Categorieën
poëzie

zomergras 2.0

zomergras —

van 

            al wat er bleef

                        ⟵ al wat er bleef van een uitgegumde tekst

natsukusa ya /                  /     no ato

夏草や       の跡 ⟵消しゴムで消した跡

In: Satō Ayaka 佐藤文香, red., Amanogawa ginga hatsudenjo 天の川銀河発電所: Born after 1968 現代俳句ガイドブック (Tokyo: Sayūsha, 2017), p. 12.

Een haiku van Fukuda Wakayuki 福田若之 (1991). 

Op het eerste gezicht is dit een wat nadrukkelijk spel met een van de beroemdste haikai-verzen van de zeventiende-eeuwse ‘haiku-heilige’ (haisei 俳聖) Matsuo Bashō 松尾芭蕉 (1644-1694). Zijn De smalle weg naar het achterland bevat een passage waarin hij de plek bezoekt waar de middeleeuwse generaal Minamoto no Yoshitsune aan zijn eind kwam na verraden te zijn door zijn gastheren, de lokale Fujiwara-heersers:

De glorie van drie generaties Fujiwara was voorbij als het plots ontwaken na een droom. De resten van de hoofdpoort passeerde ik al een mijl voordat ik op de ruïnes stuitte van Hidehira’s burcht, waar nu alleen rijstvelden en braakliggende grond te zien was. Alleen de Gouden Haan had zijn oorspronkelijke vorm behouden. Ik beklom eerst de uitlopers waar Yoshitsune’s Takadachi-villa had gestaan en zag de machtige Kitakami-rivier door de Nanbu-vlakte stromen. Haar zijrivier de Koromo slingerde zich om het vroegere Izumi-kasteel en mondde uit in de grote rivier vlak onder Takadachi, net waar ik stond. De ruïne van Yasuhira’s huis lag aan de noordkant van de Koromo-grenspost en je kon zien hoe het ooit de aanvallen van de barbaren had kunnen afslaan. Ja, nadat Yoshitsune’s trouwe vazallen waren uitverkoren verschansten ze zich in deze villa. Met hun grootse daden verkregen ze verdiensten voor een ander leven, maar binnen de kortste keren restte er van dat al slechts welig tierend gras. ‘De staat verging, maar berg en stroom bestaan; / In de burcht kwam lente, het gras groeit er nu groen.’ Ik legde mijn hoed neer en liet mijn tranen de vrije loop tot ik de tijd vergat.

            .

            zomergras —

            van oude krijgersdromen

                        al wat er bleef

natsukusa ya / tsuwamonodomo ga / yume no ato

なつくさつはものどもゆめあと

Matsuo Bashō, Oku no hosomichi, sectie 28. [SNKBZ 71, p. 99-100.] De ‘drie generaties’ slaat op Kiyohira (1056-1128), Motohira (?-?) en Hidehira (?-1187), de drie opeenvolgende leiders van de zogenaamde ‘Fuijwara van noordoost-Japan’ (Ōshū Fujiwara 奥州藤原) die vanuit Hiraizumi een de facto onafhankelijk rijk bestuurden. Yasuhira was een zoon van Hidehira en verrader van Minamoto no Yoshitsune. De Gouden Haan (Kinkeizan 金鶏山) is een flinke heuvel. De vertaling van het couplet van Du Fu is van W.L. Idema. Bashō gebruikt een archaïsch woord voor ‘krijger’ (tsuwamono 兵); vandaar mijn keuze voor ‘oude krijger’ (dat –domo 共 geeft —zeldzaam— een meervoud aan).

Zoals Bashō zijn gedicht entte op een Sinitisch couplet van de achtste-eeuwse Chinese dichter Du Fu 杜甫 (712-770), zo gebruikt Fukuda Bashō weer als springplank.

De haiku bevat ook sporen, ‘wat er bleef van een uitgegumde tekst’. Wat te doen met die uitgevlakte woorden? Kijken we hier naar een postmodern writer’s block?

We weten nu wat er op die blanco regel stond als het om de inspiratiebron was gegaan: ‘oude krijgersdromen’ (tsuwamonodomo ga yume). Is het een poging weg te blijven van al het wapengekletter dat het nieuws opeist?

Bij die blinde vlek in het gedicht mogen we zelf onze eigen associaties loslaten op opspringend gras bij hoge temperaturen.

De foto toont zomergras met poes, juli 2026.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *