Toen hij verbannen werd, wierp hij nog een laatste blik op de pruimenboom bij zijn huis:
De Postume Opperminister [845-903]
als de oostenwind waait
stuur me dan je geuren toe
jij pruimenbloesem:
denk niet ‘geen meester meer’
om dan je lente te vergeten
kochi fukaba / nioi okose yo / mume no hana / aruji nashi tote / haru o wasuru na
流され侍ける時、家の梅の花を見侍て
贈太政大臣
東風吹かばにほひをこせよ梅花主なしとて春を忘るな
Shūi wakashū 16 (‘Mengelwerk: lente’), no. 1006. Dat ‘Postume’ (zō 贈) slaat op de mogelijkheid om iemand postuum een promotie in rang en/of benoeming te verlenen (zōi 贈位). Michizane werd pas na zijn dood benoemd tot Opperminister (daijō daijin 太政大臣). In een variante, wat latere versie heeft deze waka als laatste regel ‘haru na wasure so’ 春な忘れそ, met dezelfde betekenis. Dat ik haru 春 vertaal met ‘je lente’ in plaats van het neutrale ‘de lente’ is vanwege de gedachte dat Michizane hier niet simpelweg het voorjaar als seizoen van plantenbloei bedoelt maar zijn pruimenboom herinnert aan specifiek de eigen ‘bloei’ en pracht van de boom die de bloei van het Huis Sugawara weerspiegelt.
Deze waka wordt toegeschreven aan Sugawara no Michizane 菅原道真 (845-903). Michizane was in de eerste plaats een ‘geletterde’ (monnin 文人), iemand die flink had doorgestudeerd aan de hofacademie en doorkneed was in de klassieken van de Sinitische literatuur.
Michizane schreef dan ook vooral gedichten in literair Sinitisch — vele honderden zelfs. Er zijn maar 38 waka overgeleverd die aan hem toegeschreven worden.
Michizane had uitzonderlijk succes als academisch geschoold bureaucraat binnen het bureacratisch systeem van laat-achtste-eeuws Japan. Mede dankzij gunsten van de vorst, die in hem een instrument zag om de macht van het Fujiwara-Regentenhuis wat te beknotten, wist hij op te klimmen tot Minister ter Rechterzijde (udaijin 右大臣). Die bureaucratische carrière werd daarmee ook een politieke — en in het politieke machtsspel was Michizane minder bedreven dan de Fujiwara-kingpins.
Zodra ‘zijn’ vorst afstand deed van de troon en door een ander opgevolgd werd, verloor Michizane belangrijke vorstelijke steun en wisten de Fujiwara hem in 901 te laten verbannen. Die verbanning nam de vorm aan van ‘wegpromoveren’: hij werd benoemd tot Vice-Gouverneur-Generaal (gon no sochi 権帥) van Dazaifu, het hoofkwartier van het centraal gezag in het meest westelijke eiland Kyushu. Vandaaruit werden onder meer Japans handelscontacten met het Aziatische vasteland onderhouden. Maar een verbanning bleef het en Michizane zou in Dazaifu sterven.
Na zijn dood begon Michizane een tweede leven, dit keer als godheid. Na blikseminslagen in het paleis en onverklaarbare sterfgevallen in het Regentenhuis, besefte men in de hoofdstad dat dit het werk was van Michizane’s wraakzuchtige geest (onryō 怨霊) die genoegdoening wilde voor het hem aangedane onrecht. Dat besef leidde tot postume promoties en uiteindelijk tot de verheffing van Michizane tot ‘Hemelse Godheid’, of Tenjin 天神. Michizane is daarmee een van de vroegste voorbeelden (zo niet het vroegste) van de vergoddelijking van een historisch persoon.
Onder die naam staat hij tot op de dag van vandaag bekend in Japan. In het hele land zijn er zo’ 14.000 heiligdommen aan hem gewijd, meestal met de naam Tenmangū 天満宮. Niet heel verrassend, gegeven Michizane’s geleerdheid, zijn die heiligdommen er vooral om succes bij toelatingsexamens voor allerhande onderwijsinstellingen af te smeken.

Net als zijn voorvaderen voor hem had Michizane een bijzondere voorliefde voor de pruim (Jp. ume, oud-Japans: mume 梅). De villa (of preciezer: de studeervertrekken) van de Sugawara-familie had als naam ‘Rode-pruimenhal’ (Kōbaiden 紅梅殿).
En dan betreden we nu de wereld van mythologie: het verhaal wil dat Michizane toen hij verbannen werd een laatste blik wierp op de pruimenboom van zijn voorouderlijk huis. Een variant wil dat hij in zijn ballingsoord intens aan deze boom dacht. De pruimenboom —of er waren meer puimenbomen, maar slechts één ervan was sentimenteel— wist zich te ontwortelen aan de hoofdstedelijke grond en vloog naar het meest westelijke puntje van het land om zich daar bij zijn verbannen meester te voegen. Het gedicht van Michizane was voor de boom het duwtje in de rug om die stap te zetten.
Gelooft de lezer dit niet? Het bewijs is dat er in Dazaifu, op het terrein van het Tenjin-heiligdom daar, een zeer oude pruimenboom staat. Er staat een bord bij dat de boom officieel aanduidt als de ‘vliegende pruim’ (tobi-ume 飛梅) van Michizane.
Die ‘pruim’ is overigens een abrikoos (Japanse abrikoos, Prunus mume), maar laat ik —heel laf— niet proberen een eeuwenoude vertaaltraditie te negeren.
Eerlijk gezegd weet ik niet of de mume in oud Japan inderdaad dezelfde boom is als de ume van vandaag de dag.
* * * * *

Het gedicht van Michizane kun je op tenminste twee plekken in Nederland tegenkomen. Als onderdeel van het Leidse project Gedichten op muren (georganiseerd door de Stichting TEGEN-BEELD) staat het gedicht in kalligrafie van Chikako Wijsman-Saga op een muur bij de ingang van de Hortus Botanicus. Omdat die ingang van de Leidse hortus, als onderdeel van een stukje Rapenburg, in miniatuurvorm herschapen is in Madurodam, Den Haag, bestaat een miniatuurkalligrafie van het gedicht ook in Den Haag — voor wie daar goed zoekt.
* * * * *

Dat ik ‘haru’ 春 in Michizane’s gedicht vertaal met ‘je lente’ in plaats van het neutrale ‘de lente’ is vanwege de gedachte dat Michizane hier niet simpelweg het voorjaar als seizoen van plantenbloei bedoelt maar zijn pruimenboom herinnert aan specifiek de eigen ‘bloei’ en pracht van de boom die de bloei van het Huis Sugawara weerspiegelt.
De pruimenbloesem stond voor een culturele houding die terrein aan het verliezen was in de hoofse wereld van klassiek Japan. De pruim was namelijk geliefd bij de cultuurelite in het oude China en de pruimenliefde van Michizane en andere geletterden in Japan was dan ook een echo van die continentale voorkeur. Vanaf ca. 900 voltrok zich een vrij heftige cultuuromslag in de wereld van de Japanse hofcultuur, waarbij afstand genomen werd van ‘China’ en er nadrukkelijk ruimte werd gecreëerd voor een culturele entiteit die ‘Japan’ was. In politiek opzicht betekende dit onder meer dat geletterden, die hun identiteit ontleenden aan ‘Sinitische’ kennis, gemakkelijker opzijgeschoven konden worden door de Realpolitiker van het Fujiwara-Regentenhuis.
Symbolisch voor dat alles was dat er al generaties lang voor de ceremoniële Zuidhal (Naden 南殿, Shishinden 紫宸殿) van het paleis een mandarijn (tachibana 橘) en een pruim stonden geplant — tot het begin van de tiende eeuw. Toen werd die pruim vervangen door een boom die ‘Japansheid’ moest symboliseren: de kers (sakura 桜). En sindsdien staan er voor de Zuidhal een mandarijn en een kers, en is de pruim al elf eeuwen uit het vorstelijk zicht verdwenen.
Michizane’s val uit de gratie van het centrum van de Japanse cultuur ging dus gepaard met de verbanning van de pruimenboom. Zijn oproep aan de pruimenboom om de glorie en pracht van de Sinitische bloei niet te vergeten was tevergeefs. De pruimen bloeien natuurlijk nog steeds, vooral bij Tenjin-heiligdommen, maar doen dat weggestopt op plekken waar een mens vooral hopen moet op een goede afloop.
Het valt me zwaar om dit niet te vertalen naar het nu: een tijd waarin cultuuroorlog geen plek ziet voor kennis en voor een besef van langdurige verbinding tussen verschillende culturen.
Over de foto’s bovenaan deze blogpost — Links: een stukje Leids Rapenburg in Madurodam, Den Haag, met Academiegebouw en ingang van de Hortus Botanicus. Rechts: de ‘achterkant’ van de ingang van de Leidse Hortus Botanicus in Madurodam, Den Haag, met links het gedicht van Michizane. Foto’s uit 2008.
5 reacties op “pruimenmeester”
Prachtig, en ook hoe een boom inzet en symbool wordt van een cultuurverandering.
Een cultuuroorlog die in onze contreien waarschijnlijk onder de radar vliegt, is die met name door Chinezen vanuit de Volksrepubliek online gevoerd. De kern van dat conflict is de beschuldiging dat Korea en Japan hun cultuur zouden hebben gestolen. De ironie is dat zij vaak zelf “hun” cultuur niet kennen. Wat mijn hypothese, namelijk dat een cultuuroorlog in de kern een krampachtige compensatie van een minderwaardigheidscomplex is, enigszins substantie geeft.
Het doet me een beetje denk aan Okakura Kakuzō’s redenering van ca. 1900 dat Japan een ‘(kunst)museum’ (bijutsukan) is waar alle tradities van Azië samenkomen — ook die van landen (zoals China) die zoveel hun eigen cultuur vergeten zijn. Hij bedoelde dat positief en het was voor hem een argument om in zijn versie van het pan-Azianisme Japan een natuurlijke leidersrol te geven.
tobi-ume ni / modoranu kari wo / ogamikeri
ik bad voor de ganzen die niet terugkeerden naar de Vliegende
Pruimenboom (haiku (154) van Taigi (1709-71))
beste Ivo : weet je of dit ergens naar verwijst ? is er misschien een relatie met de ballingschap van Michizane in Dazaifu ?
Het lijkt me dat de tobi-ume (ik kom trouwens veel de variant ‘tobu (m)ume’ tegen in versies van Taigi’s hokku) inderdaad op de enige, echte tobi-ume slaat, nl. die van Michizane. De implicatie lijkt te zijn dat die ganzen óók in Dazaifu verbleven, in de buurt van de bewuste pruim (abrikoos). Ik gok dat hier een tegenstelling aan het werk is: de pruim vloog maar één keer, nl. van Kyoto naar Dazaifu, en bleef daar staan, ook na Michizane’s dood. De ganzen (die in Japan overwinteren) daarentegen vertrekken juist wel, naar het noorden (“keren [dit seizoen] niet terug”). Dit is een lente-gedicht: de pruim staat in bloei en kondigt zo het voorjaar aan, het seizoen waarin de ganzen naar het noorden trekken.
Terzijde: ‘kari wo ogamu’ geeft aan de dichter de ganzen aanbidt of vereert (analoog aan hotoke wo ogamu, “de boeddha aanbidden” of “buigen voor de boeddha”). Ik zou dus eerder kiezen voor “ik bid naar/tot”. (“Ik bid voor” suggereert voor mij dat de dichter zich over de ganzen zorgen maakt, en dat lijkt niet de bedoeling te zijn.) Misschien zelfs dat ogamu in dit geval een dankzegging aan de ganzen is voor hun winterwake bij Michizane’s pruim.
En nóg een pietluttige opmerking: de algemene aanname is dat in poëzie –keri geen hulpwerkwoord voor handelingen in ver verleden is, maar intense emotie uitdrukt. (Over die curieuze dubbelfunctie van –keri is veel geschreven door grammatici en literaire vertalers.)
Bijvoorbeeld: “naar de vliegende pruim / komen zij vast niet terug: de ganzen / tot wie ik bid”?