Categorieën
poëzie

de vorst van Frankrijk

            Het lied van de vorst van Frankrijk

De vorst van Frankrijk

Vanwaar kwam deze vorst? Van over de westelijke oceaan.

Vol essentie van de generaal-in-’t-zwerk, in zijn ogen groene glans,

begiftigde de hemel hem met strategieën, gegoten tot zijn kern.

Heel Europa verslond hij en verlegde zijn grenzen naar de oost;

en zwoer dat hij de Kunlun zou maken tot centrum van zijn rijk.

IJdele handen in zijn land smeedde hij tot legertroepen om;

soldaten zonder vrouw of kind werden woeste vechtersbazen.

Een kort lemmet aan het geweer en de langere als lans;

na geweren stormen lansen aan, samen gaan ze in de aanval op.

Overal drong iedereen naar voren, bloed kleurde de aarde zwart;

alleen restte het grote Rusland nog, dat weerstand bieden bleef.

Sluipmoordenaars stuurde men met dolken op hun borst verstopt;

de vorst, zich wel van hen bewust, liet toe dat zij hem omcirkelden.

‘Als je me neer kan steken, steek dan maar, maar sterven kan ik niet;

waarom komt jullie heerser niet eerlijk met banieren en met trommels?’

Hij zond zijn maarschalken het veld in met troepen in al hun macht;

hun rode banieren verduisterden de hemel, de zon verloor haar licht.

Met vijf veldslagen nam hij het land in—zijn overmacht schudde alles op;

de Russen waren als vissen die tranen lieten in een dodelijke kookpot.

Toen, heel onverwacht,

bedekte enorme sneeuwval al het land, wel tien voet diep of meer;

van de vorst zijn paarden vielen er achtduizend bevroren neer.

aanvoerroutes raakten doorgesneden zonder hoop op elk herstel;

een blokje paardenvlees vormde het enige dagelijks rantsoen.

De vorst verklaarde: ‘De hemel zal Frankrijk niet komen redden;

als het mijn volk helpt, waarom zou ik mij niet overgeven?’

Alleen reed hij de vijand ter overgave tegemoet, geen die hem doden durfde;

verbannen werd hij naar Amerika, [Europa’s] vorsten en volkeren waren blij.

            .

In het Ouderaarde-Tijger-jaar [1818] reisde ik naar Nagasaki

en ontmoette een barbarenarts die me er alles van vertelde.

Zelf diende hij met de troepen, verzorgde hun oorlogswonden

en at paardenvlees om niet te sterven—wat hij maar niet vergeten kan.

Hoorde je dan niet:

welke staat kan onmatigheid als van een wolf negeren?

Moedige mannen sluiten die uit en waarderen waakzaamheid.

Zag je dan niet:

ramp en fortuin zijn als draden die niet voor eeuwig zijn;

verspil soldaten, besmeur krijgshaftigheid: telkens krijg je dan een ramp.

Juist nu zagen de vijf continenten af van hun misdadigheid;

hoe kon men weten van zulke moordpartijen in die westelijke wildernis?

Ik schreef dit gedicht om die mirakels te noteren en na te laten aan mijn thuis;

nog steeds ervaar ik die moordlust die zomaar oprispt uit mijn dichterstas.

            .

仏郎王歌。仏郎王、王起何処大西洋。太白鍾精眼碧光、天付韜略鋳其腸。蚕食欧邏東拓疆、誓以崑崙為中央。国内游手收編行、兵無妻子武趪趪。縮梃為銃伸為槍、銃退鎗進互撞搪。所向無前血玄黃、独有鄂羅相頡頏。潛遣諜賊懷剣鋩、王覚故与之翱翔。能刺刺我不能亡、汝主何不旗鼓当。遣客親督陣堂堂、絨旗蔽天日無芒。五戦及国我武揚、鄂羅如魚泣釜湯。何料、大雪平地一丈強、王馬八千凍且僵。運路梗塞不可望、馬肉方寸日充糧。王曰天不右仏郎、我活吾衆降何妨。単騎降敵不敢戕、放之阿墨君臣慶。戊寅歳吾遊碕陽、遭逢蛮医聞其詳。自言在陣療金創、食馬免死今不忘。君不見、何国蔑有貪如狼、勇夫重閉貴預防。又不見、禍福如繩何可常、窮兵黷武每自殃。方今五洲休奪攘、何知殺運被西荒、作詩記異伝故郷、猶覚殺気逬奚囊。

In: Edo shijin senshū 江戸詩人選集 8, red. Iritani Sensuke 入谷仙介 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1990), p. 34-44. ‘De generaal-in-’t-zwerk’ is mijn wat omslachtige vertaling voor Taihaku 太白, de planeet Venus, die in Oost-Azië geassocieerd wordt met militaire zaken (zo wordt de godheid Taihakujin 太白神 voorgesteld als generaal, als manifestatie van Venus’ energie of essentie [sei 精]). Paul Rouzer koos voor de bewuste maar wel elegante misvertaling ‘Mars’, waarvoor veel te zeggen valt. De Kunlun (Jp. konron 崑崙) is een mythische berg in Chinese legenden, gelegen in het verre westen.

Het gedicht van Rai San’yō in Naporeon den 那波列翁伝 (1857), een bewerking van Het leven van Buonaparte (1801) door Joannes van der Linden (1756-1835). Collectie bibliotheek Waseda Universiteit.

Als etappe op een lange reis in 1818 door het eiland Kyushu bezocht de dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) Nagasaki. Hij kwam daar aan op de 23e dag van de vijfde maand [26 juni] en verliet de stad weer precies drie (Japanse) maanden later, op de 23e van de achtste maand [23 september 1818]. Waarom San’yō naar Nagasaki trok is niet helemaal duidelijk, maar de stad was waarschijnlijk onder meer aantrekkelijk voor hem omdat er geletterde Chinezen woonden. Hij zou er ook daadwerkelijk bezoeken afleggen aan en gedichten uitwisselen met onder meer de arts Yáng Xītíng (Jp. Yō Seitei) 楊西亭 en de koopman en kalligraaf Lù Pĭnsān 陸品三 (Jp. Riku Hinsan). Nagasaki was zonder meer de meest internationale stad die vroegmodern Japan te bieden had, dankzij de Chinese en Nederlandse handelsposten daar maar ook doordat Chinese Zen-monniken zich er gevestigd hadden. Daarnaast was er een permanente stroom van Japanse bezoekers van elders uit het land. In 1817 telde de stad 1.654 reizigers, op een stadsbevolking van ongeveer dertigduizend. [Iwashita 1999, p. 70.]

Omdat San’yō zich in het handelsseizoen nog in Nagasaki bevond, maakt hij de aankomst van Nederlandse handelsschepen mee die vier maanden in de baai van Nagasaki voor anker zouden blijven liggen. Ook daarover zou hij een lang gedicht schrijven.

In Nagasaki ontmoette San’yō ook tenminste één Nederlander, aan wie we indirect het hier vertaalde gedicht over Napoleon Bonaparte (1769-1821) te danken hebben.

San’yō zelf beschrijft hoe de arts op de Nederlandse handelspost Dejima in de baai van Nagasaki hem vertelde over Napoleon, die op dat moment in ballingschap op St. Helena leefde. Die arts zal Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) geweest zijn. [Ibi 2024, p. 40.] Toen San’yō in Nagasaki aankwam, was Hagen net een week terug van zijn hofreis naar Edo.

In het verslag van de hofreis van 1818, van Nagasaki naar Edo (Tokyo) en weer terug, tussen 13 februari en 19 juni ondernomen door Jan Cock Blomhoff (1779-1853), opperhoofd van de Nederlandse factorij, scriba Hendrik Gerard Engelen en chirurgijn Gerrit Leendert Hagen, wordt Hagen vermeld als ‘Chirurgijn van de 3e Classe’; mogelijk daarom komt hij in secundaire literatuur nogal eens —abusievelijk, lijkt me— voor als ‘Claas Hagen’, c.q. Kurasse Hāhen クラッセ・ハーヘン). Aantekeningen op de Reize Na-en-Van -Jedo- in Japan. Digitale Collectie Universiteitsbibliotheek Leiden (BPL 3651).

Voor ‘Claas Hagen’, zie:

  • Iwashita 1999, p. 69.
  • François Lachaud, ‘Quand le Japon découvrait Napoléon: vies et images de l’Empereur de la fin du shogunat à Meiji’, in D’un Empire, l’autre: Premières rencontres entre la France et le Japon au XIXe siècle, red. François Lachaud en Martin Nogueira Ramos (Parijs: École française d’Extrême-Orient, 2021), p. 113-168.
  • Wolfgang Michel, ‘Trading-post chiefs, medical staff, other employees and slaves at the VOC trading-posts Hirado and Dejima’, database uit 1995 (laatste update oktober 2025).
Eerste pagina uit Aantekeningen op de Reize Na-en-Van -Jedo- in Japan (1818), met in de vierde regel vermelding van Gerrit Leendert Hagen (1797-1834). Digitale Collectie Universiteitsbibliotheek Leiden (BPL 3651).
Het Nederlandse gezantschap op audiëntie bij de shōgun in Edo Edo (orandajin hairei no zu 和蘭人拝礼図), in 1818 of 1822. Expliciet genoemd wordt het opperhoofd (kapitan) Jan Cock Blomhoff (1779-1853) ) かぴたんやんこっくぶろむほふ, die beide keren het gezantschap leidde. Hopelijk is het een afbeelding van het gezantschap van 1818, toen de 21-jarige Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) Cock Blomhoff op die hofreis vergezelde, en is hij dus een van de twee andere mannen op de afbeelding. (In 1822 was hij alweer vertrokken uit Japan en was  zijn plaats ingenomen door de arts Nicolaas Tullingh.) Veel maakt het niet uit, omdat alle drie als uit een sjabloon zijn weergegeven zonder werkelijk individuele kenmerken (op een variante afbeelding, waarop je de drie Nederlanders op kousenvoeten door het shogunaal kasteel ziet lopen, hebben zij zelfs volledig identieke gezichten). Collectie Tokyo National Museum. (Zie ook: Anne Sey, Deshima. Het dagelijks leven op de Nederlandse handelspost in Japan [Zutphen: Walburg Pers, 2025], p. 105.) Op een door Matsuda Kiyoshi in 2019 in Nederland ontdekte tekening door de hollandoloog Katsuragawa Hoken 桂川甫賢 (1797-1844) zien we de drie Nederlanders tijdens de hofreis van 1822 in hun vaste herberg in Edo in ontspannen gezelschap van Japanse hollandologen, de Nagasakiya. Daarin lijken de drie nog steeds nogal op elkaar maar is er in ieder geval nog de suggestie van individuele trekken — maar interessant genoeg zijn alle drie zonder snor of sik afgebeeld; als dat portretelement dan tenminste realistisch is, zou de afbeelding hier dan toch kunnen slaan op de hofreis van 1818? Matsuda Kiyoshi 松田清, ‘Katsuragawa Hoken hitsu Nagasakiya enkai no zu ni tsuite’ 桂川甫賢筆長崎屋宴会図について, Kanda Gaikokugo Daigaku Nihon kenkyū kiyō 神田外語大学日本研究所紀要 12 (2020), p. 234-170.

San’yō meldt dat Hagen een veteraan was van Napoleons Russische veldtocht en, geloof ik dan graag, intocht in Moskou in 1812. Hoe het gesprek tussen de twee verliep weten we niet. Ik neem aan dat er een tolk Nederlands (oranda tsūji オランダ通詞) bij aanwezig was, al was het maar omdat zulke interacties tussen Nederlanders en Japanse bezoekers op Dejima op last van de autoriteiten gemonitord moesten worden.

Het is allemaal speculatie, maar een mens gaat toch fantaseren over de levensloop van deze Hollandse arts. Met Napoleontische troepen —was hij, geboren in de Bataafse Republiek, aanhanger van Frans revolutionair gedachtengoed?— meegetrokken naar Rusland en daar de rampzalige terugtocht van 1812 moeten meemaken door een landschap waar de Russen een tactiek van verschroeide aarde hadden toegepast en het in oktober al verschrikkelijk was begonnen te sneeuwen, om dan in 1817 aan de andere kant van de wereld in het verre Japan terecht komen: het leest als een zeer avontuurlijk leven. 

[4 januari 2026] Utrechtenaar Gerrit Leendert Hagen (1797-1834)  was natuurlijk behoorlijk jong toen hij in 1817 op Dejima aankwam, nl. twintig. Zijn avontuur met het Napoleontische leger beleefde hij op zijn vijftiende. (Ik krijg flitsen in mijn geestesoog van een jonge Fabrice [Fabrizio] del Dongo in Stendhals La chartreuse de Parme [vert. Theo Kars: De kartuize van Parma]: Hagens fictieve leeftijdsgenoot —namelijk ook geboren in 1797— die op zijn achttiende alle moeite doet om met Napoleons troepen de slag bij Waterloo mee te kunnen maken). Je vraagt je af wat zijn medische kwalificaties waren: hooguit basale vaardigheden als chirurgijn (op zijn twintigste was hij tenslotte nog maar ‘chirurgijn 3e klasse’)? In december 1819 verlaat Hagen Dejima weer, [Matsuda 2020, p. 198-197.] na er ruim twee jaar te hebben doorgebracht. In 1824 is hij —misschien alweer jaren— terug in Nederland en trouwt dan in Utrecht met de 17-jarige Henrica Lammertze (ook: Lammertse, aka Hendrina Lammers, 1807-1856), met wie hij vier kinderen zal krijgen vóór hij daar op zijn 37e overlijdt.

Registratie in de stamboeken en pensioenregisters van het leger in Oost-Indië van Gerrit Leendert Hagen, als chirurgijn 3e klasse aangesteld op 24 oktober 1814 (als hij 17 is), dus twee jaar na zijn Napoleontische avontuur in Rusland. Na terugkeer uit Japan wordt hij in 1820, 23 jaar oud, bevorderd tot chirurgijn 2e klasse, bij de Huzaren. Nationaal Archief, Stamboeken Bronbeek (archief 2.10.50, inventaris­nr. 1), folio 111.
Berichtgevingen van het huwelijk en het overlijden van Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) in de Opregte Haarlemsche Courant van respectievelijk 9 oktober 1824 (p. 2) en 11 november 1834 (p. 2).

Als arts (nu ja: als chirurgijn) kende Hagen —niet zo verwonderlijk— Japanse intellectuelen. Zo moet hij contact hebben gehad met Matsura Seizan 松浦静山 (1760-1841), de heer (daimyō) van het eiland Hirado, niet al te ver van Nagasaki, die naar hem verwijst in zijn Nachtelijke gesprekken (Kasshi yawa 甲子夜話, 1821). [Koga Jūjirō 古賀十二郎, Seiyō ijutsu denraishi 西洋医術伝来史 (Nisshin Sho’in, 1942), p. 365.] Sowieso is het een klein wonder dat Rai San’yō niet al eerder in Nagasaki dacht neer te strijken op zijn reis. In dat geval waren hij en Hagen elkaar mogelijk misgelopen en had San’yō nooit over Napoleon gehoord.

Een Napoleontische ruiter in besneeuwd Rusland in 1812. Het openingspanel van ‘Een paard in de winter’ (‘Un cheval en hiver’, 1970) door Jacques Tardi. In: Tardi, Het Gedrocht en de Guillotine (Amsterdam: Drukwerk, 1980), p. 3.

Pikant is natuurlijk dat de Nederlanders tot een jaar vóór de ontmoeting tussen San’yō en Hagen de Japanse overheid volledig in het duister hadden gelaten over Napoleons veroveringen in Europa. Hendrik Doeff (1777-1835), noodgedwongen langdurig ‘opperhoofd’ (directeur) van de Nederlandse handelspost op Dejima, hoorde in 1807 van de Franse bezetting van Nederland door Napoleontische troepen in 1806. Hij hield daarover zijn mond bij de jaarlijkse debriefing van de Nederlandse leiding door Japanse autoriteiten in Nagasaki voor hun informatiebulletin over de toestand in de wereld (de zogenaamde fūsetsugaki 風説書, let. ‘geruchtenrapportage’) bestemd voor de hoogste autoriteiten in Edo. Ook de Britse invasie en bezetting van Java in 1811, een direct gevolg van de inlijving van Nederland in het nieuwe Franse keizerrijk in 1810, zou Doeff nooit melden. Het uitblijven tussen 1809 en 1817 van Nederlandse schepen uit Batavia legde hij sluw uit als resultaat van Hollands ongenoegen over de handelsopstelling door Japan.

Kortom, in zijn gesprek met de Nederlandse arts in zomer 1818 leerde San’yō voor Japanners geheel nieuwe informatie over zeer recente, dramatische gebeurtenissen in Europa. Het lijkt er zelfs op dat San’yō’s gedicht de allereerst vermelding van Napoleon in een Japanse context is. [Iwashita 1990, p. 77.]

In een ongepubliceerde paper heeft Paul Rouzer erop gewezen dat San’yō mogelijk als literair model ‘de eerste keizer van China’ op het oog had: Qin Shihuang 秦始皇 (let. ‘Eerste keizer van de Qin’, 259?-210 v.Chr.), heerser van de Qin-dynastie die met grof geweld het toenmalige China voor het eerst in de geschiedenis onder één heerschappij wist te verenigen. In Europa is hij waarschijnlijk het meest bekend van het terracotta-leger dat zijn mausoleum bewaakt. De ambivalentie van San’yō’s gedicht die Napoleons hoogmoed afweegt tegen zijn moed op het slagveld doet denken aan de balanceeract van Chinese commentaren op Shihuang als enerzijds hoogmoedig (slecht, dus) en anderzijds noodzakelijk voor de vereniging van ‘China’. 

Het ’verslinden’ (zoals een zijderups de blaadjes van een moerbei opvreet; sanshoku 蚕食, regel 5) werd al in de Optekeningen van de hofhistoriograaf (Shiji 史記) geassocieerd met de machtshonger van Qin Shihuang die naburige staten opslokte. Zo verwijst regel 7 naar de door Napoleon ingevoerde nieuwe praktijk van dienstplicht, wat een echo kent in Qin’s afgedwongen corvée voor leger en publieke werken. Zoals aanslagen op Napoleon beraamd werden (althans volgens San’yō; die informatie lijkt niet historisch te zijn), zo kende het oude China verhalen over aanslagen op Qin Shi Huang.

Er zijn aanwijzingen dat zo’n tien jaar later jongemannen in Japan gefascineerd waren door San’yō’s gedicht. [Iwashita 1990, p. 77-79.] In een Japanse bewerking van een naar het Nederlands vertaalde levensschets van Napoleon, Naporeon den 那波列翁伝 (‘Een biografie van Napoleon’, 1857), is San’yō’s ‘Lied van de vorst van Frankrijk’ ter inleiding opgenomen. De arts en hollandoloog Koseki San’ei 小関三英 (1787-1839) had, vóórdat hij zelfmoord pleegde naar aanleiding van een politieke campagne gericht tegen wetenschappers en intellectuelen die zich met ‘Hollandse’ kennis bezighielden (de zgn. ‘aanklacht tegen de studenten van barbarenwetenschappen’ of bansha no goku 蛮社の獄 van 1839), Het leven van Buonaparte (1801) vertaald. Dat boek was weer een vertaling uit het Frans door de jurist Joannes van der Linden (1756-1835). 

Die biografie met daarin San’yō’s gedicht staat symbool voor een (bescheiden) interesse in de figuur van Napoleon in de laatste drie decennia van het shogunaal bewind in vroegmodern Japan (1600-1868). Zo schreef de hollandoloog Ōtsuki Bankei 大槻磐渓 (1801-1878) in 1841 twaalf ‘liederen’ (Jp. shi, Ch. ) over ‘de vorst van Frankrijk’. De vierde ervan is:

            [Een lied over de vorst van Frankrijk]

Zijn halve leven heerste zijn majesteit over heel het Westen;

in de geschiedenisboeken baadt hij voor eeuwig in zijn glorie.

Sinds zijn faam en roem hem brachten tot het keizerschap

is er niemand die hem minder acht dan de Grote Alexander.

[仏蘭王詞] 半生威武遍西洋、青史長留赫赫光。一自功名帰太帝、無人艷説歴山王。

Uno, Nihon no kanshi (2017), p. 574; Ibi, Edo kanshi sen 2 (2021), p. 320-322. Bankei 大槻磐渓 (1801-1878) was de tweede zoon van de befaamde Ōtsuki Gentaku 大槻玄沢 (1757-1827) en een leerling van Sugita Genpaku 杉田玄白 (1733-1817), ook al zo’n beroemde hollandoloog.

Waarschijnlijk is het ook die biografie geweest die aanleiding gaf tot een 32-regelig Sinitisch gedicht door hollandoloog en politiek activist Sakuma Shōzan 佐久間象山 (1811-1864), ‘Op een afbeelding van Napoleon’ (Naporeon zō ni dai-su 那波利翁ナポレオン). Dat begint zo —wel toepasselijk voor het moment—:

Welk land of tijdperk zou geen helden kennen?

Vanzelfsprekend dus dat ik Napoleon bewonder.

De laatste tijd sloot ik me op en las zijn levensschets;

opgeslokt besefte ik niet dat het jaar ten einde liep.

何国何代無英雄、平生欽慕波利翁。邇来杜門読遺伝、怱怱不知年歳窮。

In: Edo kanshisen 江戸漢詩選 4: Shishi 志士, red. Sakata Shin 坂田新 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1995), p. 127-133.

De rest is misschien iets voor een andere keer.

Ik gebruikte verder vooral:

  • Iwashita Tetsunori 岩下哲典, Edo no naporeon densetsu: seiyō eiyūden wa dō yomareta ka 江戸のナポレオン伝説:西洋英雄伝わどう読まれたか [‘Napoleon-legenden in vroegmodern Japan’] (Tokyo: Chūō Kōronsha, 1999).
  • Ibi Takashi 揖斐高, Rai San’yō: shikon to shigan 頼山陽:詩魂と史眼 [‘Rai San’yō: dichterlijke ziel en historisch oog’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2024).

De afbeelding toont (r) titelpagina en (l) frontispice van Naporeon den 那波列翁伝, deel 1 (‘Een biografie van Napoleon’, 1857), een postuum uitgegeven bewerking door de arts en hollandoloog Koseki San’ei 小関三英 (1787-1839) van Het leven van Buonaparte (1801) dat Joannes van der Linden (1756-1835) uit het Frans vertaalde. Collectie bibliotheek Waseda Universiteit.

Categorieën
poëzie

iets ingewikkelds

            Boeken lezen op een winteravond

Sneeuw omarmt het huis en bomen werpen diepe schaduwen;

de windgong hangt bewegingloos, de avond wordt stiller, stiller.

Rustig ruim ik de boekenzooi op en denk aan iets ingewikkelds;

in een blauwe vlam als een enkele rijstaar het hart van de Ouden.

冬夜読書。雪擁山堂樹影深、憺鈴不動夜沈沈。閑収乱帙思疑義、一穂青灯万古心。

In Kōyō sekiyō sonja shi (kōhen) 黄葉夕陽村舎詩 後編 (‘Gedichten uit Huize Herfstblad in de Avondzon’, derde deel, 1823). [SNKBT 66, p. 103.] Het ‘huis’ is een ‘huis in de bergen’ (sandō 山堂), wat de suggestie van een retraite versterkt; dat aspect vertaal ik nu niet. Ik zocht iets beter lopends dan ‘rondslingerende boeken’ voor ranchitsu 乱帙, maar deze oplossing is misschien weer net te vlot voor Chazan. De langgerekte blauwe vlam is die van de lamp, waarbij de boeken gelezen worden.

In de roman Een schip bouwen (Fune o amu 舟を編む, 2016) uit 2011 van Miura Shion 三浦しをん (1976) figureert dit kwatrijn van Kan Chazan 菅茶山 (var. Sazan, 1748-1827) in —geloof het of niet— een liefdesbrief. 

Sowieso wordt in die roman nogal eens verwezen naar Chazan’s Sinitische poëzie. Uiteraard door nerdy jongemannen.

Kan Chazan was een groot kenner van antiek Chinees gedachten- en cultuurgoed (een zogenaamde jugakusha 儒学者, een ‘confucianistische geleerde’, zeggen we dan meestal), Rond 1781 opende hij in zijn geboorteplaats Kannabe 神辺, het tegenwoordige Fukuyama in de prefectuur Hiroshima, een academie, waar Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) nog een tijd als door hem als hoofddocent, c.q. academiedirecteur (tokō 都講), in dienst werd genomen.

Het leukst aan dit kwatrijn uit 1811 is wat mij betreft het feitelijke onderwerp ervan: ‘iets ingewikkelds’. Het Japans (of het literair Sinitisch, zo je wil) heeft gigi (Ch. yíyì 疑義), letterlijk iets als ‘een betekenis waarover getwijfeld wordt’ — een woord dat in Mandarijn en modern Japans vaak begrepen wordt als ‘twijfel’. In de context van Chazan’s gedicht gaat het over de interpretatie van wat er in die rondslingerende boeken staat: teksten over Wijzen (zgn. seiken 聖賢) uit een ver verleden (banko 万古).

Maar je mag dit natuurlijk ook op iets algemeners betrekken: al die dingen waarvan je niet zeker weet wat je ermee moet.

De afbeelding toont Kan Chazan’s kwatrijn zoals dat figureert in de anime-serie Een schip bouwen (Fune o amu 舟を編む, 2016) naar de gelijknamige roman van Miura Shion 三浦しをん (1976) uit 2011.

Categorieën
poëzie

boeken lezen (no. 3)

            Boeken lezen (3)

Deze ochtend zijn briesje en zonlicht voortreffelijk;

aan het noorderraam ging de frisse regen voorbij.

Ik zwaai het bezoek uit en sla mijn boek open;

dan komt mijn vrouw en heeft een heel verhaal:

‘Geld is er niet, en dan al die afhankelijke familie:

acht monden te voeden — hoe doen we dat ooit alleen?

Belangrijk bezoek staat er nooit eens voor de deur;

armoe en kou — dat is alles wat we zullen kennen.

Als je nou maar eens wat minder scherp was,

bejegen de mensen eens met aardigheid of stroop.’

Mijn ziekte, kan die door iemand genezen worden?

Mijn botten zijn me door de hemel toebedeeld.

Zo niet en was ik in het ouderlijk domein gebleven,

had ik dan mijn banden daarmee doorgesneden?

Als ik nu zou toegeven aan een pietluttige kantoorbaan,

is dat dan geen verraad aan mijn heer en mijn vader?

Ga weg! Val me nou niet langer lastig!

Ik wil converseren met de Ouden in mijn boek.

読書八首(其三)。今朝風日佳、北窓過新雨。謝客開吾帙、山妻来有叙。無禄須衆眷、八口豈独処。輪鞅不門到、饑寒恐自取。願少退其鋭、応接雑媚嫵。吾病誰砭箴、吾骨天賦予。不然父母国、何必解珪組。今而勉齷齪、無乃欺君父。去矣勿聒我、方与古人語。

Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) was de zoon van een samurai-geleerde in dienst van het Hiroshima-domein. Anders dan zijn vader besloot hij zich volledig aan de literatuur en geschiedenis te wijden: op zijn negentiende verbrak hij de banden met zijn domein, werd daarmee een rōnin (een ‘golf-man’: samurai zonder heer) — nadat zijn vader hem eerst drie jaar in zijn kamer opsloot om hem die schande te besparen. Uiteindelijk vestigde San’yō zich in Kyoto, waar hij onder meer zijn Een onofficiële geschiedenis van Japan (Nihon gaishi 日本外史, 1829) voltooide. Dit is het derde gedicht uit een reeks van acht, getiteld ‘Boeken lezen’. Voor het zesde uit de reeks, zie hier.

De foto toont een zeventiende of achttiende-eeuws terracotta-beeld dat twee boeken voorstelt. Het bevindt zich in het Convento dos Capuchos (‘Kapucijnerklooster’), Sintra, Portugal. Foto genomen op 21 maart 2022.

Categorieën
poëzie

bloem slaapt

            Begonia

De trap naar de tuin is na de regen verlaten en kil;

in koele schoonheid springt uit haar stengel de begonia op.

Ik laat haar met rust: in de herfstnacht wil een bloem juist slapen;

geen mens die met fakkellicht haar rouge make-up bijschijnt.

秋海棠。庭階経雨気凄涼。冷艶茎茎発海棠。一任秋宵花睡去。無人秉燭照紅粧。

Herfst 1822. De shūkaidō 秋海棠 is de Begonia grandis of winterharde begonia of scheefblad, en kan bloeien in de periode juni-november.

Een gedicht van Ema Saikō 江馬細香 (1787-1861). Een inspiratiebron voor haar gedicht moet het gedicht ‘Sierappel’ (Ch. hăitáng, Jp. kaidō 海棠, let. ‘zeepeer’) zijn geweest van de Chinese Su Shi 蘇軾 (1037-1101). Waar de roodbloeiende sierappel een lentebloesem is, daar geldt de ook roodbloeiende begonia (Ch. qiūhăitáng 秋海棠, let. ‘herfstzeepeer’) als een herfstbloem. Su Shi eindigt zijn gedicht juist met de regels:

Alleen ben ik bang dat diep in de nacht de bloemen willen slapen,

dus ontsteek ik een hoge kandelaar en licht hun rouge make-up bij.

只恐夜深花睡去。故焼高燭照紅粧。

Saikō’s poëziementor Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) zei van dit gedicht van haar:

Een virtuoze bewerking; briljant en een meesterwerk!

翻案絶妙、卓然として傑作なり

Dat is wel heel veel lof, maar hij was dan ook verliefd op haar.

Een verjaardagscadeautje voor H.S.

De afbeelding toont een detail van Begonia (ongedateerd), door K.T. Arrassa. Waterverf op papier. Collectie Van Gogh Museum, Amsterdam.

Categorieën
poëzie

Hollandsch schip

            De ballade van het Hollands schip

Zuidwest van Nagasaki’s haven, waar hemel en water elkaar raken,

zag men plots aan de hemelrand een minuscule stip.

Wachttorens losten een signaalschot, een woeste kreet steeg op;

in vijfentwintig bolwerken kwamen de bogen uit hun foedralen.

Het gemurmel uit de straten kolkte tot een galm in elke richting:

ze zeggen dat het roodharigen zijn vanuit de Westerzee.

Onze vliegensvlugge sloepen gaan hen tegemoet, trommels klinken;

beide kanten zwaaien hun signaalvlaggen: belofte van vreedzame intenties.

Hun schip komt de haven binnen als een enorme schildpad;

in ondiep water dreigt het grote schip te stranden.

Onze regeringsboten rijgen zich aaneen als talloze paarlen;

het vaartuig sleept men de baai binnen, stemmen klinken luid.

Het barbarenschip rijst uit het water, wel honderd voet hoog;

de zeewind ruist en doet de wollen vendels klapperen.

Driewerf zeilen aan een mastboom, vastgezet met heel veel touw;

apparaten om die strak of los te trekken werken als een hefboom.

Zwartgelakte barbaarse koelies zijn behendiger dan apen,

klimmen in de mast en stellen het want met klauwende handen.

Ze laten het anker zakken en vullen het dek met hun gejoel;

telkens weer klinken hun enorme kanonnen met gebulder.

Wat barbaren willen is onduidelijk, een bron van zorgen in de raadszaal;

in onze militaire plannen zit geen duidelijke strategie.

Ach!

Waarom afzichtelijke dwergen ons met zorgen laten verblinden?

Tienduizend mijlen jagen zij op voordeel, gulzig als ze zijn.

Met één triest sprietje van ’n boot steken zij de walviszeeën over;

vergelijk hen met een drijvende mier op zoek naar ranzig vlees.

Is het niet als kippen slachten met de hakbijl voor een koe?

Is het niet als fraaie juwelen ruilen voor een simpele perzik?

荷蘭船行。碕港西南天水交。忽見空際点秋毫。望楼号砲一怒暤。二十五堡弓脱弢。街声如沸四喧嘈。説是西洋来紅毛。飛舸往迓聞鼓鼛。両揚信旗防濫叨。船入港来如巨鼇。水浅船大動欲膠。官舟連珠累幾艘。牽之而進声謷謷。蛮船出水百尺高。海風淅淅颭罽旄。三帆樹桅施万絛。設機伸縮如桔暤。漆黒蛮奴捷於猱。升桅理絛手爬搔。下碇満船斉噭咷。畳発巨礟声勢豪。蛮情難測廟謀勞。兵営猶不徹豹韜。嗚呼。小醜何煩憂目蒿。万里逐利在貪饕。可憐一葉凌鯨濤。譬如浮蟻慕羶臊。毋乃割雞費牛刀。毋乃瓊瑤換木桃。

De Vrouwe Maria, een schip van de Rotterdamse rederij A. van Hoboken & Zoon, kwam op 5 augustus 1818 aan bij Nagasaki — precies 203 jaar geleden, dus. Op 8 augustus kwam het tweede Nederlandse schip uit Batavia aan, het schip De Hoop. Het was in die jaren gebruikelijk om twee schepen vanuit Batavia naar Nagasaki te sturen, die daar dan vier maanden in de baai bleven liggen om in december weer terug te varen. Beide schepen vertrokken weer uit Nagasaki op 15 december 1818.

Volgens de database Maritiem Digitaal kwam de Vrouwe Maria aan in Nagasaki op 29 juni 1818. De Japanse schilder noteert echter bij zijn scheepsportret van de Vrouwe Maria bovenaan deze blogpost: ‘Het Hollandsch Eerste schip is Ao [anno] 1818 den 26ste Gongats [gogatsu 五月] van Batavia vertrokken en den 4den Sitigs [shichigatsu 七月] in Nangasy gekoomen.’ De vierde dag van de zevende maand van 1818 (= negende jaar van Bunsei 文政) is volgens die handige app NengoCalc een stuk later dan 29 juni, namelijk 5 augustus 1818. ‘29 juni’ is de vertrekdatum uit Batavia, volgens de Japanse bron (dat is namelijk de 26e dag van de vijfde maand). Hm. Allemaal niet heel belangrijk, maar toch verwarrend. Iemand maakt hier een vergissing en ik denk niet dat die in 1818 is gemaakt.

Het Deshima dagregister bevestigt aankomst in Nagasaki van de Vrouwe Maria op 5 augustus 1818 (met dank aan Cynthia Viallé, Universiteit Leiden). Dat spoort met de aantekening van de schilder dat de Vrouwe Maria het eerste schip is dat uit Batavia aankomt, met de door hem genoemde aankomstdatum 5 augustus, en met het bestaan van vier afbeeldingen van dit schip waarop het tweede schip niet is te zien. Eén van die afbeeldingen toont de eenzame aankomst van Vrouwe Maria in de baai van Nagasaki (zie onder). Daar staat dan tegenover dat, zoals Daan Kok, conservator bij het Museum Volkenkunde in Leiden, opmerkt, op twee van die afbeeldingen het zogenaamde onderwaterschip te zien is, wat betekent dat de Vrouwe Maria op moment van die portrettering vrij hoog op het water lag. Dat betekent weer dat de lading al uit het ruim moet zijn gehaald. De kans dat dat is gebeurd voordat het schip De Hoop aankwam op 8 augustus is dan weer niet zo heel groot, of de bemanning moet heel snel gewerkt hebben. In dat geval is het tweede schip simpelweg weggelaten op het scheepsportret.

Datzelfde jaar bracht de dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) een bezoek aan Nagasaki. San’yō kwam in Nagasaki aan op de 23e dag van de vijfde maand [26 juni 1818]. Hij verliet de stad weer precies drie (Japanse) maanden later, op de 23e van de achtste maand [23 september 1818]. Hij zal dus zonder twijfel de aankomst van zowel de Vrouwe Maria als De Hoop hebben gezien. Bij die gelegenheid schreef hij deze ‘ballade’ (Ch. xing, Jp. ). 

De Vrouwe Maria vaart de baai van Nagasaki binnen terwijl het saluutschoten afvuurt, 1818. In de verte is Dejima te zien. Aquarel toegeschreven aan Ishizaki Yūshi 石崎融思 (1768-1846). Collectie Maritiem Museum Rotterdam.

Hoewel er dus in 1818 twee Nederlandse schepen in de baai van Nagasaki lagen, is het verleidelijk te denken dat het de Vrouwe Maria moet zijn geweest die Rai San’yō zag en waarop hij zijn gedicht schreef, omdat hij één schip beschrijft en omdat we daarvan vier (!) Japanse scheepsportretten hebben. Eén daarvan, in het bezit van het British Museum en hierboven te zien, wordt toegeschreven aan Kawahara Keiga 川原慶賀 (1786-1860?), de schilder uit Nagasaki die erg veel in opdracht van Nederlanders schilderde maar ook voor de Japanse markt leverde. Nog niet zo heel lang geleden kwam het Museum Volkenkunde te Leiden in bezit van een uniek kamerscherm van Keiga’s hand waarop hij in 1836 op heel grote schaal een tafereel schilderde dat hij al vaak in het klein had gemaakt: een zicht op de baai van Nagasaki. De drie andere schilderingen zijn vermoedelijk van de hand van Ishizaki Yūshi 石崎融思 (1768-1846), in de collectie van het Maritiem Museum Rotterdam

Als gezegd verstrekt Keiga’s scheepsportret allerlei feitelijke informatie over de Vrouwe Maria: data van vertrek en aankomst, naam van kapitein, aantal bemanningsleden (29), zwaarte van de lading, maten van het schip, aantal kanonnen. Dat is allemaal vrij precies, en doet vermoeden dat zijn schilderij bedoeld was voor de Nederlandse markt. Tegelijkertijd past die tekstuele omlijsting goed in het ‘Nagasaki-genre’ van prenten (nagasaki-e), die vaak een ‘Hollandsch schip’ tonen dat wordt omlijst door Hollandse tekstjes en met vermelding van afstanden tot verschillende plekken in de wereld.

San’yō’s gedicht laat het Nederlandse schip langzaam steeds dichterbij komen: van een stip op de horizon tot een buitenproportioneel gevaarte dat al het andere uitzicht blokkeert (iets als een cruiseschip dat voor anker gaat bij de Riva degli Schiavoni in Venetië). Zijn fascinatie voor technische aspecten van het schip (de stagen, de windas) wordt in toom gehouden door de toenmalige typische Oost-Aziatische pavlovreactie westerse techniek te zien als een oppervlakkig kunstje dat niet stoelt op een verfijnde geest. Die westerse platvloersheid wordt onderstreept door de matrozen te vergelijken met joelende apen (die ‘zwartgelakte barbaarse koelies’ [shikkoku bando 漆黒蛮奴] zijn trouwens raar: de jonge slaafgemaakten waarop San’yō hier lijkt te doelen waren in de regel geen onderdeel van de bemanning) en door het confucianistische dedain voor op geld beluste handelaren. De stress van de Japanse overheid is overdreven: die Hollanders komen alleen voor het geld en vormen geen serieuze bedreiging.

De twee slotregels bevatten een spel met literaire verwijzing: de moeite die Hollanders doen is domme overkill en verkeerd gebruik van hun middelen (de hakbijl om een kip te ontleden). Die perzik is een citaat, uit het gedicht ‘Kweepeer’ (Ch. mùguā, Jp. boke 木瓜) in het oeroude Boek der oden (Shijing 詩経). Daarin wordt een perzik geruild tegen een ‘yao-juweel’ (Ch. qióngyáo, Jp. keiyō 瓊瑤): de onevenredigheid van die uitwisseling geldt juist als waardering voor vriendschap. In San’yō’s slotregel krijgt dat beeld een negatieve draai: de Hollanders denken een slaatje te slaan uit Japanse handel en begrijpen niet dat de werkelijke waarde van het contact er een van spirituele waardering zou moeten zijn.

Wat mijn vertaling niet laat zien is dat San’yō in het Chinees elke regel laat rijmen, op de klank ~ao (Jp. ō). Paul Rouzer, University of Minnesota, schreef al eens over Rai San’yō’s Nagasaki-gedichten, waaronder deze ballade; ik hoop van harte dat hij die fascinerende paper nog eens publiceert. Hij merkt op dat dat het totaaleffect van dat ene rijm een poëtisch bombast creëert, een beetje alsof een Westerse dichter elke regel zou laten rijmen op ‘boem!’.

De afbeelding bovenaan deze blogpost toont een deel van een rolschildering waarop het schip De Vrouw Maria te zien is, toegeschreven aan Kawahara Keiga 川原慶賀 (1786-1860?), 1818. Collectie British Museum.

Categorieën
poëzie

één lamp, twee boeken

            Een winteravond

De oude vader bestudeert Hollandse boeken;

zijn kind leest verzen uit de Tang en Song.

Zij delen het licht van deze ene lamp;

elk is voor zich op zoek naar een bron.

De oude leest, wil van geen ophouden weten;

zijn kind wordt moe, denkt aan kastanjes, zoete knol.

Ik schaam me diep: mijn geest haalt het niet bij die van de oude;

mijn oude vader telt tachtig jaren, maar zijn ogen staan nog helder.

冬夜。爺繙欧蘭書。児読唐宋句。分此一灯光。源流各自泝。爺読不知休。児倦思栗芋。堪愧精神不及爺。爺歳八十眼無霧。

Mijn vertaling ‘de oude vader’ benadrukt dat chichi 爺 (‘vader’) ook als jiji (‘oude man’, ‘grootvader’) gelezen kan worden. Het gaat hier om Saikō’s vader, bekend onder de naam Ransai 蘭斎 (‘Hollands studeervertrek’, 1747-1838), een domeinarts van het Ōgaki-domein (het huidige Gifu); hij had een groot netwerk in kringen van de Hollandologie (rangaku) en was zelf ook opgeleid in westerse geneeskunst.

Bijzonder aan dit ‘gereguleerde vers’ is dat Saikō voor het laatste couplet plotseling overstapt op een lengte van zeven karakters per regel, waar ze in de eerste drie juist vijf karakters per regel aanhield.

            Onwillekeurig

Een droom slechts, en al te gehaast, is een half mensenleven:

stille gedachten, zonder einde, verduisteren de geest.

De maan krimpt, de maan wast, van een volle tot een nieuwe;

bloesems vallen, bloesems ontluiken, in herfst en dan weer in de lente.

Wat ik ooit schilderde lijkt me nu door een andere hand gedaan;

eens gelezen boeken herlees ik als waren ze weer nieuw.

Voor mezelf hoop ik alleen vrij van ziekte te blijven,

nu in zijn vertrekken een ouder oud en ziek te zijn ligt.

自遣。一夢匆匆半百人。幽懐縷縷暗愴神。月虧月満望兼朔。花落花開秋又春。曾写画疑手猶別。已看書覚眼重新。此身所願唯無恙。猶有高堂老病親。

Uit 1834. De ouder in de laatste regel is Saikō’s vader Ransai, toen achtentachtig jaar oud in de traditionele telling.

Het cliché wil dat in Japan Sinitische poëzie werd geschreven door mannen. Zoals wel vaker met clichés, is dat grotendeels waar, maar niet helemaal. Met name in het vroegmoderne Japan, dat van de zgn. Edo-periode (1600-1868) waren er nogal wat vrouwelijke dichters van kanshi (al blijven hun percentages nadrukkelijk in de enkele cijfers). Een essentiële voorwaarde was dat vrouwen in hun omgeving mannen moesten hebben die hen in staat stelden om klassiek Chinees te leren. Intelligente mannen dus, die zich in de intelligentie van hun dochters konden herkennen. Ema Saikō 江馬細香 (1787-1861) had het geluk zo’n vader te treffen. Zij was een zeer getalenteerd dichter en schilderde ook. Haar vader leerde haar en haar zusje klassiek Chinees, en liet haar op gegeven moment Sinitische poëzie studeren in Kyoto bij Rai San’yō, die prompt verliefd op haar werd maar nooit met haar zou kunnen trouwen.

Een volgende keer veel meer van Saikō’s gedichten. Bij deze een begin, dat op een bepaalde manier ook een eind is.

De schildering ‘Orchidee en bamboe’ (ranchiku no zu 蘭竹図) is van de hand van Ema Saikō, in de verzameling van de Nagaragawa Gallerie, Gifu.

bergen in een kom wijn

            Op een schildering van een dronken Li Bai

In de wolken om de berg Lu valt in dennen niet te klimmen;

tussen perzikbloesems vraag je naar het rijk van onsterfelijken.

In Chang’an aan de andere kant van een kom wijn:

‘dit is een andere wereld, ver van mensen.’

題李白酔図。盧嶽雲松未可攀。桃花何処問仙寰。長安市上一杯裏。別有天地非人間。

Een kwatrijn van Rai San’yō (1780-1832). Het staat nogal stijf van intertekstualiteit, maar mag vooral gelden als een commentaar op een beroemd Chinees gedicht dat de worsteling tussen een opwindend en een contemplatief bestaan centraal stelt.

Li Bai 李白 (701-762) was een beroemde Chinese dichter, berucht om zijn drankgebruik. Een legende wil dat hij verdronk toen hij in dronkenschap de weerspiegeling van de maan op de Yangtze wilde omarmen. Dat onsterfelijken (senjin 仙人) wonen op een plek waar perziken bloeien is al zeker sinds de vierde eeuw een cliché. Chang’an was China’s hoofdstad toen Li Bai leefde. San’yō’s slotregel citeert de slotregel van Li Bai’s gedicht ‘Vraag en antwoord in de bergen’ (of ‘Dialoog in de bergen’, Ch. Shanzhong wenda, Jp. Sanchū mondō 山中問答).

Hier citeer ik de slotregel in de vertaling van Silvia Marijnissen

Portretten van een dronken Li Bai waren een genrestuk; zie bijv. deze ‘Een stomdronken Li Bai’ (ri haku taisui no zu 李白大酔図) uit 1835, door Nakamura Seikei 中村西渓 (1792-1845), in de collectie van het Tsuruga City Museum.

boeken lezen (no. 6)

            Boeken lezen (6)

De oostelijke heuvels weelderig begroeid:

de avondzon geeft hen een paarse gloed.

Op de Kamo geen rimpeling meer;

om ons heen dansen witte flonkeringen.

Onze eenden weten dat de dag voorbij is;

ze snateren elkaar toe: naar huis, jij!

Ook ik leg mijn boeken weg,

vraag mijn vrouw de sake aan te breken.

Verse riviervis: precies goed om te grillen;

bamboescheuten: we groeven ze zelf uit.

Ik ga zitten onder de oostelijke dakrand

en proost de heuvels even toe.

読書八首(其六)。東山何藹藹。夕陽発紫色。鴨水収微瀾。縈回展白玉。鳧鷖知日暮。相喚帰汝宿。吾亦収吾書。戒婦開尊醁。河鮮自可烹。竹筍自可斸。就吾東軒下。一杯聊相属。

Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) was de zoon van een samurai-geleerde in dienst van het Hiroshima-domein. Anders dan zijn vader besloot hij zich volledig aan de literatuur en geschiedenis te wijden: op zijn negentiende verbrak hij de banden met zijn domein, werd daarmee een rōnin (een ‘golf-man’: samurai zonder heer) — nadat zijn vader hem, zo wil het verhaal, eerst drie jaar in zijn kamer opsloot om hem die schande te besparen. Uiteindelijk vestigde San’yō zich in Kyoto, waar hij onder meer zijn Een onofficiële geschiedenis van Japan (Nihon gaishi, 1829) voltooide. Dit is het zesde gedicht uit een reeks van acht, getiteld ‘Boeken lezen’.

In 1822 bouwde San’yō een huis aan de westoever van de Kamo-rivier, bij Higashiyama (‘Oostelijke heuvels’), Kyoto, met uitzicht op de bergen aan de oostkant van de stad. Bamboescheuten zijn borrelhapjes.