Categorieën
poëzie

de wijde hemel

            [Zonder titel]

Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme

en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.

In die wijde hemel wolken die niet bewegen,

heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.

[無題]。仰臥人如啞、黙然見大空。大空雲不動、終日杳相同。

29 september 1910. Sōseki zenshū 18 (2018), p. 246.  Sōseki wil dat we yō to shite 杳 opvatten als ‘veraf’; in Omoidasu koto nado (p. 52) leest hij het karakter ook als haruka ni はるかに.

Romanauteur Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) spuugde op 24 augustus 1910 bijna een liter bloed op en verloor het bewustzijn. Zijn vrouw Kyōko naast hem zat onder; haar kimono werd van kraag tot middel volledig roodgekleurd. [Nathan 2018,p. 186, naar Kyōko’s memoires.]

Het echtpaar verbleef sinds 6 augustus in een Japanse variant van een spa: een onsen (hete bron) in Shuzenji, op het Izu-schiereiland. Sōseki was daar in de ryokan Kikuya 菊屋 om te herstellen van opname in het ziekenhuis vanwege een ernstige maagzweer. 

De Kikuya, een ryokan (traditionele herberg) van zo’n vier eeuwen oud, bestaat nog steeds. Intrigerend genoeg wordt Sōseki’s verschrikkelijk verlopen verblijf daar er uitgebreid gememoreerd.

De Sōseki-mythologie wil dat de schrijver een half uur lang geen hartslag had; dat is natuurlijk onwaarschijnlijk, omdat hij weer bijkwam. Toegesnelde artsen dienden hem zestien kamferinjecties toe. Een afschuwelijke toestand was het hoe dan ook wel en het moment staat onder Sōseki-adepten bekend als ‘de Shuzenji-ellende’ (shuzenji no taikan 修善寺の大患). De oorzaak was opnieuw een opspelende maagzweer. Dit was een chronische kwaal van Sōseki; hij zou er in 1916 uiteindelijk aan overlijden.

De ‘Shuzenji-ellende’ werkte als ontstopper voor Sōseki’s geblokkeerde dichtader. Na zo’n tien jaar waarin hij geen Sinitische poëzie geschreven had, begon hij weer kanshi te noteren—meestal in zijn dagboek. Daar komen we ook voor het eerst dit kwatrijn tegen. Sōseki was inmiddels opnieuw naar het ziekenhuis verhuisd.

29 september (donderdag)

            .

            Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme / en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.

            In die wijde hemel wolken die niet bewegen, / heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.

            .

Ook gisteren me geschoren. Op aanraden van de vrouw. Dat ik eerst een stuk onder mijn kin had overgeslagen leek ze vervelend te vinden.

            .

            terug naar de hoofdstad

                        die dag komt steeds dichterbij

            gele chrysanten

kyō ni kaeru / hi mo chikazuite / kigiku kana

            .

’s Avonds een zachtgekookt ei gegeten.

 九月二十九日〔木〕
◯ 仰臥人如啞  黙然見大空
  大空雲不動  終日杳相同
◯昨日も髪剃。細君の注意による。始めは顎の下を剃り落した時は残り惜さうなりき
◯ 京に帰る日も近付いて黄菊哉
◯晩に玉子の煮りたるを食ふ

Dagboek, 29 september 1910. Sōseki zenshū 25 (1957), p. 208. Saikun 細君 (‘de vrouw’) was een vrij gebruikelijke, informele term onder Meiji-literaten om naar hun echtgenote te verwijzen. ‘De hoofdstad’ (kyō 京) is Tokyo, waar Sōseki woonde.

(Als we heel streng zijn: het eerste Sinitische gedicht waarmee Sōseki weer aan een dichtfase begon dateert al van 31 juli 1910, de laatste dag van het ziekenhuisverblijf vanwege een eerdere maagzweer. Het eerstvolgende gedicht is in Shuzenji geschreven, op 20 september; dan blijft hij een goede maand lang intensief dichten.)

De ‘Shuzenji-ellende’ leidde ook tot een serie mini-essays onder de titel Wat ik me herinner (Omoidasu koto nado 思ひ出す事など) die hij in 1910 en 1911 als feuilleton publiceerde in het dagblad Asahi shinbun. Daarin beschrijft hij, halverwege een overpeinzing over Dostojevski, hoe hij in zijn ziekenhuisbed tot innerlijke rust probeerde te komen.

Het kostte me grote moeite om lang met iemand te praten. Ik herinner me hoe luchtgolven die stemmen werden en zo in mijn oren echoden tot aan mijn hart reikten en dat mijn stabiele gemoedstoestand er volledig door verstoord werd. Het oude spreekwoord ‘zwijgen is goud’ kwam bij me op en ik lag alleen maar op mijn rug bij te komen. Godzijdank kon ik tussen de luifel van mijn kamer en het dak van de tweede verdieping tegenover me de blauwe hemel zien. Het was het seizoen waarin die hemel door herfstdauw schoongewassen en geleidelijk steeds hoger werd. Ik maakte van het staren naar deze hemel mijn dagtaak. Deze wijde hemel, waarin niets gebeurde en waarin niets was, boog haar serene schaduw naar me toe weerspiegelde zich volledig in mijn hart. Zo gebeurde er ook in mijn hart niets en was er daar niets. Twee transparante dingen sloten perfect op elkaar aan. Wat er zo in mij restte was een stemming die ik moet omschrijven als oneindig.

 余は当時十分と続けて人と話をするわずらはしさを感じた。声となって耳に響く空気の波が心につたはって、平らかな気分をことさらにざわつかせるやうに覚えた。口を閉ぢてがねなりといふ古い言葉を思い出して、ただ仰向あおむけに寝てゐた。ありがたい事にへやひさしと、向うの三階の屋根の間に、青い空が見えた。其空が秋の露に洗はれつゝ次第に高くなる時節であった。余は黙って此空を見詰めるのを日課のようにした。何事もない、又何物もない此大空は、其静かな影を傾むけてとご〴〵く余の心に映じた。そうして余の心にも何事もなかった、又何物もなかった。透明な二つのものがぴたりと合った。合って自分に残るのは、へうべうとでも形容してよい気分であった。

Omoidasu koto nado (1957), hoofdstuk 20, p. 51.

Sōseki eindigt het hoofstuk met zijn kwatrijn. Dat was dan ook de eerste keer dat lezers, in de krant, het gedicht onder ogen kregen.

Van Sōseki’s kwatrijn bestaan tenminste twee Franse vertalingen:

Renversé sur le dos

Je suis comme un muet

Silencieux je regarde

L’immensité du ciel

Les nuages sont immobiles

Le jour passe

Rien se passe

Vert. Elisabeth Suetsugu. Sôseki, Choses dont je me souviens (2005), p. 115.

Sans titre

29 septembre 1910 [à Shuzenji]

            .

Étendu dans ce lit et devenue muet,

Je n’ai plus rien a dire en regardant le ciel.

Le ciel, ou pas un nuage ne se déplace

Tout le jour, immensement, s’accorde avec moi.

Vert. Alain-Louis Colas. Natsume Sôseki, Poèmes, p. 103.

De eerste bevalt me beter.

Bij Sōseki leidde stress tot maagzweren én tot poëzie.

Ik gebruikte:

  • Nakamura Hiroshi 中村宏, Sōseki kanshi no sekai 漱石漢詩の世界 [‘De wereld van Sōseki’s Sinitische poëzie’] (Tokyo: Dai’ichi Shobō, 1983).
  • John Nathan, Sōseki: Modern Japan’s Greatest Novelist (New York: Columbia University Press, 2018). [Hoofdstuk 13, ‘Crisis at Shuzenji’, p. 181-198.]
  • Omoidasu koto nado 思ひ出す事など [‘Wat ik me herinner’], in: Sōseki zenshū 漱石全集 [‘Sōseki’s verzameld werk’] 17: Shōhin (3) 小品 (下) [‘Korte stukken’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957). [Hoofdstuk 20, p. 50-52.]
  • Teihon Sōseki zenshū 定本漱石全集 18: Kanshibun 漢詩文 [‘Sinitische poëzie en proza’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2018).
  • Sōseki zenshū 漱石全集 25: Nikki oyobi danpen (2) 日記断片 (中) [‘Dagboeken en fragmenten’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957).
  • Sôseki, Choses dont je me souviens, vert. Elisabeth Suetsugu (Arles: Éditions Philippe Piquier, 2000; pocketeditie 2005). [Hoofdstuk 20, p. 111-115.]
  • Natsume Sôseki, Poèmes, vert. Alain-Louis Colas ([Parijs:] Le bruit de temps, 2016).

De foto toont wolken boven Leiden, 16 mei 2026.

Categorieën
poëzie

ik wil niet meer

deze baan wil ik niet meer

            wil ik niet meer wil ik niet meer

                        bloesems vallen bloesems vliegen

kaisha yametashi / yametashi yametashi / rakka hika

会社やめたしやめたしやめたし落花飛花

Een haiku van Matsumoto Tefco 松本てふこ (1981) uit haar debuutbundel De vruchten van het zweet (Ase no kajitsu 汗の果実, 2019). Baanonzekerheid zal er waarschijnlijk voor zorgen dat de dichter toch naar haar werk op een kantoor zal blijven gaan.

Ik las bij Ozawa Minoru 小澤實 (1956) dat de frase ‘bloesems vallen bloesems vliegen’ (rakka hika 落花飛花) een variant is op de uitdrukking ‘bloesems vliegen bloesems vallen’ (hika rakka 飛花落花, let. ‘vliegende bloesems vallende bloesems’) van de haikudichter Mizuhara Shūōshi 水原秋桜子 (1892-1981). Die werd zo vaak door andere dichters gebruikt dat Shūōshi uiteindelijk een verbod op het gebruik ervan uitvaardigde (niet dat daaraan gehoor gegeven werd). Matsumoto draait die uitdrukking om, mogelijk ook om elke regel te laten beginnen met een ‘a’-klank.

De foto toont kersenbloesems, Kurashiki, 10 april 2026.

Categorieën
poëzie

ga nou maar

‘van de lente de dageraad’

zou je zo langzamerhand

            niet eens naar huis gaan?

haru wa akebono / sorosoro kaette / kurenai ka

春は曙そろそろ帰つてくれないか

De openingswoorden van deze haiku van Kai Michiko 櫂未知子 (1960) zijn de legendarische openingswoorden van Het hoofdkussenboek (Makura no sōshi 枕草子) van Sei Shōnagon 清少納言 (ca. 966-ca. 1017). In deze passage benoemt Sei Shōnagon van elk seizoen het meest aansprekende element. Vandaar dat ik de woorden tussen aanhalingstekens zet, ook al maakt Kai in haar gedicht daarvan geen gebruik: het is na duizend jaar onmogelijk ze niet als een citaat te lezen.

Dit is een van Kai’s bekendste haiku. Ze wekt de suggestie dat iemand bij de dichter de nacht heeft doorgebracht. Het schurende en daardoor ergens ook grappige contrast tussen een citaat uit het laat-tiende-eeuws Japans en de nadrukkelijke spreektaaltoon van de rest van de haiku maakt er een ontnuchterend gedicht van. Het is nu wel genoeg met dat romantische gedoe.

‘Dat contrast [tussen klassieke schrijftaal en moderne spreektaal] is wel een techniek die je eigenlijk maar één keer kan toepassen’, zegt Kai in een interview. Met het gebruik van een spreektaaltoon (kōgochō 口語調) in een traditionele poëzievorm haakt Kai aan bij een geschiedenis van vormexperiment in moderne haiku.

Kai speelt hier met het thema van ‘het de-ochtend-erna-briefje’ (kiniginu no fumi 後朝の文) en draait daarbij het perspectief om. Zulke briefjes vormden onderdeel van een hoofse grammatica van liefdesrelaties die de adel van klassiek Japan in haar greep hield. Wanneer een hoveling de nacht had doorgebracht met een vrouw en ’s ochtends vroeg, nog voor het eerste ochtendlicht, weer thuis was gekomen, stuurde hij haar nog diezelfde ochtend een gedicht (‘het de-ochtend-erna-briefje’ dus) om zijn verlangen naar haar uit te drukken. In dit gedicht is het de vrouw bij wie de man de nacht doorbracht die aan het woord is. Dat alleen al maakt het een gedicht van een moderne vrouw. De strekking ervan onderstreept dat.

Kai Michiko in gesprek over haar haiku, die hier op een poëziecartouche (shikishi 色紙) geschreven staat. Bron: YouTube, gepost op 1 juli 2022. Kai maakt in dit interview wel een mooie observatie over de relatie tussen een poëziecartouche en het gedicht dat je daarop schrijft. Cartouches hebben namelijk altijd een (semi-)publieke functie: ze zijn bedoeld voor display. ‘Normaal kun je dit gedicht niet op een poëziecartouche (shikishi) schrijven’ – ‘Waarom is dat?’ – ‘Nou, dat is onbeleefd voor de mensen die naar de dichtbijeenkomst zijn gekomen. […] In de hal ophangen gaat ook niet.’

Ikzelf zie er nóg een ironische twist van Het hoofdkussenboek in, omdat ik Kai’s haiku ook associeer met de observaties van Sei Shōnagon over het contrast tussen de ideale minnaar en de minnaar waarmee je het maar te doen hebt: 

Je mag toch hopen dat een man, wanneer hij bij dageraad weer naar huis gaat, niet zo bezig is met zijn kleren te fatsoeneren en zijn kap op zijn knot vast te snoeren. Wie zou hem herkennen of uitlachen wanneer hij er niet uitziet in zijn verfomfaaid hofgewaad of jachtkleed?

            Het gedrag van een man bij dageraad moet elegant zijn. Vol tegenzin draalt hij bij het opstaan, zodat zij hem moet aansporen: ‘Het wordt al te licht. Je bent echt te erg’, zegt ze hem. Zijn gezucht wekt de indruk dat hij werkelijk nog geen genoeg van haar heeft en somber is over zijn aanstaande vertrek. Zittend probeert hij niet eens zijn broek aan te trekken, maar kruipt naderbij en fluistert in haar oor flarden van wat hij de afgelopen nacht tegen haar zei. Hoewel onduidelijk is wat hij precies doet, blijkt zijn riem dan toch vastgeknoopt. Hij tilt het roosterluik omhoog en leidt haar mee naar de openslaande deuren waar hij haar zegt hoezeer hij de komende dag zonder haar betreuren zal, om dan weg te slippen; zij kijkt hem na vol bekoorlijke gedachten aan hun samenzijn.

            En dan heb je er die zich opeens iets herinneren en actief uit bed springen om luidruchtig op te staan en ritselend hun broek vastsnoeren, de mouwen van hun bovenkleed of jachtkleed oprollen en met geweld hun armen erdoorheen steken, hun riem heel stevig vastsnoeren, en dan is er het geluid dat ze neerknielen en het snoer van hun kap stevig aantrekken, en hoewel ze hun waaier en pakje papier bij het hoofdkussen neer hebben gelegd, zijn ze die nu kwijt, maar omdat het donker is kunnen ze niet zien waar die nu zijn en ‘Wáár? Wáár dan?’ mopperend graaien ze in het rond, en als ze die dan te pakken hebben klappen ze de waaier open en steken schurend het papier weg in hun kleed; ‘Nou, dan ga ik maar,’ is het enige dat ze zeggen.

Makura no sōshi 1958, sectie 63. [NKBT 10, p. 102-104.] Wat me óók fascineert aan deze passage is dat die je beseffen laat dat een en ander zich in het duister van de heel vroege ochtend afspeelt (en elektrische verlichting had je nog niet rond het jaar 1000). Sei ziet niet zozeer wat haar minnaar doet, maar ze hoort zijn bewegingen.

Zoals de film Frozen (2013) een doorbraak in het Disney-prinsessengenre markeerde (prinsessen hebben geen man nodig voor een happy end), zo impliceert deze haiku ook dat de dichter pas tot zichzelf komt zónder een geliefde. Ook Sei’s ‘zij kijkt hem na vol bekoorlijke gedachten aan hun samenzijn’ bevat een realisering dat de herinnering aan het samenzijn misschien wel fijner is dan het daadwerkelijk samenzijn zelf. Kai’s haiku trekt de gedachtelijn verder en radicaler door.

De foto toont dageraad op Awaji-jima, 28 maart 2026, 5:47 uur.

Categorieën
poëzie

de B-kant

Tokyo ligt er

            geheel bewegingloos bij:

mijn eerste aanblik

tōkyō ga / jitto shite iru / hatsukeshiki

東京がじつとしてゐる初景色

aangezwommen

weet zij een vruchtachtig

            woord te werpen

oyogi-kite / kajitsu no yō na / kotoba nagu

泳ぎ来て果実のやうな言葉投ぐ

Dat ‘zij’ is puur een aanname van mij; het Japans is niet specifiek over wie er gooit.

de reis voorbij

            en sindsdien aan de B-kant ervan

                        zomervakantie

tabi oete / yori B-men no / natsuyasumi

旅終へてよりB面の夏休み

bijeengeveegd

            stof waaruit iets opduikt

een winterse bij

hakiyosete / chiri no naka yori / fuyu no hachi

掃き寄せて塵の中より冬の蜂

Nakamura Sonoko 中村苑子, Baba Akiko 馬場あき子 en Shinkawa Kazue 新川和江, red., Josei sakka shirīzu 24: gendai shiika 女性作家シリーズ 24: 現代詩歌集 (Tokyo: Kadokawa Shoten, 1999), p. 158.

Deze haiku komen uit de debuutbundel van de haiku-dichter Mayuzumi Madoka 黛まどか (1965), Zomer aan de B-kant (B-men no natsu B面の夏, 1994). Na haar afstuderen ging ze werken voor een bank en leerde in die periode de poëzie van Sugita Hisajo 杉田久女 (1890- 1946) kennen. Dat deed haar besluiten zelf haiku te gaan schrijven. Met die eerste bundel won zij meteen een prijs.

Toen zij in de dertig was ondernam Mayuzumi lange, meditatieve wandeltochten. In 1999 liep zij de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela, vanaf Saint-Jean-Pied-de-Port (zo’n achthonderd kilometer); in 2001 liep zij in Korea de bijna vijfhonderd kilometer van Busan in het uiterste zuiden naar de hoofdstad Seoul. ‘Lopen en dichten, lopen en schrijven’ (aruite yomu, aruite kaku 歩いて詠む・歩いて書く) is haar mantra, aldus de blurb op de website van haar uitgever.

een reiziger

            laat heus sporen na

tweede bloei

tabibito ni / michi tsuite yuku / kaeribana

旅人に道いてゆく帰り花

Deze haiku vind ik erg lastig, omdat ik vermoed dat Mayuzumi hier een ingewikkeld woordspel speelt. Er bestaat het spreekwoord ‘juist als je sluipt, laat je je sporen na’ (nukiashi sureba michi tsuku 抜き足すれば道付く), wat zo veel wil zeggen als: juist als je iets geheim probeert te houden raakt het bekend. (Dat Mayuzumi [michi-)tsuku op een ongebruikelijke manier schrijft, namelijk met een karakter dat ‘voetsporen’ betekent [ato 蹤 — dat je niet geacht wordt te lezen als tsuku] zal zij zeer bewust gedaan hebben). ‘Tweede bloei’ is mijn vertaling voor kaeribana 帰り花. Dat slaat inderdaad op het fenomeen dat een plant voor een tweede keer in het seizoen bloeien kan, maar ook —en dat werkt in het Nederlands gelukkig ook— op een herstart van een carrière. Wel is de associatie bij dat laatste in de eerste plaats met een ooit vrijgekochte sekswerker of geisha die weer terugkeert naar haar oude beroep, dus niet noodzakelijk iets om vrolijk van te worden. Een meer letterlijke vertaling van deze haiku zou zijn: ‘een tweede bloei die sporen achterlaat in een reiziger’. Intrigerend.

een vallende ster

geen idee waarheen ze leidt

            deze verliefdheid

nagareboshi / yukue shirezu no / koi o shite

流星や行方知れずの恋をして

Deze laatste twee haiku staan in Mayuzumi’s bundel Mijn mooiste kimono (Hanagoromo 花ごろも, 1997). Ik neem aan dat de titel van de bundel een verwijzing is naar de poëzie van Sugita Hisajo en het door haar opgerichte, gelijknamige haikutijdschrift.

[8 februari 2026] In het Engels is er van Mayuzumi’s hand een bundel met 111 haiku, allemaal over Kyoto waar zij graag verblijft. Het geheel is iets te zoet naar mijn smaak, maar elke haiku gaat gepaard met een toelichting door Mayuzumi zelf. Dat is dan wel weer aardig, want het onderstreept hoe haiku vaak voortkomen uit ontzettend specifieke situaties.

  • Madoka Mayuzumi, Kyoto Haiku, vert. Tyler Kolktak (z.p.: Mayuzumi Madoka Office, 2024; druk en verspreiding: Amazon).

De foto’s tonen de B-kant (of ‘kant 2’) van twee willekeurige muziekplaten.

Categorieën
poëzie

paardenbloemecho

paardenbloem paardenbloem, op het zandstrand opent de lente haar ogen

tanpopo tanpopo sunahama ni haru ga me o hiraku

たんぽぽたんぽぽ砂浜に春が目を開く

Ogiwara Seisensui, 1916. Opgenomen in de tweede bundel van de Sōun-groep, Levensboom (Seimei no ki 生命の木, 1918).

In een onbewaakt moment gingen oude fotoalbums open en werd ik geconfronteerd met de foto bovenaan deze blogpost. Het is een van de tegels in wat destijds de Toho Walk of Fame genoemd werd, in Hibiya, Tokyo — uiteraard een schaamteloze fusie van Hollywood’s Walk of Fame en de handafdrukken van filmsterren bij het Chinese Theater aan Hollywood Boulevard. Die Tokioose variant bestond uit een lange rij van zulke metalen tegels van overwegend Japanse filmacteurs en enkele niet-Japanners (Tom Cruise zat er ook tussen, bijvoorbeeld). De aanleiding ervoor was de opening in 1987 van winkelcentrum Hibiya Chanter 日比谷シャンテ; een jaar later zag ik de tegels voor het eerst. Vlakbij was een fontein waarvan de waterstralen elk half uur een dans op muziek van Tsjaikovski uitvoerden; het was allemaal kort vóór Japans economische zeepbel barstte. Alle tegels zijn al in 2018 verplaatst naar een muur in een ondergrondse gang van het nabij gelegen winkelcentrum Tokyo Midtown Hibiya 東京ミッドタウン日比谷 en het geheel heet nu ‘The Star Gallery’ ザ・スター・ギャラリー.

Vierendertig jaar geleden lagen de tegels dus nog te blaken in een waterig winterzonnetje. Hier gaat het om de handafdruk en handtekening van actrice Miyamoto Nobuko 宮本信子 (1945). Anders dan andere acteurs schreef Miyamoto ook nog eens een gedicht naast haar handafdruk.

Destijds herkende ik de tekst niet, maar nu bij het terugzien van de foto wel: het is een ‘vrije vorm’-haiku van Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976).

Miyamoto Nobuko (m) in de film Tanpopo タンポポ (1985), met Watanabe Ken (l) en Miyazaki Tsutomu (r).

Miyamoto Nobuko is in het Westen doorgebroken met de film Tampopo uit 1985, een meesterlijke en hilarische raamvertelling, geregisseerd door haar echtgenoot Itami Jūzō 伊丹十三 (1933-1997). De film is hét hoogtepunt in Itami’s filmoeuvre aan satirisch maatschappijcommentaar. De film is in essentie plotloos — dat wil zeggen, er is wel een plot, maar die is eigenlijk volstrekt irrelevant en dient vooral om eindeloos veel zijpaden in te slaan die allemaal op de een of andere manier commentaar leveren op de consumptiemaatschappij. In een van die verhaallijnen speelt Miyamoto de eigenaresse van een ramentent op de rand van het faillissement.

De filmposter hangt bij de deur van mijn kantoor, om me op te beuren in tijden van humeurigheid over de staat van hoger onderwijs.

De naam van Miyamoto’s personage is tanpopo, het Japanse woord voor paardenbloem. De filmtitel schrijft het woord in katakana, een van de twee Japanse lettergreepschriften, dat tegenwoordig vooral gebruikt wordt als een equivalent van ons cursiefschrift: het trekt aandacht en kan zo een woord nadruk geven of gebruikt worden om buitenlandse woorden en namen weer te geven. Dat zal verklaren waarom Miyamoto in haar tegel in de Walk of Fame het woord ook in katakana schreef, terwijl Ogiwara het een eeuw geleden in het reguliere hiragana-lettergreepschrift weergaf.

Ogiwara’s haiku schijnt voort te komen uit een jeugdherinnering—vandaar die kinderlijke herhaling van het woord tanpopo. Hij zag ooit een paardenbloem groeien op het strand en die onwaarschijnlijke combinatie van zand en bloem bleef hem bij. Zo wordt Miyamoto’s tegel voor mij een spiegelpaleis van herinneringen aan herinneringen aan dingen die er niet meer zijn.

De foto toont een tegel met handafdruk en handtekening van actrice Miyamoto Nobuko 宮本信子 (1945). Hibiya (Yūraku-chō), Tokyo, winter-voorjaar 1992. Foto Nicole Roepers.

Categorieën
poëzie

door beren opgegeten

            Toen de priester Ga’en in een bergtempel verbleef die ‘Berenpakhuis’ genoemd werd, zei hij tegen de priester die daar abt was ‘Schrijf een gedicht’:

                                                            Dichter onbekend

de wereld achter me

            en de bergen ingetrokken

                        dat is wat ik deed

dat beren me zouden opeten

            heb ik geen moment gedacht

mi o sutete / yama ni irinishi / ware nareba / kuma no kurawamu / koto mo oboezu

  くまのくらといふ山寺に賀縁法師の宿やどりて(はべり)けるに、ぢうし侍ける法師に歌めとひければ
             よみ人らず
身をすて山に(いり)にし我なればくまのくらはむこともおぼえず

Shūi wakashū 7-382. In de categorie ‘Namen van dingen’ (mono no na 物名): gedichten waarin een woord of naam verstopt zit. In de woorden ‘dat beren me zouden opeten’ (kuma no kurawamu koto) zit ook de naam ‘Berenpakhuis’ (Kuma-no-kura). Ga’en (data onbekend, actief eind tiende eeuw) was een geestelijke uit de Fujiwara-clan.

Afgelopen vrijdag werd bekend gemaakt dat het woord (of: karakter) voor het jaar 2025 ‘beer’ (kuma ) is.

Het karakter van het jaar wordt op basis van een enquête vastgesteld door de Japanse Stichting Bekwaamheidstest Karakters (Nihon Kanji Nōryoku Kentei Kyōkai 日本漢字能力検定協会; Eng. Japan Kanji Aptitude Testing Foundation). ‘Beer’ kreeg 12.3% van de publieksstemmen.

Japanse beren zoeken steeds vaker de bewoonde wereld op en botsen daar met mensen. 2025 vormt een droevig record: begin deze maand stond de teller op 217 door een berenaanval gewonde mensen en nog eens dertien aanvallen die voor de mens dodelijk afliepen. Verreweg de meeste aanvallen (ruwweg twee-derde) deden zich in noordoost-Japan voor.

Japan kent een grote berenpopulatie (schattingen houden het op 54.000), die in nog geen vijftien jaar verveelvoudigd is doordat klimaatverandering de laatste decennia voor meer voedsel heeft gezorgd (15.000 beren in 2012!). Wel waren er dit jaar aanzienlijk minder noten en bessen te vinden in de bossen en dat lijkt een reden te zijn dat meer beren voedsel gaan zoeken bij de mensen, zeker nu ze een vetlaag moeten opbouwen voor hun winterslaap. Er zijn voorbeelden van beren die supermarkten hebben overvallen. 

In de klassieke poëzie komen beren nauwelijks voor; meer dan een handjevol voorbeelden ken ik niet. Als ze al in beeld komen is dat doorgaans in een woordspel of als een retorische bijvoeglijke bepaling. Dat begint al in de achtste eeuw:

wilde beren

            leven op die berg zegt men

                        op de Shihase

ook al word ik ondervraagd

            jouw naam zal ik niet noemen

arakuma no / sumu to iu yama no / shihaseyama / semete tou to mo / naga na wa noraji

荒熊之住云山之師歯迫山責而雖問汝名者不告

Man’yōshū 11-2704 (var. 2696). Die beren zitten hier vooral als versiering (of inleidende stoplap, jo 序) bij de naam van de berg. Die berg zit er weer vooral in vanwege het ‘se’ in Shihase, omdat het als binnenrijm werkt met ‘ondervragen’ (semete tou). De aanname van commentatoren is dat dit een gedicht door een vrouw is en dat zij door haar moeder gevraagd wordt naar de identiteit van haar geheime liefde. Voor één keer kan ik H.H. Honda’s rijm wel hebben:

            Glad I will bear the blame

            For hiding my love’s name.

H.H. Honda, The Manyoshu: A New and Complete Translation (Tokyo: Hokuseido Press, 1967), p. 206.

in Shinano

            ligt het woeste veld van Suga

                        waar beren eten

die zo ontzagwekkend zijn als

            de natheid van mijn mouwen

shinano naru / suga no arano ni / hamu kuma no / osoroshiki made / nururu sode kana

しなのなる須賀のあらにはむくまのおそろしきまでぬるる袖かな

Sanboku kikashū 1011, door Minamoto no Toshiyori 源俊頼 (1055?-1129). In hofpoëzie zijn de dichters mouwen altijd nat van tranen. Een en al hyperbool, deze waka.

De enige uitzondering —in de zin dat beren wél echt het onderwerp zijn— lijkt deze waka te zijn:

aan mensen niet gewend

            zijn in het woeste veld van Suga

                        de wilde beren

die van een jachtpijlpunt

            geen weet lijken te hebben

hito narenu / suga no arano no / arakuma wa / karu ya no saki mo / shirazugao naru

人なれぬ須賀の荒野のあらくまはかるやのさきもしらずがほなる

Fuboku wakashū 19-12933, door Fujiwara no Tomoie 藤原知家 (1182-1258).

Pas in de twintigste eeuw, zo lijkt het, kom je poëzie tegen die verankerd is in eigen ervaringen met beer en berg. Wandelaars die de bergen ingaan waar beren zijn wordt altijd geadviseerd minstens een belletje of fluitje mee te nemen om die beren te waarschuwen en zo op afstand te houden.

Op één na kwam ik deze voorbeelden tegen als anonieme verzen.

mijn beren mijdend

            belletje klinkt helder

                        als ik het pad beklim

in de diepgroene zomer

            gevuld met mijn druppels zweet

kuma-yoke no / rin o narashite / noboru michi / midori koki natsu / ase no shizuku

熊避けの鈴を鳴らして登る道緑濃き夏汗の滴

een beren mijdend

            belletje weerklinkt helder

een bergwandeling

kuma-yoke no / rin ga hibikase / yama-aruki

熊避けの鈴が響かせ山歩き

berenpoep

weet sporen van paddenstoelen

            helpen verspreiden

de kringloop van het woud

            is voelbaar op het herfstpad

kuma no kuso / kinoko no hōshi / hakobu yaku / mori no junkan / kanjiru akimichi

熊の糞きのこの胞子運ぶ役森の循環感じる秋道

van een berenklauw

            bleven de sporen achter 

                        in de boombast

aan het ecosysteem van een woud

            denk ik op deze wandelroute

kuma no tsume / ato no nokoreru / juhi mite / mori no seitaikei / omou sanpomichi

熊の爪跡の残れる樹皮見て森の生態系想う散歩道

‘beren gesignaleerd’

een waarschuwing in het dorp

            bij een zomers graf

kuma shutsubotsu / mura no keihō / natsu no haka

熊出没村の警報夏の暮

En toch:

iemand vertelt over een beer

’t is niet mooi, maar het maakt me blij

kuma no deta hanashi warui kedo yukai

熊の出た話わるいけど愉快

Deze laatste is een vrije haiku van Uda Kiyoko 宇多喜代子. Een intrigerende prosodie. Ik ben geneigd te lezen: 8-8 morae.

De foto toont Mori Seihan 森清範 (1940), abt van de Kiyomizudera, Kyoto, die het karakter voor ‘beer’ (kuma ) schrijft. 12 december 2025.

Categorieën
poëzie

die ene film

een film gezien

            die ene, ooit, vroeger

nog steeds schitterend

shinema miru / hitofushi no kako / azayaka ni

シネマ観るひとふしの過去鮮かに

1940. Hitotoki no kōbō: Fujiki Kiyoko zenkushū ひとときの光芒:藤木清子全句集, red. Uda Kiyoko 宇多喜代子 (Tokyo: Chūsekisha, 2012), p. 104. Eerlijkheid gebiedt dat je misschien ook (of beter) kan vertalen, dus niet als herinnering aan een ooit geziene film maar als emotie bij het zien van een oude film:

            een in film gezien

                        fragment van een vroeger ooit

            zo fris schitterend

Een haiku van Fujiki Kiyoko 藤木清子 (data onbekend, actief 1931-1940). Zij hoorde bij een groep die nadrukkelijk moderne haiku wilde schrijven, zonder seizoenswoorden bijvoorbeeld, met alle ruimte voor emotie in plaats van observatie.

Mijn eerste bioscoopervaring had ik toen ik zo’n negen jaar oud was. Mijn moeder zei verbaasd: ‘Ben jij nog nooit in de bioscoop geweest?’ (Dat verbaasde mij weer, want je eigen ouders zouden toch weet moeten hebben van dat soort dingen, leek me.) Daar moest wat aan gedaan worden, besloot ze en nam me mee naar een vertoning van de spektakelfilm Ben-Hur (1959). Zoals bij vermoedelijk iedereen die die film voor het eerst ziet, is de bloedstollende paardenrace van ruim een kwartier in Technicolor en cinemascope in mijn netvlies gebrand. Nu nog, een halve eeuw later.

In 1956 besloot de Motion Picture Producers Association of Japan (MPPA, Jp. Eiga Seisakusha Renmei 日本映画製作者連盟; destijds nog Nihon Eiga Rengōkai 日本映画連合会) om 1 december uit te roepen tot ‘Dag van de film’ (Eiga no hi 映画の日). Nu is Japan een land waar elke belangengroep wel heel enthousiast een eigen ‘Dag’ uitgeroepen heeft en blijft uitroepen, maar het is een mooie aanleiding om stil te staan bij de combinatie cinema en poëzie.

Onchi Kōshirō 恩地孝四郎 (1891-1955), In de Hōgakuza (1929). Voormalige collectie Nihon no hanga, Amsterdam.  De Hōgakuza 邦楽座 ging open in 1925 in Yūraku-chō, Tokyo, en was een bioscoop van de Shōchiku-studio waar voornamelijk westerse films werden vertoond.

Zeker in het begin van de twintigste eeuw was de bioscoop, samen met het café, bij uitstek een locus van moderniteit en het is niet zo verwonderlijk dat in vrij vers moderne dichters een verwevenheid ervoeren met de wereld van cinema (zoals Shimura Eiji 詩村映二, 1900-1960) of fascinatie hadden voor filmactrices (zoals Nakahara Chūya 中原中也, 1907-1937).

Ook haiku kon zich lenen voor dat moderne levensgevoel. Zoals deze ‘vrije haiku’ van Kuribayashi Issekiro 栗林一石路 (1894-1961):

te koop staat de bioscoop die neonlicht ademt in roodblauwgroengeel

urareru eigakan no neon ikizuku aka-ao-midori-ki

売られる映画館のネオン息づく赤青緑黄

Alledaagser, door Oikawa Tei 及川貞 (1899-1993):

een Sovjet-film

gezien om daarna verse

            selderij te kopen

soren eiga / mite shinsen na / serori kau

ソ連映画見て新鮮なセロリ買ふ

De selderij was al even modern en licht-exotisch als films uit de Mosfilm-studio’s. Al was die groente al in vroegmodern Japan niet onbekend, het op grote schaal eten ervan is een twintigste-eeuws fenomeen.

Of vervreemdend, misschien melancholisch zelfs, door dichter van vrij vers en haiku Itami Kimiko 伊丹公子 (1925-2014):

de meeuwen komen

            kijken naar de kaap waarop

                        een bioscoop staat

umineko ga / mi ni kuru misaki no / eigakan

海猫が観にくる岬の映画館

De umineko (let. ‘zeekat’) is de Japanse meeuw (Eng. black-tailed gull, Larus crassirostris).

De afbeelding toont een still uit de christelijke spektakelfilm Ben-Hur (1959), geregisseerd door William Wyler.

Categorieën
poëzie

zon

ziek in de zon

hi e yamu

陽へ病む

Dit is de kortste haiku (in moderne stijl) die ik ken. Hij is van Ōhashi Ragoku 大橋裸木 (1890-1933), een leerling van Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976), die experimentele haiku voorstond.

Kort als het gedicht is, zo lastig is het te duiden. Laten we er maar van uitgaan dat de dichter ziek is en zijn gezicht naar de zon richt. Je kan ook vertalen:

ziekend naar zon

Links: een foto van Ōhashi Ragoku. Rechts: Ragoku’s haiku
            voorbij een tempelklok staat een ontdooiende boom er slank
            tsurigane yori shimodoke no ki ga hossori
            釣鐘より霜どけの木がほっそり
in zijn eigen kalligrafie. Beide collectie Museum Aoyama Uta no Ie, Iga 伊賀市ミュージアム青山讃頌舎.

Nog twee van Ragoku’s haiku:

kikkergekwaak bij volle maan

kawazu no koe no mangetsu

蛙の声の満月

een winterse vlinder uit het zicht verloren in de zon

fuyu no chō o miushinatta hi no naka

冬の蝶を見失った陽の中

De tekening is een schets van een door ziekte vermagerde Ōhashi Ragoku.

Categorieën
poëzie

poep en poëzie

            Er was een irritante afleiding en in de marge van de brief waarmee ik iemands uitnodiging afzei (juni):

hé koekoek, luister

ik zit op het gemak en

            ben even bezig

hototogisu / kawaya nakaba ni / idekanetari

  障る事ありて或人の招飲を辞したる手紙のはしに 六月
鳥厠半ば出かねたり

Juni 1907. Sōseki zenshū 23 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957), p. 175. Een kawaya 厠 is een ouderwetse (pardon: ‘traditionele’) WC, die als apart gebouwtje iets buiten het huis geplaatst is; wat we vroeger een ‘gemak’ noemden. In zijn essay Lof der schaduw (In’ei raisan 陰翳礼讃, 1933) spendeert Tanizaki Jun’ichirō een paar pagina’s aan een ode aan deze poepdoos. Idekanetari 出かねたり laat zich meer letterlijk vertalen als ‘het lukt me niet om naar buiten te gaan’. In theorie zou je dit werkwoord ook als dekanetari kunnen lezen en dan zou je dus netjes vijf morae hebben, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat Sōseki in de context van een haiku het klassieke werkwoord izu 出づ zou loslaten.

Op 11 juni 1907 kreeg romanauteur Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) een uitnodiging van premier Saionji Kinmochi 西園寺公望 (1849-1940) om aan te zitten bij een diner (‘avondkleding niet vereist’) om het idee ‘nationale literatuur’ te bespreken. Saionji was het jaar daarvoor begonnen met zijn salon ‘Bijeenkomsten in het geruis van de regen’ (Usei no Kai 雨声会). Ook andere vooraanstaande schrijvers waren uitgenodigd. Sōseki was juist hard aan het werk aan zijn roman Klaprozen (Gubijinsō 虞美人草, 1907). Dit is het afwimpelend bedankje dat hij aan zijn formele afzegging toevoegde.

Als een dichter een koekoek (hototogisu) roepen hoort, wordt die geacht daaraan gehoor te geven door poëzie te produceren. Alleen zit de dichter nu even op de buiten-WC, dus hij heeft wat anders aan zijn hoofd.

Een plattere vertaling zou zijn: ‘Hé vogel, ik heb er schijt aan’.

Ik kwam deze haiku voor het eerst tegen in:

  • John Nathan, Sōseki: Modern Japan’s Greatest Novelist (New York: Columbia University Press, 2018), p. 146.

De foto van een ijsvogel laat weinig aan de verbeelding over, lijkt me.

Categorieën
poëzie

dronken bladeren

            In april 1926, opgezadeld met onverklaarbare waanbeelden, ging ik op aalmoeszwerftocht:

ik baan me een weg baan me een weg en nog steeds groene bergen

wake-itte mo wake-itte mo aoi yama

  大正十五年四月、解くすべもない惑ひを背負うて、行乞流転の旅に出た。
分け入っても分け入っても青いやま

wervelend proef ik het water

hyōhyō to shite mizu o ajiwau

へうへうとして水を味ふ

alleen word ik opgegeten door muggen

hitori de ka ni kuwarete iru

ひとりで蚊にくはれてゐる

de rechte weg is eenzaam

massugu na michi de samishii

まっすぐな道でさみしい

fladderend dronken vallen de boombladeren

horohoro yōte ki no ha furu

ほろほろ酔うて木の葉ふる

met het geluid van water kwam ik naar het dorp afgedaald

mizuoto to issho ni sato e orite kita

水音といつしよに里へ下りて来た

zwijgend trek ik de strosandalen van vandaag aan

damatte kyō no waraji haku

だまって今日の草鞋穿く

koude wolken razen voort

samui kumo ga isogu

寒い雲がいそぐ

een vlinder van achter me naar voren fladderend

chōchō ura kara omote e hirahira

てふてふうらからおもてへひらひら

ook vandaag kwam er de hele dag niemand – vuurvliegjes

kyō mo ichinichi dare mo konakatta hōtaru

けふもいちにち誰も来なかったほうたる

een mooie weg naar een mooi gebouw; het is een crematorium

yoi michi ga yoi tatemono e, yakiba desu

よい道がよい建物へ、焼場です

Taneda Santōka 種田山頭火 (1882-1940) is vermoedelijk de bekendste vertegenwoordiger van de ‘vrije-vorm haiku’ (jiyūritsu haiku自由律俳句), een herinterpretatie van de haiku-vorm die in gang gezet werd door Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976) met zijn tijdschrift Sōun 層雲 (Stratuswolken). Seisensui wilde af van het versteende 5-7-5-schema en de verplichte seizoenswoorden en vond dat er in de poëzie meer gebruik gemaakt moest worden van spreektaal. Twee belangrijke leerlingen van Seisensui waren Santōka en Ozaki Hōsai 尾崎放哉 (1885-1926).

Het wijdverbreide beeld van Santōka (zijn wat raadselachtige dichtersnaam betekent ‘bergtopvuur’) is dat van de rondzwervende bedelmonnik in een moderniserend Japan. Dat is ook wel terecht, maar zijn bestaan als dakloze Zen-monnik begon pas op zijn 42e. Daarvóór leidde hij een leven als getrouwd man en, achtereenvolgens, sakebrouwer, boekhandelaar en, inmiddels gescheiden, cement-laborant, bibliothecaris, en gemeenteklerk — allemaal beroepen waarin hij spectaculair mislukte, mede doordat hij een flink drankprobleem ontwikkeld had. Zijn drankzucht was er ook min of meer de directe oorzaak van dat hij in 1923 in een Zen-klooster terecht kwam, waar hij een jaar later zijn wijding ontving en begon aan het zwerversbestaan dat hij tot zijn dood in 1940 zou volhouden. 

Ik gebruikte wat vermoedelijk de eerste Japanstalige bundel van moderne poëzie is die ik ooit cadeau kreeg:

  • Santōka kushū (1) 山頭火 句集(一) (Tokyo: Shun’yōdō, 1989).

De foto is een still uit de befaamde plastic bag scene in American Beauty (1999) van Sam Mendes.