Toen hij onbedoeld een relatie kreeg met een vrouw die in de westvleugel van het paleis van de keizerin aan de Vijfde Avenue woonde, raakte zij kort na de tiende van de maand ergens buiten zicht. Hoewel hij hoorde waar ze nu was, kon hij haar geen bericht sturen en in de daaropvolgende lente, toen de pruimenbloesems op hun mooist waren, op een nacht met de fraaiste maan, ging hij naar die westelijke vleugel, verlangend naar het voorgaande jaar, waar hij op de plankenvloer ging liggen totdat de maan onderging en dichtte:
Heer Ariwara no Narihira
is dit dan niet die maan?
is deze lente dan soms niet
die lente van weleer?
alleen dit ik, zo lijkt, is echt
diezelfde ik als van destijds
tsuki ya aranu / haru ya mukashi no / haru naranu / waga mi hitotsu wa / moto no mi ni shite
[…]
Waardering: Omdat er ‘kort na de tiende van de maand’ staat, ga ik ervan uit dat het nu [in het gedicht] kort na de tiende van de tweede maand is, een nacht met de fraaiste maan. Ach! bloesems vullen de hemel, de maan verlicht de aarde: de aanblik van de lente is als altijd. Iemand vol wanhoop en met een gebroken hart die zich daarmee geconfronteerd ziet, wat voor melancholie moet hij voelen? Om op zo’n manier te lenen van natuurschoon en de onveranderlijke fenomenen ervan te contrasteren met de veranderlijkheid van de eigen situatie is een gebruikelijke kunstgreep van dichters; het is van dezelfde strekking als het gedicht van Zhao Gu:
Alleen bestijg ik de riviertoren, mijn gedachten zwerven weg;
de maneschijn is als het water, het water gaat over in de hemel.
Zij die met mij de maan bewonderde: waar is zij heen gegaan?
het landschap is helemaal hetzelfde en lijkt precies als toen.
五条のきさいの宮の西の対に住みける人に、ほいにはあらで物いひわたりけるを、月のとをかあまりになむ、ほかへ隠れにける。あり所は聞きけれど、え物もいはで、又の年の春、梅の花ざかりに、月のおもしろかりける夜、こぞを恋ひて、かの西の対にいきて、月のかたぶくまで、あばらなる板敷にふせりて、よめる
在原業平朝臣
月やあらぬ春や昔の春ならぬわが身ひとつはもとの身にして
<中略>
評 詞書に「月の十日あまりに」とあるので思ふと、今はその翌年の二月頃の十日あまりで、月の最も面白い夜頃である。あはれ花天月地、春色は依然としてゐる。失意失恋の身でこれに対すると、その感愴はどんなものか。かく自然の景物を借り来って、その不変の現象を境遇上の変化に対照させたことは、感哀を永からしめる詞家の慣手段で、趙蝦の詩に、
独上リテ二江楼一思渺然タリ、月光如クレ水々連ルレ天ニ、同ジク来リテ翫ビルレ月ヲ人何ノ処、風景依稀トシテ似タリ二去年ニ一。
と作ったのも同一軌である。<後略>
Kokin wakashū, boek 15 (‘Liefde 5’) [no. 747]. Kaneko, Kokin wakashū hyōshaku (1927), p. 753, 754. Kaneko citeert een versie van Kokin wakashū waarin niet ‘kort na de tiende van de eerste maand’ (mutsuki no tōka amari ni 睦月の十日あまりに) staat, maar de maand ongespecificeerd blijft. Nu is er wel sprake van de Japanse pruim maar die kon ook bloeien in de tweede maand van de maankalender (ruwweg maart); Kaneko gaat er blijkbaar vanuit dat de brontekst de tweede maand bedoelt. ‘Bloesems vullen de hemel, de maan verlicht de aarde’ (katen getchi 花天月地, let. ‘bloesem-hemel en maan-aarde’) is een compacte uitdrukking die de pracht van de lente weergeeft. Kaneko vergist zich en geeft ‘Zhào Xiā’ 趙蝦 in plaats van ‘Zhào Gŭ’ 趙嘏 (een verschrijving: xiā 蝦 betekent ‘garnaal’; hier heb ik dat in vertaling stilzwijgend gecorrigeerd). De grammatica van Kaneko’s commentaar is modern, maar de spelling ervan is nog ouderwets (ahare, wiru, enz.). Hier heb ik de oude vormen van kanji aangepast aan moderne vormen (dus 変 in plaats van 變, enz.). Shika 詞家 (‘woordkunstenaar’, ‘dichter’) intrigeerde me; de betekenis ervan is duidelijk, maar woordenboeken zeggen dat het woord niet bestaat.
Een tijd geleden kreeg ik een antiquarisch boek cadeau van de kleindochter van een oud-militair die in 1919 in Leiden Japans begon te studeren en in 1921 naar Tokyo verhuisde om daar als diplomaat bijna de rest van zijn leven te blijven. Naast zijn reguliere werk bestudeerde en vertaalde deze J.B. Snellen (1893-1940) ook Japanse literatuur.
Die familie is —bijzonder!— er een waarvan meerdere generaties in Leiden Japans (en Chinees) studeerden. Lees hier een interview met een moeder en dochter (tevens kleindochter en achterkleindochter).
Het boek in kwestie is de ééndelige ‘nieuwe editie voor de Showa-periode’ (shōwa shinpan 昭和新版; 1121 pagina’s) uit 1927 van Commentaar op De verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū hyōshaku 古今和歌集評釈). (De Shōwa-periode begon in 1925.) Op het schutblad noteerde Snellen vermoedelijk de datum waarop hij het boek aanschafte: 30 december 1937.
Het boek bevat ook het merkje van de boekhandel waar Snellen zijn exemplaar gekocht moet hebben: de Kitazawa Bookstore (Kitazawa Shoten 北澤書店), in de befaamde boekhandelwijk Jinbōchō in Tokyo. Opgericht in 1902 en gespecialiseerd in vooral Engelstalige boeken, bestaat dit antiquariaat nog steeds. Omdat toeval niet bestaat heb ik deze zomer een afstudeerscriptie van een van onze studenten mogen lezen over de verschuivingen in de manier waarop antiquariaten in Jinbōchō zichzelf aan hun publiek presenteren. Leidend daarbij is het idee van ‘Instagrammability’. Veel aandacht was er voor de Instagram-strategieën van de huidige, vierde generatie eigenaar van precies dit antiquariaat, Kitazawa Rika, om het publiek te verleiden met antiquarische boeken als esthetisch object.
Snellens geannoteerde editie van de eerste vorstelijke verzameling van Japanse poëzie is het werk van Kaneko Moto’omi 金子元臣 (1868-1944), een leerling van tanka-dichter en literatuurhistoricus Ochiai Naobumi 落合直文 (1861-1903) en zoon van een samurai in directe dienst van de shōgun die hoogleraar werd aan de Keiō Universiteit in Tokyo. Kaneko’s Commentaar verscheen voor het eerst, in vijf delen, in de jaren 1901-1908 en is dus de neerslag van Kaneko’s studie en noeste arbeid uit het einde van de negentiende eeuw.
Ik was, en ben nog steeds, zeer verguld met dit genereuze geschenk, dat ik ervaar als een tastbare band met een Nederlandse vakgenoot die een kleine eeuw geleden deels dezelfde teksten als ik.
De term die ik als ‘commentaar’ vertaal is in het Japans een samengesteld woord, hyōshaku 評釈, waarbij de eerste component (hyō) een waardeoordeel (‘evaluatie’, ‘waardering’) impliceert en de tweede (shaku) een ‘uitleg’ aangeeft. Concreet houdt dat in dat Kaneko per brontekst van oude gedicht eerst een woordverklaring geeft (de ‘uitleg’) en een vrije vertaling naar het Japans van rond 1900, om vervolgens in een mini-essay (de ‘waardering’) de lezer een handreiking te doen voor hoe die het gedicht tot zich kan laten spreken.
Hier vertaalde ik het eerste deel van Kaneko’s ‘waardering’ voor gedicht 747 uit De verzameling van gedichten van vroeger en nu. In een vorige blogpost ging ik al in op dit gedicht en op middeleeuwse en vroegmoderne visualisaties ervan.
Interessant is dat Kaneko in zijn commentaar zo nadrukkelijk een parallel trekt met Chinese poëzie, terwijl de Kokin wakashū juist symbool staat voor ‘Japansheid’ in de dichtkunst. Dat hij de universele en dus herkenbare emotie van de negende-eeuwse Ariwara no Narihira benadrukt kan ik alleen maar toejuichen. Dat hij een Chinese tijdgenoot van Narihira als retorisch voorbeeld gebruikt lijkt me tekenend voor zijn training: Kaneko was een Meiji-geleerde, opgeleid in een tijdperk waarin kennis van Sinitische literatuur nog hoog in het vaandel stond.
De Chinese dichter die Kaneko aanhaalt als illustratie van de universaliteit van Narihira’s emoties is de negende-eeuwse Zhào Gŭ 趙嘏 (ca. 806-ca. 854). Dat is niet bepaald de meest beroemde dichter uit de Tang-periode, maar zijn kwatrijn ‘In een toren aan de rivier schrijf ik mijn gevoelens op’ (Jiāng lóu shū găn 江楼書感) is bekend genoeg om geciteerd te worden op zijn Japanse Wikipedia-pagina.

Bewijzen kan ik het niet, maar het zou me niks verbazen als Kaneko zijn inspiratie voor deze vergelijking haalde uit Selectie van gedichten uit de Tang (Tangshīxuăn, Jp. Tōshisen 唐詩選). Deze bloemlezing van Sinitische poëzie uit de Chinese Tang-dynastie (618-907), in zeven delen, is in de zestiende eeuw gemaakt door de Chinese Lĭ Pānlóng 李攀竜 (1514-1570). Praktisch aan het eind van zijn Selectie plaatste Li het kwatrijn van Zhao Gu.
Er bestaan verschillende vroegmoderne Japanse commentaren op deze Chinese bloemlezing. Eén ervan is Selectie van gedichten uit de Tang in eigen schrift uitgelegd (Tōshisen kokujikai 唐詩選国字解, postuum gedrukt in 1782). Dit was het werk van de confucianistische geleerde, dichter van Sinitische verzen en schilder Hattori Nankaku 服部南郭 (1683-1759). Toch maakt de uitleg daarin van de derde regel niet erg duidelijk waarom Zhao Gu’s kwatrijn zo mooi zou aansluiten bij Narihira’s waka. De Japanse commentator vat Zhao’s laatste couplet volgt samen:
Vorig jaar kwamen ze allemaal samen boven in deze toren en bewonderden de maan en vermaakten zich met elkaar, maar waar zijn die vrienden dit jaar heen gegaan? Geen is er gebleven, maar het landschap dat ‘helemaal hetzelfde’ doet zich op de een of ander manier vagelijk voor en is niet anders dan vorig jaar, maar de mens is nu eenmaal een vergankelijk iets — dat gevoel roept het op.
去年、この楼上にともども来て、月を配び、楽しんだが、知音は今年はどこへ行ったか一人もないが、風景は「依稀」とどうやらほのかに見たやうで、去年に相変らぬが、人といふものは、さだめないものぢゃと、感を起したるなり。
Hattori Nankaku 服部南郭, Tōshisen kokujikai 唐詩選国字解, red. Hino Tatsuo 日野龍夫, deel 3 (Tokyo: Heibonsha, 1982), p. 277. De commentator lijkt wat van zijn stuk gebracht door yīxī (Jp. iki to shite) 依稀 dat niet alleen ‘helemaal hetzelfde’ kan betekenen maar ook ‘vagelijk’, ‘vervaagd’ — maar Zhao Gu bedoelt hier toch echt het eerste.
Wie ook dit commentaar levert (Hino Tatsuo gelooft niet dat dat Hattori Nanaku was [p. 278]) geeft als antwoord op de vraag met wie de dichter een jaar eerder de toren aan de rivier beklom: dat waren zijn (mannelijke) vrienden (zhīyīn, Jp. chi’in 知音). Dat is toch andere koek dan je nu onbereikbaar geworden Grote Liefde. De lezer die dit nog een beetje volgt herinnert zich hopelijk dat ik die derde regel vertaalde met ‘Zij die met mij de maan bewonderde’ 同来翫月人 — niet ‘bewonderden’. Met andere woorden: geen meervoud (die ‘vrienden’), maar een vrouwelijk enkelvoud. Zó moet rond 1900 ook Kaneko Moto’omi die regel hebben opgevat, anders is de analogie met de waka van Narihira zo niet zoek dan toch zwak.

Een variante interpretatie wordt gesuggereerd door Chiba Unkaku 千葉芸閣 (1727-1792) , ook al een confucianistische geleerde, die met zijn Selectie van gedichten uit de Tang met handzame geschiedenissen (Tōshisen shōko 唐詩選掌故, 1776) een min of meer contemporain alternatief commentaar op dezelfde zestiende-eeuwse selectie van Tang-poëzie verzorgde. Dat deed Unkaku door fragmenten van relevante oude bronnen te geven als een vorm van indirecte duiding bij een gedicht. Hij schijnt dat aangevuld te hebben in zijn Selectie van gedichten uit de Tang toegelicht en uitgelegd (Tōshisen kōshaku 唐詩選講釈, door Unkaku gedicteerd rond 1790; postuum uitgegeven in 1813). Bij Zhao Gun’s kwatrijn citeert Unkaku een Chinese anekdote over Zhao Gun die een ander licht werpt op die derde regel.
Die anekdote kennen we ook uit een monsterverzameling in 81 delen van biografische weetjes over Tang-dichters, de twaalfde-eeuwse Annalen van de poëzie van de Tang-dynastie (Tángshī jìshì 唐詩紀事) door Jì Yŏugōng 計有功 (actief 1121-1161). Daarin staat over Zhao Gu onder meer vermeld:
Gu woonde ooit in het westen van Zhejiang, waar een mooie courtisane was die op hem verliefd werd; toen hij opging voor zijn hoofdstedelijke examens werd door haar moeder verhinderd dat hij haar meenam, dus vertrok hij zonder haar. Toen de gouverneur van Zhejiang naar Helin ging voor het Geestenfeest zag hij deze courtisane en maakte haar tot zijn bezit. Het jaar daarop slaagde Gu voor zijn examens en daarom schreef hij dit kwatrijn:
Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren;
net als op het Zonterras verdween zij in de wolken.
Ooit hoorde ik hetzelfde vertellen over Shazahli;
vandaag behoort mijn frisse schone Uwe Excellentie toe.
De gouverneur werd hier onrustig van en stuurde haar via een tussenpersoon [naar Gu] terug. Toen Gu door de grenspost kwam ontmoette hij haar bij de halteplaats Hengshui; daar omarmde de concubine Gu, jammerde en stierf. Vervolgens werd zij begraven aan Hengshui’s noordoever.
嘏嘗家於浙西、有美姫惑之、洎計偕、以其母所阻、遂不携去。会中元為鶴林之游、浙帥窺其姫、遂奄有之。明年、嘏及第、因以一絶箴之曰:「寂寞堂前日又曛、陽台去作不帰雲。当時聞説沙吒利、今日青娥屬使君。」浙帥不自安、遣一介帰之。嘏方出関、逢於橫水駅、姫抱嘏慟哭而卒、遂葬於橫水之陽。
Tangshi shiji, boek 56, passage 100. Ik vat jī 姫 hier op in de specifieke betekenis van concubine van een hooggeplaatst iemand (Jp. mekake 妾 of sokushitsu 側室). Het Geestenfeest (het Zhongyuan 中元-festival) wordt gevierd op de vijftiende dag van de zevende maand. Het Zonterras (yángtái 陽台) was gebouwd door de vorst van de staat Chŭ 楚 (ca. 1115-223 v.C.), en is een beeld voor een vrouwenlichaam vanwege een associatie met het verhaal dat die vorst op zijn terras bezocht werd door een fee die één nacht met hem doorbracht. (Zie ook Ikkyū’s gedicht ‘Het schaamdeel van een mooie vrouw heeft de geur van een narcis’). De verwijzing naar Shāzāhlì 沙吒利 moet slaan op een vergelijkbaar verhaal.
Het zou dan na deze dramatische dood van zijn geliefde concubine zijn dat Zhao Gu opnieuw de toren aan de rivier besteeg en daar zijn gedicht schreef.
(De anekdote staat ook in het zevende boek van Biografieën van getalenteerde meesters uit de Tang [Táng cáizĭ zhuàn 唐才子伝] uit 1304 en en dat is waaruit Unkaku citeert in zijn Handzame geschiedenissen. Unkaku geeft een licht geredigeerd citaat; zo laat hij het kwatrijn ‘Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren’, dat Xin wel geeft, weg.)

* * *
Hèhè, dan zijn we nu eindelijk aanbeland bij de koppeling tussen Narihira’s Japanse gedicht en Zhao Gu’s kwatrijn. Chiba Unkaku is degen die in de achttiende eeuw zijn lezers aanraadt om het kwatrijn te lezen in het licht van het droevige verhaal van Gu en zijn geliefde concubine die, als in een negentiende-eeuwse stuiverroman, dood neerzijgt na eindelijk weer verenigd te zijn met de man van wie zij houdt. Zij is die grote afwezige daar boven in de toren aan de rivier. Dan moet je inderdaad lezen:
Zij die met mij de maan bewonderde: waar is zij heen gegaan?
het landschap is helemaal hetzelfde en lijkt precies als toen.
同来翫月人何処、風景依稀似去年。
En dan begrijp je dat, inderdaad, de situatie van Zhao Gu en Ariwara no Narihira dezelfde is: treuren om een onherroepelijk verloren Grote Liefde op een plek waar zij een jaar eerder nog samen waren.
Onveranderlijk natuurschoon gecontrasteerd met de veranderlijkheid van het mensenleven. Ja, dat ‘is een gebruikelijke kunstgreep van dichters’, maar dat is omdat het werkt.
* * *
Kaneko Moto’omi’s Commentaar is een goeie honderdtwintig jaar geleden uitgegeven als vroegmodern Japans boek met traditionele bindmethode, in vijf delen. Toch blijkt het een best modern boek in zijn combinatie van én een voor de leek toegankelijke teksteditie te willen maken van Japanse oudste vorstelijke waka-bloemlezing én de emotionele waardering van de gedichten daarin te vertalen wil naar een universeler zeggingskracht. De verzameling van oude en nieuwe gedichten is zo niet alleen een literair erfgoed van een Japanse traditie maar ook Literatuur die resoneert met poëzie uit andere culturen.
Niet zo vreemd was het dus dat in 1927 de uitgever nog steeds een markt zag voor Kaneko’s teksteditie en dan in een nieuw, westers jasje waarop een kikker en een vogel (de ontwerper maakte een gebaar naar het voorwoord van de bloemlezing waarin die dieren worden genoemd).
Dat de Nederlandse Snellen het in 1937 op zijn bureau in Tokyo had liggen doet op de een of andere manier goed.

(Tja, ik dacht een kort stukje te schrijven ter ere van Snellens exemplaar van Kaneko’s teksteditie, maar ben toch weer eens afgedaald in het konijnenhol der filologen. Dit soort vrijetijdsbesteding geeft vooral bevrediging —anderen timmeren een konijnenhok— en hopelijk ook wat inzicht in hoe sommige verhalen levend gehouden worden.)
De foto toont het exemplaar van J.B. Snellen van Kaneko Moto’omi’s commentaar op De verzameling van gedichten van vroeger en nu (1927-editie).