Categorieën
poëzie

de wijde hemel

            [Zonder titel]

Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme

en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.

In die wijde hemel wolken die niet bewegen,

heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.

[無題]。仰臥人如啞、黙然見大空。大空雲不動、終日杳相同。

29 september 1910. Sōseki zenshū 18 (2018), p. 246.  Sōseki wil dat we yō to shite 杳 opvatten als ‘veraf’; in Omoidasu koto nado (p. 52) leest hij het karakter ook als haruka ni はるかに.

Romanauteur Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) spuugde op 24 augustus 1910 bijna een liter bloed op en verloor het bewustzijn. Zijn vrouw Kyōko naast hem zat onder; haar kimono werd van kraag tot middel volledig roodgekleurd. [Nathan 2018,p. 186, naar Kyōko’s memoires.]

Het echtpaar verbleef sinds 6 augustus in een Japanse variant van een spa: een onsen (hete bron) in Shuzenji, op het Izu-schiereiland. Sōseki was daar in de ryokan Kikuya 菊屋 om te herstellen van opname in het ziekenhuis vanwege een ernstige maagzweer. 

De Kikuya, een ryokan (traditionele herberg) van zo’n vier eeuwen oud, bestaat nog steeds. Intrigerend genoeg wordt Sōseki’s verschrikkelijk verlopen verblijf daar er uitgebreid gememoreerd.

De Sōseki-mythologie wil dat de schrijver een half uur lang geen hartslag had; dat is natuurlijk onwaarschijnlijk, omdat hij weer bijkwam. Toegesnelde artsen dienden hem zestien kamferinjecties toe. Een afschuwelijke toestand was het hoe dan ook wel en het moment staat onder Sōseki-adepten bekend als ‘de Shuzenji-ellende’ (shuzenji no taikan 修善寺の大患). De oorzaak was opnieuw een opspelende maagzweer. Dit was een chronische kwaal van Sōseki; hij zou er in 1916 uiteindelijk aan overlijden.

De ‘Shuzenji-ellende’ werkte als ontstopper voor Sōseki’s geblokkeerde dichtader. Na zo’n tien jaar waarin hij geen Sinitische poëzie geschreven had, begon hij weer kanshi te noteren—meestal in zijn dagboek. Daar komen we ook voor het eerst dit kwatrijn tegen. Sōseki was inmiddels opnieuw naar het ziekenhuis verhuisd.

29 september (donderdag)

            .

            Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme / en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.

            In die wijde hemel wolken die niet bewegen, / heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.

            .

Ook gisteren me geschoren. Op aanraden van de vrouw. Dat ik eerst een stuk onder mijn kin had overgeslagen leek ze vervelend te vinden.

            .

            terug naar de hoofdstad

                        die dag komt steeds dichterbij

            gele chrysanten

kyō ni kaeru / hi mo chikazuite / kigiku kana

            .

’s Avonds een zachtgekookt ei gegeten.

 九月二十九日〔木〕
◯ 仰臥人如啞  黙然見大空
  大空雲不動  終日杳相同
◯昨日も髪剃。細君の注意による。始めは顎の下を剃り落した時は残り惜さうなりき
◯ 京に帰る日も近付いて黄菊哉
◯晩に玉子の煮りたるを食ふ

Dagboek, 29 september 1910. Sōseki zenshū 25 (1957), p. 208. Saikun 細君 (‘de vrouw’) was een vrij gebruikelijke, informele term onder Meiji-literaten om naar hun echtgenote te verwijzen. ‘De hoofdstad’ (kyō 京) is Tokyo, waar Sōseki woonde.

(Als we heel streng zijn: het eerste Sinitische gedicht waarmee Sōseki weer aan een dichtfase begon dateert al van 31 juli 1910, de laatste dag van het ziekenhuisverblijf vanwege een eerdere maagzweer. Het eerstvolgende gedicht is in Shuzenji geschreven, op 20 september; dan blijft hij een goede maand lang intensief dichten.)

De ‘Shuzenji-ellende’ leidde ook tot een serie mini-essays onder de titel Wat ik me herinner (Omoidasu koto nado 思ひ出す事など) die hij in 1910 en 1911 als feuilleton publiceerde in het dagblad Asahi shinbun. Daarin beschrijft hij, halverwege een overpeinzing over Dostojevski, hoe hij in zijn ziekenhuisbed tot innerlijke rust probeerde te komen.

Het kostte me grote moeite om lang met iemand te praten. Ik herinner me hoe luchtgolven die stemmen werden en zo in mijn oren echoden tot aan mijn hart reikten en dat mijn stabiele gemoedstoestand er volledig door verstoord werd. Het oude spreekwoord ‘zwijgen is goud’ kwam bij me op en ik lag alleen maar op mijn rug bij te komen. Godzijdank kon ik tussen de luifel van mijn kamer en het dak van de tweede verdieping tegenover me de blauwe hemel zien. Het was het seizoen waarin die hemel door herfstdauw schoongewassen en geleidelijk steeds hoger werd. Ik maakte van het staren naar deze hemel mijn dagtaak. Deze wijde hemel, waarin niets gebeurde en waarin niets was, boog haar serene schaduw naar me toe weerspiegelde zich volledig in mijn hart. Zo gebeurde er ook in mijn hart niets en was er daar niets. Twee transparante dingen sloten perfect op elkaar aan. Wat er zo in mij restte was een stemming die ik moet omschrijven als oneindig.

 余は当時十分と続けて人と話をするわずらはしさを感じた。声となって耳に響く空気の波が心につたはって、平らかな気分をことさらにざわつかせるやうに覚えた。口を閉ぢてがねなりといふ古い言葉を思い出して、ただ仰向あおむけに寝てゐた。ありがたい事にへやひさしと、向うの三階の屋根の間に、青い空が見えた。其空が秋の露に洗はれつゝ次第に高くなる時節であった。余は黙って此空を見詰めるのを日課のようにした。何事もない、又何物もない此大空は、其静かな影を傾むけてとご〴〵く余の心に映じた。そうして余の心にも何事もなかった、又何物もなかった。透明な二つのものがぴたりと合った。合って自分に残るのは、へうべうとでも形容してよい気分であった。

Omoidasu koto nado (1957), hoofdstuk 20, p. 51.

Sōseki eindigt het hoofstuk met zijn kwatrijn. Dat was dan ook de eerste keer dat lezers, in de krant, het gedicht onder ogen kregen.

Van Sōseki’s kwatrijn bestaan tenminste twee Franse vertalingen:

Renversé sur le dos

Je suis comme un muet

Silencieux je regarde

L’immensité du ciel

Les nuages sont immobiles

Le jour passe

Rien se passe

Vert. Elisabeth Suetsugu. Sôseki, Choses dont je me souviens (2005), p. 115.

Sans titre

29 septembre 1910 [à Shuzenji]

            .

Étendu dans ce lit et devenue muet,

Je n’ai plus rien a dire en regardant le ciel.

Le ciel, ou pas un nuage ne se déplace

Tout le jour, immensement, s’accorde avec moi.

Vert. Alain-Louis Colas. Natsume Sôseki, Poèmes, p. 103.

De eerste bevalt me beter.

Bij Sōseki leidde stress tot maagzweren én tot poëzie.

Ik gebruikte:

  • Nakamura Hiroshi 中村宏, Sōseki kanshi no sekai 漱石漢詩の世界 [‘De wereld van Sōseki’s Sinitische poëzie’] (Tokyo: Dai’ichi Shobō, 1983).
  • John Nathan, Sōseki: Modern Japan’s Greatest Novelist (New York: Columbia University Press, 2018). [Hoofdstuk 13, ‘Crisis at Shuzenji’, p. 181-198.]
  • Omoidasu koto nado 思ひ出す事など [‘Wat ik me herinner’], in: Sōseki zenshū 漱石全集 [‘Sōseki’s verzameld werk’] 17: Shōhin (3) 小品 (下) [‘Korte stukken’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957). [Hoofdstuk 20, p. 50-52.]
  • Teihon Sōseki zenshū 定本漱石全集 18: Kanshibun 漢詩文 [‘Sinitische poëzie en proza’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2018).
  • Sōseki zenshū 漱石全集 25: Nikki oyobi danpen (2) 日記断片 (中) [‘Dagboeken en fragmenten’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957).
  • Sôseki, Choses dont je me souviens, vert. Elisabeth Suetsugu (Arles: Éditions Philippe Piquier, 2000; pocketeditie 2005). [Hoofdstuk 20, p. 111-115.]
  • Natsume Sôseki, Poèmes, vert. Alain-Louis Colas ([Parijs:] Le bruit de temps, 2016).

De foto toont wolken boven Leiden, 16 mei 2026.

Categorieën
poëzie

traag verloopt de dag

            Een lentedag, in de velden

Een middagmaal, warm geurend, kan de honger stillen;

aan de akker warm ik mijn rug, traag verloopt de dag.

De kinderen willen naast de grijsaard geen dutje doen:

bij de groenten en bij de bloemen vangen ze vlinders.

春日田園。午餉温香恰療飢、田頭曝背日遅遅。童孫不肯従翁睡、野菜花辺捉蝶児。

Een pastorale uit 1815 van Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832).

De afbeelding toont Le déjeuner (De lunch, 1873-1874) van Claude Monet. Collectie Musée d’Orsay, Parijs.

Categorieën
poëzie

boeken lezen (no. 1)

            Boeken lezen (1)

Mijn haren zijn nog niet grijs geworden;

toch deed ik al vroeg mijn kapinsigne af.

Al lukt het me nog niet in een woud te wonen,

sloot ik mijn deuren diep tussen ’s werelds gewoel.

’t Is niet dat ik geen vriendschap aanhou,

maar etiquette blijkt me niet goed af te gaan.

Converseren en lachen: het mag vrolijk lijken,

maar roddel dringt zich steeds weer op.

Ben ik trouw aan mezelf, dan bruuskeer ik iemand;

hou ik de schone schijn op, dan bleef ik beter stom.

Het beste is terug te keren naar mijn boeken;

daarin is tenminste iemand die mijn hart begrijpt.

 
読書八首(其一)。吾髪猶未白、早已擲華簪。未能住林壑、杜門紅塵深。豈無友朋締、俯仰非所任。言笑雖云楽、謗譏動侵尋。率意時触諱、飾情亦等瘖。不如還読書、有人獲我心。

SNKBT 66, p. 300-301. Voor de filologen: ‘een kapinsigne [let. fraaie haarspeld] weggooien of afdoen’ (kashin o nageutsu 擲華簪) is een ambtenarenbaan opzeggen (de haarspeld is een aan de kap bevestigd insigne van het ambt). Kōjin 紅塵 (let. ‘het scharlaken stof’) is een beeldspraak voor het wereldse leven in de grote stad. Fugyō 俯仰 (let. ‘[op de juiste momenten] vol eerbied neerliggen en vol eerbied opkijken’) is sociaal wenselijk gedrag vertonen. Shokki 触諱 (‘bruuskeren’ of ‘iemand tegen de haren in strijken’) is letterlijk het uitspreken van de ‘taboenaam’ (imina 諱, persoonsnaam voor privésituaties, dan wel de manier om postuum naar iemand te verwijzen) van een hogergeplaatst persoon; dat is een ongepaste lichtzinnigheid.

Dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) schreef een reeks van acht Sinitische gedichten op het thema ‘boeken lezen’ (dokusho 読書); eerder vertaalde ik nummers 3 en 6. Dit is dus nummer 1.

Wat er voor de buitenstaander te zien is van de ‘Purperbergen-en-klaarwater-stek’ (Sanshi-suimeisho 山紫水明処) in Kyoto, 21 oktober 2024.

In oktober 2024 vervulde ik een oude wens. Ik kon toen eindelijk naar binnen in de ‘Purperbergen-en-klaarwater-stek’ (Sanshi-suimeisho 山紫水明処) in Kyoto. Dat is de naam die Rai San’yō gaf aan zijn studeer- en ontvangstvertrek. Het bestaat nog steeds en zijn nazaten wonen in het huis ernaast, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is.

Duur was het niet om het huisje te bezoeken (de toegangsprijs was ¥700, op dat moment omgerekend €4,30), maar gedoe kostte het des te meer. In de stijl van veel plekken-voor-kenners in Japan is er voor de Sanshi-suimeisho wel een (archaïsch aandoende) website maar zijn er geen contactgegevens anders dan een postadres. Daarheen kan je, uiterlijk twee maanden vóór aankomst in Kyoto, een verzoek sturen waarin je twee data mag noemen waarop jij graag een bezoek zou afleggen. Je stuurt met dat verzoek een gefrankeerde briefkaart of envelop mee; daarmee krijg je dan vroeg of laat antwoord. Dat antwoord kan zijn dat die twee data niet uitkomen.

Eenmaal aangekomen werd ik hartelijk ontvangen door een nazate van Rai San’yō die de hele tijd de indruk maakte dat ze al die San’yō-adepten weliswaar gepast vleiend maar ook lichtelijk vermakelijk vond. Ik vroeg haar onder meer of er vaak mensen voor de Sanshi-suimeisho kwamen, omdat de aanmeldprocedure wat omslachtig is. Ik was al de veertiende bezoeker die maand, meldde ze. Het is altijd ontnuchterend te ontdekken dat, zodra je denkt dat je een bijzondere gek bent om een bepaalde moeite te doen, te ontdekken dat je in een wachtrij staat (‘Pick a number, son’). Een heel gezonde ervaring.

Hoe dan ook, die oktobermiddag zat ik dan op de tatami-matten in de ruimte waar San’yō (nemen we dan aan) zijn gedichtenreeks ‘Boeken lezen’ schreef — en ook die boeken las waarover hij het in de gedichten heeft. Beter nog: waar hij de sake dronk en de borrelhapjes verorberde waarvoor het boekenlezen de aanleiding was.

(Ik maakte uiteraard veel foto’s, maar heb op verzoek van de familie beloofd geen ervan openbaar te maken.)

De afbeelding toont het schilderij Henk de Court Onderwater [1877-1905] op zijn ziekbed (1904 of 1905), door Gerrit Willem van Blaaderen (1873-1935).

Categorieën
poëzie

nieuwe lente, oud lijf

Het voorjaar arriveert onzichtbaar: hoe kun je dat bespeuren?

Ouderdom achtervolgt het lijf: moeilijk laat hij zich vermijden.

春無跡至争尋得、老趁身来亦避難。

Shinsen rōeishū 4; categorie ‘het begin van de lente’ (risshun 立春). Met ‘onzichtbaar’ vertaal ik ato naku 無跡, let. ‘zonder [voet]sporen’. Het beeld is dat de lente geen fysieke gestalte heeft en dus ook geen voetsporen kan achterlaten.

Een couplet van Fujiwara no Atsushige 藤原篤茂 (actief 947-973). De dichter speelt nadrukkelijk met tegenstellingen: van de lente weet je dat die komt, ook al bespeur je er niet meteen een ‘voetafdruk’ of ‘restant’ (ato ) van. Waar de dichter dus vruchteloos ‘jaagt’ op het voorjaar, jaagt de oude dag vrij succesvol achter de dichter aan.

4 februari markeert dit jaar volgens de maankalender in Japan ‘het begin van de lente’ (risshun 立春).

De foto is een still uit de film Under the Blossoming Cherry Trees (Sakura no mori no mankai no shita 桜の森の満開の下, 1975) van Shinoda Masahiro 篠田正浩 (1931-2025) naar het gelijknamige spookverhaal uit 1947 van Sakaguchi Ango 坂口安吾 (1906-1955).

Categorieën
poëzie

de vorst van Frankrijk

            Het lied van de vorst van Frankrijk

De vorst van Frankrijk

Vanwaar kwam deze vorst? Van over de westelijke oceaan.

Vol essentie van de generaal-in-’t-zwerk, in zijn ogen groene glans,

begiftigde de hemel hem met strategieën, gegoten tot zijn kern.

Heel Europa verslond hij en verlegde zijn grenzen naar de oost;

en zwoer dat hij de Kunlun zou maken tot centrum van zijn rijk.

IJdele handen in zijn land smeedde hij tot legertroepen om;

soldaten zonder vrouw of kind werden woeste vechtersbazen.

Een kort lemmet aan het geweer en de langere als lans;

na geweren stormen lansen aan, samen gaan ze in de aanval op.

Overal drong iedereen naar voren, bloed kleurde de aarde zwart;

alleen restte het grote Rusland nog, dat weerstand bieden bleef.

Sluipmoordenaars stuurde men met dolken op hun borst verstopt;

de vorst, zich wel van hen bewust, liet toe dat zij hem omcirkelden.

‘Als je me neer kan steken, steek dan maar, maar sterven kan ik niet;

waarom komt jullie heerser niet eerlijk met banieren en met trommels?’

Hij zond zijn maarschalken het veld in met troepen in al hun macht;

hun rode banieren verduisterden de hemel, de zon verloor haar licht.

Met vijf veldslagen nam hij het land in—zijn overmacht schudde alles op;

de Russen waren als vissen die tranen lieten in een dodelijke kookpot.

Toen, heel onverwacht,

bedekte enorme sneeuwval al het land, wel tien voet diep of meer;

van de vorst zijn paarden vielen er achtduizend bevroren neer.

aanvoerroutes raakten doorgesneden zonder hoop op elk herstel;

een blokje paardenvlees vormde het enige dagelijks rantsoen.

De vorst verklaarde: ‘De hemel zal Frankrijk niet komen redden;

als het mijn volk helpt, waarom zou ik mij niet overgeven?’

Alleen reed hij de vijand ter overgave tegemoet, geen die hem doden durfde;

verbannen werd hij naar Amerika, [Europa’s] vorsten en volkeren waren blij.

            .

In het Ouderaarde-Tijger-jaar [1818] reisde ik naar Nagasaki

en ontmoette een barbarenarts die me er alles van vertelde.

Zelf diende hij met de troepen, verzorgde hun oorlogswonden

en at paardenvlees om niet te sterven—wat hij maar niet vergeten kan.

Hoorde je dan niet:

welke staat kan onmatigheid als van een wolf negeren?

Moedige mannen sluiten die uit en waarderen waakzaamheid.

Zag je dan niet:

ramp en fortuin zijn als draden die niet voor eeuwig zijn;

verspil soldaten, besmeur krijgshaftigheid: telkens krijg je dan een ramp.

Juist nu zagen de vijf continenten af van hun misdadigheid;

hoe kon men weten van zulke moordpartijen in die westelijke wildernis?

Ik schreef dit gedicht om die mirakels te noteren en na te laten aan mijn thuis;

nog steeds ervaar ik die moordlust die zomaar oprispt uit mijn dichterstas.

            .

仏郎王歌。仏郎王、王起何処大西洋。太白鍾精眼碧光、天付韜略鋳其腸。蚕食欧邏東拓疆、誓以崑崙為中央。国内游手收編行、兵無妻子武趪趪。縮梃為銃伸為槍、銃退鎗進互撞搪。所向無前血玄黃、独有鄂羅相頡頏。潛遣諜賊懷剣鋩、王覚故与之翱翔。能刺刺我不能亡、汝主何不旗鼓当。遣客親督陣堂堂、絨旗蔽天日無芒。五戦及国我武揚、鄂羅如魚泣釜湯。何料、大雪平地一丈強、王馬八千凍且僵。運路梗塞不可望、馬肉方寸日充糧。王曰天不右仏郎、我活吾衆降何妨。単騎降敵不敢戕、放之阿墨君臣慶。戊寅歳吾遊碕陽、遭逢蛮医聞其詳。自言在陣療金創、食馬免死今不忘。君不見、何国蔑有貪如狼、勇夫重閉貴預防。又不見、禍福如繩何可常、窮兵黷武每自殃。方今五洲休奪攘、何知殺運被西荒、作詩記異伝故郷、猶覚殺気逬奚囊。

In: Edo shijin senshū 江戸詩人選集 8, red. Iritani Sensuke 入谷仙介 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1990), p. 34-44. ‘De generaal-in-’t-zwerk’ is mijn wat omslachtige vertaling voor Taihaku 太白, de planeet Venus, die in Oost-Azië geassocieerd wordt met militaire zaken (zo wordt de godheid Taihakujin 太白神 voorgesteld als generaal, als manifestatie van Venus’ energie of essentie [sei 精]). Paul Rouzer koos voor de bewuste maar wel elegante misvertaling ‘Mars’, waarvoor veel te zeggen valt. De Kunlun (Jp. konron 崑崙) is een mythische berg in Chinese legenden, gelegen in het verre westen.

Het gedicht van Rai San’yō in Naporeon den 那波列翁伝 (1857), een bewerking van Het leven van Buonaparte (1801) door Joannes van der Linden (1756-1835). Collectie bibliotheek Waseda Universiteit.

Als etappe op een lange reis in 1818 door het eiland Kyushu bezocht de dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) Nagasaki. Hij kwam daar aan op de 23e dag van de vijfde maand [26 juni] en verliet de stad weer precies drie (Japanse) maanden later, op de 23e van de achtste maand [23 september 1818]. Waarom San’yō naar Nagasaki trok is niet helemaal duidelijk, maar de stad was waarschijnlijk onder meer aantrekkelijk voor hem omdat er geletterde Chinezen woonden. Hij zou er ook daadwerkelijk bezoeken afleggen aan en gedichten uitwisselen met onder meer de arts Yáng Xītíng (Jp. Yō Seitei) 楊西亭 en de koopman en kalligraaf Lù Pĭnsān 陸品三 (Jp. Riku Hinsan). Nagasaki was zonder meer de meest internationale stad die vroegmodern Japan te bieden had, dankzij de Chinese en Nederlandse handelsposten daar maar ook doordat Chinese Zen-monniken zich er gevestigd hadden. Daarnaast was er een permanente stroom van Japanse bezoekers van elders uit het land. In 1817 telde de stad 1.654 reizigers, op een stadsbevolking van ongeveer dertigduizend. [Iwashita 1999, p. 70.]

Omdat San’yō zich in het handelsseizoen nog in Nagasaki bevond, maakt hij de aankomst van Nederlandse handelsschepen mee die vier maanden in de baai van Nagasaki voor anker zouden blijven liggen. Ook daarover zou hij een lang gedicht schrijven.

In Nagasaki ontmoette San’yō ook tenminste één Nederlander, aan wie we indirect het hier vertaalde gedicht over Napoleon Bonaparte (1769-1821) te danken hebben.

San’yō zelf beschrijft hoe de arts op de Nederlandse handelspost Dejima in de baai van Nagasaki hem vertelde over Napoleon, die op dat moment in ballingschap op St. Helena leefde. Die arts zal Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) geweest zijn. [Ibi 2024, p. 40.] Toen San’yō in Nagasaki aankwam, was Hagen net een week terug van zijn hofreis naar Edo.

In het verslag van de hofreis van 1818, van Nagasaki naar Edo (Tokyo) en weer terug, tussen 13 februari en 19 juni ondernomen door Jan Cock Blomhoff (1779-1853), opperhoofd van de Nederlandse factorij, scriba Hendrik Gerard Engelen en chirurgijn Gerrit Leendert Hagen, wordt Hagen vermeld als ‘Chirurgijn van de 3e Classe’; mogelijk daarom komt hij in secundaire literatuur nogal eens —abusievelijk, lijkt me— voor als ‘Claas Hagen’, c.q. Kurasse Hāhen クラッセ・ハーヘン). Aantekeningen op de Reize Na-en-Van -Jedo- in Japan. Digitale Collectie Universiteitsbibliotheek Leiden (BPL 3651).

Voor ‘Claas Hagen’, zie:

  • Iwashita 1999, p. 69.
  • François Lachaud, ‘Quand le Japon découvrait Napoléon: vies et images de l’Empereur de la fin du shogunat à Meiji’, in D’un Empire, l’autre: Premières rencontres entre la France et le Japon au XIXe siècle, red. François Lachaud en Martin Nogueira Ramos (Parijs: École française d’Extrême-Orient, 2021), p. 113-168.
  • Wolfgang Michel, ‘Trading-post chiefs, medical staff, other employees and slaves at the VOC trading-posts Hirado and Dejima’, database uit 1995 (laatste update oktober 2025).
Eerste pagina uit Aantekeningen op de Reize Na-en-Van -Jedo- in Japan (1818), met in de vierde regel vermelding van Gerrit Leendert Hagen (1797-1834). Digitale Collectie Universiteitsbibliotheken Leiden (BPL 3651).
Het Nederlandse gezantschap op audiëntie bij de shōgun in Edo Edo (orandajin hairei no zu 和蘭人拝礼図), in 1818 of 1822. Expliciet genoemd wordt het opperhoofd (kapitan) Jan Cock Blomhoff (1779-1853) ) かぴたんやんこっくぶろむほふ, die beide keren het gezantschap leidde. Hopelijk is het een afbeelding van het gezantschap van 1818, toen de 21-jarige Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) Cock Blomhoff op die hofreis vergezelde, en is hij dus een van de twee andere mannen op de afbeelding. (In 1822 was hij alweer vertrokken uit Japan en was  zijn plaats ingenomen door de arts Nicolaas Tullingh.) Veel maakt het niet uit, omdat alle drie als uit een sjabloon zijn weergegeven zonder werkelijk individuele kenmerken (op een variante afbeelding, waarop je de drie Nederlanders op kousenvoeten door het shogunaal kasteel ziet lopen, hebben zij zelfs volledig identieke gezichten). Collectie Tokyo National Museum. (Zie ook: Anne Sey, Deshima. Het dagelijks leven op de Nederlandse handelspost in Japan [Zutphen: Walburg Pers, 2025], p. 105.) Op een door Matsuda Kiyoshi in 2019 in Nederland ontdekte tekening door de hollandoloog Katsuragawa Hoken 桂川甫賢 (1797-1844) zien we de drie Nederlanders tijdens de hofreis van 1822 in hun vaste herberg in Edo in ontspannen gezelschap van Japanse hollandologen, de Nagasakiya. Daarin lijken de drie nog steeds nogal op elkaar maar is er in ieder geval nog de suggestie van individuele trekken — maar interessant genoeg zijn alle drie zonder snor of sik afgebeeld; als dat portretelement dan tenminste realistisch is, zou de afbeelding hier dan toch kunnen slaan op de hofreis van 1818? Matsuda Kiyoshi 松田清, ‘Katsuragawa Hoken hitsu Nagasakiya enkai no zu ni tsuite’ 桂川甫賢筆長崎屋宴会図について, Kanda Gaikokugo Daigaku Nihon kenkyū kiyō 神田外語大学日本研究所紀要 12 (2020), p. 234-170.

San’yō meldt dat Hagen een veteraan was van Napoleons Russische veldtocht en, geloof ik dan graag, intocht in Moskou in 1812. Hoe het gesprek tussen de twee verliep weten we niet. Ik neem aan dat er een tolk Nederlands (oranda tsūji オランダ通詞) bij aanwezig was, al was het maar omdat zulke interacties tussen Nederlanders en Japanse bezoekers op Dejima op last van de autoriteiten gemonitord moesten worden.

Het is allemaal speculatie, maar een mens gaat toch fantaseren over de levensloop van deze Hollandse arts. Met Napoleontische troepen —was hij, geboren in de Bataafse Republiek, aanhanger van Frans revolutionair gedachtengoed?— meegetrokken naar Rusland en daar de rampzalige terugtocht van 1812 moeten meemaken door een landschap waar de Russen een tactiek van verschroeide aarde hadden toegepast en het in oktober al verschrikkelijk was begonnen te sneeuwen, om dan in 1817 aan de andere kant van de wereld in het verre Japan terecht komen: het leest als een zeer avontuurlijk leven. 

[4 januari 2026] Utrechtenaar Gerrit Leendert Hagen (1797-1834)  was natuurlijk behoorlijk jong toen hij in 1817 op Dejima aankwam, nl. twintig. Zijn avontuur met het Napoleontische leger beleefde hij op zijn vijftiende. (Ik krijg flitsen in mijn geestesoog van een jonge Fabrice [Fabrizio] del Dongo in Stendhals La chartreuse de Parme [vert. Theo Kars: De kartuize van Parma]: Hagens fictieve leeftijdsgenoot —namelijk ook geboren in 1797— die op zijn achttiende alle moeite doet om met Napoleons troepen de slag bij Waterloo mee te kunnen maken). Je vraagt je af wat zijn medische kwalificaties waren: hooguit basale vaardigheden als chirurgijn (op zijn twintigste was hij tenslotte nog maar ‘chirurgijn 3e klasse’)? In december 1819 verlaat Hagen Dejima weer, [Matsuda 2020, p. 198-197.] na er ruim twee jaar te hebben doorgebracht. In 1824 is hij —misschien alweer jaren— terug in Nederland en trouwt dan in Utrecht met de 17-jarige Henrica Lammertze (ook: Lammertse, aka Hendrina Lammers, 1807-1856), met wie hij vier kinderen zal krijgen vóór hij daar op zijn 37e overlijdt.

Registratie in de stamboeken en pensioenregisters van het leger in Oost-Indië van Gerrit Leendert Hagen, als chirurgijn 3e klasse aangesteld op 24 oktober 1814 (als hij 17 is), dus twee jaar na zijn Napoleontische avontuur in Rusland. Na terugkeer uit Japan wordt hij in 1820, 23 jaar oud, bevorderd tot chirurgijn 2e klasse, bij de Huzaren. Nationaal Archief, Stamboeken Bronbeek (archief 2.10.50, inventaris­nr. 1), folio 111.
Berichtgevingen van het huwelijk en het overlijden van Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) in de Opregte Haarlemsche Courant van respectievelijk 9 oktober 1824 (p. 2) en 11 november 1834 (p. 2).

Als arts (nu ja: als chirurgijn) kende Hagen —niet zo verwonderlijk— Japanse intellectuelen. Zo moet hij contact hebben gehad met Matsura Seizan 松浦静山 (1760-1841), de heer (daimyō) van het eiland Hirado, niet al te ver van Nagasaki, die naar hem verwijst in zijn Nachtelijke gesprekken (Kasshi yawa 甲子夜話, 1821). [Koga Jūjirō 古賀十二郎, Seiyō ijutsu denraishi 西洋医術伝来史 (Nisshin Sho’in, 1942), p. 365.] Sowieso is het een klein wonder dat Rai San’yō niet al eerder in Nagasaki dacht neer te strijken op zijn reis. In dat geval waren hij en Hagen elkaar mogelijk misgelopen en had San’yō nooit over Napoleon gehoord.

Een Napoleontische ruiter in besneeuwd Rusland in 1812. Het openingspanel van ‘Een paard in de winter’ (‘Un cheval en hiver’, 1970) door Jacques Tardi. In: Tardi, Het Gedrocht en de Guillotine (Amsterdam: Drukwerk, 1980), p. 3.

Pikant is natuurlijk dat de Nederlanders tot een jaar vóór de ontmoeting tussen San’yō en Hagen de Japanse overheid volledig in het duister hadden gelaten over Napoleons veroveringen in Europa. Hendrik Doeff (1777-1835), noodgedwongen langdurig ‘opperhoofd’ (directeur) van de Nederlandse handelspost op Dejima, hoorde in 1807 van de Franse bezetting van Nederland door Napoleontische troepen in 1806. Hij hield daarover zijn mond bij de jaarlijkse debriefing van de Nederlandse leiding door Japanse autoriteiten in Nagasaki voor hun informatiebulletin over de toestand in de wereld (de zogenaamde fūsetsugaki 風説書, let. ‘geruchtenrapportage’) bestemd voor de hoogste autoriteiten in Edo. Ook de Britse invasie en bezetting van Java in 1811, een direct gevolg van de inlijving van Nederland in het nieuwe Franse keizerrijk in 1810, zou Doeff nooit melden. Het uitblijven tussen 1809 en 1817 van Nederlandse schepen uit Batavia legde hij sluw uit als resultaat van Hollands ongenoegen over de handelsopstelling door Japan.

Kortom, in zijn gesprek met de Nederlandse arts in zomer 1818 leerde San’yō voor Japanners geheel nieuwe informatie over zeer recente, dramatische gebeurtenissen in Europa. Het lijkt er zelfs op dat San’yō’s gedicht de allereerst vermelding van Napoleon in een Japanse context is. [Iwashita 1999, p. 77.]

In een ongepubliceerde paper heeft Paul Rouzer erop gewezen dat San’yō mogelijk als literair model ‘de eerste keizer van China’ op het oog had: Qin Shihuang 秦始皇 (let. ‘Eerste keizer van de Qin’, 259?-210 v.Chr.), heerser van de Qin-dynastie die met grof geweld het toenmalige China voor het eerst in de geschiedenis onder één heerschappij wist te verenigen. In Europa is hij waarschijnlijk het meest bekend van het terracotta-leger dat zijn mausoleum bewaakt. De ambivalentie van San’yō’s gedicht die Napoleons hoogmoed afweegt tegen zijn moed op het slagveld doet denken aan de balanceeract van Chinese commentaren op Shihuang als enerzijds hoogmoedig (slecht, dus) en anderzijds noodzakelijk voor de vereniging van ‘China’. 

Het ’verslinden’ (zoals een zijderups de blaadjes van een moerbei opvreet; sanshoku 蚕食, regel 5) werd al in de Optekeningen van de hofhistoriograaf (Shiji 史記) geassocieerd met de machtshonger van Qin Shihuang die naburige staten opslokte. Zo verwijst regel 7 naar de door Napoleon ingevoerde nieuwe praktijk van dienstplicht, wat een echo kent in Qin’s afgedwongen corvée voor leger en publieke werken. Zoals aanslagen op Napoleon beraamd werden (althans volgens San’yō; die informatie lijkt niet historisch te zijn), zo kende het oude China verhalen over aanslagen op Qin Shi Huang.

Er zijn aanwijzingen dat zo’n tien jaar later jongemannen in Japan gefascineerd waren door San’yō’s gedicht. [Iwashita 1999, p. 77-79.] In een Japanse bewerking van een naar het Nederlands vertaalde levensschets van Napoleon, Naporeon den 那波列翁伝 (‘Een biografie van Napoleon’, 1857), is San’yō’s ‘Lied van de vorst van Frankrijk’ ter inleiding opgenomen. De arts en hollandoloog Koseki San’ei 小関三英 (1787-1839) had, vóórdat hij zelfmoord pleegde naar aanleiding van een politieke campagne gericht tegen wetenschappers en intellectuelen die zich met ‘Hollandse’ kennis bezighielden (de zgn. ‘aanklacht tegen de studenten van barbarenwetenschappen’ of bansha no goku 蛮社の獄 van 1839), Het leven van Buonaparte (1801) vertaald. Dat boek was weer een vertaling uit het Frans door de jurist Joannes van der Linden (1756-1835). 

Die biografie met daarin San’yō’s gedicht staat symbool voor een (bescheiden) interesse in de figuur van Napoleon in de laatste drie decennia van het shogunaal bewind in vroegmodern Japan (1600-1868). Zo schreef de hollandoloog Ōtsuki Bankei 大槻磐渓 (1801-1878) in 1841 twaalf ‘liederen’ (Jp. shi, Ch. ) over ‘de vorst van Frankrijk’. De vierde ervan is:

            [Een lied over de vorst van Frankrijk]

Zijn halve leven heerste zijn majesteit over heel het Westen;

in de geschiedenisboeken baadt hij voor eeuwig in zijn glorie.

Sinds zijn faam en roem hem brachten tot het keizerschap

is er niemand die hem minder acht dan de Grote Alexander.

[仏蘭王詞] 半生威武遍西洋、青史長留赫赫光。一自功名帰太帝、無人艷説歴山王。

Uno, Nihon no kanshi (2017), p. 574; Ibi, Edo kanshi sen 2 (2021), p. 320-322. Bankei 大槻磐渓 (1801-1878) was de tweede zoon van de befaamde Ōtsuki Gentaku 大槻玄沢 (1757-1827) en een leerling van Sugita Genpaku 杉田玄白 (1733-1817), ook al zo’n beroemde hollandoloog.

Waarschijnlijk is het ook die biografie geweest die aanleiding gaf tot een 32-regelig Sinitisch gedicht door hollandoloog en politiek activist Sakuma Shōzan 佐久間象山 (1811-1864), ‘Op een afbeelding van Napoleon’ (Naporeon zō ni dai-su 那波利翁ナポレオン). Dat begint zo —wel toepasselijk voor het moment—:

Welk land of tijdperk zou geen helden kennen?

Vanzelfsprekend dus dat ik Napoleon bewonder.

De laatste tijd sloot ik me op en las zijn levensschets;

opgeslokt besefte ik niet dat het jaar ten einde liep.

何国何代無英雄、平生欽慕波利翁。邇来杜門読遺伝、怱怱不知年歳窮。

In: Edo kanshisen 江戸漢詩選 4: Shishi 志士, red. Sakata Shin 坂田新 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1995), p. 127-133.

De rest is misschien iets voor een andere keer.

Ik gebruikte verder vooral:

  • Iwashita Tetsunori 岩下哲典, Edo no naporeon densetsu: seiyō eiyūden wa dō yomareta ka 江戸のナポレオン伝説:西洋英雄伝わどう読まれたか [‘Napoleon-legenden in vroegmodern Japan’] (Tokyo: Chūō Kōronsha, 1999).
  • Ibi Takashi 揖斐高, Rai San’yō: shikon to shigan 頼山陽:詩魂と史眼 [‘Rai San’yō: dichterlijke ziel en historisch oog’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2024).

De afbeelding toont (r) titelpagina en (l) frontispice van Naporeon den 那波列翁伝, deel 1 (‘Een biografie van Napoleon’, 1857), een postuum uitgegeven bewerking door de arts en hollandoloog Koseki San’ei 小関三英 (1787-1839) van Het leven van Buonaparte (1801) dat Joannes van der Linden (1756-1835) uit het Frans vertaalde. Collectie bibliotheek Waseda Universiteit.

Categorieën
poëzie

iets ingewikkelds

            Boeken lezen op een winteravond

Sneeuw omarmt het huis en bomen werpen diepe schaduwen;

de windgong hangt bewegingloos, de avond wordt stiller, stiller.

Rustig ruim ik de boekenzooi op en denk aan iets ingewikkelds;

in een blauwe vlam als een enkele rijstaar het hart van de Ouden.

冬夜読書。雪擁山堂樹影深、憺鈴不動夜沈沈。閑収乱帙思疑義、一穂青灯万古心。

In Kōyō sekiyō sonja shi (kōhen) 黄葉夕陽村舎詩 後編 (‘Gedichten uit Huize Herfstblad in de Avondzon’, derde deel, 1823). [SNKBT 66, p. 103.] Het ‘huis’ is een ‘huis in de bergen’ (sandō 山堂), wat de suggestie van een retraite versterkt; dat aspect vertaal ik nu niet. Ik zocht iets beter lopends dan ‘rondslingerende boeken’ voor ranchitsu 乱帙, maar deze oplossing is misschien weer net te vlot voor Chazan. De langgerekte blauwe vlam is die van de lamp, waarbij de boeken gelezen worden.

In de roman Een schip bouwen (Fune o amu 舟を編む, 2016) uit 2011 van Miura Shion 三浦しをん (1976) figureert dit kwatrijn van Kan Chazan 菅茶山 (var. Sazan, 1748-1827) in —geloof het of niet— een liefdesbrief. 

Sowieso wordt in die roman nogal eens verwezen naar Chazan’s Sinitische poëzie. Uiteraard door nerdy jongemannen.

Kan Chazan was een groot kenner van antiek Chinees gedachten- en cultuurgoed (een zogenaamde jugakusha 儒学者, een ‘confucianistische geleerde’, zeggen we dan meestal), Rond 1781 opende hij in zijn geboorteplaats Kannabe 神辺, het tegenwoordige Fukuyama in de prefectuur Hiroshima, een academie, waar Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) nog een tijd als door hem als hoofddocent, c.q. academiedirecteur (tokō 都講), in dienst werd genomen.

Het leukst aan dit kwatrijn uit 1811 is wat mij betreft het feitelijke onderwerp ervan: ‘iets ingewikkelds’. Het Japans (of het literair Sinitisch, zo je wil) heeft gigi (Ch. yíyì 疑義), letterlijk iets als ‘een betekenis waarover getwijfeld wordt’ — een woord dat in Mandarijn en modern Japans vaak begrepen wordt als ‘twijfel’. In de context van Chazan’s gedicht gaat het over de interpretatie van wat er in die rondslingerende boeken staat: teksten over Wijzen (zgn. seiken 聖賢) uit een ver verleden (banko 万古).

Maar je mag dit natuurlijk ook op iets algemeners betrekken: al die dingen waarvan je niet zeker weet wat je ermee moet.

De afbeelding toont Kan Chazan’s kwatrijn zoals dat figureert in de anime-serie Een schip bouwen (Fune o amu 舟を編む, 2016) naar de gelijknamige roman van Miura Shion 三浦しをん (1976) uit 2011.

Categorieën
poëzie

avonduitzicht

            Vier gedichten over ‘de hut van diepe slaap bij een verborgen vijver’, nummer één: ‘Avonduitzicht’

Wolken keren terug naar bergen, vogels keren terug naar hun nest;

dit landschap verdient het om het volledig naar waarde te schatten.

Faam en fortuin voeren de mensen dronken, veel meer nog dan de sake;

in dit mensenleven besefte ik niet eerder hoe de avondzon ten onder gaat.

隠池打睡庵四首 其一 晩眺。雲帰山牟鳥帰棲、風景悉皆堪品題。名利酔人濃於酒、百年不覚夕陽低。

Unno, Nihon no kanshi (2017), p. 146. ‘De hut van diepe slaap bij een verborgen vijver’ (In no ike dasui’an 隠池打睡庵) was de naam van de kluizenaarshut die Dokuan had in Chikuzen (huidige prefectuur Fukuoka) in het noorden van het eiland Kyushu. ‘Mensenleven’ vertaalt hyakunen 百年 (let. ‘honderd jaar’), een wat hyperbolische manier om de ideale levensduur aan te duiden.

Een kwatrijn van Dokuan Genkō 独庵玄光 (1603-1698), een Zen-monnik van de Sōtō-school. Dokuan ging acht jaar lang (1650-1658) in Nagasaki in de leer bij de Chinese Zen-monnik Daozhe Chaoyuan 道者超元 (Jp. Dōsha Chōgen, 1602-1662). 

De foto toont een late zon en wolken boven Genève, 3 september 2025.

Categorieën
poëzie

als een kapotte sakekom

            Ontboezeming in de late herfst

Het jaargetijde is al te desolaat, de omloop nadert spoedig een eind;

de deur naar het slaapvertrek is gehuld in stilte, de herfstzon schijnt er kil.

In een bewolkte hemel is de roep van verre ganzen duidelijk te horen;

onder de dakrand zijn de laatste cicaden bijna allemaal verdwenen.

Chrysanten bij de vijver omgord met dauw: koud zijn de resterende bloemen;

lotussen in het water gekleed in rijp: als een oude sakekom barstte hun blad.

Droefgeestig is het eenzaam treuren om het verglijden van seizoenen:

her en der verspreid gevallen bladeren — onverdraaglijk is die aanblik.

晚秋述懐。節候蕭条歳将闌、閨門静閑秋日寒。雲天遠雁声宜聴、擔樹晚蝉引欲殫。菊潭帶露余花冷、荷浦含霜旧盞残。寂寞独傷四運促、紛紛落葉不勝看。

Bunka shūreishū 50.

Een Sinitisch gedicht door de verder onbekende Vrouwe Ōtomo 姫大伴氏 (Hime Ōtomo-uji, let. ‘Vrouwe, uit de Ōtomo-clan’), al wordt aangenomen dat zij keizer Saga 嵯峨天皇 (786-842) diende. Dat is dan vooral omdat haar gedicht is opgenomen in Verzameling van schitterende literaire bloesems (Bunka shūreishū 文華秀麗集) uit 818, samengesteld op bevel van Saga.

Het cliché wil dat in de klassieke periode kennis van het literair Sinitisch, laat staan het actief schrijven in die schrifttaal, voorbehouden was aan mannen. Nu opereerde Vrouwe Ōtomo sowieso in een tijd waarvan het onduidelijk is of er veel waka geschreven werden (er zijn in elk geval weinig sporen van), maar uit de eerste jaren van de negende eeuw kennen we een aantal Sinitische gedichten door vrouwelijke dichters die dat beeld wat ontkrachten. Dit is daar dus een van.

De afbeelding links toont een reconstructie van hofdameskledij uit de negende eeuw. Rechts: het gedicht van Vrouwe Ōtomo in Bunka shūreishū (818), in een manuscriptkopie uit 1690. National Diet Library, Tokyo.

Categorieën
poëzie

blauwe heuvels

            Een schildering door Zhao Wenmin

Boven riethalmen een herfstbries, een bootje keert naar huis;

blauwe heuvels en groen water rondom een hutje in het woud.

betoverend penseelwerk en azuren eilanden in de verte;

in de schittering van een ondergaande zon vliegt een witte vogel op.

趙文敏画。苕上秋風一櫂帰、青山緑水繞林扉。揮毫興与滄洲遠、落日明辺白鳥飛。

Shōkenkō 81 (var. 122). [SNKBT 48, p. 144.] Zhào Mèngfǔ 趙孟頫 (aka Wénmĭn, 1254-1322) was een staatsman en schilder in China tijdens de overgang van de Chinese Song-dynastie naar de Mongoolse Yuan-dynastie.

Zekkai Chūshin 絶海中津 (1336-1405) was een Japanse Zen-monnik die ruim negen jaar in China doorbracht. Daar zag hij de schildering die hij in dit kwatrijn beschrijft.

De afbeelding toont een detail van de rolschildering ‘Herfstkleuren op de Qiao-heuvel en de Hua-berg’ (Quèhuá qiūsè tú 鵲華秋色図) uit 1295 door Zhào Mèngfǔ 趙孟頫 (1254-1322). Collectie National Palace Museum Taipei.

Categorieën
poëzie

palindroompoëzie [2]

            Nog een palindroom

In het westerbos een tempel tussen bamboe: vaagjes klinkt een verre klok;

wijd zo wijd strekt zich de herfstmist uit: een eenzame vogel vliegt voorbij.

Een plotse, kille avondwind trekt aan mijn mouwen en laat ze opbollen;

Ten oosten van het dal wandel ik in maanlicht en neem een stok mee terug.

又廻文。西林竹寺遠鐘微、漠々秋煙孤鳥飛。淒颯晩風携袖満、渓東歩月曳筇帰。

Terug met een stok, meegenomen door de maan wandel ik in het oosterdal;

aan opgebolde mouwen trekt de wind: de avond is plots heel kil.

Een vliegende vogel in eenzame mist: de herfst strekt zich wijd zo wijd;

vaag klokgelui van een verre tempel ten westen van het bamboebos.

帰筇曳月歩東渓、満袖携風晩颯淒。飛鳥孤煙秋漠々、微鐘遠寺竹林西。

In Ryūwan gyoshō 柳湾漁唱, boek 1 (1821). Tokuda Takeshi 徳田武, red., Nomura Kōen, Tachi Ryūwan 野村篁園 館柳湾 (Edo shijin senshū 江戸詩人選集 7) (Tokyo: Iwanami Shoten, 1990), p. 216-217. In de laatste regel van de eerste versie van dit kwatrijn vertaal ik tsuki o ayumu 歩月 als ‘wandel ik in het maanlicht’; meer letterlijk staat er: ‘stappen op de maan’ — een vaker gebruikt beeld voor het lopen op een door het maanlicht beschenen plek. Die vertaling wringt dus wat met de eerste regel van de tweede versie. Ook niet zo mooi is dat ik omwille van de cadans enshō kasuka ni 遠鐘微 vertaal met ‘vaagjes klinkt een verre klok’, zodat ik de regel niet eindig met ‘vaagjes’ (kasuka ni 微) en de spiegeling met bishō no en[ji] 微鐘遠[寺] wat verloren gaat.

Een dubbelpagina uit Ryūwan’s visserszangen, deel 1 (Ryūwan gyoshō shoshū 柳湾漁唱初集, 1821); bij de groene pijl het palindroomgedicht.

Een technisch vernuftig kunstwerkje van Tachi Ryūwan 館柳湾 (1762-1844). Dit kwatrijn kan je namelijk ook van achteren naar voren lezen. Vandaar dat ik het hier twee keer vertaal. 

Mijn vertaling is te simpel, besef ik, in de zin dat het niet meer dan een flauwe afspiegeling is van het origineel.

En: ja, ik weet dat strikt gesproken je dit gedicht geen palindroom mag noemen, omdat er geen sprake is van een spiegelconstructie. De formule hier is: of je nu van achter naar voor leest of omgekeerd, beide keren krijg je een volwaardig maar ander gedicht. Bij een palindroom zou je twee keer hetzelfde gedicht moeten krijgen (à la ‘“Mooie zeden in Ede”, zei oom’). Dit is dus zeker niet zo’n perfecte palindroomcompositie als die van Matsui Shigeru 松井茂 (1975).

Een anagram is dit gedicht ook niet, wat mij betreft, omdat je bij een anagram de volgorde van letters (of woorden) door elkaar mag husselen. Dat is hier niet gebeurd. Het kwatrijn in kwestie komt nog het dichtst in de buurt van wat Hugo Brandt Corstius in zijn Opperlandse taal- & letterkunde (1981) ‘woordparen’ noemde.

Geboren in Niigata, aan de Japanse Zee, vroeg wees geworden en geadopteerd door familie van vaderskant, kwam Ryūwan te werken voor het militaire bewind van vroegmodern Japan (de bakufu). Hij was actief als lokale bestuursassistent in gebieden die onder directe controle van de bakufu stond (een zgn. tetsuki 手付), in onder meer Hida-Takayama 飛騨高山 in centraal-Japan. Daar werd hij in 1800 benoemd en bleef daar ongeveer vier jaar, tot hij zijn patroon volgde naar Edo. In 1827 trok hij zich terug uit overheidsdienst, ging in Edo wonen en wijdde zich volledig aan de Sinitische poëzie. 

In Hida heeft hij dit palindroomgedicht (kaibun 廻文, let. ‘keertekst’) geschreven. 

De afbeelding toont een aflevering van strip The Upside Downs of Little Lady Lovekins and Old Man Muffaroo door Gustave Verbeek (1867-1937), in The Sunday Record-Herald van 31 juli 1904. Verbeek werd als zoon van de Nederlandse predikant Guido Verbeek (later: Verbeck) geboren in Nagasaki. Via Parijs belandde hij in 1900 in de Verenigde Staten, waar hij actief werd als striptekenaar voor kranten. Zijn bekendste reeks is The Upside Downs of Little Lady Lovekins and Old Man Muffaroo (1903-1905), die Verbeek twee jaar lang wekelijks produceerde. Deze strip van zes plaatjes moest de lezer na het zesde plaatje omdraaien en dan bleek dat de tekeningen ook ondersteboven gelezen konden worden en het verhaal zo verder te volgen was.