‘van de lente de dageraad’
zou je zo langzamerhand
niet eens naar huis gaan?
haru wa akebono / sorosoro kaette / kurenai ka
春は曙そろそろ帰つてくれないか
De openingswoorden van deze haiku van Kai Michiko 櫂未知子 (1960) zijn de legendarische openingswoorden van Het hoofkussenboek (Makura no sōshi 枕草子) van Sei Shōnagon 清少納言 (ca. 966-ca. 1017). In deze passage benoemt Sei Shōnagon van elk seizoen het meest aansprekende element. Vandaar dat ik de woorden tussen aanhalingstekens zet, ook al maakt Kai in haar gedicht daarvan geen gebruik: het is na duizend jaar onmogelijk ze niet als een citaat te lezen.
Dit is een van Kai’s bekendste haiku. Ze wekt de suggestie dat iemand bij de dichter de nacht heeft doorgebracht. Het schurende en daardoor ergens ook grappige contrast tussen een citaat uit het laat-tiende-eeuws Japans en de nadrukkelijke spreektaaltoon van de rest van de haiku maakt er een ontnuchterend gedicht van. Het is nu wel genoeg met dat romantische gedoe.
‘Dat contrast [tussen klassieke schrijftaal en moderne spreektaal] is wel een techniek die je eigenlijk maar één keer kan toepassen’, zegt Kai in een interview. Met het gebruik van een spreektaaltoon (kōgochō 口語調) in een traditionele poëzievorm haakt Kai aan bij een geschiedenis van vormexperiment in moderne haiku.
Kai speelt hier met het thema van ‘het de-ochtend-erna-briefje’ (kiniginu no fumi 後朝の文) en draait daarbij het perspectief om. Zulke briefjes vormden onderdeel van een hoofse grammatica van liefdesrelaties die de adel van klassiek Japan in haar greep hield. Wanneer een hoveling de nacht had doorgebracht met een vrouw en ’s ochtends vroeg, nog voor het eerste ochtendlicht, weer thuis was gekomen, stuurde hij haar nog diezelfde ochtend een gedicht (‘het de-ochtend-erna-briefje’ dus) om zijn verlangen naar haar uit te drukken. In dit gedicht is het de vrouw bij wie de man de nacht doorbracht die aan het woord is. Dat alleen al maakt het een gedicht van een moderne vrouw. De strekking ervan onderstreept dat.

Ikzelf zie er nóg een ironische twist van Het hoofdkussenboek in, omdat ik Kai’s haiku ook associeer de observaties van Sei Shōnagon over het contrast tussen de ideale minnaar en de minnaar waarmee je het maar te doen hebt:
Je mag toch hopen dat een man, wanneer hij bij dageraad weer naar huis gaat, niet zo bezig is met zijn kleren te fatsoeneren en zijn kap op zijn knot vast te snoeren. Wie zou hem herkennen of uitlachen wanneer hij er niet uitziet in zijn verfomfaaid hofgewaad of jachtkleed?
Het gedrag van een man bij dageraad moet elegant zijn. Vol tegenzin draalt hij bij het opstaan, zodat zij hem moet aansporen: ‘Het wordt al te licht. Je bent echt te erg’, zegt ze hem. Zijn gezucht wekt de indruk dat hij werkelijk nog geen genoeg van haar heeft en somber is over zijn aanstaande vertrek. Zittend probeert hij niet eens zijn broek aan te trekken, maar kruipt naderbij en fluistert in haar oor flarden van wat hij de afgelopen nacht tegen haar zei. Hoewel onduidelijk is wat hij precies doet, blijkt zijn riem dan toch vastgeknoopt. Hij tilt het roosterluik omhoog en leidt haar mee naar de openslaande deuren waar hij haar zegt hoezeer hij de komende dag zonder haar betreuren zal, om dan weg te slippen; zij kijkt hem na vol bekoorlijke gedachten aan hun samenzijn.
En dan heb je er die zich opeens iets herinneren en actief uit bed springen om luidruchtig op te staan en ritselend hun broek vastsnoeren, de mouwen van hun bovenkleed of jachtkleed oprollen en met geweld hun armen erdoorheen steken, hun riem heel stevig vastsnoeren, en dan is er het geluid dat ze neerknielen en het snoer van hun kap stevig aantrekken, en hoewel ze hun waaier en pakje papier bij het hoofdkussen neer hebben gelegd, zijn ze die nu kwijt, maar omdat het donker is kunnen ze niet zien waar die nu zijn en ‘Wáár? Wáár dan?’ mopperend graaien ze in het rond, en als ze die dan te pakken hebben klappen ze de waaier open en steken schurend het papier weg in hun kleed; ‘Nou, dan ga ik maar,’ is het enige dat ze zeggen.
Makura no sōshi 1958, sectie 63. [NKBT 10, p. 102-104.] Wat me óók fascineert aan deze passage is dat die je beseffen laat dat een en ander zich in het duister van de heel vroege ochtend afspeelt (en elektrische verlichting had je nog niet rond het jaar 1000). Sei ziet niet zozeer wat haar minnaar doet, maar ze hoort zijn bewegingen.
Zoals de film Frozen (2013) een doorbraak in het Disney-prinsessengenre markeerde (prinsessen hebben geen man nodig voor een happy end), zo impliceert deze haiku ook dat de dichter pas tot zichzelf komt zónder een geliefde. Ook Sei’s ‘zij kijkt hem na vol bekoorlijke gedachten aan hun samenzijn’ bevat een realisering dat de herinnering aan het samenzijn misschien wel fijner is dan het daadwerkelijk samenzijn zelf. Kai’s haiku trekt de gedachtelijn verder en radicaler door.
De foto toont dageraad op Awaji-jima, 28 maart 2026, 5:47 uur.