Categorieën
poëzie

naar hartenlust

            kat

            .

vanuit de kimonogordel aan het kledingrek valt

het roze licht van een verleidelijke middag.

daaronder wordt een zwarte kat wakker,

en hé, strekt zich naar hartenlust uit.

nu wordt de wereld bezit van de zwarte kat.

            .

 
            
.
こうの帯からこぼれる
なまめいた昼の光の肉色。
その下に黒猫は目覚めて、
あれ、思ふぞんぶんに伸びをする。
世界は今、黒猫のになる。

Misschien dat we al op het punt beland zijn dat obi 帯 niet meer vertaald hoeft te worden. Hoe dan ook: het is een lange, brede band stof die om het middel over een kimono gewikkeld wordt om de boel op zijn plaats te houden én uiteraard als modeaccessoire te fungeren.

Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942) schreef behalve duizenden tanka ook gedichten in vrij vers. Op 11 februari 1912 verschenen van haar in het dagblad Yomiuri shinbun 読売新聞 twee gedichten over een zwarte kat. De ander is zelfs voor een kattenliefhebber als ik te zoet, maar deze mag vanwege Japans jaarlijkse Kattendag 22 februari.

Bron: Wada Hirofumi 和田博文, red., Neko no bungakukan I: Sekai wa ima, neko no mono ni naru 猫の文学館I:世界は今、猫のものになる [‘Kattenliteratuurmuseum 1: Nu wordt de wereld bezit van katten’] (Tokyo: Chikuma Shobō, 2017), p. 56.

De tekening is van Yamada Murasaki やまだ紫 (1948-2009) in haar Shōwaruneko 性悪猫 (‘Sarcastische katten’, 1979-1980) (Tokyo: Shōgakkan, 2009), p. 27. De tekst (monoloog kat): ‘Je bent een sukkel’ おまいはあほさ.

Categorieën
poëzie

getrouwd met de kunst

            trouwen

            .

toen de poëzie me zag

bleef ze maar roepen ‘trouw me trouw me’

achteraf gezien wilde ik destijds

zo ontzettend graag trouwen

anders gezegd

wanneer je door de regen doorweekt raakt

wanneer je door de wind omver bent geblazen

wanneer je dood wil — zo zijn er in deze wereld heel veel situaties

wanneer ik me in zo’n situatie bevond

kon ik dat ‘trouwen’ maar niet vergeten

altijd liep de poëzie me dartel

werkelijk overal waar ik was achterna

en riep ‘trouw me trouw me’

uiteindelijk ben ik dan maar getrouwd

de poëzie roept nu helemaal niks meer

tegenwoordig is er iets anders dan de poëzie

af en toe schraapt het wat van mijn hart af

om dan achter de ladekast te hurken en

‘geld!

geld!’, te jammeren

            .

 結婚
            
.
詩は僕を見ると
結婚結婚と鳴きつづけた
おもうにその頃の僕ときたら
はなはだしく結婚したくなっていた
言わば
雨に濡れた場合
風に吹かれた場合
死にたくなった場合などとこの世にいろいろの場合があったにしても
そこに自分がいる場合には
結婚のことを忘れることが出来なかった
詩はいつもはつらつと
僕のいる所至る所につきまとって来て
結婚結婚と鳴いていた
僕はとうとう結婚してしまったが
詩はとんと鳴かなくなった
いまでは詩とはちがった物がいて
時々僕の胸をかきむしっては
箪笥の陰にしゃがんだりして
おかねが
おかねがと泣き出すんだ

Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (red. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 87-89.

Dit is een van de iets bekendere gedichten van Yamanokuchi Baku 山之口獏 (1903-1963). De folk-zanger Takada Wataru 高田渡 (1949-2005) heeft Yamanokuchi’s gedicht ‘trouwen’ in 1973 op muziek gezet, waarbij hij Yamanokuchi’s ‘poëzie’ (shi ) consequent zingt als ‘lied’ (uta ).

Ik kwam een goede 45 jaar oude Nederlandse vertaling van dit gedicht tegen, door Wouter Noordewier (1935-2016). Ik ken deze vertaler niet, al doen er enkele meerkwaardige verhalen over hem de rondte. Spaans leek hij wel te kennen, maar Japans zeker niet. In 1978 kwam van zijn hand een bundel vertalingen van klassieke Japanse poëzie uit, Loop niet over deze sneeuw!. Deze gedichten vertaalde Noordewier vanuit bestaande vertalingen in (naar ik aanneem) Europese talen. Curieus genoeg sluit de bundel af met drie gedichten die je met de beste wil van de wereld geen klassieke Japanse poëzie kan noemen, omdat ze voorbeelden zijn van vrij vers (een aan het einde van de negentiende eeuw geïmporteerde dichtvorm in Japan) uit de twintigste eeuw. Het allerlaatste gedicht in Loop niet over deze sneeuw! is dit gedicht van Yamanokuchi:

YAMANOKUCHI BAKU     1903

            .

Wordt als anarchist beschouwd.

            .

Toen de poëzie me zag

Riep ze uit: ‘Laten we trouwen!’

Erover nadenkend erkende ik

mijn ongeduld te trouwen.

Kijk

            .

Er bestaan verschillende graden van zijn:

Nàt zijn van de regen,

Omgegooid worden door de wind,

Dood willen gaan.

In ieder geval, in mijn toestand

Liet het idee van het huwelijk me niet los.

            .

De poëzie, vol energie,

Volgde me overal waar ik ging;

Al schreeuwend: ‘Laten we trouwen, laten we trouwen’.

Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie

Krabt af en toe aan mijn hart

Of verschuilt zich achter mijn bureau

En begint te schreeuwen: ‘Geld! Geld!’

Wouter Noordewier, Loop niet over deze sneeuw! Keur van Japanse klassieke poëzie (Amsterdam: Bert Bakker, 1978), p. 86.

Ik gok erop dat Noordewier zijn versie baseerde op een Engelse vertaling van Yamanokuchi’s gedicht dat in mei 1956 verscheen in een Japans themanummer van het tijdschrift Poetry: A Magazine of Verse, een uitgave van The Modern Poetry Association die al sinds 1912 bestaat. Die Engelse vertaling was er vroeg bij, want Yamanokuchi nam dit gedicht pas twee jaar later op in een bundel van hem. De Japanse dichter en vertaler Satō Satoru 佐藤覚 (1923-?) moet het origineel tegen zijn gekomen in een tijdschrift. Diens vertaling in Poetry luidt:

MARRIAGE

            .

Whenever poetry saw me

It cried out, “Marriage, marriage.”

Thinking back, I see that I was

Most eager to marry.

In other words,

There are various states in this world:

The state of getting soaked in the rain,

The state of being blown by the wind,

Or the state of wishing to die; however,

In my state

I could not put marriage out of my mind.

Poetry, full of vigor,

Stuck to me wherever I went,

Crying, “Marriage, marriage.”

Finally I married. Poetry

Stopped crying words altogether.

Now something other than poetry

Scratches at my heart from time to time

Or crouches behind the bureau,

Starting to cry, “Money, money.”

Vertaling Satoru Sato, in: Poetry: A Magazine of Verse 88: 2 (mei 1956), p. 67.

Niet alleen laat Noordewier de titel van het gedicht en twee hele regels weg en suggereert hij coupletten die zijn bron niet heeft, maar hij vertaalt een cruciale ontkenning niet. ‘Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie / Krabt af en toe aan mijn hart / Of verschuilt zich achter mijnbureau’ schrijft Noordewier, waar het Engels heeft: ‘Now something other than poetry / Scratches at my heart from time to time / Or crouches behind the bureau.’ Dat laatste spoort met het origineel van Yamanokuchi. Dus niet ‘de poëzie’, maar ‘iets anders dan de poëzie’.

Twee keer het gedicht ‘trouwen’ van Yamanokuchi Baku. Links: vertaald door Satoru Sato (1956). Rechts: vertaald door Wouter Noordewier (1978).

Je kunt natuurlijk volstaan met de vaststelling dag Noordewier slordig vertaalde. Niettemin viel ik in eerste instantie juist voor iets dat je achteraf misschien een creatieve vergissing mag noemen. Noordewiers versie roept bij mij het beeld op van een verzuurd huwelijk tussen de dichter en de poëzie, van een relatie tussen kunst en kunstenaar die geplaagd wordt doordat zijn kunst de commerciële kant op wil. De poëzie verwerd tot een partner die wil dat er centjes verdiend worden en geen romantische gevoelens meer oproept.

Dat is niet, of niet helemaal, wat Yamanokuchi schrijft. In de relatie van de dichter wordt de plaats van de poëzie ingenomen door iets anders. Een vraag is wie de dichter hier nu trouwt.

Eind 1937 trouwde Yamanokuchi met Yasuda Shizue 安田静江 (1905-1995), die hij pas twee maanden eerder had leren kennen via de dichter Kaneko Mitsuharu 金子光晴 (1895-1975) en diens vrouw, de schrijfster Mori Michiyo 森三千代 (1901-1977). Dat wijst er inderdaad wel op dat hij ‘destijds / zo ontzettend graag trouwen’ wilde. Biografische schetsen van Yamanokuchi koppelen dat gearrangeerde huwelijk aan een gedicht dat Yamanokuchi in 1936 publiceerde:

            huwelijksadvertentie

            .

ik wil zo snel mogelijk trouwen

als ik nou maar trouw

dan zal ik dubbel-intensief willen leven

zo zal ik een boeiende man zijn, dat geloof ik

een boeiende man met een boeiend leven

iemand die mij als echtgenoot zou willen hebben

is er ergens zo’n vrouw die met mij romantisch wil wezen?

kom dan alsjeblieft meteen, jij vrouw

als een onzichtbare wind die zichtbaar wordt

weet ik niet welke vrouw jij zijn zal

maar op jou

wacht ik vol ongeduld

            .

 求婚の広告
            
.
一日もはやく私は結婚したいのです
結婚さえすれば
私は人一倍生きていたくなるでしょう
かように私は面白い男であるとう私はおもうのです
面白い男と面白く暮したくなって
私をおっとにしたくなって
せんちめんたるになっている女はそこらにいませんか
さっさと来て呉れませんか女よ
見えもしない風を見ているかのように
どの女があなたであるかは知らないが
あなたを
私は待ち侘びているのです

Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (ed. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 72-73.

Yamanokuchi is vaak ‘een dichter van het lompenproletariaat’ (runpen no shijin ルンペン詩人) genoemd, vanwege zijn gebalanceer op de rand van de bestaanszekerheid. Kort na zijn huwelijk verloor Yamanokuchi zijn toch al slecht betaalde baan als colporteur van medicijnen. Shizue, dochter van een schoolhoofd, ging een leven van bittere armoe tegemoet. Dat lezers de ‘poëzie’ in Yamanokuchi’s gedicht interpreteerden als Shizue die haar partner aan het hoofd zeurt en hem daarmee van zijn roeping afhoudt is dan misschien niet zo verwonderlijk, maar het is maar de vraag of dat terecht is.

Waarom wilde de dichter zo graag trouwen? Hij trouwde een idee, zo lijkt het, niet een individu. Moest zijn vrouw een muze worden? Dan nog was het niet de muze maar de poëzie zelf die veranderde. Of is het toch: de poëzie kreeg gestalte in de muze die op haar beurt weer veranderde in een echt mens van vlees en bloed dat zich afvroeg hoe ze het gezin (er was in 1944 een dochter geboren) in leven gingen houden?

[Een voetnoot] Ik heb even zitten vlassen op wie nu het onderwerp is van dat ‘roepen’ (Jp. naku 鳴く) in de tweede regel. Het Japans doet vrij weinig aan het expliciteren van grammaticale onderwerpen. Je zou de regel op zich dus ook kunnen vertalen als: ‘bleef ik maar roepen “trouw me trouw me”’. Daarmee verandert de dynamiek van het gedicht nogal, maar in het licht van de twee daaropvolgende regels is het niet onmogelijk. Toch kies ook ik ervoor ‘de poëzie’ als het niet genoemde grammaticale onderwerp te zien. Dat is dan vanwege de dertiende en de vijftiende regel: het ligt heel erg voor de hand dat het elke keer de poëzie is die roept. ‘Jammeren’ in de laatste regel is mijn vertaling voor het homofone nakidasu 泣き出す (let. ‘in huilen uitbarsten).

De foto toont Yamanokuchi Baku en zijn vrouw Shizue, ergens in de periode maart-juli 1963, toen Yamanokuchi met maagkanker in het ziekenhuis lag waar hij op 16 juli zou sterven. Collectie Naha City Museum of History 那覇市歴史博物館 (waar Shizue abusievelijk als ‘Shizuko’ 静子 wordt geïdentificeerd).

Categorieën
poëzie

eenvoudig geluk

            romance

            .

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

als een eenmalig opkomend getij

de kalme hitte van een zomermiddag te openen

en bij jou te zijn

nee dat is het niet dat is niet echt

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

de kalme hitte van een zomermiddag die vanzelf

zich opnieuw en opnieuw opent

en aan het einde van dat openen kan ik niet langer

me wat dan ook van jou herinneren

toch is er op dat moment een steen die baadt in de zon

omdat een steen heter dan het geheugen is en geteld kan worden

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

ver rechtsboven opkomende en verdwijnende natuurlijke getallen

is dat een agaat?     ja iets als een agaat

een geritsel van hemelbladeren laat zich voelen

een voorgevoel dat dat geritsel fladderen gaat

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

omdat op dat moment op mijn gehoorbeentje een bloemknop ontspruit

op mijn gehoorbeentje ontspruit een bloemknop

            .

 ロマンス
            
.
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
一度かぎりの潮のように
午後のおだやかな暑熱をひらき
きみとともにあること
そうではないそうですらない
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
午後のおだやかな暑熱がおのずから
繰り返し繰り返しひらかれてあること
そのひらかれの果てでぼくがもう
きみについてさえ何も思い出せないとき
それでもそのとき陽の浴びている石があること
石は記憶よりも暑いし数えられるから
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
浮かんでは消えてゆく自然数の
はるか右上に瑪瑙? そう瑪瑙のような
空の葉の硬いさわさわが感じられ
そもさわさわがなおも翻りそうな予感のなか
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
なぜならそのとき砧骨にも蕾が発生して
砧骨にも蕾が発生して

Een gedicht van Nomura Kiwao 野村喜和夫 (1951).

Ik vermoed dat we ‘romance’ (Jp. romansu) hier moeten opvatten als ‘een aandoenlijk lied’. Een beetje zoals bij Paul Verlaine (1844–1896) en diens Romances sans paroles (‘Liederen zonder woorden’, 1874), die Nomura kent (hij vertaalde Verlaines poëzie). 

De foto toont het strand bij Wassenaarseslag, mei 2023. Foto Nicole Roepers.

Categorieën
poëzie

een tuin is nooit af

            Een tuin blijft eeuwig onvoltooid

            .

alleen grote en kleine rotsen of stenen in een tuin, dat is nog te doen.

alleen grint in een tuin, dat is nog te doen.

een tuin zonder water, dat is nog te doen

            .

een tuin met bomen of varens.

die is nooit af.

            .

een boom groeit.

een boom verdort ook weer.

mos groeit.

met de grillen van de hemel verandert de watertoevoer.

            .

een tuin verhongert

(de dramatiek van de hemel.

raakt een tuin direct.)

de dramatiek liefkoost.

en vernietigt een tuin weer wreed.

            .

voorlopig is de droom vormgegeven.

als dieren bewegen planten ongezien.

hun vormgegeven contouren vernietigd.

dit is het lot van een tuin.

            .

en dus geldt voor mij.

dat ik leef met het fortuin van de tuin.

dat ik daarmee leven wil.

            .

 庭は永久に未完成
            
.
大小の岩や石だけの庭ならまだしも。
砂利だけの庭ならまだしも。
水のない庭ならまだしも。
            
.
樹木や羊齒のある庭は。
永久に未完成である。
            
.
木は育つ。
木は枯れもする。
苔も育つ。
天の具合で水も変る。
            
.
庭は瘠せる。
(天のドラマは。
庭にジカだ。)
ドラマは愛撫し。
また残虐に庭を崩す。
            
.
一応夢が造型されても。
植物は動物・眼には見えないが動いている。
造型された輸廓は崩れる。
これ庭の命運である。
            
.
だからこそ自分は。
庭甲斐に生きる。
生きたい。

Ik heb de orthografie van het Japans aangepast naar hedendaagse schrijfwijzen: ‘jika’ ジカ (‘direct’, 直) schrijft Kusano nog als ヂカ. Ook gebruikt hij oudere vormen van karakters. Ik ga ervan uit dat rinrō 輸廊 (een woord dat niet bestaat) hier gelezen moet worden als rinkaku 輪廓 (‘contouren’) en heb dat daarom aangepast. Een voorbeeld van die lezing (of beter: idiosyncratische schrijfwijze) komt ook voor in het essay Kazan no hanashi 火山の話 (‘Over vulkanen’) van Imamura Akitsune 今村明恒 (1870-1948).

Kusano Shinpei 草野心平 (1903-1988) schreef zijn gedicht ‘Een tuin blijft eeuwig onvoltooid’ (‘Niwa wa eikyū ni mikansei’ 庭は永久に未完成; ik boots met opzet de licht gedragen toon van het Japans na) in 1984 en nam het op in de bundel Fantasmatisch uitzicht (Genkei 幻景, 1985). Hij schreef het met de tuin in gedachten die hij begin jaren ’60 van de vorige eeuw was begonnen aan te leggen. 

De foto uit 1905 toont de ‘Farmhouse Walled Garden with Misses Williams and Colvin’ in de Glynde School for Lady Gardeners in Sussex, Engeland. Bron: Judith W. Page, ‘Gardening for Women: Frances Garnet Wolseley and the Rise of the Professional Woman Gardener’, in: Victoria Emma Pagán, Emma Page, en Brigitte Weltman-Aron, red., ‘Disciples of Flora’: Gardens in History and Culture (Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing, 2015), p. 63.

Categorieën
poëzie

onwetend van geluk

            bergen, bergen, bergen

            .

      ‘god schiep het platteland

       de mens maakte de stad’

            .

als de wind over de vlakte

zo spontaan ben ik gekomen, maar

            .

zie ik bij het oude dorp de lichtpaarse

bergen daar, dan kwam ik in tranen.

            .

 山・山・山
            
.
      ″神は田舎を造り
      人は都会を作る″
            
.
原つぱの風のやうに
身まゝ気まゝで来はきたが
            
.
うす紫のふるさとの
山を見たらば泣けて来た。
            
.
      ゆめ・たけひさ

Gepubliceerd in Fujin gurafu 婦人グラフ [Ladies Graphic] 4: 2 (februari 1927) . Takehisa Yumeji shigashū, p. 192-193.

            Fragmenten

            .

            4

een tweede keer

zullen we elkaar niet zien: zo

flirten we met elkaar

en terwijl we denken dat het een flirt is

is het droefenis.

            .

            6

een van de komst van geluk onwetende

idioot was ik

een van geluks

vertrek ook onwetende

idioot was ik

besefte ik op de avond van de breuk.

            .

 断章
      
.
  4
またふたゝび
みまじといへば
たはむれながら
たはむれとおもへど
かなしきものなり。
      
.
  6
しあはせがきたのをしらぬ
ばかでした
しあはせが
いつたもしらぬ
ばかでした
わかれたよひにしりました。

Uit Aoi shōkei 青い小経 [Het blauwe paadje] (1921). Takehisa Yumeji shigashū, p. 114-121. De volledige reeks ‘Fragmenten’ telt tien gedichten.

            ademen

            .

twee jonge mensen die

zonder iets te doen

zonder iets te zeggen 

alleen maar ademen.

            .

 ためいき
            
.
わかきふたりは
なにもせずに
なにもいはずに
ためいきばかり。

Uit Yoru no rodai 夜の露台 [Het nachtelijk terras] (1916). Takehisa Yumeji shigashū, p. 82.

Takehisa Yumiji’s illustratie bij zijn gedicht ‘ademen’(1916). Bron: Takehisa Yumeji shigashū, p. 82.

Moet ik hem een ‘guilty pleasure’ noemen? Tot het werk van Takehisa Yumeji 竹久夢二 (1884-1934) verhoud ik me zo’n beetje als tot dat van Alphonse Mucha (1860 -1939), ook een nadrukkelijk commercieel opererend kunstenaar die beroemd werd met in drukwerk vermenigvuldigde vrouwenfiguren. Ik was er in mijn jonge jaren helemaal weg van, maar gaandeweg kreeg de oude man in mij ergens het knagende gevoel dat dit soort in massale hoeveelheden mechanisch geproduceerde dromerige esthetiek en identiek ogende ideaalvrouwen over het randje van goede smaak is — dat gaat niet meer over echte mensen. Beide mannen dreigden zichzelf tegen het einde van hun carrière te overleven; de grafische stijl die hen eerst publiekssuccessen bezorgde werd later als ‘niet meer van deze tijd’ weggezet. Dat je beiden regelmatig in het aanbod van posters en boekenleggers tegenkomt maakt de snob in mij ook wat ongemakkelijk. Toch is het vaak sterk werk, in zijn vervlechting van grafische traditie en moderniteit, met regelmatig de suggestie van een binnenkant (en die ontbreekt nogal bij Mucha).

Takehisa werd geboren als Mojirō 茂次郎. Net iets anders geschreven betekent zijn kunstenaarsnaam Yumeji ‘dromenpad’ (夢路)  en die lading dekt veel van zijn thematiek. Hij is vooral bekend om afbeeldingen van ‘schoonheden in de Yumeji-stijl’ (yumejishiki bijin 夢二式美人): melancholische, languissante jonge vrouwen die met grote ogen in de verte staren en mij via kronkelassociaties wel eens aan Modigliani doen denken. Een autodidactisch kunstenaar met een expressie die perfect aansloot bij wat de ‘Taishō-Romantiek’ (taishō roman 大正ロマン) is gaan heten, de modernistisch-romantische stijl die het relatief liberale klimaat van de Taishō-periode (1912-1925) begeleidde.

Veel van Takehisa Yumeji’s werk was bedoeld voor meisjes- en vrouwentijdschriften. Dat geeft een interessante draai aan zijn vrouwenbeelden: het zijn niet alleen mannelijke objectificaties, maar ook een spiegel waarin lezers zich konden (of moesten) herkennen. Naast zijn prenten, tekeningen en schilderijen schreef Yumeji liedjes en gedichten, ook alweer vaak voor vrouwen- en meisjesbladen. Bij deze een flinter van zulke poëzie.

Ik gebruikte:

  • Ishikawa Keiko 石川圭子, red., Takehisa Yumeji shigashū 竹久夢二詩画集 [Verzamelde geïllustreerde gedichten van Takehisa Yumeji] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2016, 20193).

Lees ook:

  • Nozomi Naoi, Sabine Schenk en Maureen de Vries, Takehisa Yumeji (Amsterdam: Hotei Publishing/Nihon no hanga, 2015).

De afbeelding toont het gedicht ‘bergen, bergen, bergen’ als onderdeel van de prent die Takehisa Yumeji ontwierp voor het tijdschrift Fujin gurafu 婦人グラフ, februari 1927. Bron: Takehisa Yumeji shigashū 竹久夢二詩画集 (Tokyo: Iwanami Shoten, 2016), p. 192. Zonder gedicht ging de prent na Yumeji’s dood een eigen leven leiden, vaak als onderdeel van een set van negen, de serie Legenden van een besneeuwde nacht (Yuki no yoru no densetsu 雪の夜の伝説). Het was de uitgever Katō Junji 加藤潤二 (1885-1961) die vanaf de late jaren ’30 van de vorige eeuw veel van Yumeji’s ontwerpen opnieuw uitgaf, vaak ook als prentbriefkaart. Zie ook Naoi, Schenk en De Vries, Takehisa Yumeji (2015), p. 132, 133.

Categorieën
poëzie

beven en bloeden

            voor jullie

                        voor jullie die uitgemoord werden op de oevers van de Arakawa en de Nakagawa, na de Grote Kantō-aardbeving

            .

wat moet ik doen?

jullie zijn tien jaar vóór ik geboren werd begraven

            .

jullie vulden     de oevers

met gezichten     die niet meer te herkennen waren

            .

jullie landgenoten die jullie kwamen zoeken

noemden deze plaats ‘de vijandelijke hoofdstad’

            .

al wil ik jullie roepen

jullie namen ken ik niet

            .

jullie werden neergeschoten

de rivier in geschopt

            .

met zwangere buiken

jong als jullie waren

            .

alleen gekomen voor de studie

studenten die jullie waren

            .

door een Japanse woekeraar je land kwijtgeraakt

waren jullie gedwongen grondwerkkarretjes voort te duwen 

            .

en terwijl tienduizend jaar geleden gemaakte

afbeeldingen van reuzenherten     in infraroodfotografie nog boven komen drijven

            .

kan ik jullie van vijfentachtig jaar geleden     niet leren kennen

of jullie met honderden zijn     of met nog meer     of wat jullie namen zijn

            .

wat moet ik doen?

terwijl jullie in bitterheid begraven zijn

            .

onverstoord lopen wij     langs de Nakagawa

wandelen we door Kameido

            .

wat moet ik doen?

september komt eraan     en weer zullen de canna’s bloeien

            .

terwijl     gekomen uit ons buurland     jullie namen en ook wrok

de grond insijpelen     aan de rivierbodem blijven plakken

            .

al vijfentachtig jaar

stampen we daar overheen

            .

 あなたに
   ―関東大震災時、荒川・中川土手で虐殺されたあなたに
            
.
どうしたらいいだろう
あなたが埋められたのは私が生まれる十年前で
            
.
あなたは いっぱいで
その姿 面差しもわからず
            
.
あなたを探しにきた同胞は
この地を「敵京」と呼んでいます
            
.
あなたに呼びかけようにも
あなたの名を知らず
            
.
あなたは後ろ手にゆわかれ
トビグチやチョウナで割られ
            
.
あなたは銃で撃たれ
川に蹴落とされ
            
.
おなかの大きな
若いあなたもいましたね
            
.
ただ勉強にやってきた
学生のあなたもいましたね
            
.
日本の高利貸に耕地をうばわれ
土方のトロ押しをしていたあなたもいましたね
            
.
一万年前のひとが描いた
オオツノシカの絵も いまは赤外線写真で浮かぶのに
            
.
八十五年前の あなたのことがわからない
あなたは何百人か もっとか あなたの名前も
            
.
どうしたらいいだろう
あなたは無念に埋められたままで
            
.
私たちは平気で この中川を通り
亀戸を通りすぎ
            
.
どうしたらいいだろう
また九月がきて カンナが咲き
            
.
隣国からきた あなたたちの 名も怨みも
地に滲み 川底にはりついたまま
            
.
八十五年
私たちはその上をどかどかと歩いて

Oorspronkelijk verschenen in de bundel Deinende hibiscussen (Yureru mukugebana ゆれる木槿花, 1991). Deze tekst is een aangepaste versie uit 2008 voor The Japan P.E.N. Club Digital Library. Je zou nu dus ‘vijfentachtig’ weer kunnen vervangen door ‘honderd’. De Arakawa en de Nakagawa (-gawa betekent ‘rivier’) zijn twee rivieren die door Tokyo stromen. Dat ‘vijandelijke hoofdstad’ is mogelijk een bewust woordspel: tekikyō 敵京 klinkt zo’n beetje als ‘Tōkyō’ 東京. Van de 14.000 à 20.000 Koreanen die in de Kantō woonden werkten verreweg de meesten als arbeiders. Kameido is een wijk in oost-Tokyo, aan de westoever van de Arakawa.

De eerste bladzijde van Het Vaderland van 3 september 1923 (avondeditie). Bron: delpher.nl. Alle Nederlandse kranten hadden die week zulke koppen op de voorpagina.

Gisteren precies een eeuw geleden, op 1 september 1923, werd Tokyo en omgeving (de ‘Kantō’) getroffen door een enorme aardbeving, die sindsdien bekend staat als ‘de Grote Kantō-aardbeving’ (kantō daishinsai 関東大震災). De beving was 7,9 à 8,3 op de schaal van Richter met het epicentrum in de Sagami-baai onmiddellijk ten zuiden van Kamakura, en vond plaats om twee minuten voor het middaguur. De eerste beving duurde 48 seconden; er volgde nog een serie zware naschokken die tot en met de volgende dag duurde. Omdat veel mensen op dat moment aan het koken waren, braken overal branden uit die door wervelwinden werden aangejaagd en enorme vuurzeeën veroorzaakten. Aannames zijn dat zo’n 225.000 gebouwen door de aardbeving zelf instortten en nog eens zo’n 447.000 huizen in vlammen opgingen. Het aantal doden en vermisten wordt sinds 2004 geschat op 105.385.

De aardbeving wordt ook wel ‘de Kantō-aardbeving in de Taishō-periode’ (taishō kantō jishin 大正関東地震) genoemd , om die te onderscheiden van eerdere aardbevingen in deze regio, zoals ‘de Kantō-aardbeving in de Genroku-periode’ (genroku kantō jishin 元禄関東地震) van 1703.

Er bestaan veel gedichten die in de nasleep van deze natuurramp geschreven zijn.

Lees bijvoorbeeld:

  • Leith Morton, ‘The Great Tokyo Earthquake of 1923 and Poetry’, in When the Tsunami Came to Shore: Culture and Disaster in Japan, red. Roy Starrs (Leiden/Boston: Global Oriental, 2014).

Onmiddellijk na de aardbevingen gingen geruchten rond dat Koreanen (zgn. ‘in Japan verblijvenden’, zainichi 在日) drinkwater vergiftigd hadden en van plan waren aanvallen op etnische Japanners uit te voeren. In reactie op deze onware geruchten vermoordden spontaan gevormde gewapende burgerwachten (jikeidan 自警団) en politieagenten enorme aantallen mensen van al dan niet vermeende Koreaanse (of Chinese) afkomst. De wijd uiteenlopende geschatte aantallen dodelijke slachtoffers van deze acties schommelen vaak rond de zesduizend. De lynchpartijen staan bekend als ‘het Kantō-bloedbad’ (kantō daishinsai chōsenjin gyakusatsu jiken 関東大震災朝鮮人虐殺事件; achter het Japanse woord jiken 事件, dat doorgaans vertaald word als ‘incident’, gaan vaak verschrikkelijke dingen schuil). In de nasleep ervan werden ook linkse activisten van het amalgaam aan ‘proletarische’ bewegingen vermoord.

Lees bijvoorbeeld:

  • Sonia Ryang, ‘The Great Kanto Earthquake and the Massacre of Koreans in 1923: Notes in Japan’s Modern National Sovereignty’, Anthropological Quarterly 76: 4 (2003), p.731-748.
  • Alex Bates, ‘The Masses and the Massacre: Responsibility and the Korea Question in Representations of the Massacre’, hoofdstuk 9 van zijn The Culture of the Quake: The Great Kanto Earthquake and Taishō Japan (Ann Arbor: Center for Japanese Studies, The University of Michigan, 2015).

De poëzie van Ishikawa Itsuko 石川逸子 (1933) heeft vaak oorlogsslachtoffers als thema, en dan met name het geweld tegen vrouwen in oorlogssituaties, alsook de rol van Japans leger tijdens de oorlog in Azië. Dit gedicht van haar dat aandacht vraagt voor de slachtoffers van de lynchpartijen sluit daar vrij naadloos op aan.

Het ‘Kantō-bloedbad’ is een zwarte bladzij in de moderne Japanse geschiedenis, die voortettert doordat reactionaire partijen in Japan het bloedbad zelf of aspecten ervan ter discussie stellen. Dat krijgt impliciete politieke steun: onder de huidige gouverneur van de metropool Tokyo, Koike Yuriko 小池百合子 (1952), wordt het openlijk erkennen ervan actief bemoeilijkt; ook is zij gestopt met het sturen van condoleances naar de jaarlijkse herdenking ervan. Gelukkig zijn er nog dichters als Ishikawa.

[8 september 2023] Naar aanleiding van de honderdjarige herdenking van de Grote Kantō-aardbeving kom ik op sociale media de laatste dagen regelmatig een gedicht tegen dat Hagiwara Sakutarō 萩原朔太郎 (1886-1942) schreef in de nasleep van het Kantō-bloedbad: ‘Recente gevoelens’ (Kinjitsu shokan 近日所感), gepubliceerd in 1924 in het februari-nummer van Heden (Gendai 現代; 5: 2). Eén van de opmerkingen deze week: ‘Deze woorden van Hagiwara Sakutarō wil ik voorleggen aan de regering en aan de Gouverneur van Tokyo, die door gedraai met woorden “doen alsof het niet gebeurd is”.’

            Recente gevoelens

zoveel Koreanen afgeslacht

hun bloed spreidde zich honderd mijlen uit

ik zie in woede toe, wat een wreedheid

            .

 近日所感
朝鮮人あまた殺され
その血百里の間に連なれり
われ怒りて視る、何の慘虐ぞ

De afbeelding is ‘De verspreiding van het vuur rond de Twaalfverdiepingen-toren en Hanayashiki in het Asakusa-park’ (浅草公園十二階及花屋敷附近延焼之状況). Litho van 30 september 1923. Collectie Edo Tokyo Museum, Tokyo.

Categorieën
poëzie

de verdroogde schim van een godheid

            landschap met visgraten

            .

een glazen wenteltrap

beklimt onvast een volledig haarloos     monster

het allerlaatste     blinde creatuur

voor zijn ogen de uitgestrekte woestijn

waarin sporadisch dingen als enorme visgraten omhoogsteken

en een ervan

trekt als een vlieger de aandacht     de verdroogde schim van een godheid

            .

vanuit de heldere ether van de hemel

fladder-fladder-fladder-fladder

dansen eindeloos dingen als bankbiljetten neer

als miljoenen kapotgescheurde     bladzijden uit een boek

van een ooit uit zichzelf verdreven vreemd volk

gesublimeerd leed en kreten

stil op elkaar gezonken in de bron waarnaast

zelfs de droom van het begin van onze wereld

of een schaduw van reïncarnatie niet te bekennen zijn

            .

… heel in de verte

een half doorzichtige zon als een kapot horloge

half begraven in het zand

            .

 魚の骨のある風景
            
.
ガラスの螺旋階段を
全身毛の抜けた よぼよぼの怪獣がのぼってゆく
ただ独りとり残された 盲の生物
のはるか眼下に茫々とひらける沙漠
巨大な魚の骨のやうなものが疎らにつき刺さり
そのひとつに
紙凧のやうにひっかかってる 干乾びた神の幻像
            
.
澄みきったエエテルの空から
ひらひらひらひら
無限に舞ひおりてくる札びらのやうなもの
ばらばらにちぎれた 億万枚の本の頁のやうなもの
かつて自ら氓んでいった人類の
昇華した苦悩と叫喚
がひっそり沈下して溜った泉のほとり
劫初の夢も
輪廻の影もない
            
.
……はるか遠く
半透明の太陽が壊れた時計のやうに
なかば砂に埋れて

Uit de bloemlezing Verzameld werk van naoorlogse dichters (Sengo shijin zenshū 戦後詩人全集; Tokyo: Yūriika, 1954). In Naka Tarō shishū 那珂太郎詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1968), p. 32. Zowel ‘het begin van onze wereld’ (of ‘het begin der tijden’, gōsha 劫初) als ‘reïncarnatie’ (rinne 輪廻) zijn begrippen uit boeddhistische kosmologie.

            [dichtersalmanak van geluiden]

            .

juli     giyo-giyo

            .

bomen ruisen cactusbloemen staan in brand cicaden tsjirpen maar     nadat opeens de plotse bui voorbij is     wanneer de avondmist de schaduwen van bergen in de verte oplost     giyo-giyo     beginnen kikkers de kosmos te bedwelmen     en als de maan omhoogklimt     klinkt het gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’    een groot koorwerk als van Shinpei

            .

 音の歳時記
            
.
七月 ぎよぎよ
            
.
樹樹はざわめき緋牡丹は燃え蝉鳴きしきる さっとゆふだちが一過したあと 夕霧が遠い山影をぼかすころ ぎよぎよぎよ 蛙もこゑが宇宙を圧しはじめる 月がのぼるとそれは ぎやわろっぎやわろっぎやわろろろろりっと 心平式の大合唱となる

Uit de gedichtenreeks Dichtersalmanak van geluiden (Oto no saijiki 音の歳時記), in de bundel Requiems (Chinkonka 鎮魂歌, 1995). In Zoku Naka Tarō shishū 続・那珂太郎詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1996), p. 77. Shinpei is de ‘kikkerdichter’ Kusano Shinpei 草野心平 (1903-1988).

Naka Tarō 那珂太郎 (1922-2014) won in zijn leven allerlei dichtersprijzen maar is niet heel bekend. A poets’ poet, heet dat dan. Al heeft veel van zijn poëzie iets ongrijpbaars, hij was wel een dichter die misschien meer dan anderen erg bewust met de werking van woorden bezig was.

Zijn reeks Dichtersalmanak van geluiden (Oto no saijiki 音の歳時記) is een heel expliciet voorbeeld van Naka’s verhouding tot woorden. Een saijiki (hier vertaald als ‘dichtersalmanak’) is een overzicht van seizoensgerelateerde woorden die je in poëzie (m.n. haiku) gebruiken kan. Alleen bevat een traditionele dichtersalmanak vooral namen van vogels en planten; Naka’s almanak is van een andere orde, omdat die draait om onomatopeïsche woorden die een stemming uitdrukken. (Helemaal in lijn met Naka’s opvattingen over culturele specificiteit van taal laten die woorden zich niet goed vertalen.) De gedachte achter deze reeks van twaalf gedichten (één voor elke maand van het jaar) is zeer verknoopt met oude Japanse poëzietradities en die bewuste omgang met die taalerfenis, net als Naka’s bewust gebruik van boeddhistisch gedachtengoed, maakt hem tot een wat aparte naoorlogse modernist.

Meer lezen? Dat kan in:

  • Tarō Naka, Music: Selected Poems, vert. Andrew Houben en Chikako Nihei (Tokyo: Isobar Press, 2018).

De afbeelding toont een deel van het doek Archeologische herinnering aan Het Angelus van Millet van Salvador Dali uit ca. 1934. Collectie The Dali Museum, St. Petersburg (Florida).

Categorieën
poëzie

daarom schrijft iemand

            Aantekeningen voor een poëtica

            .

1

            .

            Wat is poëzie? Dat kan niemand benoemen. Je kunt het alleen op het oog hebben en er dan een gebaar naar maken. Iets op het oog hebben dat onbenoembaar is mag een tegenstrijdigheid lijken, maar het is juist omdat het zich niet laat benoemen dat iemand het op het oog heeft; dat is waarom iemand gedichten schrijft.

            Een gedicht is altijd een poging en een poëtica is altijd een ander soort poging. Tussen die twee bestaat een onoverbrugbaar verschil. Misschien is het omdat er een verschil bestaat dat beide betekenis kunnen hebben; dat als zij met elkaar overeen zouden komen, één ervan onnodig zou zijn.

            Toch is dit essay hooguit een bescheiden zelfbespiegeling. Er zit hier niets origineels in. Ik moet door herhaling voor mezelf helder krijgen wat voor anderen zelfevident is.

            .

2

            .

            De intrinsieke motieven voor de daad die poëzie is zijn verborgen in een duister. Ze kent tenminste niet direct een op anderen gericht doel of reden. Er zijn nooit zoveel schrijvers geweest als tegenwoordig die de daad die poëzie is verdedigen vanuit zelfrechtvaardiging of een maatschappelijk doel, maar is de daad die poëzie is niet eerder een daad die uit het innerlijk voortkomt en de maatschappij de rug toekeert?

            Ze kan niet vervangen worden door een of andere reële daad, noch vervangt ze een of andere reële daad. Bovendien is het juist omdat [de drang tot poëzie] niet vervuld kan worden door een of andere reële daad dat iemand de daad begaat die poëzie is. —— Ze komt voort uit een onmiskenbaar innerlijk verlangen dat niets te maken heeft met de alledaagse wereld. Het is niet om dat verlangen te sussen maar uit het de wens het te vervullen dat iemand schrijft.

            .

5

            .

            Door de woorden te confronteren het ik teniet te doen. —— De woorden niet te gebruiken als instrument om iets te vertellen maar de woorden als ‘ding’ te dienen, dat moet uit hieruit voortkomen.

            .

9

            .

            Wat een geschreven werk is, dat kan de schrijver niet zeggen. Een werk heeft altijd een bestaan dat de schrijver overstijgt. Een werk kent een bestaan als iets dat uit woorden is opgebouwd, maar al zijn de woorden geuit door de schrijver, ze zijn niet het bezit van de schrijver omdat hun bestaan de schrijver overstijgt. De schrijver kan het werk zelf nooit kennen. Hij kan het alleen creëren.

            Een werk kent een eigen onafhankelijkheid; het kent een transcendentaal bestaan. Als fenomeen is het voor de schrijver dus altijd iets onbeslists.

            Dat een werk als object altijd iets onbeslists is, is omdat het de lezer (de ontvanger) opwacht en dan elke keer weer voor het eerst tot stand komt; de lezer creëert zo altijd weer het werk als fenomeen.

            Ook de schrijver is, na geschreven te hebben, niet meer dan een lezer.

            .

24

            .

            Het klankspel van woorden —— en dan vooral de zoektocht naar alliteratie of assonantie. Dit is zeker geen techniek om simpelweg een fraai geluidseffect te beogen. De schrijver beoogt dat effect niet, eerder probeert hij zonder verwachtingen de autonome beweging van de woorden te volgen. Door woorden andere op te laten roepen en door woorden uit zichzelf te laten komen bereikt hij nog onbekend terrein. Zo, zonder zich te laten beperken door syntax of nadrukkelijke logica, komen ze, bijna alsof ze uit zichzelf de aandacht vragen, als golven aanrollen. Dit is misschien toch iets heel anders dan het automatisch schrijven van het surrealisme. Hier niet de genotzucht van het uitschakelen of verstrooien van bewustzijn maar door opperste concentratie van het bewustzijn wordt de schrijver gedwongen de woorden te kiezen. Ook wanneer de logica doorbroken wordt moet het bewustzijn klaarwakker wezen.

            .

                                            (mei 1966)

            .

 詩論のためのノオト
            
.
1
            
.
 詩とは何か。それを人は名ざすことはできぬ。ただそれをめざし志向することができるだけだ。みづから名ざしえぬものをめざすとは、一種の矛盾ともみえようが、人は、名ざしえぬからこそめざすのであり、それゆゑにこそ、詩作品を書く。
 詩作品はつねに一つの試みであり、詩論もまた別の一つの試みである。この両者はおそらくやむをえず何らかのずれをもつ。たぶん、ずれをもつから互ひが意味をもち得るのであり、両者がぴったり合致したとしたら、そのどちらかが不要であらう。
 尤もこの私論は、きはめてひかへめな内省にとどまる。ここに独創的なものは何もない。ただひ人にとって自明なことも、みづから確かめるためにはくりかへさなければならない。
            
.
2
            
.
 詩作行為の深い動機は暗いところにかくされてゐる。それは少なくとも直接には、どんな目的も理由も対他的には持たぬ。こんにちほど多くの作者が詩作行為を自己正当化のために、対社会的目的や理由づけによって鎧ってゐるときはないやうにみえるが、むしろ詩作行為とは、本来きはめて内的な、社会に背いた行為なのではないか。
 それは他のいかなる現実的行為によっても代用されることはできず、いかなる現実的行為を代用するのでもない。しかもみづから他のいかなる現実的行為によってもみたされぬゆゑに、人は詩作行為をする。——それは日常世界とは直接かかはらぬ、まぎれもない一つの内的欲求に発する。その欲求をしづめることをのぞまず、これを充たすことを欲するゆゑに、人は書く。
            
.
5
            
.
 ことばとあひ対して、おのれを無化すること。——ことばを語るための道具として用ひず、<もの>としてのことばに仕へるとは、まづこの意味からでなければならぬ。
            
.
9
            
.
 書かれた作品が何であるかを、作者はいふことができぬ。作品はつねに作者を存在である。作品は他でもない、ことばによって構築されたところの一存在であるが、ことばは、作者の発するものではありながら、作者の所有物ではない、作者を超えた存在であるからだ。作者はけっして作品自体を知ることはできぬ。ただこれをつくることができるだけだ。
 作品は、それ自体の自立性をもって、超越的存在として在る。そして現象として、作者自身にとってもまた、つねにゆれ動いてやまぬものだ。
 一個の客体物であるところの作品が、つねにゆれ動いてやまぬといふのは、作品は読者(亭受主体)をってはじめてその都度そこに成り立つものであり、読者は、つねにあらたに現象としての作品をそこに生み出すものだからだ。
 そして作者もまた、書き終へたあとは、自らひとりの読者にほかならない。
            
.
24
            
.
 ことばの音韻性——なかんづく頭韻もしくは母韻律によって、ことばを追求すること。——それはけっして単に聴覚美としての効果をねらっての、技巧なのではない。作者は効果をねらふのではない、むしろ虚心にことばの自律的うごきに随はうとするのだ。ことばをしてことばを呼ばしめ、ことばをしてみづから行かしめることによって、おのれの未知の領域に達しようとするのだ。したがって、そのとき構文法は顕在的論理によって拘束されず、ほとんどことばはそれみづからの要請のままに、波のやうにうねってゆく。だがそれはおそらく、シュウルレアリスムの自動記述ともまるで異る。意識の消去乃至拡散による放縦はここになく、極度の意識の集中によって、作者はことばを選択のだ。論理はこえられても意識はたえず覚めてゐなければならぬ。

            .
         (一九六年五月)

Naka Tarō shishū 那珂太郎詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1968), p. 91-92, 93, 94, 102.

Dit zijn enkele fragmenten uit Aantekeningen voor een poëtica (Shiron no tame no nōto 詩論のためのノオト) uit 1966 door Naka Tarō 那珂太郎 (1922-2014). Het gehele essay bestaat uit zesentwintig secties; ik vertaalde er hier maar vijf. Bij een volgende gelegenheid ook poëzie van hem.

Op een bepaalde manier is dit natuurlijk een zeer tijdgebonden tekst; ik vermoed tenminste dat vandaag de dag niet zo snel meer gezegd zou worden dat zoveel dichters (in Japan althans) bezig zijn met poëzie als maatschappelijk statement. Dat was een halve eeuw geleden anders. Poëzie als verklanking van een innerlijke ongrijpbaarheid behoeft nu minder rechtvaardiging, al zal niet iedereen Naka willen volgen in zijn beeld van de dichter als medium. Wel verhelderend voor veel moderne Japanse poëzie vind ik de observatie dat onbegrijpelijkheid (‘zonder zich te laten beperken door syntax of nadrukkelijke logica’) wel degelijk een bewuste keuze kan zijn: geen écriture automatique, maar wel een nadrukkelijk niet-rationeel associëren.

De foto is van Hashimoto Sei’ichi 本橋成一, uit zijn serie ‘Koolmijnen’ (Tankō 炭鉱, 1965-1968). Hashimoto Sei’ichi, Aridokoro 在り処 / Sense of Place (Izu Photo Museum, 2016), p. 75.

Categorieën
poëzie

doelloos de brug over

            de dag komt aan zijn eind

de dag komt aan zijn eind — je eigen sakekop

moet je vullen — de rest is een holle leugen

zing zelf je eigen zangen

de maan hangt weldra aan de pijnboom

            .

 日もくれぬ
            
.
日も暮れぬが盞を
みたせただ餘はそらごとぞ
己がうたをみづからうたへ
月やがて松にかからん

            de sakekop

de sakekop is weliswaar klein

maar de enige betrouwbare vriend

wanneer je vele mensen wantrouwen moet

in deze wereld — wat je anders kan doen, geen idee

            .

 盞は
            
.
盞はちひさけれども
ただたのむ夕べの友ぞ
おほかたはひとをたばかる
世にありてせんすべしらに

            liggend bij de haard

liggend bij de haard omarm je je zorgen

met het hoofd op je armen spreek je van de kou

heb je het of juist niet, druppelt het uit de sakekop

er klonk een stem wonderlijker dan van een vogel

            .

 爐に臥して
            
爐に臥して憂ひをいだく
肱枕さむきをのべて
ありなしとしたむ盞
鳥よりもくしきこゑしぬ

            de maan boven de berg

toen de maan boven de bergrand uit klom

kwam ook ik mijn hutje uit

lach maar om de domheid van mensenkinderen

dat ook daarginds geen vrienden wonen

            .

 月山の
            
.
月山の端をいでたれば
われもまたいほりをいでぬ
人の子のおろかを笑へ
かなたにも友はすまぬを

            een bodempje

opgelost in een bodempje sake

een brug die men doelloos overgaat

hel oplichtend wordt een vuur ontstoken 

en toch geen spoor van mensen bij de halteplaats van Kawajiri

            .

 いささかの
            
.
いささかの酒にまぎれて
あてどなく渡る橋かな
あかあかと灯はともれども
人けなき河尻の驛

            het raakt de hoed

het geluid van hagel die je hoed raakt

bij volle maan straks toch geen schaduw

het bulderen van de branding in de verte

het enige licht de vuurtoren op de golfbreker

            .

 帽をうつ
            
.
帽をうつ霰の音や
望の月やがてかげなし
潮ざゐはかのはるかにて
ただ明し波止の燈臺

            een postume naam

een postume naam kan van alles wezen

meer dan een sakekopje wordt het niet

aldus sprak mijn leermeester

ik zal naar mijn leermeester luisteren

            .

 死後の名は
            
.
死後の名はとにもあるべし
一盞の酒にもしかず
わが師かくのらしたまひぬ
われは師の言にしたがふ

In zijn bundel Schrijlings op de bult van de kameel (Rakuda no kobu ni matagatte 駱駝の瘤にまたがって, 1952) nam Miyoshi Tatsuji 三好達治 (1900-1964) deze zeven kwatrijnen op die samen de reeks ‘Streeksake-zangen’ (Sonshu zatsuei 村酒雑詠) vormen.

Of het zo bedoeld is weet ik niet zeker, maar ik lees de reeks als de registratie van de voortschrijdende beschonkenheid van iemand die in zijn eentje zit te drinken. Vervreemding van de wereld om je heen.

De foto toont een projectie-installatie van Jos Agasi, onderdeel van de kunstmanifestatie HI-LO, op de Zuidertoren van Schiermonnikoog, 13 mei 2023.

Categorieën
poëzie

het ei is in de toekomst

            lied van het ei

            .

—— in de pruttelende modder van de Grote Hel en de Kleine Hel broedt de oger een ei uit. het ei slaapt nog, omarmd door vlammen. rotsen rommelen. aan flarden gescheurd vliegen de wolken.

            .

            drie tenen opgevouwen

in een rimpelige voetzool

openen zich naar boven.

de kosmos meet

het gewicht van het ‘zelf’.

            .

de rechters

houden naast elkaar gezeten de wacht.

bij dit monsterlijk embryo

dat in zijn eierschaal

droomt van de kosmos.

            .

rivaliteit, en ook leed

en ongeluk, en vloeken

zijn anders dan hemel en aarde

nog niet duidelijk gescheiden,

ook liefde en haat nog in staat van chaos.

            .

in het amber

van doorzichtig bloed

beweegt de schaduw van een vorm

maar eerst sluipt

de smart binnen.

            .

uit het gif van de moedervlekken

en het groen van ijsschotsen geboren

melkwit opalen

verstrooid vuur

wijst het leven de weg.

            .

vlammen likken.

met lange tongen

met korte tongen.

gewikkeld als in satijn.

brokstukken van zorgen.

            .

zevenvoudig moorddadige doem.

raadselachtige

wijze schrijfsels in zegelschrift.

uitlopers van hoop,

aanwijzingen voor rampen.

            .

 卵の唄
            
.
——大地獄、小地獄のふつふつとたぎる泥のなかで、鬼は卵を孵す。卵は猶火焔に抱かれてねむる。鳴動する岩、ちぎれとぶ雲。
            
.
 三本の指をたゝんだ
皺だらけな蹠は
うへむきにひらく。
宇宙が秤る
「我」のおもたさ。
            
.
法官たちは
ならんで見護る。
この鬼怪の芽が
殻のなかで
宇宙を夢みるのを。
          
  .
相剋と、懊悩も、
非運も、呪咀も
まだ天と地のやうに
はつきりとわかれず、
愛憎も混沌。
            
.
透いた血の
鼈甲いろのなかに
かたちの影がうごき
まづしのび入る
哀愁。
           
 .
痣の青と
氷塊のみどりから生れる
乳色のオパールの
ちらばる火が
いのちをみちびく。
            
.
火焔はなめる。
ながい舌で
みじかい舌で。
繻子のやうに包む。
悩みのかたまりを。
            
.
七殺の凶運を。
不可解な
智慧の篆文を。
欲望のひこばえ、
禍の端緒を。

Kaneko Mitsuharu zenshū 金子光晴全集 deel 3 (Tokyo: Chūō Kōronsha, 1976), p. 7-9.

In een driedelige tekst uit juli 1969 die het midden houdt tussen essay, column en mystieke openbaring schrijft Clarice Lispector over de raadselachtigheid van het ei (en van de kip die haar omsluit). Het is ook een mysterie, natuurlijk: een ding, maar wel een ding dat een begin van leven in zich herbergt. Tegelijkertijd bezield én onbezield. 

Het ei is een hangend iets. Het is nooit gaan liggen. Wanneer het ligt, is het zelf niet gaan liggen maar heeft zich een oppervlak onder het ei geschoven. — Ik kijk met een half oog naar het ei in de keuken om het niet stuk te maken. Ik doe mijn uiterste best om het niet te begrijpen. Omdat je het onmogelijk kunt begrijpen weet ik immers dat ik het fout heb als ik het begrijp. Begrijpen is het bewijs dat je fout zit. […]

            Een ei is iets dat voorzichtig moet zijn. Daarom is de kip de vermomming van het ei. De kip bestaat om het ei door de tijd te laten reizen. Daarvoor dient een moeder. — Het ei leeft als een vluchteling omdat het zijn tijd altijd vooruit is: het is meer dan wat het nu is: het is in de toekomst. — Het ei zal voorlopig altijd revolutionair blijven. — Het leeft in de kip om niet wit genoemd te worden.

Clarice Lispector, ‘De actualiteit van de kip en het ei’, in De ontdekking van de wereld, vert. Harrie Lemmens (De Arbeiderspers, 2016), p. 195, 196.

Afijn, daaraan moest ik denken toen ik dit gedicht voor het eerst las.

Kaneko Mitsuharu 金子光晴 (1895-1975) was een fascinerende maar lastige man die al jong een geërfd fortuin in korte tijd opmaakte en daarna een leven leidde gewijd aan zijn kunst (hij was behalve dichter ook schilder) — en met niet zo heel veel aandacht voor de noden van zijn ook creatieve echtgenote, Mori Michiyo 森三千代 (1901-1977). Hij reisde veel door Europa (hij woonde in 1919-1921 in Brussel en bracht veel tijd in Parijs door) en Oost-Azië. Waarschijnlijk ook omdat hij op zijn jarenlange omzwervingen in de jaren 1928-1932 regelmatig te maken kreeg met kritiek op Japans expansieve imperialisme ontwikkelde hij een weerzin tegen het steeds verdergaande militairisme in zijn thuisland. Het is dus verleidelijk alle ogers (oni , ook wel vertaald als ‘duivel’) in zijn bundel Liederen van het ogerkind (Oni no ko no uta 鬼の児の唄, 1949) te zien als verbeeldingen van een angstaanjagend politiek klimaat. 

De bundel bevat gedichten geschreven in de periode 1937-1945, dus tijdens de Vijftienjarige Oorlog, schreef Kaneko zelf in zijn nawoord, al lijkt het erop dat de gedichten vooral stammen uit de laatste jaren van de oorlog, 1942-1944. Subversieve poëzie zoals de gedichten in deze reeks moesten buiten de blikken van de censors blijven. Zo is de eerste regel van het gedicht ‘Hemelvaart’ (shōten 昇天) in dezelfde bundel: ‘vandaag is de dag van de executie van de pacifisten’ (kyō wa hisenronsha no shokeijitsu da けふは非戦論者の処刑日だ). Het helpt allicht de hypermetaforische taal van de gedichten in de bundel te verklaren: beeldspraak die zich vermomt als een beschrijving van een fantasie.

Kaneko had zich teruggetrokken naar een huisje bij het Yamanaka-meer aan de voet van de Fuji. In de eerste plaats was dat om de Amerikaanse brandbombardementen op Tokyo te ontvluchten, maar die verhuizing betekende ook ‘een zelfverkozen ballingschap. [….] Kaneko Mitsuharu schreef zijn gedichten in de onderduik en verborg die onder het bevroren water van het meer’, schreef de dichter en criticus Itō Shinkichi 伊藤信吉 (1906-2002) daarover in 1974. Kaneko kwam er pas in 1949 toe de bundel te publiceren. In zijn nawoord suggereerde hij dat de mentaliteit van de oorlogsjaren toen nog niet helemaal verdwenen was:

Nu voelen deze gedichten allicht als mosterd na de maaltijd, maar onder de huidige omstandigheden ben ik bang dat ze toch nog een functie kunnen hebben.

De cryptische dichtstijl is volledig toe te schrijven aan mijn bedoeling ze destijds al te publiceren; excuus daarvoor.

今日、これらの詩は、喧嘩すんでの棒ちぎれの感なきにしもあらずだが、この情勢だと、まだまだ、これからの方が役割が大きいのではかと恐れてゐる次第だ。
晦渋の詩風は、全くあの時期に、発表の目的で作ったためだから、あしからず。
[p. 72.]

Ook in zijn autobiografie Dichter (Shijin 詩人, 1957) is Kaneko kritisch over de hypocrisie van het maatschappelijk klimaat in de jaren onmiddellijk na het einde van de oorlog.

‘Lied van het ei’ is het eerste gedicht in de bundel. Nu lijkt me Kaneko’s ei minder raadselachtig en zeker minder existentieel dan dat van Lispector, terwijl haar ei ‘gewoon’ in de keuken ligt en dat van Kaneko een mythisch en metaforisch ei is. Maar je hoeft Kaneko’s gedicht natuurlijk niet nadrukkelijk te duiden als bevestiging van zijn reputatie als anti-oorlogsdichter (een dappere houding wanneer je leeft en schrijft in een land dat zelf oorlog voert). Als je die reputatie niet kent, of vergeten kan, dan wordt ook Kaneko’s ei een visioen van wat er in de toekomst liggen kan maar nog niet is. Maar dreigend blijft het.

De foto toont de Bloedvijverhel (Chi no ike jigoku 血の池地獄) in Beppu, op het eiland Kyushu.