententijd uit mijn hoofd ken. Het zal hem zitten in de klankherhalingen: elke ‘regel’ (of metrische eenheid van vijf of zeven morae) begint met een ‘k’. Dan is er vooral die woordverdubbeling in de combinatie van uwagaki (‘envelop’) en kakitaezu (‘ophouden met schrijven’), waarbij [kumo no] uwagaki dan ook nog eens een ‘spilwoord’ is (kumo no ue, ‘boven de wolken’, en uwagaki, ‘adres op brief’).

Wat dat betreft vind ik mijn vertaling mislukt; die doet te weinig met het klankspel (ik heb een beetje zitten klunzen met de ‘g’-klank). Het beeld van het origineel bleef wel enigszins overeind.

De aanleiding voor het gedicht is weemoed. De herinnering aan overledenen versterkt de herinnering aan hen die nog wel leven maar er ook niet meer zijn. Ook dat leek me wel gepast: het is een echo van hoe we met dierbare ‘cultuur’ van mensen van ‘vroeger’ omgaan, die ‘klassieken’, dus—ze zijn er niet meer, maar ze zijn er toch nog wel, in de flarden van wat ze nalieten.

De foto toont een wolk op 27 april 2024.

Categorieën
poëzie

iemand als ik

van iemand als ik

            zijn hart en dus gevoelens

                        geheel op zichzelf

buiten mij is er verder

            niemand die ze kennen kan

ware to iu / hito no kokoro wa / tada hitori / ware yori hoka ni / shiru hito wa nashi

我といふ人の心はたゝひとりわれより外に知る人ハなし

Vermoedelijk uit 1963. In Setsugo’an yawa 雪後庵夜話 (‘Nachtelijke gesprekken in de Setsugo’an’, 1967), een postuum uitgegeven bundeling van herinneringen en essays. De Setsugo’an 雪後庵 (‘Huize Na de sneeuw’) was de naam van twee opeenvolgende buitenhuizen in Atami waar Tanizaki veel van zijn romans geschreven heeft.

De tanka in Tanizaki’s eigen handschrift, ondertekend met ’Jun’ichirō’ 潤一郎.

Van de romanauteur Tanizaki Jun’ichirō 谷崎潤一郎 (1886-1965) is dit eigenlijk de enige tanka die ik ken.

Dat wil zeggen, in zijn roman Stille sneeuwval (Sasameyuki 細雪, 1943-1948) zijn er passages zoals die waarin een echtpaar na een bezoek aan Kyoto elkaar tanka schrijven. Daarvan moet je dan toch aannemen dat Tanizaki die zelf verzonnen heeft om zijn personages in de mond te leggen:

            Op een dag in april, in Saga:

al die mooie mensen

            trekken mooie kleren aan

                        en komen samen

in Saga vlakbij Kyoto

            staan de kersen in volle bloei

yoki hito no / yoki kinu tsukete / yoritsudou / kyōto no saga no / hanazakari kana

  四月某日嵯峨にて
佳よき人のよき衣つけて寄りつどふ京都の嵯峨の花ざかりかな

Saga (ook nog wel eens gelijk gesteld aan Arashiyama) ligt ten noordwesten van Kyoto. 

            In de Heian Jingū zag ik hoe de bloesems vielen:

vlietende lente

            liet sporen na—al te treurig

vallen de bloesems

            die ik zo graag in mijn mouwen

                        bij me had willen stoppen

yuku haru no / nagori oshisa ni / chiru hana o / tamoto no uchi ni / himete okamashi

  平安神宮にて花の散るを見て
ゆく春の名残り惜しさに散る花を袂のうちに秘めておかまし

De Heian Jingū (‘Heian-schrijn’) is een modern shintō-heiligdom dat in 1895 in noordwest-Kyoto is gebouwd in een stijl die nadrukkelijk verwijst naar de architectuur van de klassieke Heian-periode (794-1185). De gedachte achter dit gedicht is dat door kersenbloesems in je mouw te verstoppen je de lente wat langer bij je houden kan.

ach tenminste toch

in mijn mooiste bloesem-kleding

            bloesemblaadjes

                        had ik zo graag willen stoppen

als sporen van de lente

ito semete / hanami-goromo ni / hanabira o / himete okamashi / haru no nagori ni

いとせめて花見ごろもに花びらを秘めておかまし春のなごりに

Tanizaki Jun’ichirō, Sasameyuki, deel 1, hoofdstuk 19, pocketeditie (Tokyo: Chūō Kōronsha, 1983, 199918), p. 156-157. Voor een alternatieve vertaling, zie: Junichiro Tanizaki, Stille sneeuwval, vert. Jacques Westerhoven (Amsterdam: Meulenhoff, 1994), p. 109. Deze tanka zijn aardig maar ook niet veel meer dan dat. Besef wel dat zij in de roman geschreven worden door mensen die geen professionele dichters zijn, dus kloppen doet dat wel.

Tanizaki gold (en geldt?) in het Westen als een van de Grote Drie naoorlogse romanauteurs, samen met Nobelprijswinnaar Kawabata Yasunari en Mishima Yukio. In Japan is hij nog steeds wel een grote naam, maar de Grote Drie hebben wel last van hetzelfde euvel als de Nederlandse Grote Drie (Hermans, Reve, Mulisch): dat de namen nog wel eens klinken, maar hun boeken steeds minder gelezen worden. Wel jammer, want zeker Tanizaki was een groot stilist.

Voor een overzicht van werken van Tanizaki in Nederlandse vertaling, zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Junichiro_Tanizaki (‘Bibliografie’).

Literatuurcriticus Itō Sei 伊藤整 (1905-1969) heeft van dit gedicht blijkbaar gezegd: ‘Als tanka is dit een prachtstuk; de gedachte erachter en uitdrukking ervan sluiten naadloos aan op de dichtstijl van Nieuwe verzameling van gedichten van vroeger en nu.’ 歌として見事であり、思想表現がそのまま『新古今』あたりの歌風の中にきちんと納まっている Maar hij was dan ook een heel groot bewonderaar van Tanizaki — en niet noodzakelijk een groot poëziekenner.

Zelf ben ik er nog niet uit. Het is zonder meer een intrigerend gedicht, dat je lezen kan als een uiting van Tanizaki’s eigenheid. Eenzaamheid of arrogantie, of beide, wie zal het zeggen?

De foto toont een serieus kijkende Tanizaki Jun’ichirō.

Categorieën
poëzie

koude berg

            In de stijl van Hanshan

Het pad eindigt op Koude Berg;

op Koude Berg veel dorre bomen.

Een ijle wind kapt haangeschrei af;

kille wolken ontlokken een houthaklied.

Gaan en komen: dat ging zonder doel;

gericht klimmen: hoe komt dat tot een eind?

Dan weer omlaag over het pad van Koude Berg;

op Koude Berg veel dorre bomen.

倣寒山体。路到寒山尽、寒山枯木多。風高断雞唱、雲冷起樵歌。去来本無意、向上竟如何。又下寒山路、寒山枯木多。

1895. Shiki zenshū 17 (Kaizōsha, 1930), p. 418.

De haiku-dichter Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902) begon al op zijn tiende of elfde Sinitische poëzie te produceren. 1895 was het jaar dat hij terugkwam uit China, waar hij als journalist de Japanse troepen was gevolgd in de eerste Sino-Japanse oorlog en van nabij het oorlogsgeweld daar had meegemaakt. Het was ook het jaar dat hij voor eerst bloed spuwde, de voorbode van zijn dood door tuberculose zeven jaar later.

Dit gedicht is een nadrukkelijke verwijzing naar de legendarische excentrieke Chinese Zen-dichter Koude Berg (Ch. Hanshan, Jp. Kanzan 寒山), die vermoedelijk, mogelijk, in de achtste of negende eeuw leefde. Shiki leunt erg op het beeld van een winterse berg met kale bomen, en neigt niet direct naar de vaak wat glimlachende, onthechte toon van Hanshan’s gedichten. Sinitische poëzie over het beklimmen van een berg is meestal een beeld voor het proberen te bereiken van inzicht. Op deze berg valt niks te halen voor de dichter. Onverrichterzake daalt hij weer naar beneden af.

Overigens had Shiki een ‘ding’ met de term ‘koude berg’, omdat hij bijvoorbeeld het manuscript waarin hij 12.700 haiku uit de periode 1885-1896 thematisch rangschikte op onderwerp de titel Gevallen bomen op een koude berg (Kanzan rakuboku 寒山落木) meegaf. Een gedichtenreeks in vrij vers (shintaishi 新体詩, ‘poëzie in moderne  stijl’) uit 1889 had als titel ‘Dorre bomen op een koude berg’ (Kanzan koboku 寒山枯木).

De afbeelding toont ‘Schildering van Hanshan en Shide’ (Kanzan Jittoku zu 寒山拾得図) door Kanō Sansetsu 狩野山雪 (1590-1651).

Categorieën
poëzie

onbevrucht ei

aan gure herfstwinden

            laat grootstad Tokyo je denken:

een onbevrucht ei

akikaze o / yobu tōkyō no / museiran

秋風を呼ぶ東京の無精卵

Een haiku van Tsubouchi Yoshinori 坪内稔典 (1944). Het gedicht suggereert existentiële leegte: Tokyo met zijn vele miljoenen inwoners is een metropool waar mensen niet met elkaar in verbinding staan en waar leven dus ontbreekt. De stad is zo steriel als een onbevrucht ei, een schil zonder levensvatbare inhoud. Die vaststelling roept eenzaamheid op en benadrukt de betekenisloosheid van het bestaan, zoals herfstwinden dat doen. 

Als je het geheel van het aaneengesloten stedelijk gebied in de Kantō-vlakte als uitgangspunt neemt, dan telt dit ‘Groot-Tokyo’ een goede 41 miljoen inwoners. De frase ‘tōkyō no museiran’ kun je lezen als ‘het onbevruchte ei dat Tokyo is’.

Elke tweede vrijdag van oktober is de internationale dag van het ei (Eng. World Egg Day). Dit jaar was dat dus afgelopen vrijdag. 

De afbeelding toont een detail van De mand met eieren (Le panier d’œufs, 1788) van Henri-Horace Roland Delaporte (1724-1793). Collectie Louvre. Eieren van verf op doek zijn ook onvruchtbaar, natuurlijk.

Categorieën
poëzie

HI BI YA

         HI BI YA

            .

een intense vierkant

            ketenen en geweervuur en intrige

            soldaten en edelmetaal en medailles en eer

hoger     hoger     hoger     hoger     hoger     hoger torenen

     HET PRECIEZE CENTRUM VAN DE STAD——HIBIYA

            .

gebroken ruimte

            eindeloze valstrikken en begravingen

            begraafplaatsen voor de nieuwe intellectuele arbeiders

hoger     hoger     hoger     hoger     hoger     nog hoger     nog hoger

     de donkere ruimten tussen hoge gebouwen

            slachtpartijen en uitbuiting en ruzies

            .

hoger     hoger     hoger     hoger     hoger     hoger     hoger

     roeren     roeren     roeren     roeren     roeren     roeren     roeren

HI BI YA

hij     gaat     door——

hij     gaat     door——

            alles naar voren

in zijn handen heeft hij zijn eigen sleutel

            een nihilistische lach

            een provocatieve valutadans

hij gaat door——

punt

zwijgend —begraafplaatsen— naar eeuwige begravingen

de laatste dans en dronk

de piek en de focus

hoger     hoger     hoger     hoger     hoger     hoger torenende spitsen

            .

hij     gaat     door          alleen !

hij     gaat     door          alleen !

HI BI YA

            .

   日 比 谷
            
.
強烈な四角
   鎖と鉄火と術策
   軍隊と貴金と勲章と名誉
高く 高く 高く 高く 高く 高く聳える
 首都中央地点——日比谷
            
.
屈折した空間
   無限の陥穽と埋没
   新しい智識使役人夫の墓地
高く 高く 高く 高く 高く より高く より高く
 高い建築と建築の暗間
   殺戮と虐使と噛争
            
.
高く 高く 高く 高く 高く 高く 高く
  動く 動く 動く 動く 動く 動く 動く
日 比 谷
彼は行く——
彼は行く——
   凡てを前方に
彼の手には彼自身の鍵
   虚無な笑い
   刺戟的な貨幣の踊り
彼は行く——
点
黙々と——墓場——永劫の埋没へ
最後の舞踏と美酒
頂点と焦点
高く 高く 高く 高く 高く 高く 高く聳える尖塔
            
.
彼は行く 一人!
彼は行く 一人!
日 比 谷

Uit Hagiwara Kyōjirō’s Shikei senkoku 死刑宣告 (Doodvonnis, 1925), p. 94-95.

Hagiwara Kyōjirō’s gedicht ‘Hibiya’.

Toen ik een tijdje terug uit enthousiasme over recente vertalingen Nakahara Chūya misschien wel de eerste echte modernistische dichter van Japan noemde, werd ik op mijn plaats gezet door iemand die, terecht, vroeg: ‘Hirato Renkichi en Hagiwara Kyojiro waren geen modernistische dichters?’ Punt is dat deze twee dichters net ietsje ouder waren dan Nakahara en zonder meer het etiket ‘modernistisch’ verdienen. Waarvan akte.

Nu was ik al gefascineerd door het werk van Hagiwara Kyōjirō 萩原恭次郎 (1899-1938), zeker sinds ik een facsimile van diens bekendste bundel in handen kreeg. Hij behoorde tot een groep avant-garde kunstenaars, dichters en dansers die vooral na de Grote Kantō-aardbeving van 1 september 1923 naar uitdrukkingsvormen zochten om subjectieve ervaringen —meestal: een vervreemding—van het bestaan in een rap technologiserende massacultuur te verwoorden en te verbeelden. Die combinatie kreeg vorm in een nadrukkelijk visuele verwoording, waarop allerlei etiketten zijn geplakt: ‘neo-dadaïstisch’ [Weisenfeld 2002, p, 97], futuristisch [Hackner 2001] en expressionistisch. 

Hagiwara’s bundel Doodvonnis (Shikei senkoku 死刑宣告) uit 1925 is een exuberante uiting van die programmatische totaalbenadering van de ontregelende sensaties van wat het moderniseringsproces kan aanrichten. Daarin staat onder meer zijn gedicht ‘HI BI YA’, dat gezien wordt als een kritiek op die modernisering. De intellectuelen zijn verworden tot loonslaven van het ‘intense vierkant’ dat de verknoping is van kapitalisme, militarisme, bureaucratie en politieke verrotting. [Usami Yukihiko, in Hackner 2001, p. 137-138.]

Hibiya, midden in Tokyo, was een eeuw geleden een centrum voor moderne overheidsgebouwen en bedrijfspanden waar witte-boorden-werknemers zich voegden naar de nieuwe orde. Meteen ten noorden ervan bevond (en bevindt) zich het Onnoembare: het keizerlijk paleis, symbool van de moderne natiestaat. Het was ook de plek waar begin twintigste eeuw heftige protestdemonstraties plaatsvonden — én waar in 1921 Hirato Renkichi 平戸廉吉 (1894-1922) zijn Beweging van het Futuristische Handvest (Nihon Miraiha Sengen Undō 日本未来派宣言運動) uitgeroepen had. [Gardner 2006, p. 57, 97-98.]

                                                *   *   *   *

Een opmerkelijke associatie is het niet, natuurlijk, maar de eerste keer dat ik gedichten van Hagiwara onder ogen kreeg moest ik onmiddellijk denken aan de expressionistische poëzie van zijn tijdgenoot Paul van Ostaijen (1896-1928) met haar ‘ritmiese typografie’. Beiden zijn gelijktijdig met dezelfde experimenten bezig om de ontregeling van de modernisering zichtbare woorden te geven en daarmee ook een politiek commentaar te hebben.

                                                *   *   *   *

Meer vertaalde gedichten van Hagiwara Kyōjirō zijn onder meer te vinden in poëzietijdschrift Asymptote.

Pagina’s 106-107 (boven), met de tekst ‘voor een gebed volstaat één luciferstokje!’ (kitō wa matchi no bō ippon de tariru! 祈禱はマッチの棒一本で足りる!), en omslag plus foedraal (onder) van Hagiwara Kyōjirō’s dichtbundel Doodvonnis (Shikei senkoku 死刑宣告) uit 1925. Facsimile-heruitgave uit 1975. Veel aandacht ging naar de visuele presentatie van de bundel, met linoleumsneden (rinokatto リノカット), fotocollages en schilderijen van onder meer Murayama Tomoyoshi 村山知義 (1901-1977) en Okada Tatsuo 岡田竜夫 (1900-1937).

Ik (her)las:

  • William Gardner, Advertising Tower: Japanese Modernism and Modernity in the 1920s (Cambridge: Harvard University East Asia Center, 2006).
  • Thomas Hackner, Dada und Futurismus in Japan: Die Rezeption der historischen Avantgarden (München: iudicium, 2001).
  • Hagiwara Kyōjirō 萩原恭次郎, Shikei senkoku 死刑宣告 [‘Doodvonnis’] (facsimile-uitgave: Tokyo: Nihon Kindai Bungakukan, 1975; oorspronkelijk: Chōryūsha Shoten, 1925).
  • Hara Kōichirō 原浩一郎, ‘Hagiwara Kyōichirō to “Hibiya”’ 萩原恭次郎と「日比谷」, blogpost op note.com, 25 februari 2020. (Ook op zijn eigen blog, 22 februari 2020.)
  • Gennifer Weisenfeld, Mavo: Japanese artists and the avant-garde, 1905-1931 (Berkeley: University of California Press, 2002).

De foto toont de sectie ‘Boem paukeslag’ uit het gedicht ‘Music Hall 2’ van Paul van Ostaijen (1896-1928) in zijn bundel Bezette stad (1921). In: Paul van Ostaijen, Verzamelde gedichten (Amsterdam: Bert Bakker, 1981), p. 352-353.

Categorieën
poëzie

papiervisje

            zelfs zijn naam is tot volkomen

                        verdwijnen voorbestemd

na mo kuchihatsuru / mono ni arikeri

名も朽くち果はつるものにありけり

als papiervisjes

in woorden huizen, worden dat loze

            herinneringen

shimi no sumu / fumi o munashiki / katami nite

紙し魚みの棲すむ文をむなしき形見にて

Chikurinshō 6 (‘Liefde 2’ 恋連歌下)-939. Anoniem. ‘Naam’ (na 名) kan ook ‘reputatie’ betekenen. De brief (fumi 文) van een overleden of anderszins uit het leven verdwenen geliefde vergaat door papier vretende insecten. Ook dat fysieke aandenken (katami 形見) is dan weg.

Gisteren hadden we aan de Universiteit Leiden sterauteur Kawakami Mieko 川上未映子 (1976) te gast voor een workshop met studenten Japanstudies. Ook haar Nederlandse vertalers Maarten Liebregts en Maria Smolders waren daarbij aanwezig. Laat gezegd zijn dat dat een groot succes was, waarbij goed voorbereide studenten langdurig in gesprek konden met Kawakami over haar werk.

Kawakami’s roman Alle geliefden van de nacht (Subete mayonaka no koibitotachi すべて真夜中の恋人たち, 2011) werd dit jaar verfilmd door Sode Yukiko 岨手由貴子 (1983) en draait dit jaar op het filmfestival Camera Japan, waar ik die vandaag zag.

(De film wordt nog eens vertoond op 1 oktober a.s., in Amsterdam.)

Roman en film eindigen met een brief die aan veel dingen een einde maakt. Die brief en de liefde die eraan voorafging dienen daarna voor een oefening tot emotioneel afstand bewaren (wat iets anders is dan verdringing), uit zelfbehoud.

Dit korte kettingvers uit de late vijftiende eeuw herlas ik nu in het licht van Kawakami’s roman. Dat kleurt de vertaling.

De foto is een still uit de film All the Lovers in the Night (Subete mayonaka no koibitotachi, 2026) van Sode Yukiko, naar de gelijknamige roman Alle geliefden van de nacht (2011; vert. Maria Smolders, 2024) van Kawakami Mieko.

Categorieën
poëzie

spinnendans

            op de mast een wat vreemde

                        spinnendans in uitvoering

            .

een zwarte jongen

            wil het weer voorspellen

op het zwarte schip

saki wa ayashiki / kumomai no waza // kurobō no / hiyori ukagau / fune no ue

先はあやしき蜘舞のわざ / 黒坊の日和うかゞふ船の上

Nobuchika senku 信親千句 (1655), boek 6; geciteerd in Kawamura 2014, p. 42. Kurobō (var. kuronbo) 黒坊 was het woord waarmee vroegmoderne Japanners verwezen naar de tot slaafgemaakte jongens en mannen uit Zuid- en Zuidoost-Azië in dienst van Portugezen en Nederlanders. ‘Spinnendans’ (kumomai) sloeg op een vorm van acrobatiek. De ‘omgekeerde’ prosodie (7-7 / 5-7-5) suggereert een maeku-zuke.

Van een lezer kreeg ik de vraag of er in vroegmoderne Japanse poëzie ook Portugezen voorkomen. Portugese handelaren waren in Japan actief in de jaren 1543-1639 en over de Nederlanders die daar vanaf 1600 waren is er door Japanners tenslotte nogal wat afgedicht. Mij wilde niks te binnen schieten en snel zoekwerk met onder meer als trefwoord nanban 南蛮 (‘Zuidelijke Barbaren’, de vroegmoderne term om naar Portugezen te verwijzen) leverde niets op. Ik vond welgeteld één wetenschappelijk artikel over het onderwerp. Heel curieus.

Dat ene artikel is van Kawamura Eiko (Universiteit van Kyoto) en suggereert dat nanban weliswaar in vroegmodern Japan voorkomt in allerlei samenstellingen maar dan niet in poëzie. Wat je wel nogal eens in zeventiende-eeuwse haikai-verzen ziet, zo lijkt het, is het woord kurofune 黒船, ‘zwarte schepen’: de term om westerse schepen aan te duiden. Dat gaat dan in de regel om zwart geteerde Portugese schepen rond 1600.

Dat de term later ook ging slaan op de vloot van de Amerikaanse eskadercommandant Matthew C. Perry (1794-1858) in 1853 en 1854 is in deze context niet relevant.

Én zeventiende-eeuwse gedichten noemen de tot slaafgemaakte jongens en mannen uit Zuid- en Zuidoost-Azië in dienst van Portugezen — én van Nederlanders: kurobō (var. kuronbo) 黒坊.

Omdat ‘zwarte schepen’ eigenlijk niet gebruikt werd voor Hollandse schepen én omdat zowel die Portugese zwarte schepen als de tot slaafgemaakte jongens en mannen uit Zuid- en Zuidoost-Azië in dienst van Portugezen zo prominent te zien zijn op het genre kamerschermen dat bekend staan als ‘kamerschermen met Zuidelijke barbaren’ (nanban byōbu 南蛮屏風; daarvan zijn er een kleine honderd bewaard gebleven), gaat Kawamura er begrijpelijkerwijs van uit dat al deze zeventiende-eeuwse gedichten gaan over Portugese schepen.

zwarte jongens —

aan boord van die zwarte schepen

            moeten ze geweest zijn

meer nog dan aloëhout

            heerlijk geurende wierook

kurobō ya / sa zo kurofune ni / aritsuran / kyara no hoka ni mo / kaoru takimono

黒坊やさぞ黒船にありつらん伽羅の外にもかほるたき物

In Tama’egusa 玉江草 (‘Juwelenriet’, 1677); geciteerd in Kawamura 2014, p. 41. Kurobō 黒方 is sinds de Heian-periode (794-1185) óók de naam van een type wierook. Intrigerend vind ik dat de Portugezen in 1677 al 28 jaar niet meer in Japan gezien waren, zodat je je moet afvragen of dit niet over een Nederlands schip en Nederlandse slavernij gaat of om een vrij oude waka.

verkillend is

hoe het afgevuurde kanon

            weerklinken kan

de haven in zicht geraakt

            komt het zwarte schip binnengevaren

suzamajiku / utsu teppō no / oto wa shite / minato o mitsuke / hairu kurofune

冷じくうつ鉄砲の音はして湊を見つけ入る黒船

In Kan’ei jūsannen atsuta manku 寛永十三年熱田万句 (1636?), 49; geciteerd in Kawamura 2014, p. 42.

  • Kawamura Eiko 河村瑛子, ‘Kohaikai no ikokukan: nanban, kurofune, igirisu, oranda kō’ 古俳諧の異国観:南蛮・黒船・いぎりす・おらんだ考 [‘Buitenlandbeeld in oude haikai-verzen’], Kokugo kokubun 国語国文 83: 1 (2014), p. 35-51.

De afbeelding toont een detail van een zogenaamd Nanban-kamerscherm (nanban byōbu 南蛮屏風), ca. 1600-1625. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Te zien zijn wat de Japanners destijds ‘zwarte jongens’ (kurobō 黒坊) noemden.

Categorieën
poëzie

de aren van de rijst

[Eén van] vier gedichten die vorstin Iwanohime schreef toen zij verlangde naar haar vorst:

op najaarsvelden

            over de aren van de rijst

                        schuift de ochtendnevel

wanneer, ooit ergens, zal ze,

            als mijn liefde, een einde vinden?

aki no ta no / ho no he ni kirau / asakasumi / izuhe no kata ni / waga koi yamamu

  磐姫皇后思二天皇一御作歌四首
秋田之穂上尓霧相朝霞何時辺乃方二我恋将息

Man’yōshū (midden 8e eeuw) boek 2, no. 88. Vorstin Iwanohime leefde, naar we aannemen, in de vierde eeuw n. Chr. Zij was de gemalin van vorst Nintoku (traditionele —maar niet bepaald realistische— data: 290-399).

de aren van de rijst

            moeten weldra in bloei staan

witte wolken

            strekken zich laag op laag

                        in dunne slierten uit

ine no hana / saku beku narite / shirakumo wa / ikue no ue ni / suji ni tanabiku

稲の花咲くべくなりて白雲は幾重の上にすぢに棚びく

Saitō Mokichi (1882-1953).

echt plezier, dat is

als in de rijstkist die eerst leeg leek

            toch nog wat rijst zit

en je weet dat deze maand

            alles nog in orde is

tanoshimi wa / aki-komebitsu ni / kome ideki / ima hitotsuki wa / yoshi to iu toki

たのしみはあき米櫃に米いでき今一月はよしといふとき

Tachibana [no] Akemi 橘曙覧 (1812-1868) is wel een ‘dichter van chique armoe (honourable poverty)’ genoemd. Bekend is zijn reeks Plezier in je eentje (Dokuraku gin 独楽吟, 1864) van 52 waka die allemaal beginnen met de regel ‘echt plezier, dat is’ (tanoshimi wa).

Ergens in de vierde eeuw voor Christus werd in Japan rijstbouw geïntroduceerd, vanuit het Koreaanse schiereiland. [Ohnuki-Tierney, p. 30ff.] Toch zou pas tegen het einde van de negentiende eeuw het punt bereikt zijn dat de meerderheid van Japanners rijst als basisvoedsel kon beschouwen. [Tsukuba Tsuneharu, in Ohnuki-Tierney, p. 39.]

In de vroegmoderne periode lijken Japanse stedelingen wel al zo’n drie keer per dag rijst het hebben kunnen eten, maar stedelingen maakten naar schatting maar zo’n goede vijf procent van de bevolking uit (nog altijd zo’n beetje het dubbele percentage van Europa destijds).

Rijst was dus lang elitevoedsel. De boeren die de rijst verbouwden aten die gedurende vele eeuwen niet zelf. Symbolisch belangrijk was rijst wel en in vroegmodern Japan werd hij, zoals in allerlei andere culturen in Azië, een economische eenheid: het inkomen van samurai werd uitgedrukt in koku 石, de hoeveelheid rijst die een volwassen man nodig zou hebben om een jaar van te kunnen bestaan (ca. 180 liter).

Ik herlas:

  • Emiko Ohnuki-Tierney, Rice as Self: Japanese Identities through Time (Princeton: Princeton University Press, 1993).

Toch heeft op de een of andere manier rijst het dichterslexicon van klassiek Japan niet echt gehaald. In de achtste-eeuwse bloemlezing Man’yōshū 万葉集 (Een verzameling voor tienduizend generaties) staan wel een hoop waka die rijsthalmen bevatten, maar meestal als beeld voor iets anders (in associatie liefde, bijvoorbeeld), maar die leggen het af tegen andere planten. In de tiende eeuw verdwijnt rijst zo’n beetje uit het poëziebeeld. Rijst is praktisch, en dus niet dichterlijk?

Ta 田 (al dan niet in samenstellingen) kom je ook tegen, natuurlijk, maar al leerde ik als student dat woord als ‘rijstveld’ te vertalen (‘De penseelstreken zijn een schematische weergave van de sawa’), eeuwen lang hoefde het daarin verbouwde voedsel niet per se rijst te zijn — belastingen en erediensten hebben het over ‘de vijf granen’ (gokoku 五穀); rijst was er daar slechts een van. Ta was cultuurlandschap: een bewerkt stuk grond en vooral een concept in tegenstelling tot dat andere Japanse woord voor ‘veld’: no 野, een onbewerkt, ‘wild’ stuk grond.

In vroegmoderne haikai-verzen kom je de rijst al wat meer tegen. Ik heb het hier over klassieke waka (tanka).

Op 5 september jl. gebeurde er in de Boterhuispolder aan de Kaag iets bijzonders: Nederlands allereerste Polderrijstdiner. Als onderdeel van Polderlab wordt onder meer daar rijst geteeld. Belangrijk doel is het vinden van landbouwoplossingen om het veenweidelandschap in Nederland te herstellen. Concreet: nattere polders en alternatieven voor veeteelt (koeien houden niet zo van natte hoeven).

[6 oktober 2026] Lees en kijk hier meer hier de eerste polderrijstoogst.

Rijst lijkt in dit klimaatsgewricht het goed te kunnen doen in de Nederlandse polder. Inmiddels is er dus al ‘polderrijst’. De productie is nog niet genoeg om al in de winkel te kunnen kopen, maar voldoende om in allerlei gerechten te verwerken die door een gezelschap van boeren, wetenschappers en kunstenaars met smaak konden worden opgegeten. Het diner werd gelardeerd met allerlei mini-lezingen en -voorstellingen. Dit alles —en een heel dagprogramma voorafgaand aan het diner— werd georganiseerd door Meta Knol en kunstenaar Wapke Feenstra.

De polderrijstdinertafel voordat de gasten aanschoven en er werd opgediend. Boterhuispolder, 5 september 2026. Foto Meta Knol.

Toen het bij de polderrijst-onigiri (gang 6) al flink begon te schemeren mocht ik een paar Japanse ‘rijstgedichten’ voorlezen. Dit zijn ze.

Ik las mijn Engelse vertalingen voor; als verstrooide professor had ik mijn Nederlandse vertalingen thuis laten liggen. Die krijgen bij deze de lezers van dit blog als primeur.

De foto toont een stuk stof met rijstarenpatroon, ontworpen door Wapke Feenstra. Foto Nicole Roepers.

Categorieën
poëzie

liefdesverdriet, een voetnoot

Toen hij onbedoeld een relatie kreeg met een vrouw die in de westvleugel van het paleis van de keizerin aan de Vijfde Avenue woonde, raakte zij kort na de tiende van de maand ergens buiten zicht. Hoewel hij hoorde waar ze nu was, kon hij haar geen bericht sturen en in de daaropvolgende lente, toen de pruimenbloesems op hun mooist waren, op een nacht met de fraaiste maan, ging hij naar die westelijke vleugel, verlangend naar het voorgaande jaar, waar hij op de plankenvloer ging liggen totdat de maan onderging en dichtte:

                                                            Heer Ariwara no Narihira

is dit dan niet die maan?

is deze lente dan soms niet 

            die lente van weleer?

alleen dit ik, zo lijkt, is echt

            diezelfde ik als van destijds

tsuki ya aranu / haru ya mukashi no / haru naranu / waga mi hitotsu wa / moto no mi ni shite

            […] 

Waardering: Omdat er ‘kort na de tiende van de maand’ staat, ga ik ervan uit dat het nu [in het gedicht] kort na de tiende van de tweede maand is, een nacht met de fraaiste maan. Ach! bloesems vullen de hemel, de maan verlicht de aarde: de aanblik van de lente is als altijd. Iemand vol wanhoop en met een gebroken hart die zich daarmee geconfronteerd ziet, wat voor melancholie moet hij voelen? Om op zo’n manier te lenen van natuurschoon en de onveranderlijke fenomenen ervan te contrasteren met de veranderlijkheid van de eigen situatie is een gebruikelijke kunstgreep van dichters; het is van dezelfde strekking als het gedicht van Zhao Gu:

            Alleen bestijg ik de riviertoren, mijn gedachten zwerven weg;

            de maneschijn is als het water, het water gaat over in de hemel.

            Zij die met mij de maan bewonderde: waar is zij heen gegaan?

            het landschap is helemaal hetzelfde en lijkt precies als toen.

  五条のきさいの宮の西の対たいに住みける人に、ほいにはあらで物いひわたりけるを、月のとをかあまりになむ、ほかへ隠れにける。あり所は聞きけれど、え物もいはで、又の年の春、梅の花ざかりに、月のおもしろかりける夜、こぞを恋ひて、かの西の対にいきて、月のかたぶくまで、あばらなる板敷にふせりて、よめる
     在原業平朝臣
月やあらぬ春や昔の春ならぬわが身ひとつはもとの身にして
 
  <中略>
 
評 詞書に「月の十日あまりに」とあるので思ふと、今はその翌年の二月頃の十日あまりで、月の最も面白い夜頃である。あはれ花天月地、春色は依然としてゐる。失意失恋の身でこれに対すると、その感愴はどんなものか。かく自然の景物を借り来って、その不変の現象を境遇上の変化に対照させたことは、感哀を永からしめる詞家の慣手段で、趙蝦の詩に、
 独上リテ二江楼一思渺然タリ、月光如クレ水々連ルレ天ニ、同ジク来リテ翫ビルレ月ヲ人何ノ処、風景依稀トシテ似タリ二去年ニ一。
と作ったのも同一軌である。<後略>

Kokin wakashū, boek 15 (‘Liefde 5’) [no. 747]. Kaneko, Kokin wakashū hyōshaku (1927), p. 753, 754. Kaneko citeert een versie van Kokin wakashū waarin niet ‘kort na de tiende van de eerste maand’ (mutsuki no tōka amari ni 睦む月の十とを日かあまりに) staat, maar de maand ongespecificeerd blijft. Nu is er wel sprake van de Japanse pruim maar die kon ook bloeien in de tweede maand van de maankalender (ruwweg maart); Kaneko gaat er blijkbaar vanuit dat de brontekst de tweede maand bedoelt. ‘Bloesems vullen de hemel, de maan verlicht de aarde’ (katen getchi 花天月地, let. ‘bloesem-hemel en maan-aarde’) is een compacte uitdrukking die de pracht van de lente weergeeft. Kaneko vergist zich en geeft ‘Zhào Xiā’ 趙蝦 in plaats van ‘Zhào Gŭ’ 趙嘏 (een verschrijving: xiā 蝦 betekent ‘garnaal’; hier heb ik dat in vertaling stilzwijgend gecorrigeerd). De grammatica van Kaneko’s commentaar is modern, maar de spelling ervan is nog ouderwets (ahare, wiru, enz.). Hier heb ik de oude vormen van kanji aangepast aan moderne vormen (dus 変 in plaats van 變, enz.). Shika 詞家 (‘woordkunstenaar’, ‘dichter’) intrigeerde me; de betekenis ervan is duidelijk, maar woordenboeken zeggen dat het woord niet bestaat.

Een tijd geleden kreeg ik een antiquarisch boek cadeau van de kleindochter van een oud-militair die in 1919 in Leiden Japans begon te studeren en in 1921 naar Tokyo verhuisde om daar als diplomaat bijna de rest van zijn leven te blijven. Naast zijn reguliere werk bestudeerde en vertaalde deze J.B. Snellen (1893-1940) ook Japanse literatuur. 

Die familie is —bijzonder!— er een waarvan meerdere generaties in Leiden Japans (en Chinees) studeerden. Lees hier een interview met een moeder en dochter (tevens kleindochter en achterkleindochter).

Het boek in kwestie is de ééndelige ‘nieuwe editie voor de Showa-periode’ (shōwa shinpan 昭和新版; 1121 pagina’s) uit 1927 van Commentaar op De verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū hyōshaku 古今和歌集評釈). (De Shōwa-periode begon in 1926.) Op het schutblad noteerde Snellen vermoedelijk de datum waarop hij het boek aanschafte: 30 december 1937.

Het boek bevat ook het merkje van de boekhandel waar Snellen zijn exemplaar gekocht moet hebben: de Kitazawa Bookstore (Kitazawa Shoten 北澤書店), in de befaamde boekhandelwijk Jinbōchō in Tokyo. Opgericht in 1902 en gespecialiseerd in vooral Engelstalige boeken, bestaat dit antiquariaat nog steeds. Omdat toeval niet bestaat heb ik deze zomer een afstudeerscriptie van een van onze studenten mogen lezen over de verschuivingen in de manier waarop antiquariaten in Jinbōchō zichzelf aan hun publiek presenteren. Leidend daarbij is het idee van ‘Instagrammability’. Veel aandacht was er voor de Instagram-strategieën van de huidige, vierde generatie eigenaar van precies dit antiquariaat, Kitazawa Rika, om het publiek te verleiden met antiquarische boeken als esthetisch object.

Snellens geannoteerde editie van de eerste vorstelijke verzameling van Japanse poëzie is het werk van Kaneko Moto’omi 金子元臣 (1868-1944), een leerling van tanka-dichter en literatuurhistoricus Ochiai Naobumi 落合直文 (1861-1903) en zoon van een samurai in directe dienst van de shōgun die hoogleraar werd aan de Keiō Universiteit in Tokyo. Kaneko’s Commentaar verscheen voor het eerst, in vijf delen, in de jaren 1901-1908 en is dus de neerslag van Kaneko’s studie en noeste arbeid uit het einde van de negentiende eeuw.

Ik was, en ben nog steeds, zeer verguld met dit genereuze geschenk, dat ik ervaar als een tastbare band met een Nederlandse vakgenoot die een kleine eeuw geleden deels dezelfde teksten als ik bestudeerde.

De term die ik als ‘commentaar’ vertaal is in het Japans een samengesteld woord, hyōshaku 評釈, waarbij de eerste component (hyō) een waardeoordeel (‘evaluatie’, ‘waardering’) impliceert en de tweede (shaku) een ‘uitleg’ aangeeft. Concreet houdt dat in dat Kaneko per brontekst van oude gedicht eerst een woordverklaring geeft (de ‘uitleg’) en een vrije vertaling naar het Japans van rond 1900, om vervolgens in een mini-essay (de ‘waardering’) de lezer een handreiking te doen voor hoe die het gedicht tot zich kan laten spreken.

Hier vertaalde ik het eerste deel van Kaneko’s ‘waardering’ voor gedicht 747 uit De verzameling van gedichten van vroeger en nu. In een vorige blogpost ging ik al in op dit gedicht en op middeleeuwse en vroegmoderne visualisaties ervan. 

Interessant is dat Kaneko in zijn commentaar zo nadrukkelijk een parallel trekt met Chinese poëzie, terwijl de Kokin wakashū juist symbool staat voor ‘Japansheid’ in de dichtkunst. Dat hij de universele en dus herkenbare emotie van de negende-eeuwse Ariwara no Narihira benadrukt kan ik alleen maar toejuichen. Dat hij een Chinese tijdgenoot van Narihira als retorisch voorbeeld gebruikt lijkt me tekenend voor zijn training: Kaneko was een Meiji-geleerde, opgeleid in een tijdperk waarin kennis van Sinitische literatuur nog hoog in het vaandel stond. 

De Chinese dichter die Kaneko aanhaalt als illustratie van de universaliteit van Narihira’s emoties is de negende-eeuwse Zhào Gŭ 趙嘏 (ca. 806-ca. 854). Dat is niet bepaald de meest beroemde dichter uit de Tang-periode, maar zijn kwatrijn ‘In een toren aan de rivier schrijf ik mijn gevoelens op’ (Jiāng lóu shū găn 江楼書感) is bekend genoeg om geciteerd te worden op zijn Japanse Wikipedia-pagina.

Zhao Gu’s kwatrijn met Japanse samenvatting in Selectie van gedichten uit de Tang in eigen schrift uitgelegd (Edo: Sūzanbō, 1782), deel 4, boek 7. Collectie Waseda University Library.

Bewijzen kan ik het niet, maar het zou me niks verbazen als Kaneko zijn inspiratie voor deze vergelijking haalde uit Selectie van gedichten uit de Tang (Tangshīxuăn, Jp. Tōshisen 唐詩選). Deze bloemlezing van Sinitische poëzie uit de Chinese Tang-dynastie (618-907), in zeven delen, is in de zestiende eeuw gemaakt door de Chinese Lĭ Pānlóng 李攀竜 (1514-1570). Praktisch aan het eind van zijn Selectie plaatste Li het kwatrijn van Zhao Gu.

Er bestaan verschillende vroegmoderne Japanse commentaren op deze Chinese bloemlezing. Eén ervan is Selectie van gedichten uit de Tang in eigen schrift uitgelegd (Tōshisen kokujikai 唐詩選国字解, postuum gedrukt in 1782). Dit was het werk van de confucianistische geleerde, dichter van Sinitische verzen en schilder Hattori Nankaku 服部南郭 (1683-1759). Toch maakt de uitleg daarin van de derde regel niet erg duidelijk waarom Zhao Gu’s kwatrijn zo mooi zou aansluiten bij Narihira’s waka. De Japanse commentator vat Zhao’s laatste couplet volgt samen:

Vorig jaar kwamen ze allemaal samen boven in deze toren en bewonderden de maan en vermaakten zich met elkaar, maar waar zijn die vrienden dit jaar heen gegaan? Geen is er gebleven, maar het landschap dat ‘helemaal hetzelfde’ doet zich op de een of ander manier vagelijk voor en is niet anders dan vorig jaar, maar de mens is nu eenmaal een vergankelijk iets — dat gevoel roept het op.

去年、この楼上にともども来て、月を配び、楽しんだが、知ち音いんは今年はどこへ行ったか一人もないが、風景は「依稀」とどうやらほのかに見たやうで、去年に相変らぬが、人といふものは、さだめないものぢゃと、感を起したるなり。

Hattori Nankaku 服部南郭, Tōshisen kokujikai 唐詩選国字解, red. Hino Tatsuo 日野龍夫, deel 3 (Tokyo: Heibonsha, 1982), p. 277. De commentator lijkt wat van zijn stuk gebracht door yīxī (Jp. iki to shite) 依稀 dat niet alleen ‘helemaal hetzelfde’ kan betekenen maar ook ‘vagelijk’, ‘vervaagd’ — maar Zhao Gu bedoelt hier toch echt het eerste. 

Wie ook dit commentaar levert (Hino Tatsuo gelooft niet dat dat Hattori Nanaku was [p. 278]) geeft als antwoord op de vraag met wie de dichter een jaar eerder de toren aan de rivier beklom: dat waren zijn (mannelijke) vrienden (zhīyīn, Jp. chi’in 知音). Dat is toch andere koek dan je nu onbereikbaar geworden Grote Liefde. De lezer die dit nog een beetje volgt herinnert zich hopelijk dat ik die derde regel vertaalde met ‘Zij die met mij de maan bewonderde’ 同来翫月人 — niet ‘bewonderden’. Met andere woorden: geen meervoud (die ‘vrienden’), maar een vrouwelijk enkelvoud. Zó moet rond 1900 ook Kaneko Moto’omi die regel hebben opgevat, anders is de analogie met de waka van Narihira zo niet zoek dan toch zwak.

Zhao Gu’s kwatrijn in Selectie van gedichten uit de Tang met handzame geschiedenissen (Tōshisen shōko 唐詩選掌故, 1776). Bezorger Chiba Unkaku 千葉芸閣 citeert bij wijze van commentaar een droevige liefdesgeschiedenis uit het leven van de dichter, met verwijzing naar de [Táng] cáizĭ zhuàn [唐]才子伝 (zie onder). Collectie Waseda University Library.

Een variante interpretatie wordt gesuggereerd door Chiba Unkaku 千葉芸閣 (1727-1792) , ook al een confucianistische geleerde, die met zijn Selectie van gedichten uit de Tang met handzame geschiedenissen (Tōshisen shōko 唐詩選掌故, 1776) een min of meer contemporain alternatief commentaar op dezelfde zestiende-eeuwse selectie van Tang-poëzie verzorgde. Dat deed Unkaku door fragmenten van relevante oude bronnen te geven als een vorm van indirecte duiding bij een gedicht. Hij schijnt dat aangevuld te hebben in zijn Selectie van gedichten uit de Tang toegelicht en uitgelegd (Tōshisen kōshaku 唐詩選講釈, door Unkaku gedicteerd rond 1790; postuum uitgegeven in 1813). Bij Zhao Gun’s kwatrijn citeert Unkaku een Chinese anekdote over Zhao Gun die een ander licht werpt op die derde regel.

Die anekdote kennen we ook uit een monsterverzameling in 81 delen van biografische weetjes over Tang-dichters, de twaalfde-eeuwse Annalen van de poëzie van de Tang-dynastie (Tángshī jìshì 唐詩紀事) door Jì Yŏugōng 計有功 (actief 1121-1161). Daarin staat over Zhao Gu onder meer vermeld:

Gu woonde ooit in het westen van Zhejiang, waar een mooie courtisane was die op hem verliefd werd; toen hij opging voor zijn hoofdstedelijke examens werd door haar moeder verhinderd dat hij haar meenam, dus vertrok hij zonder haar. Toen de gouverneur van Zhejiang naar Helin ging voor het Geestenfeest zag hij deze courtisane en maakte haar tot zijn bezit. Het jaar daarop slaagde Gu voor zijn examens en daarom schreef hij dit kwatrijn:

            Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren;

            net als op het Zonterras verdween zij in de wolken.

            Ooit hoorde ik hetzelfde vertellen over Shazahli;

            vandaag behoort mijn frisse schone Uwe Excellentie toe.

De gouverneur werd hier onrustig van en stuurde haar via een tussenpersoon [naar Gu] terug. Toen Gu door de grenspost kwam ontmoette hij haar bij de halteplaats Hengshui; daar omarmde de concubine Gu, jammerde en stierf. Vervolgens werd zij begraven aan Hengshui’s noordoever.

嘏嘗家於浙西、有美姫惑之、洎計偕、以其母所阻、遂不携去。会中元為鶴林之游、浙帥窺其姫、遂奄有之。明年、嘏及第、因以一絶箴之曰:「寂寞堂前日又曛、陽台去作不帰雲。当時聞説沙吒利、今日青娥屬使君。」浙帥不自安、遣一介帰之。嘏方出関、逢於橫水駅、姫抱嘏慟哭而卒、遂葬於橫水之陽。

Tangshi shiji, boek 56, passage 100. Ik vat jī 姫 hier op in de specifieke betekenis van concubine van een hooggeplaatst iemand (Jp. mekake 妾 of sokushitsu 側室). Het Geestenfeest (het Zhongyuan 中元-festival) wordt gevierd op de vijftiende dag van de zevende maand. Het Zonterras (yángtái 陽台) was gebouwd door de vorst van de staat Chŭ 楚 (ca. 1115-223 v.C.), en is een beeld voor een vrouwenlichaam vanwege een associatie met het verhaal dat die vorst op zijn terras bezocht werd door een fee die één nacht met hem doorbracht. (Zie ook Ikkyū’s gedicht ‘Het schaamdeel van een mooie vrouw heeft de geur van een narcis’). De verwijzing naar Shāzāhlì 沙吒利 moet slaan op een vergelijkbaar verhaal.

Het zou dan na deze dramatische dood van zijn geliefde concubine zijn dat Zhao Gu opnieuw de toren aan de rivier besteeg en daar zijn gedicht schreef.

(De anekdote staat ook in het zevende boek van Biografieën van getalenteerde meesters uit de Tang [Táng cáizĭ zhuàn 唐才子伝] uit 1304 en en dat is waaruit Unkaku citeert in zijn Handzame geschiedenissen. Unkaku geeft een licht geredigeerd citaat; zo laat hij het kwatrijn ‘Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren’, dat Xin wel geeft, weg.)

Het biografische lemma voor Zhao Gu in Biografieën van getalenteerde meesters uit de Tang (Táng cáizĭ zhuàn 唐才子伝, 1304), boek zeven, met de lange anekdote over zijn ongelukkige liefde, inclusief het kwatrijn ‘Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren’. Japanse uitgave van de Táng cáizĭ zhuàn (Kyoto: Uemura Jirōemon, 1647). Collectie Waseda University Library.

                                    *  *  *

Hèhè, dan zijn we nu eindelijk aanbeland bij de koppeling tussen Narihira’s Japanse gedicht en Zhao Gu’s kwatrijn. Chiba Unkaku is degene die in de achttiende eeuw zijn lezers aanraadt om het kwatrijn te lezen in het licht van het droevige verhaal van Gu en zijn geliefde concubine die, als in een negentiende-eeuwse stuiverroman, dood neerzijgt na eindelijk weer verenigd te zijn met de man van wie zij houdt. Zij is die grote afwezige daar boven in de toren aan de rivier. Dan moet je inderdaad lezen:

Zij die met mij de maan bewonderde: waar is zij heen gegaan?

het landschap is helemaal hetzelfde en lijkt precies als toen.

同来翫月人何処、風景依稀似去年。

En dan begrijp je dat, inderdaad, de situatie van Zhao Gu en Ariwara no Narihira dezelfde is: treuren om een onherroepelijk verloren Grote Liefde op een plek waar zij een jaar eerder nog samen waren.

Onveranderlijk natuurschoon gecontrasteerd met de veranderlijkheid van het mensenleven. Ja, dat ‘is een gebruikelijke kunstgreep van dichters’, maar dat is omdat het werkt. 

                                    *  *  *

Kaneko Moto’omi’s Commentaar is een goeie honderdtwintig jaar geleden uitgegeven als vroegmodern Japans boek met traditionele bindmethode, in vijf delen. Toch blijkt het een best modern boek in zijn combinatie van én een voor de leek toegankelijke teksteditie te willen maken van Japanse oudste vorstelijke waka-bloemlezing én de emotionele waardering van de gedichten daarin te vertalen wil naar een universeler zeggingskracht. De verzameling van oude en nieuwe gedichten is zo niet alleen een literair erfgoed van een Japanse traditie maar ook Literatuur die resoneert met poëzie uit andere culturen.

Niet zo vreemd was het dus dat in 1927 de uitgever nog steeds een markt zag voor Kaneko’s teksteditie en dan in een nieuw, westers jasje waarop een kikker en een vogel (de ontwerper maakte een gebaar naar het voorwoord van de bloemlezing waarin die dieren worden genoemd). 

Dat de Nederlandse Snellen het in 1937 op zijn bureau in Tokyo had liggen doet op de een of andere manier goed.

Een anonieme ingezonden brief, ‘Van Inheemse zijde’, dus vermoedelijk door een Indonesiër, naar aanleiding van het overlijden van J.B. Snellen. Soerabaijasch handelsblad, 30 juli 1940. Bron: delpher. Snellen moet een aardige man geweest zijn.

(Tja, ik dacht een kort stukje te schrijven ter ere van Snellens exemplaar van Kaneko’s teksteditie, maar ben toch weer eens afgedaald in het konijnenhol der filologen. Dit soort vrijetijdsbesteding geeft vooral bevrediging —anderen timmeren een konijnenhok— en hopelijk ook wat inzicht in hoe sommige verhalen levend gehouden worden.)

De foto toont het exemplaar van J.B. Snellen van Kaneko Moto’omi’s commentaar op De verzameling van gedichten van vroeger en nu (1927-editie).

Categorieën
poëzie

zwarte vlag

bewolkte lucht

            .

            op een ochtend     zag ik     in     de lucht

een zwarte     vlag     wapperen.

            flapperend     zo     wapperde ze,

maar geluid     maakte ze niet     zo hoog was zij.

            .

            ik probeerde     haar     te strijken,

maar zonder touw     lukte dat     me niet.

            de vlag flapperde wapperde alleen maar,

alsof     ze     de diepten van de hemel     in danste.

            .

            zulke ochtenden     zag ik     vaak

in de dagen     van mijn jeugd     herinner ik me

            toen     zag ik er     boven     de velden,

nu     boven     de dakpannen     van de stad.

            .

            toen     nu     tijd     verstreek,

hier     daar     de plek     is anders,

            maar flapperend flapperend in de lucht alleen,

zelfs nu is ze onveranderd die zwarte vlag.

            .

  曇天
      
.
 ある朝 僕は 空の 中に、
黒い 旗が はためくを 見た。
 はたはた それは はためいて ゐたが、
音は きこえぬ 高きが ゆゑに。
      
.
 手繰り 下ろさうと 僕は したが、
綱も なければ それも 叶かなはず、
 旗は はたはた はためく ばかり、
空の 奥おく処がに 舞ひ入る 如く。
      
.
 かゝる 朝あしたを 少年の 日も、
屡しばしば々 見たりと 僕は 憶おもふ。
 かの時は そを 野原の 上に、
今はた 都会の 甍いらかの 上に。
      
.
 かの時 この時 時は 隔つれ、
此ここ処と 彼かしこ処と 所は 異れ、
 はたはた はたはた み空に ひとり、
いまも 渝かはらぬ かの 黒旗よ。

Nakahara Chūya shishū 中原中也詩集, red. Ōoka Shōhei 大岡昇平 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1981, 199634), p. 238-239. Een eerdere versie van deze vertaling maakte ik voor het 41e Poetry International Festival Rotterdam in 2010.

Wat een feest! Dit jaar verschenen twee Engelstalige bundels met het verzameld werk van misschien wel Japans eerste écht modernistische dichter, Nakahara Chūya 中原中也 (1907-1937):

  • Nakahara Chūya, Angel at the Earth’s Extreme: Collected Poems, vert. Jeffrey Angles (New York: Penguin Books, 2026).
  • The Poetry of Chūya Nakahara: Japan’s Modernist Master, vert. Christian Nagle (Tokyo: Tuttle, 2026).

Nakahara heeft bij leven twee dichtbundels van zijn poëzie samengesteld. De eerste was Geitenzangen (Yagi no uta 山羊の歌) uit 1934. Zijn tweede bundel, Zangen van voorbije dagen (Arishi hi no uta 在りし日の歌), verscheen postuum, in 1938.

Nagle vertaalde deze twee bundels integraal, en geeft ook de Japanse tekst. Penguin heeft bij mijn weten voor het eerst een uitgave gewijd aan een individuele moderne Japanse dichter. Daarvoor vertaalde Jeffrey Angles letterlijk alle poëzie van Nakahara, ook jeugdwerk en bij leven niet gepubliceerde gedichten. Alles in mijn pocketeditie van door zijn vriend Ōoka Shōhei 大岡昇平 (1909-1988) bezorgde werk vind ik erin terug.

Twee keer Nakahara’s ‘Bewolkte lucht’ (Donten 曇天) in Engelse vertaling. Links: Angles 2026, p. 193. Rechts: Nagle 2026, p. 290. Let op het verschil in vertaalopvatting met betrekking tot ruimte die Nakahara —bewust— tussen woorden liet.

Er zijn overigens nog meer Engelse vertalingen van Nakahara’s poëzie:

  • The poems of Nakahara Chuya, vert. Paul Mackintosh en Maki Sugiyama (Leominster: Gracewing, 1993). [Een uitgebreide bloemlezing uit Nakahara’s werk; ‘Bewolkte lucht’ staat op p. 84.]

En, niet gezien:

  • Nakahara Chūya, Poems of Days Past (Arishi hi no uta), vert. Ry Beville (American Book Company, 2005).
  • Nakahara Chūya, Poems of the Goat (bilingual edition), vert. Ry Beville (Yokohama: Bright Wave Media, 2023).

Voor de Leidse universiteitsbibliotheek werden enige tijd geleden opnamen gemaakt in het kader van Japanjaar 2026 van (oud)studenten en collega’s die een zelfgekozen Japans gedicht voordragen. Ik koos Nakahara’s gedicht ‘Vroege lentewind’ (Sōshun no kaze 早春の風); het is te beluisteren op Instagram en LinkedIn. Via de account van ub leiden zijn ook andere gedichten te horen.

De foto bovenaan toont twee keer Nakahara’s Verzameld werk. Beide uitgaven zijn van 2026.