Categorieën
poëzie

een warme halteplaats op mijn dromenpad

            de boom in mijn droom

            .

die honderdjarige enorme boom

is een in mijn droom gegroeide

groene tand

diep in de nacht     werd die in de wind

meedogenloos ontworteld

            .

als een door de wind tot razernij gedreven leeuw

greep ik de boom en vloog ermee door de lucht

in mijn droom     kan ik

naar het lot van een hardhandig overgeplante boom

niet gissen

            .

als er geen boom is

begint mijn hemel in te storten

als er geen boom is

raakt mijn wereld hol en leeg

            .

de boom is een warme halteplaats op mijn dromenpad

aan de zang van kwetterende vogels in de boomtop ben ik gewend geraakt

bij de mensen die koelte zoeken in de schaduw van de boom of er schuilen voor de regen     en

bij de grauwe dageraad die de bladeren begroeten voel ik me op mijn gemak

            .

nadat de boom in mijn droom verdwenen is

spugen de papavers hun gif uit

nadat de boom in mijn droom verdwenen is

blijft de koets vastzitten in de modder

            .

als er geen boom is kan ik

me alleen maar het donkergroen herinneren dat in het vogelgekwetter achterbleef

als er geen boom is

rest me niets dan bidden dat de boom op een verre plek kan opgroeien

            .

 夢の中の木
            
.
その百年の大木は
私の夢の中に生えた
緑色の歯である
深夜 それは風に
容赦なく根こそぎにされた
            
.
風は狂った獅子のように
木を摑んで空を飛んでゆく
夢の中で 私は
強引に移植されようとする木の運命を
推測できない
            
.
木がないと
私の空崩れ始める
木がないと
私の世界は空っぽになる
           
 .
木は私の夢路にある暖かい宿場だ
その梢で囀る鳥の鳴き声を私は聞き慣れている
その木陰で涼んだり雨宿りする人々 そして
葉が迎える黎明に私は馴染んでいる
            
.
きが夢の中で消えた後
ケシの花は毒素を吐き出し
木が夢の中で消えた後
馬車も泥濘ぬかるみにはまった
            
.
木がないと私は
鳥の囀りに残る濃緑を追憶するしかない
木がないと
私は 木が遠方で育つのを祈るほかない

Het openingsgedicht van Tian’s Japanse debuutbundel Sōshite kishi ga tanjō-shita (‘Zo werd de kust geboren’; Tokyo: Shichōsha, 2004). Den Gen shishū (var. Ti’en Yu’en shishū) 田原詩集 (Tokyo: Shichōsha, 2014), p. 10.

            geheugen

            .

het geheugen van mensen

kabbelt als door een duikerbuis

onvermoeibaar

stroomt het tot het sterft

            .

het geheugen van de geschiedenis

is onvergankelijk als de zee

zelfs als de aarde vergaat

stroomt het naar een andere ster

            .

het geheugen van god

is als de sprakeloze hemel

zelfs als de waarheid geweld wordt aangedaan

zwijgt het eeuwig

            .

het geheugen van de oorlog

is een door drijfzand opgeslokt kerkhof

zelfs als een granaatscherf zou roesten en verteren

blijft de droefenis

            .

bomen kunnen zich hun groen niet herinneren

zelfs als ze alles in hun jaarringen proberen te verstoppen

worden ze aan de zaag blootgesteld

            .

 記憶
            
.
人間の記憶は
暗渠のようにささらぐ
疲れも知らずに
死ぬまで流れる
            
.
歴史の記憶は
海のように消えない
地球が崩壊しても
はかの星へ流れて行く
            
.
神様の記憶は
いつまでも無言の空のように
真理が犯されても
沈黙のまま
            
.
戦争の記憶は
流砂に呑まれる墓地
ミサイルの破片が錆びて腐っても
悲しみが残る
            
.
樹木は緑を記憶することができない
すべてを年輪に隠そうとしても
ノコギリにさらされる

Uit de bundel Ishi no kioku 石の記憶 (‘Het geheugen van stenen’; Tokyo: Shichōsha, 2009). Den Gen shishū (var. Ti’en Yu’en shishū) 田原詩集 (Tokyo: Shichōsha, 2014), p. 63-64.

De Chinese dichter Tian Yuan 田原 (Jp. Den Gen/Ti’en Yu’en, 1965) won in 2010 de zestigste Meneer H. Prijs (eichi-shi shō H氏賞) voor poëzie met zijn bundel Ishi no kioku 石の記憶 (‘Het geheugen van stenen’, 2009), waarin het trauma van de Sichuan-aardbeving van 2008 centraal staat. 

Tian begon op zijn zesentwintigste Japans te leren, als uitwisselingsstudent. Hij woont en werkt in Japan.

Tian dicht ook in het Chinees en vertaalde de Japanse meesterdichter Tanikawa Shuntarō 谷川俊太郎 (1931) naar zijn moedertaal. In een essay dat hij een jaar na zijn prijs in het Japans schreef stelt hij dat ‘wanneer ik iets in het Japans creëer, dan probeer ik mezelf opnieuw uit te vinden en te herscheppen door in een andere taal dan mijn moedertaal te creëren’. Makkelijk is dat niet:

Ik heb nog steeds het gevoel dat ik een ‘gast’ ben in het Japans en geen ‘meester’. Deze lastig te plaatsen psychologische discrepantie komt in de buurt van wat de meertalige dichter Paul Celan ooit opmerkte: ‘Alleen in de moedertaal kun je de waarheid uitspreken, in een vreemde taal liegt de dichter’. Het Japans, dat ik inmiddels onder de knie heb, geeft me nog steeds het gevoel dat ik als een kind ben dat nog maar net begonnen is de taal te leren. […]

Wanneer ik in het Japans iets creëer, dan probeer ik mezelf opnieuw uit te vinden en te herscheppen door in een andere taal dan mij moedertaal te creëren. Chinese lyriek ban ik bewust uit en ik vermijd inhoudsloze abstractie of het blijven hangen in beschrijvingen van het alledaags bestaan. Het is alleen helemaal niet makkelijk om los te komen van de denktrant van mijn moedertaal en van mijn Chinese emoties of om eigen ervaringen en herinneringen te negeren.

私は相変わらず自分が日本語の“客人”であって、“主人”ではないと感じている。この整理しにくい心理的落差は、数カ国語を操る詩人ツェラン(Paul Celan)が吐露した「母語だけが自分の真理を言い表すことができるのであり、外国語で書く詩人の表現しているものはでたらめである」と一致する。使いこなせるようになった日本語の言葉の前でも、自分がやはりまだ言葉を習いはじめた子どものようだとしみじみと感じさせられるのだ。<中略>
私は日本語で創作するとき、母語以外の言語で創作すると言うことを通じて創作の自己革命と換骨奪胎を行い、意識的に中国式の抒情から脱却し、中身のない抽象的表現をしたり、ただ日常生活レベルの叙述にのみ留めることは避けたいと思っている。しかし母語の思考様式と中国的情緒から脱却すること、自分の人生経験と記憶に背くことは全く容易ではない。

Tian’s Japanse poëzie las ik ook ter voorbereiding van een stuk over tweetalige dichters (telkens Japans en een andere taal) dat binnenkort zal verschijnen in Filter: tijdschrift voor vertalen.

Meer Japanstalige poëzie van Tian Yuan in Engelse vertaling van William I. Elliott en Kazuo Kawamura is te lezen op de website van Poetry International.

De afbeelding toont een detail van Bamboebos en geïrrigeerde velden (Forêt de bambous et champs irrigués, 1992) van Wu Guangzhong (1919-2010). Collectie musée Cernuschi, Parijs.

Categorieën
poëzie

het zeil zong

            het zeil zong

            .

in de duistere zeehemel slaande meeuwenvleugels — als ik mijn schouder optrek kan ik ze bijna raken.

in de duistere zeehemel meeuwengekrijs — als ik mijn hand uitstrek kan ik hem bijna grijpen.

ik kan hem bijna grijpen, maar zie hem niet — de schuld natuurlijk van het geflakker van de lamp om mijn nek.

ik blaas de lamp uit.

dan wacht ik tot de meeuw komt zitten op de smeulende lont van de gedoofde lamp.

            .

 帆が歌つた
            
.
暗い海の空でばたいてゐる鴎の羽根は、肩を回せば肩に触れさうだ。
暗い海の空に啼いてゐる鴎の声は、手を伸ばせば掌に掴めさうだ。
掴めさうで、だが姿の見えないのは、首につるしたランプのまたたいてゐるせゐだらう。
私はランプを吹き消さう。
そして消されたランプの燃殻のうへに鴎が来てとまるのを待たう。

            de lamp zong

            .

in het diepe duister zie ik niet hoe de ankerkabel in de zee verdwijnt.

in het hoge duister zie ik niet hoe de stagen de mast invluchten.

mijn licht is zwak. Het schijnt alleen op mijn verblind gezicht.

in de uitgestrektheid van het onzichtbaar duister krijst de meeuw, zijn ogen steeds op mij gericht.

            .

 ランプが歌つた
            
.
私の眼のとどかない闇深く海面に消えてゐる錨鎖。
私の眼のとどかない闇高くマストに逃げてゐる帆索。
私の光は乏しい。盲目の私の顔を照らしてゐるばかりだ。
私に見えない闇の遠くで私をみつめてゐる鴎が啼いた。

            de meeuw zong

            .

mezelf kan ik zelfs niet zien.

hoe zou de lamp mij dan zien, of het zeil dat het lamplicht weerkaatst?

toch zie ik van hieruit duidelijk lamp en zeil.

bevroren in de verte, ik cirkel rond het duister.

            .

 鴎が歌つた
            
.
私の姿は私自身にすら見えない。
ましてランプや、ランプに反射してゐる帆に見えようか?s
だが私からランプと帆ははつきり見える。
凍えて遠く、私は闇を回るばかりだ。
Portretfoto van de jonge Maruyama Kaoru in zijn debuutbundel Zeil, lamp, meeuw (Ho, ranpu, kamome 帆・ランプ・鴎, 1932).

Maruyama Kaoru 丸山薫 (1899-1974) debuteerde in 1932 met de bundel Zeil, lamp, meeuw (Ho, ranpu, kamome 帆・ランプ・鴎), waaruit deze reeks van drie gedchten komt. Hij is wel ‘een dichter van de zee’ (umi no shijin 海の詩人) genoemd: in zijn jeugd wilde hij zeeman worden en veel van zijn poëzie raakt op de een of andere manier aan de zee.

Deze lichtjes aangepaste vertaling verscheen eerder in: De zee, de zee. Gedichten uit de hele wereld, verzameld door Katinka van Dorp (Van Gennep-Novib-Ncos, 1998), p. 46-47.

De afbeelding beslaat twee panels uit: Prado, Krijtlijn (Casterman, 1993), p. 84.

Categorieën
poëzie

naar hartenlust

            kat

            .

vanuit de kimonogordel aan het kledingrek valt

het roze licht van een verleidelijke middag.

daaronder wordt een zwarte kat wakker,

en hé, strekt zich naar hartenlust uit.

nu wordt de wereld bezit van de zwarte kat.

            .

 
            
.
こうの帯からこぼれる
なまめいた昼の光の肉色。
その下に黒猫は目覚めて、
あれ、思ふぞんぶんに伸びをする。
世界は今、黒猫のになる。

Misschien dat we al op het punt beland zijn dat obi 帯 niet meer vertaald hoeft te worden. Hoe dan ook: het is een lange, brede band stof die om het middel over een kimono gewikkeld wordt om de boel op zijn plaats te houden én uiteraard als modeaccessoire te fungeren.

Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942) schreef behalve duizenden tanka ook gedichten in vrij vers. Op 11 februari 1912 verschenen van haar in het dagblad Yomiuri shinbun 読売新聞 twee gedichten over een zwarte kat. De ander is zelfs voor een kattenliefhebber als ik te zoet, maar deze mag vanwege Japans jaarlijkse Kattendag 22 februari.

Bron: Wada Hirofumi 和田博文, red., Neko no bungakukan I: Sekai wa ima, neko no mono ni naru 猫の文学館I:世界は今、猫のものになる [‘Kattenliteratuurmuseum 1: Nu wordt de wereld bezit van katten’] (Tokyo: Chikuma Shobō, 2017), p. 56.

De tekening is van Yamada Murasaki やまだ紫 (1948-2009) in haar Shōwaruneko 性悪猫 (‘Sarcastische katten’, 1979-1980) (Tokyo: Shōgakkan, 2009), p. 27. De tekst (monoloog kat): ‘Je bent een sukkel’ おまいはあほさ.

Categorieën
poëzie

getrouwd met de kunst

            trouwen

            .

toen de poëzie me zag

bleef ze maar roepen ‘trouw me trouw me’

achteraf gezien wilde ik destijds

zo ontzettend graag trouwen

anders gezegd

wanneer je door de regen doorweekt raakt

wanneer je door de wind omver bent geblazen

wanneer je dood wil — zo zijn er in deze wereld heel veel situaties

wanneer ik me in zo’n situatie bevond

kon ik dat ‘trouwen’ maar niet vergeten

altijd liep de poëzie me dartel

werkelijk overal waar ik was achterna

en riep ‘trouw me trouw me’

uiteindelijk ben ik dan maar getrouwd

de poëzie roept nu helemaal niks meer

tegenwoordig is er iets anders dan de poëzie

af en toe schraapt het wat van mijn hart af

om dan achter de ladekast te hurken en

‘geld!

geld!’, te jammeren

            .

 結婚
            
.
詩は僕を見ると
結婚結婚と鳴きつづけた
おもうにその頃の僕ときたら
はなはだしく結婚したくなっていた
言わば
雨に濡れた場合
風に吹かれた場合
死にたくなった場合などとこの世にいろいろの場合があったにしても
そこに自分がいる場合には
結婚のことを忘れることが出来なかった
詩はいつもはつらつと
僕のいる所至る所につきまとって来て
結婚結婚と鳴いていた
僕はとうとう結婚してしまったが
詩はとんと鳴かなくなった
いまでは詩とはちがった物がいて
時々僕の胸をかきむしっては
箪笥の陰にしゃがんだりして
おかねが
おかねがと泣き出すんだ

Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (red. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 87-89.

Dit is een van de iets bekendere gedichten van Yamanokuchi Baku 山之口獏 (1903-1963). De folk-zanger Takada Wataru 高田渡 (1949-2005) heeft Yamanokuchi’s gedicht ‘trouwen’ in 1973 op muziek gezet, waarbij hij Yamanokuchi’s ‘poëzie’ (shi ) consequent zingt als ‘lied’ (uta ).

Ik kwam een goede 45 jaar oude Nederlandse vertaling van dit gedicht tegen, door Wouter Noordewier (1935-2016). Ik ken deze vertaler niet, al doen er enkele merkwaardige verhalen over hem de ronde. Spaans leek hij wel te kennen, maar Japans zeker niet. In 1978 kwam van zijn hand een bundel vertalingen van klassieke Japanse poëzie uit, Loop niet over deze sneeuw!. Deze gedichten vertaalde Noordewier vanuit bestaande vertalingen in (naar ik aanneem) Europese talen. Curieus genoeg sluit de bundel af met drie gedichten die je met de beste wil van de wereld geen klassieke Japanse poëzie kan noemen, omdat ze voorbeelden zijn van vrij vers (een aan het einde van de negentiende eeuw geïmporteerde dichtvorm in Japan) uit de twintigste eeuw. Het allerlaatste gedicht in Loop niet over deze sneeuw! is dit gedicht van Yamanokuchi:

YAMANOKUCHI BAKU     1903

            .

Wordt als anarchist beschouwd.

            .

Toen de poëzie me zag

Riep ze uit: ‘Laten we trouwen!’

Erover nadenkend erkende ik

mijn ongeduld te trouwen.

Kijk

            .

Er bestaan verschillende graden van zijn:

Nàt zijn van de regen,

Omgegooid worden door de wind,

Dood willen gaan.

In ieder geval, in mijn toestand

Liet het idee van het huwelijk me niet los.

            .

De poëzie, vol energie,

Volgde me overal waar ik ging;

Al schreeuwend: ‘Laten we trouwen, laten we trouwen’.

Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie

Krabt af en toe aan mijn hart

Of verschuilt zich achter mijn bureau

En begint te schreeuwen: ‘Geld! Geld!’

Wouter Noordewier, Loop niet over deze sneeuw! Keur van Japanse klassieke poëzie (Amsterdam: Bert Bakker, 1978), p. 86.

Ik gok erop dat Noordewier zijn versie baseerde op een Engelse vertaling van Yamanokuchi’s gedicht dat in mei 1956 verscheen in een Japans themanummer van het tijdschrift Poetry: A Magazine of Verse, een uitgave van The Modern Poetry Association die al sinds 1912 bestaat. Die Engelse vertaling was er vroeg bij, want Yamanokuchi nam dit gedicht pas twee jaar later op in een bundel van hem. De Japanse dichter en vertaler Satō Satoru 佐藤覚 (1923-?) moet het origineel tegen zijn gekomen in een tijdschrift. Diens vertaling in Poetry luidt:

MARRIAGE

            .

Whenever poetry saw me

It cried out, “Marriage, marriage.”

Thinking back, I see that I was

Most eager to marry.

In other words,

There are various states in this world:

The state of getting soaked in the rain,

The state of being blown by the wind,

Or the state of wishing to die; however,

In my state

I could not put marriage out of my mind.

Poetry, full of vigor,

Stuck to me wherever I went,

Crying, “Marriage, marriage.”

Finally I married. Poetry

Stopped crying words altogether.

Now something other than poetry

Scratches at my heart from time to time

Or crouches behind the bureau,

Starting to cry, “Money, money.”

Vertaling Satoru Sato, in: Poetry: A Magazine of Verse 88: 2 (mei 1956), p. 67.

Niet alleen laat Noordewier de titel van het gedicht en twee hele regels weg en suggereert hij coupletten die zijn bron niet heeft, maar hij vertaalt een cruciale ontkenning niet. ‘Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie / Krabt af en toe aan mijn hart / Of verschuilt zich achter mijnbureau’ schrijft Noordewier, waar het Engels heeft: ‘Now something other than poetry / Scratches at my heart from time to time / Or crouches behind the bureau.’ Dat laatste spoort met het origineel van Yamanokuchi. Dus niet ‘de poëzie’, maar ‘iets anders dan de poëzie’.

Twee keer het gedicht ‘trouwen’ van Yamanokuchi Baku. Links: vertaald door Satoru Sato (1956). Rechts: vertaald door Wouter Noordewier (1978).

Je kunt natuurlijk volstaan met de vaststelling dag Noordewier slordig vertaalde. Niettemin viel ik in eerste instantie juist voor iets dat je achteraf misschien een creatieve vergissing mag noemen. Noordewiers versie roept bij mij het beeld op van een verzuurd huwelijk tussen de dichter en de poëzie, van een relatie tussen kunst en kunstenaar die geplaagd wordt doordat zijn kunst de commerciële kant op wil. De poëzie verwerd tot een partner die wil dat er centjes verdiend worden en geen romantische gevoelens meer oproept.

Dat is niet, of niet helemaal, wat Yamanokuchi schrijft. In de relatie van de dichter wordt de plaats van de poëzie ingenomen door iets anders. Een vraag is wie de dichter hier nu trouwt.

Eind 1937 trouwde Yamanokuchi met Yasuda Shizue 安田静江 (1905-1995), die hij pas twee maanden eerder had leren kennen via de dichter Kaneko Mitsuharu 金子光晴 (1895-1975) en diens vrouw, de schrijfster Mori Michiyo 森三千代 (1901-1977). Dat wijst er inderdaad wel op dat hij ‘destijds / zo ontzettend graag trouwen’ wilde. Biografische schetsen van Yamanokuchi koppelen dat gearrangeerde huwelijk aan een gedicht dat Yamanokuchi in 1936 publiceerde:

            huwelijksadvertentie

            .

ik wil zo snel mogelijk trouwen

als ik nou maar trouw

dan zal ik dubbel-intensief willen leven

zo zal ik een boeiende man zijn, dat geloof ik

een boeiende man met een boeiend leven

iemand die mij als echtgenoot zou willen hebben

is er ergens zo’n vrouw die met mij romantisch wil wezen?

kom dan alsjeblieft meteen, jij vrouw

als een onzichtbare wind die zichtbaar wordt

weet ik niet welke vrouw jij zijn zal

maar op jou

wacht ik vol ongeduld

            .

 求婚の広告
            
.
一日もはやく私は結婚したいのです
結婚さえすれば
私は人一倍生きていたくなるでしょう
かように私は面白い男であるとう私はおもうのです
面白い男と面白く暮したくなって
私をおっとにしたくなって
せんちめんたるになっている女はそこらにいませんか
さっさと来て呉れませんか女よ
見えもしない風を見ているかのように
どの女があなたであるかは知らないが
あなたを
私は待ち侘びているのです

Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (ed. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 72-73.

Yamanokuchi is vaak ‘een dichter van het lompenproletariaat’ (runpen no shijin ルンペン詩人) genoemd, vanwege zijn gebalanceer op de rand van de bestaanszekerheid. Kort na zijn huwelijk verloor Yamanokuchi zijn toch al slecht betaalde baan als colporteur van medicijnen. Shizue, dochter van een schoolhoofd, ging een leven van bittere armoe tegemoet. Dat lezers de ‘poëzie’ in Yamanokuchi’s gedicht interpreteerden als Shizue die haar partner aan het hoofd zeurt en hem daarmee van zijn roeping afhoudt is dan misschien niet zo verwonderlijk, maar het is maar de vraag of dat terecht is.

Waarom wilde de dichter zo graag trouwen? Hij trouwde een idee, zo lijkt het, niet een individu. Moest zijn vrouw een muze worden? Dan nog was het niet de muze maar de poëzie zelf die veranderde. Of is het toch: de poëzie kreeg gestalte in de muze die op haar beurt weer veranderde in een echt mens van vlees en bloed dat zich afvroeg hoe ze het gezin (er was in 1944 een dochter geboren) in leven gingen houden?

[Een voetnoot] Ik heb even zitten vlassen op wie nu het onderwerp is van dat ‘roepen’ (Jp. naku 鳴く) in de tweede regel. Het Japans doet vrij weinig aan het expliciteren van grammaticale onderwerpen. Je zou de regel op zich dus ook kunnen vertalen als: ‘bleef ik maar roepen “trouw me trouw me”’. Daarmee verandert de dynamiek van het gedicht nogal, maar in het licht van de twee daaropvolgende regels is het niet onmogelijk. Toch kies ook ik ervoor ‘de poëzie’ als het niet genoemde grammaticale onderwerp te zien. Dat is dan vanwege de dertiende en de vijftiende regel: het ligt heel erg voor de hand dat het elke keer de poëzie is die roept. ‘Jammeren’ in de laatste regel is mijn vertaling voor het homofone nakidasu 泣き出す (let. ‘in huilen uitbarsten).

De foto toont Yamanokuchi Baku en zijn vrouw Shizue, ergens in de periode maart-juli 1963, toen Yamanokuchi met maagkanker in het ziekenhuis lag waar hij op 16 juli zou sterven. Collectie Naha City Museum of History 那覇市歴史博物館 (waar Shizue abusievelijk als ‘Shizuko’ 静子 wordt geïdentificeerd).

Categorieën
poëzie

eenvoudig geluk

            romance

            .

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

als een eenmalig opkomend getij

de kalme hitte van een zomermiddag te openen

en bij jou te zijn

nee dat is het niet dat is niet echt

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

de kalme hitte van een zomermiddag die vanzelf

zich opnieuw en opnieuw opent

en aan het einde van dat openen kan ik niet langer

me wat dan ook van jou herinneren

toch is er op dat moment een steen die baadt in de zon

omdat een steen heter dan het geheugen is en geteld kan worden

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

ver rechtsboven opkomende en verdwijnende natuurlijke getallen

is dat een agaat?     ja iets als een agaat

een geritsel van hemelbladeren laat zich voelen

een voorgevoel dat dat geritsel fladderen gaat

het geluk dat ik zoek is eenvoudig

omdat op dat moment op mijn gehoorbeentje een bloemknop ontspruit

op mijn gehoorbeentje ontspruit een bloemknop

            .

 ロマンス
            
.
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
一度かぎりの潮のように
午後のおだやかな暑熱をひらき
きみとともにあること
そうではないそうですらない
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
午後のおだやかな暑熱がおのずから
繰り返し繰り返しひらかれてあること
そのひらかれの果てでぼくがもう
きみについてさえ何も思い出せないとき
それでもそのとき陽の浴びている石があること
石は記憶よりも暑いし数えられるから
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
浮かんでは消えてゆく自然数の
はるか右上に瑪瑙? そう瑪瑙のような
空の葉の硬いさわさわが感じられ
そもさわさわがなおも翻りそうな予感のなか
ぼくがもとめる幸福は簡単だ
なぜならそのとき砧骨にも蕾が発生して
砧骨にも蕾が発生して

Een gedicht van Nomura Kiwao 野村喜和夫 (1951).

Ik vermoed dat we ‘romance’ (Jp. romansu) hier moeten opvatten als ‘een aandoenlijk lied’. Een beetje zoals bij Paul Verlaine (1844–1896) en diens Romances sans paroles (‘Liederen zonder woorden’, 1874), die Nomura kent (hij vertaalde Verlaines poëzie). 

De foto toont het strand bij Wassenaarseslag, mei 2023. Foto Nicole Roepers.

Categorieën
poëzie

een tuin is nooit af

            Een tuin blijft eeuwig onvoltooid

            .

alleen grote en kleine rotsen of stenen in een tuin, dat is nog te doen.

alleen grint in een tuin, dat is nog te doen.

een tuin zonder water, dat is nog te doen

            .

een tuin met bomen of varens.

die is nooit af.

            .

een boom groeit.

een boom verdort ook weer.

mos groeit.

met de grillen van de hemel verandert de watertoevoer.

            .

een tuin verhongert

(de dramatiek van de hemel.

raakt een tuin direct.)

de dramatiek liefkoost.

en vernietigt een tuin weer wreed.

            .

voorlopig is de droom vormgegeven.

als dieren bewegen planten ongezien.

hun vormgegeven contouren vernietigd.

dit is het lot van een tuin.

            .

en dus geldt voor mij.

dat ik leef met het fortuin van de tuin.

dat ik daarmee leven wil.

            .

 庭は永久に未完成
            
.
大小の岩や石だけの庭ならまだしも。
砂利だけの庭ならまだしも。
水のない庭ならまだしも。
            
.
樹木や羊齒のある庭は。
永久に未完成である。
            
.
木は育つ。
木は枯れもする。
苔も育つ。
天の具合で水も変る。
            
.
庭は瘠せる。
(天のドラマは。
庭にジカだ。)
ドラマは愛撫し。
また残虐に庭を崩す。
            
.
一応夢が造型されても。
植物は動物・眼には見えないが動いている。
造型された輸廓は崩れる。
これ庭の命運である。
            
.
だからこそ自分は。
庭甲斐に生きる。
生きたい。

Ik heb de orthografie van het Japans aangepast naar hedendaagse schrijfwijzen: ‘jika’ ジカ (‘direct’, 直) schrijft Kusano nog als ヂカ. Ook gebruikt hij oudere vormen van karakters. Ik ga ervan uit dat rinrō 輸廊 (een woord dat niet bestaat) hier gelezen moet worden als rinkaku 輪廓 (‘contouren’) en heb dat daarom aangepast. Een voorbeeld van die lezing (of beter: idiosyncratische schrijfwijze) komt ook voor in het essay Kazan no hanashi 火山の話 (‘Over vulkanen’) van Imamura Akitsune 今村明恒 (1870-1948).

Kusano Shinpei 草野心平 (1903-1988) schreef zijn gedicht ‘Een tuin blijft eeuwig onvoltooid’ (‘Niwa wa eikyū ni mikansei’ 庭は永久に未完成; ik boots met opzet de licht gedragen toon van het Japans na) in 1984 en nam het op in de bundel Fantasmatisch uitzicht (Genkei 幻景, 1985). Hij schreef het met de tuin in gedachten die hij begin jaren ’60 van de vorige eeuw was begonnen aan te leggen. 

De foto uit 1905 toont de ‘Farmhouse Walled Garden with Misses Williams and Colvin’ in de Glynde School for Lady Gardeners in Sussex, Engeland. Bron: Judith W. Page, ‘Gardening for Women: Frances Garnet Wolseley and the Rise of the Professional Woman Gardener’, in: Victoria Emma Pagán, Emma Page, en Brigitte Weltman-Aron, red., ‘Disciples of Flora’: Gardens in History and Culture (Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing, 2015), p. 63.

Categorieën
poëzie

onwetend van geluk

            bergen, bergen, bergen

            .

      ‘god schiep het platteland

       de mens maakte de stad’

            .

als de wind over de vlakte

zo spontaan ben ik gekomen, maar

            .

zie ik bij het oude dorp de lichtpaarse

bergen daar, dan kwam ik in tranen.

            .

 山・山・山
            
.
      ″神は田舎を造り
      人は都会を作る″
            
.
原つぱの風のやうに
身まゝ気まゝで来はきたが
            
.
うす紫のふるさとの
山を見たらば泣けて来た。
            
.
      ゆめ・たけひさ

Gepubliceerd in Fujin gurafu 婦人グラフ [Ladies Graphic] 4: 2 (februari 1927) . Takehisa Yumeji shigashū, p. 192-193.

            Fragmenten

            .

            4

een tweede keer

zullen we elkaar niet zien: zo

flirten we met elkaar

en terwijl we denken dat het een flirt is

is het droefenis.

            .

            6

een van de komst van geluk onwetende

idioot was ik

een van geluks

vertrek ook onwetende

idioot was ik

besefte ik op de avond van de breuk.

            .

 断章
      
.
  4
またふたゝび
みまじといへば
たはむれながら
たはむれとおもへど
かなしきものなり。
      
.
  6
しあはせがきたのをしらぬ
ばかでした
しあはせが
いつたもしらぬ
ばかでした
わかれたよひにしりました。

Uit Aoi shōkei 青い小経 [Het blauwe paadje] (1921). Takehisa Yumeji shigashū, p. 114-121. De volledige reeks ‘Fragmenten’ telt tien gedichten.

            ademen

            .

twee jonge mensen die

zonder iets te doen

zonder iets te zeggen 

alleen maar ademen.

            .

 ためいき
            
.
わかきふたりは
なにもせずに
なにもいはずに
ためいきばかり。

Uit Yoru no rodai 夜の露台 [Het nachtelijk terras] (1916). Takehisa Yumeji shigashū, p. 82.

Takehisa Yumiji’s illustratie bij zijn gedicht ‘ademen’(1916). Bron: Takehisa Yumeji shigashū, p. 82.

Moet ik hem een ‘guilty pleasure’ noemen? Tot het werk van Takehisa Yumeji 竹久夢二 (1884-1934) verhoud ik me zo’n beetje als tot dat van Alphonse Mucha (1860 -1939), ook een nadrukkelijk commercieel opererend kunstenaar die beroemd werd met in drukwerk vermenigvuldigde vrouwenfiguren. Ik was er in mijn jonge jaren helemaal weg van, maar gaandeweg kreeg de oude man in mij ergens het knagende gevoel dat dit soort in massale hoeveelheden mechanisch geproduceerde dromerige esthetiek en identiek ogende ideaalvrouwen over het randje van goede smaak is — dat gaat niet meer over echte mensen. Beide mannen dreigden zichzelf tegen het einde van hun carrière te overleven; de grafische stijl die hen eerst publiekssuccessen bezorgde werd later als ‘niet meer van deze tijd’ weggezet. Dat je beiden regelmatig in het aanbod van posters en boekenleggers tegenkomt maakt de snob in mij ook wat ongemakkelijk. Toch is het vaak sterk werk, in zijn vervlechting van grafische traditie en moderniteit, met regelmatig de suggestie van een binnenkant (en die ontbreekt nogal bij Mucha).

Takehisa werd geboren als Mojirō 茂次郎. Net iets anders geschreven betekent zijn kunstenaarsnaam Yumeji ‘dromenpad’ (夢路)  en die lading dekt veel van zijn thematiek. Hij is vooral bekend om afbeeldingen van ‘schoonheden in de Yumeji-stijl’ (yumejishiki bijin 夢二式美人): melancholische, languissante jonge vrouwen die met grote ogen in de verte staren en mij via kronkelassociaties wel eens aan Modigliani doen denken. Een autodidactisch kunstenaar met een expressie die perfect aansloot bij wat de ‘Taishō-Romantiek’ (taishō roman 大正ロマン) is gaan heten, de modernistisch-romantische stijl die het relatief liberale klimaat van de Taishō-periode (1912-1925) begeleidde.

Veel van Takehisa Yumeji’s werk was bedoeld voor meisjes- en vrouwentijdschriften. Dat geeft een interessante draai aan zijn vrouwenbeelden: het zijn niet alleen mannelijke objectificaties, maar ook een spiegel waarin lezers zich konden (of moesten) herkennen. Naast zijn prenten, tekeningen en schilderijen schreef Yumeji liedjes en gedichten, ook alweer vaak voor vrouwen- en meisjesbladen. Bij deze een flinter van zulke poëzie.

Ik gebruikte:

  • Ishikawa Keiko 石川圭子, red., Takehisa Yumeji shigashū 竹久夢二詩画集 [Verzamelde geïllustreerde gedichten van Takehisa Yumeji] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2016, 20193).

Lees ook:

  • Nozomi Naoi, Sabine Schenk en Maureen de Vries, Takehisa Yumeji (Amsterdam: Hotei Publishing/Nihon no hanga, 2015).

De afbeelding toont het gedicht ‘bergen, bergen, bergen’ als onderdeel van de prent die Takehisa Yumeji ontwierp voor het tijdschrift Fujin gurafu 婦人グラフ, februari 1927. Bron: Takehisa Yumeji shigashū 竹久夢二詩画集 (Tokyo: Iwanami Shoten, 2016), p. 192. Zonder gedicht ging de prent na Yumeji’s dood een eigen leven leiden, vaak als onderdeel van een set van negen, de serie Legenden van een besneeuwde nacht (Yuki no yoru no densetsu 雪の夜の伝説). Het was de uitgever Katō Junji 加藤潤二 (1885-1961) die vanaf de late jaren ’30 van de vorige eeuw veel van Yumeji’s ontwerpen opnieuw uitgaf, vaak ook als prentbriefkaart. Zie ook Naoi, Schenk en De Vries, Takehisa Yumeji (2015), p. 132, 133.

Categorieën
poëzie

beven en bloeden

            voor jullie

                        voor jullie die uitgemoord werden op de oevers van de Arakawa en de Nakagawa, na de Grote Kantō-aardbeving

            .

wat moet ik doen?

jullie zijn tien jaar vóór ik geboren werd begraven

            .

jullie vulden     de oevers

met gezichten     die niet meer te herkennen waren

            .

jullie landgenoten die jullie kwamen zoeken

noemden deze plaats ‘de vijandelijke hoofdstad’

            .

al wil ik jullie roepen

jullie namen ken ik niet

            .

jullie werden neergeschoten

de rivier in geschopt

            .

met zwangere buiken

jong als jullie waren

            .

alleen gekomen voor de studie

studenten die jullie waren

            .

door een Japanse woekeraar je land kwijtgeraakt

waren jullie gedwongen grondwerkkarretjes voort te duwen 

            .

en terwijl tienduizend jaar geleden gemaakte

afbeeldingen van reuzenherten     in infraroodfotografie nog boven komen drijven

            .

kan ik jullie van vijfentachtig jaar geleden     niet leren kennen

of jullie met honderden zijn     of met nog meer     of wat jullie namen zijn

            .

wat moet ik doen?

terwijl jullie in bitterheid begraven zijn

            .

onverstoord lopen wij     langs de Nakagawa

wandelen we door Kameido

            .

wat moet ik doen?

september komt eraan     en weer zullen de canna’s bloeien

            .

terwijl     gekomen uit ons buurland     jullie namen en ook wrok

de grond insijpelen     aan de rivierbodem blijven plakken

            .

al vijfentachtig jaar

stampen we daar overheen

            .

 あなたに
   ―関東大震災時、荒川・中川土手で虐殺されたあなたに
            
.
どうしたらいいだろう
あなたが埋められたのは私が生まれる十年前で
            
.
あなたは いっぱいで
その姿 面差しもわからず
            
.
あなたを探しにきた同胞は
この地を「敵京」と呼んでいます
            
.
あなたに呼びかけようにも
あなたの名を知らず
            
.
あなたは後ろ手にゆわかれ
トビグチやチョウナで割られ
            
.
あなたは銃で撃たれ
川に蹴落とされ
            
.
おなかの大きな
若いあなたもいましたね
            
.
ただ勉強にやってきた
学生のあなたもいましたね
            
.
日本の高利貸に耕地をうばわれ
土方のトロ押しをしていたあなたもいましたね
            
.
一万年前のひとが描いた
オオツノシカの絵も いまは赤外線写真で浮かぶのに
            
.
八十五年前の あなたのことがわからない
あなたは何百人か もっとか あなたの名前も
            
.
どうしたらいいだろう
あなたは無念に埋められたままで
            
.
私たちは平気で この中川を通り
亀戸を通りすぎ
            
.
どうしたらいいだろう
また九月がきて カンナが咲き
            
.
隣国からきた あなたたちの 名も怨みも
地に滲み 川底にはりついたまま
            
.
八十五年
私たちはその上をどかどかと歩いて

Oorspronkelijk verschenen in de bundel Deinende hibiscussen (Yureru mukugebana ゆれる木槿花, 1991). Deze tekst is een aangepaste versie uit 2008 voor The Japan P.E.N. Club Digital Library. Je zou nu dus ‘vijfentachtig’ weer kunnen vervangen door ‘honderd’. De Arakawa en de Nakagawa (-gawa betekent ‘rivier’) zijn twee rivieren die door Tokyo stromen. Dat ‘vijandelijke hoofdstad’ is mogelijk een bewust woordspel: tekikyō 敵京 klinkt zo’n beetje als ‘Tōkyō’ 東京. Van de 14.000 à 20.000 Koreanen die in de Kantō woonden werkten verreweg de meesten als arbeiders. Kameido is een wijk in oost-Tokyo, aan de westoever van de Arakawa.

De eerste bladzijde van Het Vaderland van 3 september 1923 (avondeditie). Bron: delpher.nl. Alle Nederlandse kranten hadden die week zulke koppen op de voorpagina.

Gisteren precies een eeuw geleden, op 1 september 1923, werd Tokyo en omgeving (de ‘Kantō’) getroffen door een enorme aardbeving, die sindsdien bekend staat als ‘de Grote Kantō-aardbeving’ (kantō daishinsai 関東大震災). De beving was 7,9 à 8,3 op de schaal van Richter met het epicentrum in de Sagami-baai onmiddellijk ten zuiden van Kamakura, en vond plaats om twee minuten voor het middaguur. De eerste beving duurde 48 seconden; er volgde nog een serie zware naschokken die tot en met de volgende dag duurde. Omdat veel mensen op dat moment aan het koken waren, braken overal branden uit die door wervelwinden werden aangejaagd en enorme vuurzeeën veroorzaakten. Aannames zijn dat zo’n 225.000 gebouwen door de aardbeving zelf instortten en nog eens zo’n 447.000 huizen in vlammen opgingen. Het aantal doden en vermisten wordt sinds 2004 geschat op 105.385.

De aardbeving wordt ook wel ‘de Kantō-aardbeving in de Taishō-periode’ (taishō kantō jishin 大正関東地震) genoemd , om die te onderscheiden van eerdere aardbevingen in deze regio, zoals ‘de Kantō-aardbeving in de Genroku-periode’ (genroku kantō jishin 元禄関東地震) van 1703.

Er bestaan veel gedichten die in de nasleep van deze natuurramp geschreven zijn.

Lees bijvoorbeeld:

  • Leith Morton, ‘The Great Tokyo Earthquake of 1923 and Poetry’, in When the Tsunami Came to Shore: Culture and Disaster in Japan, red. Roy Starrs (Leiden/Boston: Global Oriental, 2014).

Onmiddellijk na de aardbevingen gingen geruchten rond dat Koreanen (zgn. ‘in Japan verblijvenden’, zainichi 在日) drinkwater vergiftigd hadden en van plan waren aanvallen op etnische Japanners uit te voeren. In reactie op deze onware geruchten vermoordden spontaan gevormde gewapende burgerwachten (jikeidan 自警団) en politieagenten enorme aantallen mensen van al dan niet vermeende Koreaanse (of Chinese) afkomst. De wijd uiteenlopende geschatte aantallen dodelijke slachtoffers van deze acties schommelen vaak rond de zesduizend. De lynchpartijen staan bekend als ‘het Kantō-bloedbad’ (kantō daishinsai chōsenjin gyakusatsu jiken 関東大震災朝鮮人虐殺事件; achter het Japanse woord jiken 事件, dat doorgaans vertaald word als ‘incident’, gaan vaak verschrikkelijke dingen schuil). In de nasleep ervan werden ook linkse activisten van het amalgaam aan ‘proletarische’ bewegingen vermoord.

Lees bijvoorbeeld:

  • Sonia Ryang, ‘The Great Kanto Earthquake and the Massacre of Koreans in 1923: Notes in Japan’s Modern National Sovereignty’, Anthropological Quarterly 76: 4 (2003), p.731-748.
  • Alex Bates, ‘The Masses and the Massacre: Responsibility and the Korea Question in Representations of the Massacre’, hoofdstuk 9 van zijn The Culture of the Quake: The Great Kanto Earthquake and Taishō Japan (Ann Arbor: Center for Japanese Studies, The University of Michigan, 2015).

De poëzie van Ishikawa Itsuko 石川逸子 (1933) heeft vaak oorlogsslachtoffers als thema, en dan met name het geweld tegen vrouwen in oorlogssituaties, alsook de rol van Japans leger tijdens de oorlog in Azië. Dit gedicht van haar dat aandacht vraagt voor de slachtoffers van de lynchpartijen sluit daar vrij naadloos op aan.

Het ‘Kantō-bloedbad’ is een zwarte bladzij in de moderne Japanse geschiedenis, die voortettert doordat reactionaire partijen in Japan het bloedbad zelf of aspecten ervan ter discussie stellen. Dat krijgt impliciete politieke steun: onder de huidige gouverneur van de metropool Tokyo, Koike Yuriko 小池百合子 (1952), wordt het openlijk erkennen ervan actief bemoeilijkt; ook is zij gestopt met het sturen van condoleances naar de jaarlijkse herdenking ervan. Gelukkig zijn er nog dichters als Ishikawa.

[8 september 2023] Naar aanleiding van de honderdjarige herdenking van de Grote Kantō-aardbeving kom ik op sociale media de laatste dagen regelmatig een gedicht tegen dat Hagiwara Sakutarō 萩原朔太郎 (1886-1942) schreef in de nasleep van het Kantō-bloedbad: ‘Recente gevoelens’ (Kinjitsu shokan 近日所感), gepubliceerd in 1924 in het februari-nummer van Heden (Gendai 現代; 5: 2). Eén van de opmerkingen deze week: ‘Deze woorden van Hagiwara Sakutarō wil ik voorleggen aan de regering en aan de Gouverneur van Tokyo, die door gedraai met woorden “doen alsof het niet gebeurd is”.’

            Recente gevoelens

zoveel Koreanen afgeslacht

hun bloed spreidde zich honderd mijlen uit

ik zie in woede toe, wat een wreedheid

            .

 近日所感
朝鮮人あまた殺され
その血百里の間に連なれり
われ怒りて視る、何の慘虐ぞ

De afbeelding is ‘De verspreiding van het vuur rond de Twaalfverdiepingen-toren en Hanayashiki in het Asakusa-park’ (浅草公園十二階及花屋敷附近延焼之状況). Litho van 30 september 1923. Collectie Edo Tokyo Museum, Tokyo.

Categorieën
poëzie

de verdroogde schim van een godheid

            landschap met visgraten

            .

een glazen wenteltrap

beklimt onvast een volledig haarloos     monster

het allerlaatste     blinde creatuur

voor zijn ogen de uitgestrekte woestijn

waarin sporadisch dingen als enorme visgraten omhoogsteken

en een ervan

trekt als een vlieger de aandacht     de verdroogde schim van een godheid

            .

vanuit de heldere ether van de hemel

fladder-fladder-fladder-fladder

dansen eindeloos dingen als bankbiljetten neer

als miljoenen kapotgescheurde     bladzijden uit een boek

van een ooit uit zichzelf verdreven vreemd volk

gesublimeerd leed en kreten

stil op elkaar gezonken in de bron waarnaast

zelfs de droom van het begin van onze wereld

of een schaduw van reïncarnatie niet te bekennen zijn

            .

… heel in de verte

een half doorzichtige zon als een kapot horloge

half begraven in het zand

            .

 魚の骨のある風景
            
.
ガラスの螺旋階段を
全身毛の抜けた よぼよぼの怪獣がのぼってゆく
ただ独りとり残された 盲の生物
のはるか眼下に茫々とひらける沙漠
巨大な魚の骨のやうなものが疎らにつき刺さり
そのひとつに
紙凧のやうにひっかかってる 干乾びた神の幻像
            
.
澄みきったエエテルの空から
ひらひらひらひら
無限に舞ひおりてくる札びらのやうなもの
ばらばらにちぎれた 億万枚の本の頁のやうなもの
かつて自ら氓んでいった人類の
昇華した苦悩と叫喚
がひっそり沈下して溜った泉のほとり
劫初の夢も
輪廻の影もない
            
.
……はるか遠く
半透明の太陽が壊れた時計のやうに
なかば砂に埋れて

Uit de bloemlezing Verzameld werk van naoorlogse dichters (Sengo shijin zenshū 戦後詩人全集; Tokyo: Yūriika, 1954). In Naka Tarō shishū 那珂太郎詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1968), p. 32. Zowel ‘het begin van onze wereld’ (of ‘het begin der tijden’, gōsha 劫初) als ‘reïncarnatie’ (rinne 輪廻) zijn begrippen uit boeddhistische kosmologie.

            [dichtersalmanak van geluiden]

            .

juli     giyo-giyo

            .

bomen ruisen cactusbloemen staan in brand cicaden tsjirpen maar     nadat opeens de plotse bui voorbij is     wanneer de avondmist de schaduwen van bergen in de verte oplost     giyo-giyo     beginnen kikkers de kosmos te bedwelmen     en als de maan omhoogklimt     klinkt het gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’    een groot koorwerk als van Shinpei

            .

 音の歳時記
            
.
七月 ぎよぎよ
            
.
樹樹はざわめき緋牡丹は燃え蝉鳴きしきる さっとゆふだちが一過したあと 夕霧が遠い山影をぼかすころ ぎよぎよぎよ 蛙もこゑが宇宙を圧しはじめる 月がのぼるとそれは ぎやわろっぎやわろっぎやわろろろろりっと 心平式の大合唱となる

Uit de gedichtenreeks Dichtersalmanak van geluiden (Oto no saijiki 音の歳時記), in de bundel Requiems (Chinkonka 鎮魂歌, 1995). In Zoku Naka Tarō shishū 続・那珂太郎詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1996), p. 77. Shinpei is de ‘kikkerdichter’ Kusano Shinpei 草野心平 (1903-1988).

Naka Tarō 那珂太郎 (1922-2014) won in zijn leven allerlei dichtersprijzen maar is niet heel bekend. A poets’ poet, heet dat dan. Al heeft veel van zijn poëzie iets ongrijpbaars, hij was wel een dichter die misschien meer dan anderen erg bewust met de werking van woorden bezig was.

Zijn reeks Dichtersalmanak van geluiden (Oto no saijiki 音の歳時記) is een heel expliciet voorbeeld van Naka’s verhouding tot woorden. Een saijiki (hier vertaald als ‘dichtersalmanak’) is een overzicht van seizoensgerelateerde woorden die je in poëzie (m.n. haiku) gebruiken kan. Alleen bevat een traditionele dichtersalmanak vooral namen van vogels en planten; Naka’s almanak is van een andere orde, omdat die draait om onomatopeïsche woorden die een stemming uitdrukken. (Helemaal in lijn met Naka’s opvattingen over culturele specificiteit van taal laten die woorden zich niet goed vertalen.) De gedachte achter deze reeks van twaalf gedichten (één voor elke maand van het jaar) is zeer verknoopt met oude Japanse poëzietradities en die bewuste omgang met die taalerfenis, net als Naka’s bewust gebruik van boeddhistisch gedachtengoed, maakt hem tot een wat aparte naoorlogse modernist.

Meer lezen? Dat kan in:

  • Tarō Naka, Music: Selected Poems, vert. Andrew Houben en Chikako Nihei (Tokyo: Isobar Press, 2018).

De afbeelding toont een deel van het doek Archeologische herinnering aan Het Angelus van Millet van Salvador Dali uit ca. 1934. Collectie The Dali Museum, St. Petersburg (Florida).

Categorieën
poëzie

daarom schrijft iemand

            Aantekeningen voor een poëtica

            .

1

            .

            Wat is poëzie? Dat kan niemand benoemen. Je kunt het alleen op het oog hebben en er dan een gebaar naar maken. Iets op het oog hebben dat onbenoembaar is mag een tegenstrijdigheid lijken, maar het is juist omdat het zich niet laat benoemen dat iemand het op het oog heeft; dat is waarom iemand gedichten schrijft.

            Een gedicht is altijd een poging en een poëtica is altijd een ander soort poging. Tussen die twee bestaat een onoverbrugbaar verschil. Misschien is het omdat er een verschil bestaat dat beide betekenis kunnen hebben; dat als zij met elkaar overeen zouden komen, één ervan onnodig zou zijn.

            Toch is dit essay hooguit een bescheiden zelfbespiegeling. Er zit hier niets origineels in. Ik moet door herhaling voor mezelf helder krijgen wat voor anderen zelfevident is.

            .

2

            .

            De intrinsieke motieven voor de daad die poëzie is zijn verborgen in een duister. Ze kent tenminste niet direct een op anderen gericht doel of reden. Er zijn nooit zoveel schrijvers geweest als tegenwoordig die de daad die poëzie is verdedigen vanuit zelfrechtvaardiging of een maatschappelijk doel, maar is de daad die poëzie is niet eerder een daad die uit het innerlijk voortkomt en de maatschappij de rug toekeert?

            Ze kan niet vervangen worden door een of andere reële daad, noch vervangt ze een of andere reële daad. Bovendien is het juist omdat [de drang tot poëzie] niet vervuld kan worden door een of andere reële daad dat iemand de daad begaat die poëzie is. —— Ze komt voort uit een onmiskenbaar innerlijk verlangen dat niets te maken heeft met de alledaagse wereld. Het is niet om dat verlangen te sussen maar uit het de wens het te vervullen dat iemand schrijft.

            .

5

            .

            Door de woorden te confronteren het ik teniet te doen. —— De woorden niet te gebruiken als instrument om iets te vertellen maar de woorden als ‘ding’ te dienen, dat moet uit hieruit voortkomen.

            .

9

            .

            Wat een geschreven werk is, dat kan de schrijver niet zeggen. Een werk heeft altijd een bestaan dat de schrijver overstijgt. Een werk kent een bestaan als iets dat uit woorden is opgebouwd, maar al zijn de woorden geuit door de schrijver, ze zijn niet het bezit van de schrijver omdat hun bestaan de schrijver overstijgt. De schrijver kan het werk zelf nooit kennen. Hij kan het alleen creëren.

            Een werk kent een eigen onafhankelijkheid; het kent een transcendentaal bestaan. Als fenomeen is het voor de schrijver dus altijd iets onbeslists.

            Dat een werk als object altijd iets onbeslists is, is omdat het de lezer (de ontvanger) opwacht en dan elke keer weer voor het eerst tot stand komt; de lezer creëert zo altijd weer het werk als fenomeen.

            Ook de schrijver is, na geschreven te hebben, niet meer dan een lezer.

            .

24

            .

            Het klankspel van woorden —— en dan vooral de zoektocht naar alliteratie of assonantie. Dit is zeker geen techniek om simpelweg een fraai geluidseffect te beogen. De schrijver beoogt dat effect niet, eerder probeert hij zonder verwachtingen de autonome beweging van de woorden te volgen. Door woorden andere op te laten roepen en door woorden uit zichzelf te laten komen bereikt hij nog onbekend terrein. Zo, zonder zich te laten beperken door syntax of nadrukkelijke logica, komen ze, bijna alsof ze uit zichzelf de aandacht vragen, als golven aanrollen. Dit is misschien toch iets heel anders dan het automatisch schrijven van het surrealisme. Hier niet de genotzucht van het uitschakelen of verstrooien van bewustzijn maar door opperste concentratie van het bewustzijn wordt de schrijver gedwongen de woorden te kiezen. Ook wanneer de logica doorbroken wordt moet het bewustzijn klaarwakker wezen.

            .

                                            (mei 1966)

            .

 詩論のためのノオト
            
.
1
            
.
 詩とは何か。それを人は名ざすことはできぬ。ただそれをめざし志向することができるだけだ。みづから名ざしえぬものをめざすとは、一種の矛盾ともみえようが、人は、名ざしえぬからこそめざすのであり、それゆゑにこそ、詩作品を書く。
 詩作品はつねに一つの試みであり、詩論もまた別の一つの試みである。この両者はおそらくやむをえず何らかのずれをもつ。たぶん、ずれをもつから互ひが意味をもち得るのであり、両者がぴったり合致したとしたら、そのどちらかが不要であらう。
 尤もこの私論は、きはめてひかへめな内省にとどまる。ここに独創的なものは何もない。ただひ人にとって自明なことも、みづから確かめるためにはくりかへさなければならない。
            
.
2
            
.
 詩作行為の深い動機は暗いところにかくされてゐる。それは少なくとも直接には、どんな目的も理由も対他的には持たぬ。こんにちほど多くの作者が詩作行為を自己正当化のために、対社会的目的や理由づけによって鎧ってゐるときはないやうにみえるが、むしろ詩作行為とは、本来きはめて内的な、社会に背いた行為なのではないか。
 それは他のいかなる現実的行為によっても代用されることはできず、いかなる現実的行為を代用するのでもない。しかもみづから他のいかなる現実的行為によってもみたされぬゆゑに、人は詩作行為をする。——それは日常世界とは直接かかはらぬ、まぎれもない一つの内的欲求に発する。その欲求をしづめることをのぞまず、これを充たすことを欲するゆゑに、人は書く。
            
.
5
            
.
 ことばとあひ対して、おのれを無化すること。——ことばを語るための道具として用ひず、<もの>としてのことばに仕へるとは、まづこの意味からでなければならぬ。
            
.
9
            
.
 書かれた作品が何であるかを、作者はいふことができぬ。作品はつねに作者を存在である。作品は他でもない、ことばによって構築されたところの一存在であるが、ことばは、作者の発するものではありながら、作者の所有物ではない、作者を超えた存在であるからだ。作者はけっして作品自体を知ることはできぬ。ただこれをつくることができるだけだ。
 作品は、それ自体の自立性をもって、超越的存在として在る。そして現象として、作者自身にとってもまた、つねにゆれ動いてやまぬものだ。
 一個の客体物であるところの作品が、つねにゆれ動いてやまぬといふのは、作品は読者(亭受主体)をってはじめてその都度そこに成り立つものであり、読者は、つねにあらたに現象としての作品をそこに生み出すものだからだ。
 そして作者もまた、書き終へたあとは、自らひとりの読者にほかならない。
            
.
24
            
.
 ことばの音韻性——なかんづく頭韻もしくは母韻律によって、ことばを追求すること。——それはけっして単に聴覚美としての効果をねらっての、技巧なのではない。作者は効果をねらふのではない、むしろ虚心にことばの自律的うごきに随はうとするのだ。ことばをしてことばを呼ばしめ、ことばをしてみづから行かしめることによって、おのれの未知の領域に達しようとするのだ。したがって、そのとき構文法は顕在的論理によって拘束されず、ほとんどことばはそれみづからの要請のままに、波のやうにうねってゆく。だがそれはおそらく、シュウルレアリスムの自動記述ともまるで異る。意識の消去乃至拡散による放縦はここになく、極度の意識の集中によって、作者はことばを選択のだ。論理はこえられても意識はたえず覚めてゐなければならぬ。

            .
         (一九六年五月)

Naka Tarō shishū 那珂太郎詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1968), p. 91-92, 93, 94, 102.

Dit zijn enkele fragmenten uit Aantekeningen voor een poëtica (Shiron no tame no nōto 詩論のためのノオト) uit 1966 door Naka Tarō 那珂太郎 (1922-2014). Het gehele essay bestaat uit zesentwintig secties; ik vertaalde er hier maar vijf. Bij een volgende gelegenheid ook poëzie van hem.

Op een bepaalde manier is dit natuurlijk een zeer tijdgebonden tekst; ik vermoed tenminste dat vandaag de dag niet zo snel meer gezegd zou worden dat zoveel dichters (in Japan althans) bezig zijn met poëzie als maatschappelijk statement. Dat was een halve eeuw geleden anders. Poëzie als verklanking van een innerlijke ongrijpbaarheid behoeft nu minder rechtvaardiging, al zal niet iedereen Naka willen volgen in zijn beeld van de dichter als medium. Wel verhelderend voor veel moderne Japanse poëzie vind ik de observatie dat onbegrijpelijkheid (‘zonder zich te laten beperken door syntax of nadrukkelijke logica’) wel degelijk een bewuste keuze kan zijn: geen écriture automatique, maar wel een nadrukkelijk niet-rationeel associëren.

De foto is van Hashimoto Sei’ichi 本橋成一, uit zijn serie ‘Koolmijnen’ (Tankō 炭鉱, 1965-1968). Hashimoto Sei’ichi, Aridokoro 在り処 / Sense of Place (Izu Photo Museum, 2016), p. 75.