bij de keel
.
razernij——neerwaartse slag van ijzer
en dan een zwarte vlucht door talloze blauwe nachten
een tijdje door de bomen heen achtervolgt me jouw tot pulp geslagen gezicht
jouw geloken wimpers trillen alsof ze iets willen zeggen
maar op dit moment benijd ik jouw tedere keel niet langer
wat tussen jou en mij in is gekropen
is een enkele daad een enkele overtreding…. en dan tijd
een hete ochtend een slokkende keel
ik drink water zweet vormt druppels die compact trillen op mijn voorhoofd
weerspiegeld in de zweetdruppels trilt een briesje door de tamarisk
met eenzame armen pak ik een schoffel en in diep in de middag word ik een man
een arme kerel——de verwilderde grond verdeel ik in tweeën
en met mijn rug naar de middag waarin stilte weerklinkt ploeg ik
naar een avond van weerlicht tussen zinderende wolken zet ik stap voor stap
——in het kille duister van de schuur glimt een scherp geslepen sikkel
.
ノドにて
.
激怒——ふりおろした鉄
そして 青いいくつもの夜の中の黒い遁走
しばらくは木木たちをぬけて ぐちゃぐちゃになったおまへの顔はぼくを追って来
おまへの伏せた睫毛は 何かもの言ひたげにふるへてゐたが
いまでは おまへのやさしいのどをぼくはもう羨まない
おまへとぼくとのあひだに はひってしまったもの
ひとつの行為 ひとつの罪……そして 時
暑い午前 のどをこくこく鳴らして
ぼくは水を呑む 汗がつぶになってびっしりとひたひにふるへる
汗のたまにうつって タマリスクの微風がふるへてゐる
ぼくは孤独な腕に鍬をとり 深い昼 男になる
かはいさうなあいつ——ぼくは荒れた土をふたすぢの土くれに分け
しじまのひびく昼に背なかをむけて 耕しながら
ほめく雲の中の稲妻の夕べへ 一歩一歩あるいてゆく
——納屋のつめたい暗がりにひかってゐる よく切れる鎌
ik bij vertrek
.
een jonge man hurkt en strikt zijn schoenveters
zijn rug naar me toegekeerd, zijn nek hoe teder
zachtjes bewegen de twee vleesheuvels op zijn schouders
de twee knieën aan weerszijden van zijn heupen zijn fris en rond
(de tegen zijn knieën aangedrukte mannentepels zijn nog zachtroze)
een zwijgzaam jong dier met onbezoedelde directe blik
die op de beweging van de schoenveters strikkende vingers rusten blijft
maar de bewegende vingers verkeren in trance, dromen
een beetje boven de beweging van de schoenveters strikkende vingers
onder de soepele buik als van een uitgehongerde wolf
doezelend in het zachte gras dat het licht in zich opnam
van toen zij gewikkeld in een dunne huid speelden met een tedere Eros
de jonge man staat op en spiernaakt in rijglaarzen
loopt hij naar buiten blijft doorlopen en wordt al snel oud
de oud geworden man met zijn verstrakt gezicht kijkt niet meer om
achter de oud geworden man hurkt de jonge man telkens weer neer
strikt zijn schoenveters staat op loopt naar buiten
telkens weer
.
出発の私
.
若者が蹲って、靴紐をむすんでいる
そのうしろむきのうなじの なんという優しさ
ゆるく動いている二つの肩のししむらも
腰の両側の二つの膝も みずみずしく まろい
(膝に押しつけられた雄の乳首はまだ薄桃いろ)
寡黙な 若い獣の 汚れを知らぬ すぐな眼差は
靴紐をむすぶ指の動きに 止まっているが
動く指たちは うっとりとゆめみている
靴紐をむすぶ指の動きの 少し上のほう
飢えた若い貌のそれのように 撓やかな腹の下
光をためた柔らかな草むらにまどろむ
うす皮にくるまれた 優しいエロースと戯れる時を
若者は立ちあがり 網靴を穿いた真裸のまま
歩き出し 歩きつづけ やがて老いる
老いた人は表情をひきしめ ふり返ることをしないが
老いた人のうしろで いくたびも若者は蹲り
靴紐をむすび 立ちあがり 歩き出す
いくたびも
ik met kaas
.
neem nu de vleeswording van een woord als ‘manducatie’
er is een stuk goudgeurende kaas
als om die goudkleurige vleeswording op te laten vallen
de schaal waarop het stuk kaas ligt is een simpele tinnen schaal is
en als die tinnen schaal nu op een kille houten tafel staat
hoe zal ik dan daar voor de tafel getuige zijn met een mes in de hand?
van de gouden vleeswording zal ik getuige zijn als dichter
getuige zijn als dichter betekent dat je meer dan wanneer je getuige bent als eter
onpersoonlijk moet zijn
dus voor de schaal met kaas is mijn baard een onpersoonlijke baard
zijn mijn natte tanden en tong onpersoonlijke tanden en tong
zelfs het mes dat ik ter hand nam is een onpersoonlijk mes
.
乳酪のある私
.
たとえば飲食というひとつの言葉の肉化として
黄金に匂う一片の乳酪がある
その黄金いろの肉化のありようをきわだたせるべく
その乳酪片を置いた皿がへんてつもない錫の皿で
錫の皿のあるのが そっけない木のテーブルであるとしたら
テーブルを前にナイフを手にしている私のありようは何だろうか
その黄金の肉化に 私は詩人として立ちあっている
詩人として立ちあうことは 食べる人として立ちあうこと以上に
非個性的でなければならぬということだから
乳酪の皿の前で 私の髭は非個性の髭
私の濡れた歯と舌は非個性の歯と舌
持ちあげたナイフといえども非個性のナイフ
Takahashi gebruikt de antieke lezing onjiki (i.p.v. inshoku) voor 飲食; in navolging van Hiroaki Sato kies ik daarom voor het negentiende-eeuwse ‘manducatie’ — juist die associatie ervan met de functies van hostie en miswijn (het werkelijk nuttigen van het lichaam en bloed van Christus) past bij Takahashi’s jeugdige fascinatie voor het katholieke geloof.
ik op de wijze van een troubadour
.
een held in schitterend harnas op een paard met weelderige manen
moet een gezicht hebben dat zo verblindend als de zonneschijf is
maar ik ben van simpele komaf en bevolen te zingen van helden
zelfs een gezicht dat gewoontjes is wordt mij niet toegestaan
.
als de foto van die gehate man die een verstoten vrouw aan stukken scheurde
is mijn gezicht van tevoren al verscheurd verloren geraakt
gezichtloos omklem ik met beide handen mijn lier als was die een gezicht
bovenop de heuvel waarop je het veld overziet dat glinstert van het stof van een gevecht in de schaduw van een plataan
.
of bovenop een rots bij een kaap van waar je uitkijkt over een zee waarin triremen komen en gaan
daar zit ik duizenden jaren blijf ik simpelweg zitten
gezichtloos zing ik van voorbijtrekkende helden de oden
die als prachtig bloed overstromen uit de wond in mijn borst die ik verberg met mijn lier
.
吟遊詩人風の私
.
鬣豊かな馬に騎る甲冑きらきらしい英雄になら
あの日輪のように眩しい貌がなければなるまい
しかし 私 英雄を謳うべき命ぜられた賎しい者には
どのようなありふれた貌はならぬ
.
捨てられた女がめちゃめちゃに破った憎い男の写真のように
私の貌はあらかじめひき裂かれ 喪われている
貌のない私は 貌にさも肖た堅琴を両の手に抱いて
戦の埃輝く野を一望する丘の 鈴懸樹のかげ
.
または二段櫂船の行き来する海を見渡す岬の岩の上に
幾千年にわたって坐っている ただ坐りつづける
貌のない私の 過ぎゆく英雄たちを謳うほめうたは
堅琴でかくした胸の傷から美しい血として溢れている
ik verkleed als heilige lichtekooi
.
uit het vroege middaggezicht in de handspiegel in mijn linkerhand
plukte ik zorgvuldig één voor één mijn baardharen
schoor ik mijn wenkbrauwen tekende ik ze in tuitte mijn lippen en verfde ze rood
een met blauw haarpoeder bestoven pruik zette ik op om mijn voorhoofd droeg ik een geelkoperen band
om mijn ademsappel te verbergen droeg ik eenzelfde maar bredere koperen band
ik deed armbanden om ik deed enkelbanden om trok geitenleren sandalen aan
een bezweet en ongebleekt kleed liet ik van mijn hoofd afhangen
ik stookte mijn tanden spuugde kauwde op geurend kruid
oksels en navel smeerde ik in met twijfelachtige oliën
en stapte de spiegel uit en de kloostergang van een vervallen tempel in
alleen jonge goden en reizigers kwamen er voorbij
in een smaragdkleurige boom zat een vogel die smaragdkleurige dingen sprak en zong
‘jij bent een vent jij bent een vent bovendien ben jij een ouwe vent’
‘op een verlaten weg waarover goden en heilige reizigers komen en gaan
zijn daar niet alle mensen miserabele lichtekooien?’
weende ik luid in de smaragdkleurige avondschemer
.
聖娼婦に扮した私
.
左手に持った手鏡の中の昼下りの貌から
私はいっぽんいっぽんたんねんに鬚を抜いた
眉を落とし 黛を刷き 唇をつき出して紅を引いた
青い髪粉をふった鬘をとって被り 額に真鍮の輪を嵌めた
のどぼとけをかくすために 同じ真鍮の幅の広い首輪を嵌めた
腕輪をつけ 足輪をつけ 山羊革のサンダルを穿き
汗の匂いのする生なりいろのロープを頭から通して
歯をせせり 唾を吐き 香い草を咬んだ
腋と臍とにいかがわしい膏油を塗り
鏡の外へ 崩れた神殿の廻廊へ出て行った
若い神や旅人ばかりが通りすぎる
瑠璃いろの樹木に 瑠璃いろのもの言う鳥が止まって歌った
「お前は男だ お前は男だ それにお前は年老いている」
「神神や聖なる旅人の往き来する捨てられた道で
すべての人間はみじめな娼婦ではないのですか」
瑠璃いろの夕暮の中で 私は声を挙げて泣いた
Modern Japan is niet echt een land waar je het makkelijk hebt als je geen heteroseksueel bent. Niet-heteroseksuele relaties van volwassenen zijn er niet strafbaar, maar Japan is bijvoorbeeld wel het enige land van de G7 waarin het burgerlijk huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht (het ‘homohuwelijk’, Jp. dōsei kekkon 同性結婚) niet wettelijk erkend wordt (waarbij Italië dan alleen een wettelijke regeling voor geregistreerd partnerschap kent, meen ik). Wel telt Japan sinds het begin van dit jaar 246 gemeenten en tien prefecturen die binnen de gemeente- dan wel prefecturale grenzen een (veelal symbolische) vorm van geregistreerd partnerschap erkennen van partners van hetzelfde geslacht.
Gay-zijn is in Japan nogal onzichtbaar in de publieke ruimte. Dat speelt mee, denk ik, bij de westerse aandacht de afgelopen decennia voor de poëzie van Takahashi Mutsuo 高橋睦郎 (1937). Het zou niet nodig moeten hoeven zijn om de gemarginaliseerde positie van waaruit hij schreef en schrijft zo te benadrukken, omdat zijn gedichten van zichzelf al zo sterk zijn, maar het is waar dat veel van zijn poëzie, zeker in de eerste tien à vijftien jaar van zijn dichterschap, speelt met de fysieke hunkering van mannen die naar mannen verlangen.
Het is dan ook geen toeval dat Takahashi honderd pagina’s (ruim een kwart van het totaal) toebedeeld krijgt in Partings at Dawn: An Anthology of Japanese Gay Literature (red. Stephen D. Miller; San Francisco: Gay Sunshine Press, 1996).
Takahashi brak door met zijn tweede bundel, Rozenboom, valse minnaars (Bara no ki, nise no koibitotachi 薔薇の木・にせの恋人たち, 1964). Die bracht hem onder meer de vriendschap van Mishima Yukio 三島由紀夫 (1925-1970). Mishima was een spil in een netwerk van verschillende schrijvers, vaak door hem gestimuleerd, die expliciet heteroseksuele en homoseksuele erotiek en lichamelijkheid verkenden in literaire fictie en essays. Het is een cluster teksten dat bekend staat als ‘de literatuur van het vlees’ (nikutai bungaku 肉体文学). Mishima zelf gebruikte zijn ervaringen in de gay bars van Tokyo, die Takahashi ook frequenteerde, in zijn romans Verboden kleuren (of beter: Verboden liefde, Kinjiki 禁色, 1951) en School van het vlees (Nikutai no gakkō 肉体の学校, 1963) waarin de getroebleerde zoektocht naar eigen identiteit en gay-zijn centraal staat. Takahashi’s werk sloot goed aan bij de interesses van dit informele netwerk.
School van het vlees is één van Mishima’s ‘populaire’ (in de zin van: voor een heel breed publiek bedoelde) romans (taishū shōsetsu 大衆小説, ‘romans voor de massa’) — een genre waarin hij ook actief was en dat in vertalingen pas de laatste jaren aandacht krijgt in de westerse wereld. Behalve een Japanse verfilming uit 1965 door Kinoshita Ryō 木下亮, met steractrice (o.a. Vrouw in het zand) Kishida Kyōko 岸田今日子 (1930-2006), is Mishima’s roman uit 1963 in 1998 verfilmd door Benoît Jacquot: L’école de la chair, met Isabelle Huppert in de hoofdrol als oudere vrouw die valt voor een biseksuele jonge man. De setting is verplaatst naar Parijs (en Marokko), maar de verschillen in maatschappelijke milieus van de hoofdpersonen en de gay bars bleven een element. Een Franse vertaling (de enige in een Europese taal) van Mishima’s roman bestaat al lang: Yukio Mishima, L’école de la chair, vert. Yves-Marie en Brigitte Allioux (Parijs: Gallimard, 1993).
De hier vertaalde gedichten van Takahashi stammen uit de jaren ’60 en eerste helft jaren ’70 van de vorige eeuw. Zijn poëzie uit die periode maakt, als gezegd, nadrukkelijk plaats voor fysiek verlangen maar getuigde tegelijkertijd ook van een intense bevredigend en bevrijdende onderdompeling in de de voor niet-ingewijden onzichtbare wereld van gay-bars, pornobioscopen, duistere afwerkplekken en alle andere hoeken van het nachtleven van de actieve gay-gemeenschap in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw, zoals die vooral te vinden was in de wijk Shinjuku in Tokyo (nichōme, ten oosten van het gelijknamige station, om precies te zijn). Het is een wereld die meer nog dan een decor de motor vormt van het overdonderende Ode (Home-uta 頌, 1971, herzien in 1980), een gedicht van zo’n duizend versregels waaraan Takahashi werkte in de jaren 1966-1971. Koorddansend op de grens tussen zinnelijke lichamelijkheid en literaire pornografie beschrijft Takahashi’s gedicht de hallucinante queeste van een man langs geuren en smaken van vluchtige mannenliefde in hotels en badhuizen:
maar mensen met eenzelfde lijden dezelfde wensen dezelfde verlangens
verzamelen zich hier vanuit het doolhof van kruispunten van netwerken
hun enige geheime ontmoetingsplek een plek vlakbij de hemel
over trappen te beklimmen via talloze wendingen geklommen
een goedkope bioscoop waar je hoofd klem zit tegen het plafond
en de plee daar met een klein raam van waaruit alleen de achterkant van een gebouw te zien is
en waardoor je misschien wel via een touwladder naar de plee van het paradijs kan gaan
precies op dat moment in de plee van het paradijs midden tussen jonge engelen
ben jij in een trance aan het klaarkomen?
.
人びとは 同じ苦しみ 同じ願い 同じ憧れをともして
道の八衢の 網の目の迷路から 集まってくる
かれらのいまひとつの密会所は 天空に最も近いところ
階段を いくまがりも のぼり のぼった
天井に 頭のつかえる 安映画館
そこの便所の ビルの背中ばかり見える 小さな窓から
見えない縄ばしごの道づたい天国の便所へ行けないか
おりもおり 天国の便所では 若い天使にまじり
あなたが うっとりと飛ばしているまっさいっちゃう?
Wie van Ode een vertaling lezen wil, kan die vinden in: A Bunch of Keys: Selected Poems by Mutsuo Takahashi, in de vertaling van Hiroaki Sato (Trumansburg, NY: Crossing Press, 1984), en in Partings at Dawn (zie boven).
Deze thematiek vermengt zich met wat vanuit een Japans perspectief toch wat uitheemse elementen. In zijn jeugd bezocht Takahashi lange tijd een katholieke kerk, al liet hij zich nooit dopen, en verdiepte hij zich ook in Griekse mythologie. Dat alles werd onderdeel van zijn eigen beeldentaal. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat een dichter als Tada Chimako 多田智満子 (1930-2003) raakvlakken zag tussen haar eigen poëzie en die van de jongere Takahashi.
Op één na komen de hier vertaalde gedichten uit de bundel Ik (Watakushi 私, 1975), een reeks zelfportretten uit de periode 1965-1974. De Sade-vertaler en essayist Shibusawa Tatsuhiko 澁澤龍彦 (1928-1987) merkte bij verschijnen meteen al op dat dit geen oefeningen in narcisme zijn, maar dat ‘je daarin een stroom ziet van het intense verlangen, gebaseerd op de mentale trauma’s en het verdriet dat hij opliep in zijn kindertijd, zichzelf te verplaatsen in de positie van mensen van simpele komaf.’ Shibusawa maakte ook deel uit van het netwerk rondom Mishima en kende Takahashi goed. Hij zal geweten hebben dat Takahashi een jeugd kende van relatieve armoe in een arbeidersmilieu, met een vader die vroeg kwam te overlijden. Takahashi’s gedichten hebben iets dubbels: ze kennen de rauwe beleving van hunkering en tegelijkertijd lijken ze ook afstand te nemen. In datzelfde essay stelt Shibusawa ook dat het mes in de regel ‘zelfs het mes dat ik ter hand nam is een onpersoonlijk mes’ (in ‘ik met kaas’) ‘uiteraard’ een pen is en daarmee een onpersoonlijke pen. Het is een bijzondere directheid die zichzelf observeert.
Gebruikte uitgave:
- Zoku Takahashi Mutsuo shishū 続高橋睦郎詩集 [De gedichten van Takahashi Mutsuo, deel 2] (Tokyo: Shichōsha, 1995).
Suggesties voor verder lezen (vertalingen):
- Mutsuo Takahashi, Poems of a Penisist, vert. Hiroaki Sato (Chicago: Chicago Review Press, 1975).
- Mutsuo Takahashi, A Bunch of Keys: Selected Poems, vert. Hiroaki Sato (Trumansburg, NY: Crossing Press, 1984).
- Partings at Dawn: An Anthology of Japanese Gay Literature, red. Stephen D. Miller (San Francisco: Gay Sunshine Press, 1996).
- Takahashi Mutsuo, Twelve Views from the Distance, vert. Jeffrey Angles (Minneapolis: University of Minnesota Press, 2012).
Suggesties voor verder lezen (over Takahashi):
- Takahashi Mutsuo en Jeffrey Angles, ‘Interview with Takahashi Mutsuo [June 9, 2005]’, Intersections: Gender, History, and Culture in the Asian Context, 12 januari 2006.
- Jeffrey Angles, ‘Penisism and the Eternal Hole: (Homo)Eroticism and Existential Exploration in the Early Poetry of Takahashi Mutsuo’, Intersections: Gender, History, and Culture in the Asian Context, 12 januari 2006.
- Jeffrey Angles, ‘On the Limits of Liberation: Takahashi Mutsuo’s Critique of Queer America,’ in Travel in Japanese Representational Culture: Proceedings of the Association for Japanese Literary Studies, red. Eiji Sekine (West Lafayette, IN: Association for Japanese Literary Studies, 2007).
De foto is van Yatō Tamotsu 矢頭保 (1925?-1973), jaren ’60 van de vorige eeuw.
2 reacties op “de wond in mijn borst verberg ik met mijn lier”
het tweede gedicht bij eerste lezing het mooist; en verderop het beeld van de lier die de wonde in de borst verbergt (perché cantando il duol si disacerba, omdat dichten de pijn verzacht, Petrarca Canzoniere 23)
Ja, ‘ik bij vertrek’ is mooi. Het heeft ook iets weemoedigs.