Categorieën
poëzie

Chieko

            aan iemand

            .

ik vind het maar niks

dat jij weggaat——

            .

als een vrucht nog eerder dan de bloei gedragen

als een knop nog eerder dan het zaad ontbot

als een lente onmiddellijk volgend op de zomer

zoiets onlogisch, onnatuurlijks

doe dat toch niet alsjeblieft

een echtgenoot als uit een mal gegoten

en dan jij die ronde letters schrijft

het idee alleen al maakt me aan het huilen

angstig als een vogeltje

eigenzinnig als een orkaan

word jij een bruid

            .

ik vind het maar niks

dat jij weggaat——

            .

waarom zo gemakkelijk

hoe moet ik dat zeggen——nou ja ik zeg het maar

jezelf verkopen?

vanuit de wereld van één iemand

naar een wereld van tienduizenden

overgeleverd aan een man

overgeleverd aan zinloosheid

wat voor afzichtelijks is dat?

het is helemaal

alsof een schilderij van Titiaan

in Tsurumaki’s winkelstraten te koop wordt aangeboden

ik voel me eenzaam     treurig

lusteloos, ontmoedigd

het is net als moeten toezien hoe de grote bloem

van die gloxinia

die je me gaf 

aan het wegrotten is

als moeten toezien hoe die mij verlaat om weg te rotten

als staren naar

vogels die het luchtruim kiezen

als de trieste zelfverloochening van een golf die stukslaat

zo broos     eenzaam     verzengend

——dat is geen liefde

heilige Maria

dat is het niet     dat is het niet

wat het dan wel is weet ik niet, maar

ik vind het maar niks

dat jij weggaat——

en dan word je ook nog een bruid

lever je je over aan een of andere man

            .

                                    juli 1912

            .

  人に
            
.
いやなんです
あなたのいつてしまふのが――
            
.
花よりさきに実のなるやうな
よりさきに芽の出るやうな
夏から春のすぐ来るやうな
そんなくつに合はない不自然を
どうかしないでゐて下さい
型のやうな旦那さまと
まるい字をかくそのあなたと
かう考へてさへなぜか私は泣かれます
小鳥のやうにおくびゃう
大風のやうにわがままな
あなたがお嫁にゆくなんて
            
.
いやなんです
あなたのいつてしまふのが――
            
.
なぜさうたやすく
さあ何といひませう――まあ言はば
その身を売る気になれるんでせう
あなたはその身を売るんです
一人の世界から
万人の世界へ
そして男に負けて
無意味に負けて
ああ何といふ醜悪事でせう
まるでさう
チシアンの画いた絵が
鶴巻町へ買物に出るのです
私は淋しい かなしい
何といふ気はないけれど
ちやうどあなたの下すつた
あのグロキシニヤの
大きな花の腐つてゆくのを見る様な
私を棄てて腐つてゆくのを見る様な
空を旅してゆく鳥の
ゆくへをぢつとみてゐる様な
なみの砕けるあの悲しい自棄のこころ
はかない 淋しい 焼けつく様な
――それでも恋とはちがひます
サンタマリア
ちがひます ちがひます
何がどうとはもとより知らねど
いやなんです
あなたのいつてしまふのが――
おまけにお嫁にゆくなんて
よその男のこころのままになるなんて
            
.
               明治四五・七

Takamura Kōtarō, Chieko shō, p. 13-16. De eerste regel van dit eerste gedicht in de bundel is een klassieker geworden. (En terecht, denk ik dan.) Titiaan (ca. 1490-1576) was een schilder uit de Italiaanse renaissance. Tsurumaki-chō is een wijk in stadsdeel Shinjuku, Tokyo. Aan het begin van de twintigste eeuw was dit een wijk die zich, mede door de nabijheid van de Waseda-universiteit, snel ontpopte tot een westers georiënteerde buurt met de reputatie zich op nieuwerwetse commercialiteit te richten.

            aan iemand

            .

niet om iets leuks te doen

niet om de tijd stuk te slaan

kom jij naar me toe

——zonder te schilderen, zonder een boek te lezen, zonder te werken——

en twee of zelfs drie dagen lang

lachen we, stoeien we, springen we, omarmen we elkaar

comprimeren we de tijd

jagen we dagen er in één ogenblik door

            .

ah! en toch is het

niet om iets leuks te doen

niet om de tijd stuk te slaan

het is ons overstromende onontkoombare leven

het is het levengevende

het is de kracht

al te verspillend en te excessief lijkt

de overvloed van de natuur in augustus

al dat gras dat diep in de bergen bloeit en verrot

zonlicht dat het uitschreeuwt

wolkengroepen die eindeloos voortbewegen

overvloedige bliksemschichten

regen, en water

groen, en rood, en blauw, en geel

al die krachten die de wereld inspuiten

hoe kunnen we die verspilling noemen?

jij danst voor mij

ik zing voor jou

loop elk moment van het leven ten volle

ik op het moment dat ik een boek weggooi

ik op het moment dat ik een boek open

mijn hoeveelheid is dezelfde

nietszeggende vlijt

of nietszeggende luiheid

mag je met mij niet associëren

wanneer jouw hart vol liefde verscheurd is

kom jij naar me toe

alles verwerpend, alles overstijgend

alles vertrappend

en dan heel vrolijk

            .

                                    februari 1913

            .

  人に
            
.
遊びぢやない
暇つぶしぢやない
あなたが私に会ひに来る
――画もかかず、本も読まず、仕事もせず――
そして二日でも、三日でも
笑ひ、戯れ、飛びはね、又抱き
さんざ時間をちぢめ
数日を一瞬に果す
            
.
ああ、けれども
それは遊びぢやない
暇つぶしぢやない
ちあふれた我等の余儀ない命である
生である
力である
浪費に過ぎ過多に走るものの様に見える
八月の自然の豊富さを
あの山の奥に花さき朽ちる草草や
声を発する日の光や
無限に動く雲のむれや
ありあまるらいてい
雨や水や
緑や赤や青や黄や
世界にふき出る勢力を
無駄づかひとうして言へよう
あなたは私に躍り
私はあなたにうたひ
刻刻の生を一ぱいに歩むのだ
本をなげうつ刹那の私と
本を開く刹那の私と
私の量はおんなじだ
空疎な精励と
空疎な遊惰とを
私に関してれんさうしてはいけない
愛する心のはちきれた時
あなたは私に会ひに来る
すべてを棄て、すべてをのり超え
すべてをふみにじり
として
            
.
               大正二・二

Takamura, Chieko shō, p. 44-46.

            verheerlijking van de liefde

            .

bodemloos verlangen van het lichaam

de ontzagwekkende kracht van het opkomend tij——

in het oplaaiende bezwete vuur

dansen salamanders kronkelend

            .

de onophoudelijke sneeuw richt midden in de nacht een banket voor de vol nuptial aan

schreeuwt het van vreugde uit in de verlaten lucht

in de wereld door een schone kracht verpletterd

dompelen we ons onder in een diepgeheime stroom

ademen in een misnoegd rooskleurig waas

weerspiegeld in de juwelen in Indra’s net

gieten we oneindig onze levens

            .

de demonische kracht die zich in de wieg schuilhoudt

en de rauwe hitte van ondergronds in de winter ontkiemde scheuten——

dat wat in alles brandt pulseert met de ‘tijd’

en laat door onze lichamen elektrische stromen van extase echoën

            .

onze huid wordt woest wakker

onze ingewanden verwringen zich in blijdschap over het bestaan

haar begint te fluoriseren

vingers krijgen een eigen leven en kringelkruipen om heel onze lichamen heen

de wereld van waarachtigheid in de chaos die het Woord bergt

openbaart zich plots boven ons

            .

vol licht

vol geluk

alle onderscheid omringt een enkel geluid

het vergif en het zoet zitten in dezelfde doos

ondraaglijke pijn doet onze lijven kronkelen

opperste extase verlicht het doolhof van het mysterie

            .

begraven onder onze sneeuw

smelten we tot natuurlijke elementen

verorberen we een oneindige aardse liefde

betuigen we in de verte eer aan ons leven

            .

                                    februari 1914

            .

  愛の嘆美
            
.
底の知れない肉体の慾は
あげ潮どきのおそろしいちから――
なほも燃え立つ汗ばんだ火に
火竜サラマンドラはてんてんと躍る
            
.
ふりしきる雪は深夜に婚姻飛揚ヴオル・ニユプシアルうたげをあげ
じやくまくとした空中の歓喜をさけぶ
われらは世にも美しい力にくだかれ
このときじんみつのながれに身をひたして
いきり立ついろのもやに息づき
いんもうしゅぎよくに照りかへして
われらのいのちを無尽に鋳る
            
.
冬にひそむ揺籃の魔力と
冬にめぐむしたもえの生熱と――
すべての内に燃えるものは「時」の脈搏と共に脈うち
われらの全身にこうこつの電流をひびかす
            
.
われらの皮膚はすさまじくめざめ
われらの内臓は生存の喜にのたうち
毛髪はけいこうを発し
指は独自の生命を得て五体にひまつはり
ことばを蔵した渾沌のまことの世界は
たちまちわれらの上にその姿をあらはす
            
.
光にみち
幸にみち
あらゆる差別は一音にめぐり
毒薬と甘露とは其のはこを同じくし
堪へがたいとうつうは身をよぢらしめ
極甚の法悦は不可思議の迷路を輝かす
            
.
われらは雪にあたたかく埋もれ
天然の素中そちゅうにとろけて
果てしのない地上の愛をむさぼり
はるかにわれらのいのちめたたへる
            
.
               大正三・二

Takamura Kōtarō, Chieko shō, p. 56-58. De vol nuptial (bruidsvlucht, Jp. voru nyupushiaru 婚姻飛揚) is onderdeel van de voortplanting van in kolonies levende insecten, waarbij koningin en mannetjes uitvliegen om met andere soortgenoten te paren. Indra is eenVedische godheid; in een boeddhische traditie heeft Indra een net vol juwelen die elkaar allemaal weerspiegelen. Door ‘het Woord’ (kotoba) te schrijven met het karakter voor ‘de Weg’ (道) impliceert Kōtarō een relatie tussen taal en waarheid of inzicht. Ik worstel, merk ik, met mijn beperkte woordenschat: tenten to (odoru) てんてんと(躍る), notautsu のたうつ en yojirashimeru よぢらしめる vertaalde ik in eerste instantie alle drie met ‘kronkelen’. Dat is niet fout, maar verdoezelt wel dat Kōtarō drie keer een ander (werk)woord gebruikt. Nu heb ik de tweede maar met ‘zich verwringen’ vertaald, om toch iets van afwisseling te creëren.

            kinderpraat

            .

Chieko zegt dat Tokyo geen luchten kent,

zegt dat zij een echte lucht wil zien.

verbaasd kijk ik naar de lucht.

tussen de jonge blaadjes van de kers daar

onvervreemdbaar

is de vanouds vertrouwde lucht.

een somber bewolkt waas aan de horizon

is de rozige klamheid in de ochtend.

terwijl zij in de verte kijkt zegt Chieko

boven de berg Atatara

verschijnt elke dag de blauwe lucht

dat is voor mij de echte lucht bedoel ik

dat is kinderpraat over lucht.

            .

                                    mei 1928

            .

  あどけない話
            
.
智恵子は東京に空が無いといふ、
ほんとの空が見たいといふ。
私は驚いて空を見る。
桜若葉の間に在るのは、
切つても切れない
むかしなじみのきれいな空だ。
どんよりけむる地平のぼかしは
うすもも色の朝のしめりだ。
智恵子は遠くを見ながら言ふ。
やまの山の上に
毎日出てゐる青い空が
智恵子のほんとの空だといふ。
あどけない空の話である。
            
.
               昭和三・五

Takamura, Chieko shō, p. 78-79. De berg Atatara (var. Adatara; 1699,6 meter hoog) ligt in de prefectuur Fukushima, in noordoost-Japan, dicht bij Chieko’s geboorteplaats Nihonmatsu (destijds Adachi geheten).

            het leven in perspectief

            .

bij je voeten vliegt een vogel op

je vrouw wordt gek

je kleren worden vodden

zichtveld drieduizend meter

ah! dit geweer is te lang

            .

                                    januari 1935

            .

  人生遠視
      
.
足もとから鳥がたつ
自分の妻が狂気する
自分の着物がぼろになる
照尺距離三千メートル
ああこの鉄砲は長すぎる
      
.
               昭和一〇・一

Takamura, Chieko shō, p. 83. Een teppō 鉄砲 is in de eerste plaats een pistool, maar vanwege dat ‘te lang zijn’ (nagasugiru 長すぎる) voelt het hier meer aan als een geweer; misschien een interpretatiefout van me.

            Chieko, rijdend op de wind

            .

gek geworden spreekt Chieko geen woord

alleen blauwe eksters en plevieren wisselen signalen uit

een heuvelrug strekt zich als windsingel uit

overal stromen geel de pijnbomenpollen

in de heldere meiwind is Kujūjuri’s strand gehuld in mist

Chieko’s zomerkimono verdwijnt tussen pijnbomen om dan weer op te duiken

in het witte zand groeien truffels

terwijl ik truffels raap

loop ik langzaam Chieko achterna

blauwe eksters en plevieren zijn Chieko’s vriendinnen

van de Chieko die het opgegeven heeft mens te zijn

de angstaanjagend mooie ochtendhemel is een ideale wandelroute

Chieko vliegt

            .

                                    april 1935

            .

  風にのる智恵子
      
.
狂つた智恵子は口をきかない
ただ尾長や千鳥と相図する
防風林の丘つづき
いちめんの松の花粉は黄いろく流れ
五月さつきばれの風に九十九里の浜はけむる
智恵子の浴衣ゆかたが松にかくれ又あらはれ
白い砂には松露がある
わたしは松露をひろひながら
ゆつくり智恵子のあとをおふ
尾長や千鳥が智恵子の友だち
もう人間であることをやめた智恵子に
恐ろしくきれいな朝の天空は絶好の遊歩場
智恵子飛ぶ
      
.
               昭和一〇・四

Takamura Kōtarō, Chieko shō, p. 84-85. Het strand van Kujūkuri ligt aan de oostkust van de prefectuur Chiba, net ten oosten van Tokyo. ‘Zomerkimono’ is mijn vertaling voor yukata 浴衣, een lichte, katoenen kimono die in de zomer veel gedragen werd (en soms nog wel wordt). Shōro 松露 zijn eetbare paddenstoelen (Rhizopogon rubescens) die als delicatesse gelden; ze groeien vaak bij pijnbomen en worden nogal eens door nachtdieren opgegraven — ik volg hier daarom Sato’s vertaling ‘truffels’.

            Chieko, spelend met plevieren

            .

werkelijk niemand te bekennen op Kujūjuri’s zandstrand waar

zittend in het zand Chieko speelt.

haar talloze vrienden roepen Chieko’s naam.

tsjietsjietsjietsjietsjie——

in het zand kleine sporen achterlatend

komen de plevieren naar Chieko toe.

Chieko die altijd binnensmonds dingen zegt

heft haar beide handen op en roept terug.

tsjietsjietsjie——

de plevieren bedelen om de schelpen in haar beide handen.

Chieko strooit ze hier en daar uit.

een vlucht plevieren stijgt op en roept Chieko.

tsjietsjietsjietsjietsjie——

het mensenwerk zonder aarzeling achter zich gelaten

is Chieko al naar een natuurstaat overgegaan

van achteren is zij eenzaam te zien.

in de avondzon boven de windsingel tweehonderd meter verderop

baad ik mij in pijnbomenpollen en bleef eeuwig staan

            .

                                    juli 1937

            .

  千鳥と遊ぶ智恵子
            
.
人つ子ひとり居ない九十九里の砂浜の
砂にすわつて智恵子は遊ぶ。
無数の友だちが智恵子の名をよぶ。
ちい、ちい、ちい、ちい、ちい――
砂に小さなあしあとをつけて
千鳥が智恵子に寄つて来る。
口の中でいつでも何か言つてる智恵子が
両手をあげてよびかへす。
ちい、ちい、ちい――
両手の貝を千鳥がねだる。
智恵子はそれをぱらぱら投げる。
群れ立つ千鳥が智恵子をよぶ。
ちい、ちい、ちい、ちい、ちい――
人間商売さらりとやめて、
もう天然の向うへ行つてしまつた智恵子の
うしろ姿がぽつんと見える。
二丁も離れた防風林の夕日の中で
松の花粉をあびながら私はいつまでも立ち尽す。
            
.
               昭和一二・七

Takamura Kōtarō, Chieko shō, p. 86-87.

            onbetaalbare Chieko

            .

Chieko ziet wat onzichtbaar is,

hoort wat onhoorbaar is.

            .

Chieko gaat waar het onbegaanbaar is,

doet wat ondoenbaar is.

            .

Chieko ziet mijn wereldlijke ik niet,

zij verlangt naar de ik achter mij.

            .

Chieko verwierp de zwaarte van het lijden,

zij doolt door oneindige woestenijen van esthetiek.

            .

onophoudelijk hoor ik haar mij roepen,

maar Chieko heeft geen kaartje voor de mensenwereld meer.

            .

                                    juli 1937

            .

  ひがたき智恵子
            
.
智恵子は見ないものを見、
聞こえないものを聞く。
            
.
智恵子は行けないところへ行き、
出来ないことをる。
            
.
智恵子は現身うつしみのわたしを見ず、
わたしのうしろのわたしに焦がれる。
            
.
智恵子はくるしみの重さを今はすてて、
限りのない荒漠くわうばくの美意識圏にさまよひ出た。
           
 .
わたしをよぶ声をしきりにきくが、
智恵子はもう人間界の切符を持たない。
            
.
               昭和一二・七

Takamura, Chieko shō, p. 88-89.

Twee voorbeelden van de knipselkunst van Takamura (geboren Naganuma) Chieko. Links: ‘Boom[takken] met vruchten’ (‘Mi o tsuketa ki’ 実をつけた木). Rechts: ‘Bloemen’ (‘Hana’ 花). Bron: Musée Tomo 2010, p. 42, 40.

            klaagzang van de citroen

            .

zo intens had jij op citroenen liggen wachten

op je droeve witte heldere doodsbed

uit mijn hand nam jij die ene citroen

en met je prachtige tanden nam jij een krakende hap

een topaaskleurig aroma steeg op

hemelse druppels citroensap

brachten je plotsklaps weer bij zinnen

je helderblauwe ogen glimlachten

die energieke kracht waarmee je mijn hand greep!

in jouw keel woedde een storm

op dat randje van je leven

werd Chieko weer die Chieko

de liefde van een heel leven in één moment gegoten

en toen 

slaakte je een diepe zucht zoals je ooit op een bergtop deed

en stopte jouw machinerie

in de schaduw van kersenbloesems voor jouw foto neergezet

zal ik ook vandaag een koel schitterende citroen leggen

            .

                                    februari 1939

            .

  レモン哀歌
            
.
そんなにもあなたはレモンを待つてゐた
かなしく白くあかるい死の床で
わたしの手からとつた一つのレモンを
あなたのきれいな歯ががりりと噛んだ
トパアズいろの香気が立つ
その数滴の天のものなるレモンの汁は
ぱつとあなたの意識を正常にした
あなたの青く澄んだ眼がかすかに笑ふ
わたしの手を握るあなたの力の健康さよ
あなたのに嵐はあるが
かういふ命の瀬戸ぎはに
智恵子はもとの智恵子となり
生涯の愛を一瞬にかたむけた
それからひと時
さんてんでしたやうな深呼吸を一つして
あなたの機関はそれなり止まつた
写真の前に挿した桜の花かげに
すずしく光るレモンを今日も置かう
            
.
               昭和一四・二

Takamura, Chieko shō, p. 94-95.

Het manuscript van Takamura Kōtarō’s ‘Klaagzang van de citroen’, 23 februari 1939. Bron: Musée Tomo 2010.

            haar naakte gestalte

            .

ik verlang naar Chieko’s naakte gestalte.

zo vol van nederigheid

zo majestueus als een sterrennacht

golvend als een bergketen

altijd gehuld in een lichte mist,

het agaat van die vorm

had een onpeilbare luister.

zelfs de moedervlek op Chieko’s naakte rug

ik herinner me die betekenisvol,

en nu, door een langdurig polijsten van herinnering,

flakkert haar volledig bestaan voor mijn ogen.

om met mijn eigen handen nog één keer

die vorm te scheppen

is een afspraak met de natuur,

met dat doel is mij vlees gegeven,

met dat doel is mij de oogst van het veld gegeven,

rijst en tarwe en boter zijn toegestaan.

Chieko’s naakte gestalte liet zij in deze wereld achter

            .

                                    oktober 1949

            .

  裸形
            
.
智恵子の裸形をわたくしは恋ふ。
つつましくて満ちてゐて
星宿のやうに森厳で
山脈のやうに波うつて
いつでもうすいミストがかかり、
その造型のなう質に
奥の知れないつやがあつた。
智恵子の裸形の背中の小さな黒子ほくろまで
わたくしは意味ふかくおぼえてゐて、
今も記憶の歳月にみがかれた
その全存在が明滅する。
わたくしの手でもう一度、
あの造型を生むことは
自然の定めた約束であり、
そのためにわたくしに肉類が与へられ、
そのためにわたくしに畑の野菜が与へられ、
米と小麦と牛酪バターとがゆるされる。
智恵子の裸形をこの世にのこして
わたくしはやがて天然の素中そちゆうに帰らう。
            
.
               昭和二四・一〇

Takamura, Chieko shō, p. 114-115.

Links en midden: Poster voor en still uit de film Chieko (Chieko shō 智恵子抄, 1957) van Kumagai Hisatora 熊谷久虎 (1904-1986), met Hara Setsuko 原節子 (1920-2015) als Chieko en Yamamura Sō 山村聡 (1910-2000) als Kōtarō. Er zouden nog andere verfilmingen van dit liefdesverhaal volgen. Rechts: de historische Chieko en Kōtarō.

In 1941 publiceerde de beeldhouwer en dichter Takamura Kōtarō 高村光太郎 (1883-1956) zijn tweede dichtbundel, met als titel Chieko (Chieko shō 智恵子抄) — de naam van zijn drie jaar eerder overleden echtgenote (spreek uit als: ‘tsjie-è-ko’). Mijn pocketeditie van deze bundel uit 2024 is alweer de 132e (!) druk — en dat is dan van de postume, vermeerderde uitgave uit 1956, dus gemiddeld is dat praktisch twee drukken per jaar. Dat is weinig dichtbundels gegeven. Vertaler Hiroaki Sato noemde Chieko dan ook terecht ‘de langstlopende bestseller in de moderne Japanse poëzie.’ [Sato 1992, p. xxiii.]

De eerste druk van deze bundel bevatte 26 gedichten. Na Kōtarō’s dood breidde de dichter Kusano Shinpei 草野心平 (1903-1988), een vriend van hem, de bundel uit met latere gedichten. Deze postume editie bevat 47 gedichten in vrij vers (shi ) en zes tanka van Takamura Kōtarō uit periode 1912-1952 en een handvol essays. Dit is de versie die Japanners in de praktijk in handen houden. [Peters 2010]

Chieko is één grote ode aan de vrouw Chieko, die als een oerkracht of wild dier als ‘puur natuur’ op de dingen reageert, zeker nadat zij dieper in de waanzin is gedoken, maar meer nog is de bundel de verwoording van de gevoelens van de dichter voor dit fenomenale vrouw-zijn. De bundel is dus in de eerste plaats poëzie over en voor de dichter zelf.

Als zoon van beeldhouwer Takamura Kōun 高村光雲 (1852-1934), die onder meer verantwoordelijk was voor het bronzen beeld van Saigō Takamori in het Ueno-park te Tokyo, volgde Kōtarō in zijn vaders voetsporen, maar niet helemaal. Beeldhouwer werd hij wel, maar revolutionair anders wilde hij zijn. Na het zien van een foto van Rodins beeld ‘De denker’ in 1903 [Sato 1992, p. xvii; met ‘Poesy’ bedoelt Sato vermoedelijk ‘De denker’, een beeld dat eerst ‘De dichter’ (‘Le Poète’) heette] of 1904 [Keene 1984, p. 293] wilde hij in diens stijl beelden leren maken. Er volgden studieverblijven in New York (maart 1906-juni 1907 — waar hij voor het eerst in echt een bronzen beeld van Rodin kon bewonderen) en Londen (juni 1907-juni 1908), waarna Kōtarō een jaar in Parijs (juni 1908-mei 1909) woonde.

Daar zal hij ook de poëzie van de Vlaamse dichter Emile Verhaeren (1855-1916) hebben leren kennen. Kōtarō vertaalde later diens Les Flammes hautes (1917), als Hemelse vlammen (Tenjō no hono’o 天上の炎, 1925). Verhaeren is onder meer bekend om een drietal bundels liefdespoëzie waarin hij zijn huwelijksgeluk beschrijft: Les Heures Claires (1896), Les Heures d’après-midi (1905) en Les Heures du Soir (1911). Nogal wat critici hebben een flinke invloed van Verhaerens moderne lyriek willen zien op Kōtarō’s gedichten die in Chieko gebundeld zouden worden.

In juni 1909 was Kōtarō weer terug in Japan en twee jaar later ontmoette hij de vijfentwintigjarige Naganuma Chieko 長沼智恵子 (1886-1938), via haar studievriendin Yanagi (geboren: Hashimoto) Yae 柳 (橋本) 八重 (1883-1972). In 1914 trouwden ze.

Chieko, geboren als oudste dochter van een sakebrouwer in de prefectuur Fukushima, was in 1903 in Tokyo gaan studeren aan de Japanse Vrouwenuniversiteit (Nihon Joshi Daigakkō 日本女子大学校), die net twee jaar eerder was opgericht. Dat zij die kans kreeg duidt op een voor die tijd vrij ruimdenkende familie, zou je zeggen, maar Phyllis Birnbaum suggereert dat het vooral was om haar klaar te stomen voor een echtgenoot die respectabel genoeg was om de familie wat omhoog te stoten op de sociale ladder.

Kort voor zij Kōtarō ontmoette was Chieko betrokken bij de oprichting door onder anderen studiegenoot Hiratsuka Raichō 平塚らいてう (1886-1971), met wie ze nog tennis had gespeeld, van een tijdschrift. Dat doopten de oprichters Blauwkous (Seitō 青鞜), een ambitieuze verwijzing naar de achttiende-eeuwse Blue Stockings Society van vrouwen die hun eigen intellectuele ruimte opeisten. Het is het eerste tijdschrift in Japan dat volledig door vrouwen werd volgeschreven en alleen al daarom terecht geldt als een mijlpaal in de moderne geschiedenis van het land. Het eerste nummer verscheen in 1911, en Chieko ontwierp de omslag ervan. 

Links: de omslag door Naganuma Chieko van het eerste nummer van het tijdschrift Blauwkous (Seitō 青鞜), 1911. Het tijdschrift werd opgericht door onder anderen Hiratsuka Raichō 平塚らいてう (1886-1971). Rechts: een van onze promovendi, Daphne van der Molen, wees me op een blogpost van 9 november 2017 over het vermoedelijke model voor Chieko’s ontwerp. Daarin bericht het Committee voor de Herdenking van Takamura Kōtarō’s Sterfdag (Takamura Kōtarō Rengyōki Un’ei I’inkai 高村光太郎連翹忌運営委員会, met als drijvende kracht Koyama Hiroaki 小山弘明) over een onderzoek van Mizusawa Tsutomu 水沢勉 (1952), tot eind maart 2024 directeur van het Kanagawa Prefecturaal Museum voor Moderne Kunst (Kanagawa Kenritsu Kindai Bijutsukan 神奈川県立近代美術館). Waar ongeïnformeerde leken als ikzelf —of Takamura-specialisten als Kitagawa Ta’ichi (in Musée Tomo 2010, p. 89)— voetstoots aannamen dat Naganuma Chieko een of ander Egyptisch (?) of klassiek Grieks motief in gedachten had, heeft Mizusawa overtuigend aangetoond dat zij een tekening van de Oostenrijkse schilder Josef Engelhart (1864-1941) gebruikte die deel uitmaakte van een reeks uit 1904 over Arthur-legenden en meer in het bijzonder de Merlijnsage. Chieko’s model was duidelijk Engelharts tekening van de feeërieke ‘Vrouwe van het Meer’ (the Lady of the Lake).

Phyllis Birnbaum heeft een mooi hoofdstuk aan Chieko gewijd in haar Modern Girls, Shining Stars, the Skies of Tokyo. Vrij aan het begin daarvan doet ze daarin de observatie dat Chieko onbegrijpelijk sprak. 

Pijnlijk verlegen sprak Chieko weinig, en wanneer ze al iets zei, was haar manier van praten vaak te eigenaardig om goed te begrijpen. […] Het was vooral haar manier van praten die de meeste waarnemers opviel: ‘Ze sprak heel langzaam en de woorden leken van het puntje van haar tong te rollen. Dat, samen met haar zachte stem, maakte dat je nauwelijks kon verstaan wat ze zei.’ [Birnbaum 2015, p. 58.]

Painfully shy, Chieko spoke little, and when she did say anything her way of talking as often too peculiar to understand. […] it was her speaking style that struck most observers: ‘She spoke very slowly, and the words seemed to roll of the top of her tongue. That, taken together with her faint voice, meant you couldn’t make out what she was saying.’

Als narratieve kunstgreep is dit ijzersterk en knapper nog is dat Birnbaum niet in de val trapt die onverstaanbaarheid als alles verklarende symboliek te zien. De dingen en de mensen zijn complex. Tegelijkertijd is het ontegenzeggelijk waar dat Kōtaro zo nadrukkelijk voor Chieko gesproken heeft, dat haar stem voor ons praktisch onhoorbaar is geworden. Creatieve ambities had zij zonder meer, maar wat we als eigen expressie van haar hand kennen is vooral de enorme hoeveelheid knipselkunst die zij maakte nadat zij in een inrichting was beland—ook al zo’n gegeven dat je niet graag symbolisch duiden wil.

Dat Kōtarō het zicht op Chieko belemmert is vaker opgemerkt. [Zie behalve Birnbaum 2015 ook Nakazato 2014 en Sonnenberg 2019] De succesvolste poging in een Europese taal om in haar buurt te komen is Birnbaum, maar ook zij moet accepteren dat het verhaal van Chieko altijd het verhaal van Chieko én Kōtarō is. 

Links: Naganuma Chieko in de periode dat zij Takamura Kōtarō voor het eerst ontmoette, 1912. Bron: Musée Tomo, Chieko shō: Takamura Kōtarō to Chieko — sono ai (2010). Rechts: een portrtet van Chieko in gips door Kōtarō, 1916. Bron: omslag Chieko iju 智恵子遺珠 2, maandelijkse bijlage (geppō 月報) bij Takamura Kōtarō senshū 高村光太郎選集, deel 2 (Tokyo: Shunjūsha, 1981).

Twee schaduwen hangen over het werk van Kōtarō en meer specifiek zijn bundel Chieko. De eerste is zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. Kōtarō die in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw nog gefascineerd leek door Europa als artistiek en werelds ideaal ontpopte zich tot enthousiast verdediger van Japans militaire expansie in Oost-Azië in de jaren ’30 en oorlog in de Stille Oceaan in de eerste helft van de jaren ’40 met drie bundels uit de jaren 1942-1944 vol nationalistische retoriek tegen Japans tegenstanders, of die nu Aziatisch of Westers waren.

Eén psychologiserende interpretatie van die opmerkelijke omslag wordt gesuggereerd door vertaler Hiroaki Sato, die zich weer liet inspireren door criticus (en dichter) Yoshimoto Takaaki 吉本隆明 (var. Ryūmei, 1924-2012). Simplistisch gezegd zoekt die interpretatie een antwoord in een minderwaardigheidscomplex dat Kōtarō opliep tijdens zijn verblijf in met name Parijs. Een passage die daarvoor spreken moet is uit een kort essay uit 1910. Nadat hij de nacht heeft doorgebracht met een Française met blauwe ogen schrijft Kōtarō:

            Ik kwam onvast overeind en liep naar de wastafel. Toen ik de heetwaterkraan opendraaide was ik dat niet van plan, heus, ik was het niet van plan. Toen ik opkeek stond daar een onbekende zwarte man in een pyjama. Iets uitzonderlijk onaangenaams, verontrustend en schrikbarends tegelijk overviel me. En toen ik goed keek, was het een spiegel. Ik was het zelf in die spiegel.

            ‘Ah! ik ben toch echt Japanner! Ik ben japonais. Ik ben Mongol. Ik ben le jaune’, klok een stem in mij hoofd alsof een veer gesprongen was.

            Ik verkeerde in een droomstaat, maar op dat moment brak die bij de wortel in stukken af als bedolven onder een avalanche. Die ochtend zat ik lang op de koude houten vloer van mijn atelier en gaf me over aan pijnlijke gedachten.

 ふらふらと立つて洗面器の前へ行つた。熱湯の蛇口をねぢる時、図らず、さうだ、はからずだ。上を見ると見慣れぬ黒い男が寝衣ねまきのままで立つてゐる。非常な不愉快と不安と驚愕とが一しよになつて僕を襲つた。尚ほよく見ると、鏡であつた。鏡の中に僕が居るのであつた。
「ああ、僕はやつぱり日本人だ。JAPONAIS だ。MONGOL だ。LE JAUNE だ。」と頭の中での外れた様な声がした。
 夢の様な心は此の時、AVALANCHE となつて根から崩れた。その朝、早々に女から逃れた。そして、画室の寒い板の間に長い間坐り込んで、しみじみと苦しい思ひを味はつた。

‘Vanuit een café’ (‘Kafe yori’ 珈琲店より), ca. 1910. Tekst: Aozora Bunko. Zie ook Sato 1992, p. xix.

Die minderwaardigheid probeerde Kōtarō na zijn terugkeer in Japan —een terugkeer die ook een ontsnapping was uit de frustratie die hij in Parijs ervoer— om te zetten in een rol in Japan die wel een positief zelfbeeld kon opleveren en die erkende dat de westerlingen die die op zich te bewonderen cultuur voortbrachten neerkeken op Japan. Met andere woorden, wat eerst zelfhaat leek werd, zoals bij een afgewezen geliefde, omgezet in een weerzin tegen een neerbuigend Westen.

Óf ‘de diepbedroefde Kōtarō verving liefde voor Chieko met liefde voor Japan’. [Ueda 1983, p. 247.] Dat is ook een theorie, natuurlijk. Hoe dan ook heeft kritiek op zijn enthousiaste oorlogspoëzie Kōtarō het laatste decennium van zijn leven achtervolgd. Hier wreekte zich onder meer Kōtarō’s gewoonte vrij spontaan poëzie te schrijven (zijn manuscripten kennen nauwelijks doorhalingen) — en die vervolgens ook te publiceren.

De tweede schaduw is de groeiende aandacht de laatste tien, vijftien jaar voor de discrepanties tussen Kōtarō’s beleden gelijkwaardige relatie tussen hem en Chieko en de behoorlijke rauwere realiteit ervan. Kōtarō blijkt zich in veel opzichten gedragen te hebben als een man met behoorlijk traditionele opvattingen over rolverdeling in het huishouden, waardoor Chieko niet of nauwelijks toekwam aan eigen werk. De moderne band tussen man en vrouw die Kōtarō bezong als een verfrissend bevrijding van Japans tradities overlapte maar weinig met de dagelijkse praktijk van hun leven.

Lastig bij dit alles is dat in 1931 Chieko tekenen begon te vertonen van mentale ontwrichting. Hallucinaties en perioden van depressie volgden elkaar op; in 1932 ondernam zij een mislukte poging zichzelf om te brengen. Gaandeweg ging zij zich agressief gedragen en in februari 1935 liet Kōtarō haar als schizofreen opnemen in een inrichting. Daar stierf Chieko drie jaar later. Dit verloop kennen we vooral via de versie die Kōtarō zorgvuldig boetseerde en die vrienden van hem bevestigden. Het is waar dat hij Chieko in de periode vóór haar opname verzorgde, maar tegelijkertijd schetsen zijn gedichten en herinneringen een Chieko die naar een bijna betoverende ‘natuurstaat’ terugkeerdeterugkeerde waarvan je je afvragen kan of zo’n beeld haar erg geholpen heeft.

In het negende jaar van de Shōwa-periode [1934] […] werd zij fysiek gezond en maakte ze zich los van de toestand van mentale afwezigheid, maar de ontwrichting van haar brein werd erger. Ze speelde met vogels, werd zelf een vogel, stond aan de rand van een dennenbos en bleef een uur lang kōtaro-chieko-kōtaro-chieko roepen.

昭和九年<中略>彼女は海岸で身体は丈夫になりもうろう状態は脱したが、脳の変調はむしろ進んだ。鳥と遊んだり、自身が鳥になったり、松林の一角に立って、光太郎智恵子光太郎智恵子と一時間も連呼したりするようになった。

Wat de oorzaken van Chieko’s ziekte geweest kunnen zijn, weten we niet, en dus ook niet in welke mate Kōtarō daaraan bijgedragen kan hebben. 

Liefde was het waarschijnlijk wat Kōtarō voor Chieko voelde, maar omdat we alleen zijn versie van deze liefde kennen was die er wel een die zo verzengend was dat ze alle zuurstof aan de relatie onttrokken lijkt te hebben. Of er daarin voor Chieko de mogelijkheid bleef om zelf te ademen is maar de vraag. Zo is Chieko een meeslepende, altijd weer verrassende dichtbundel waar we tussen de regels door alleen af en toe een glimp opvangen van degene naar wie die vernoemd is.

Mijn toelichting bij de afzonderlijke gedichten blinkt weer eens uit in trivialiteiten en open deuren. Wel spellen die commentaren hopelijk uit dat Kōtarō voortdurend naar bestaande plekken en situaties verwijst.

Ik gebruikte:

  • Phyllis Birnbaum, ‘He Stole Her Sky’, in: Modern Girls, Shining Stars, the Skies of Tokyo: Five Japanese Women (New York: Columbia University Press, 2015), p. 55-101.
  • Charles Fox, ‘Takamura Kōtarō’, in: The Columbia Companion to Modern East Asian Literature, red. Sharalyn Orbaugh, Joshua S. Mostow, et al. (New York: Columbia University Press, 2003), p. 150-153.
  • Donald Keene, Dawn to the West: Japanese Literature in the Modern Era [deel 2]: Poetry, Drama, Criticism (New York: Henry Holt, 1984).
  • Kitagawa Ta’ichi 北川太一, e.a., red, Kōtarō to Chieko 光太郎と智恵子 [‘Kōtarō en Chieko’] (Tokyo: Shinchōsha, 1995).
  • Makiko Nakazato, ‘Chieko-shô de Kôtarô Takamura: un portrait infidèle’, Modernités 36: Soi disant: Poésie et enpêchements, red. Éric Benoit (2014), p. 123-133.
  • John G. Peters,‘The Original and Posthumous Editions of Takamura Kōtarō’s The Chieko Collection: A Study of Editorial Practice and Poetic Intent’, Journal of Oriental Studies 43: 1/2 (2010), p. 1-12.
  • Katarzyna Sonnenberg, ‘Depicting Madness, Poeticising Love – Takamura Kōtarō’s Chieko shō’, in: Japanese Civilization: Tokens and Manifestations, red. Patrycja Duc-Harada, Dariusz Głuch en Senri Sonoyama (Kraków: Księgarnia Akademicka Publishing, 2019), p. 133-146.
  • A Brief History of Imbecility: Poetry and Prose of Takamura Kōtarō, vertaald door Hiroaki Sato (Honolulu: University of Hawaii Press, 1992).
  • Takamura Kōtarō 高村光太郎, Chieko shō 智恵子抄, red. Kusano Shinpei 草野新平 [‘Chieko’] (Shinchō Bunko; Tōkyō: Shinchōsha, 1956, 2024132).
  • Takamura Kōtarō shishū 高村光太郎詩集, red. Takamura Kōtarō (Tokyo: Iwanami Shoten, 1955, 199247).
  • Musée Tomo 智美術館, red., Chieko shō: Takamura Kōtarō to Chieko — sono ai 智恵子抄:高村光太郎と智恵子 その愛 [‘Chieko: Takamura Kōtarō en Chieko — hun liefde’] (Tokyo: Kikuchi Foundation, 2010).
  • Makoto Ueda, ‘Takamura Kōtarō’, in: Modern Japanese Poets and the Nature of Literature (Stanford: Stanford University Press, 1983).

De afbeeldingen tonen twee bronzen beelden door Takamura Kōtarō. Links: naakte vrouwenfiguur, 1917. Rechts: hand, 1918. Bron: Musée Tomo 智美術館, red., Chieko shō: Takamura Kōtarō to Chieko — sono ai 智恵子抄:高村光太郎と智恵子 その愛 (Tokyo: Kikuchi Foundation, 2010), p. 11, 19.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *