Op ‘wind door de pijnbomen’:
Een vorstelijke compositie van de teruggetreden vorst
om niet nat te worden
sta ik een tijd te wachten
in de schaduw van een pijn
waar hij me naar de wind luisteren laat
de regen die maar vallen blijft
nururu ka to / tachiyasuraeba / matsukage ya / kaze no kikaseru / ame ni zo arikeru
松風を
院御製
ぬるゝかと立ちやすらへば松かげや風の聞かする雨にぞありける
Uit vorstelijke gedichten over verschillende onderwerpen, op ‘wind’:
luid weerklinkend
komt vanuit de pijnboomtoppen
naar beneden
om te eindigen in het gras
de valwind vanaf de berg
hibikikuru / matsu no ure yori / fukiochite / kusa no koe ni yamu / yama no shitakaze
雑御歌の中に、風
ひゞき来る松のうれより吹きおちて草に声やむ山の下風
Gyokuyō wakashū 16 (‘Gemengde onderwerpen’), nos. 2179-2180.

Twee gedichten van de oud-keizer Fushimi 伏見院 (1265-1317), die in 1298 afstand had gedaan van de troon en dus de ‘teruggetreden vorst’ (in 院) was toen de Verzameling van gedichten als jade bladeren (Gyokuyō wakashū 玉葉和歌集, voltooid ca. 1313) op zijn verzoek werd samengesteld.
De foto is van Kaique Rocha.