Categorieën
poëzie

de aren van de rijst

[Eén van] vier gedichten die vorstin Iwanohime schreef toen zij verlangde naar haar vorst:

op najaarsvelden

            over de aren van de rijst

                        schuift de ochtendnevel

wanneer, ooit ergens, zal ze,

            als mijn liefde, een einde vinden?

aki no ta no / ho no he ni kirau / asakasumi / izuhe no kata ni / waga koi yamamu

  磐姫皇后思二天皇一御作歌四首
秋田之穂上尓霧相朝霞何時辺乃方二我恋将息

Man’yōshū (midden 8e eeuw) boek 2, no. 88. Vorstin Iwanohime leefde, naar we aannemen, in de vierde eeuw n. Chr. Zij was de gemalin van vorst Nintoku (traditionele —maar niet bepaald realistische— data: 290-399).

de aren van de rijst

            moeten weldra in bloei staan

witte wolken

            strekken zich laag op laag

                        in dunne slierten uit

ine no hana / saku beku narite / shirakumo wa / ikue no ue ni / suji ni tanabiku

稲の花咲くべくなりて白雲は幾重の上にすぢに棚びく

Saitō Mokichi (1882-1953).

echt plezier, dat is

als in de rijstkist die eerst leeg leek

            toch nog wat rijst zit

en je weet dat deze maand

            alles nog in orde is

tanoshimi wa / aki-komebitsu ni / kome ideki / ima hitotsuki wa / yoshi to iu toki

たのしみはあき米櫃に米いでき今一月はよしといふとき

Tachibana [no] Akemi 橘曙覧 (1812-1868) is wel een ‘dichter van chique armoe (honourable poverty)’ genoemd. Bekend is zijn reeks Plezier in je eentje (Dokuraku gin 独楽吟, 1864) van 52 waka die allemaal beginnen met de regel ‘echt plezier, dat is’ (tanoshimi wa).

Ergens in de vierde eeuw voor Christus werd in Japan rijstbouw geïntroduceerd, vanuit het Koreaanse schiereiland. [Ohnuki-Tierney, p. 30ff.] Toch zou pas tegen het einde van de negentiende eeuw het punt bereikt zijn dat de meerderheid van Japanners rijst als basisvoedsel kon beschouwen. [Tsukuba Tsuneharu, in Ohnuki-Tierney, p. 39.]

In de vroegmoderne periode lijken Japanse stedelingen wel al zo’n drie keer per dag rijst het hebben kunnen eten, maar stedelingen maakten naar schatting maar zo’n goede vijf procent van de bevolking uit (nog altijd zo’n beetje het dubbele percentage van Europa destijds).

Rijst was dus lang elitevoedsel. De boeren die de rijst verbouwden aten die gedurende vele eeuwen niet zelf. Symbolisch belangrijk was rijst wel en in vroegmodern Japan werd hij, zoals in allerlei andere culturen in Azië, een economische eenheid: het inkomen van samurai werd uitgedrukt in koku 石, de hoeveelheid rijst die een volwassen man nodig zou hebben om een jaar van te kunnen bestaan (ca. 180 liter).

Ik herlas:

  • Emiko Ohnuki-Tierney, Rice as Self: Japanese Identities through Time (Princeton: Princeton University Press, 1993).

Toch heeft op de een of andere manier rijst het dichterslexicon van klassiek Japan niet echt gehaald. In de achtste-eeuwse bloemlezing Man’yōshū 万葉集 (Een verzameling voor tienduizend generaties) staan wel een hoop waka die rijsthalmen bevatten, maar meestal als beeld voor iets anders (in associatie liefde, bijvoorbeeld), maar die leggen het af tegen andere planten. In de tiende eeuw verdwijnt rijst zo’n beetje uit het poëziebeeld. Rijst is praktisch, en dus niet dichterlijk?

Ta 田 (al dan niet in samenstellingen) kom je ook tegen, natuurlijk, maar al leerde ik als student dat woord als ‘rijstveld’ te vertalen (‘De penseelstreken zijn een schematische weergave van de sawa’), eeuwen lang hoefde het daarin verbouwde voedsel niet per se rijst te zijn — belastingen en erediensten hebben het over ‘de vijf granen’ (gokoku 五穀); rijst was er daar slechts een van. Ta was cultuurlandschap: een bewerkt stuk grond en vooral een concept in tegenstelling tot dat andere Japanse woord voor ‘veld’: no 野, een onbewerkt, ‘wild’ stuk grond.

In vroegmoderne haikai-verzen kom je de rijst al wat meer tegen. Ik heb het hier over klassieke waka (tanka).

Op 5 september jl. gebeurde er in de Boterhuispolder aan de Kaag iets bijzonders: Nederlands allereerste Polderrijstdiner. Als onderdeel van Polderlab wordt onder meer daar rijst geteeld. Belangrijk doel is het vinden van landbouwoplossingen om het veenweidelandschap in Nederland te herstellen. Concreet: nattere polders en alternatieven voor veeteelt (koeien houden niet zo van natte hoeven).

Rijst lijkt in dit klimaatsgewricht het goed te kunnen doen in de Nederlandse polder. Inmiddels is er dus al ‘polderrijst’. De productie is nog niet genoeg om al in de winkel te kunnen kopen, maar voldoende om in allerlei gerechten te verwerken die door een gezelschap van boeren, wetenschappers en kunstenaars met smaak konden worden opgegeten. Het diner werd gelardeerd met allerlei mini-lezingen en -voorstellingen. Dit alles —en een heel dagprogramma voorafgaand aan het diner— werd georganiseerd door Meta Knol en kunstenaar Wapke Feenstra.

De polderrijstdinertafel voordat de gasten aanschoven en er werd opgediend. Boterhuispolder, 5 september 2026. Foto Meta Knol.

Toen het bij de polderrijst-onigiri (gang 6) al flink begon te schemeren mocht ik een paar Japanse ‘rijstgedichten’ voorlezen. Dit zijn ze.

Ik las mijn Engelse vertalingen voor; als verstrooide professor had ik mijn Nederlandse vertalingen thuis laten liggen. Die krijgen bij deze de lezers van dit blog als primeur.

De foto toont een stuk stof met rijstarenpatroon, ontworpen door Wapke Feenstra. Foto Nicole Roepers.

vliegensvlug

                  In de ochtend van 28 november 1929 ging ik met Toki Zenmaro, Saitō Mokichi en Yoshiue Shōryō aan boord van de Komet 102 en hebben we ongeveer twee uur rondgevlogen:

natuur gaat

vliegensvlug aan het lijf voorbij

—— bergen, bergen, bergen

shizen ga zunzun karada no naka o tsūka suru —— yama, yama, yama

  昭和四年十一月二十八日午前、土岐善麿、斎藤茂吉、吉植庄亮諸君と、朝日新聞社旅客コメット型第一◯二号に搭乗、約二時間にわたって飛ぶ
自然がずんずん体のなかを通過する——山、山、山

Dat ‘vliegensvlug’ voor zunzun (dat ‘snel voortbewegend’ betekent) is om te onderstrepen dat de hele ervaring van dit gedicht een geheel nieuwe is, mogelijk gemaakt door moderne technologie.

In de reeks moderne tanka ‘Uitkijken vanuit de hemel’ (Sora yori tenbō-suru 空より展望する), opgenomen in de tanka-bundel Bronnenzone (Suigen chitai 水源地帯, 1932), beschreef Maeda Yūgure 前田夕暮 (1883-1951) zijn ervaring van een vliegtocht in 1929. Medepassagiers waren mededichters Toki Zenmaro 土岐善麿 (1885-1980), Saitō Mokichi 斎藤茂吉 (1882-1953) en Yoshiue Shōryō 吉植庄亮 (1884-1958).

Dit gedicht is het resultaat van een dichtsessie op twee kilometer hoogte. In november 1929 organiseerde het dagblad Asahi shinbun een ‘dichtcompetitie in de hemel’ (kūchū kyō’ei 空中競詠). Zodoende stapten de vier dichters in een Komet van de Duitse vliegtuigbouwer Dornier, vlogen twee uur rond en sloegen aan het dichten. 

Een Komet-passagierstoestel van de Duitse vliegtuigbouwer Dornier, en interieur. Japan, 1927. Bron: Cultural Heritage Online, en Postal Museum Japan.

Saitō Mokichi bracht zijn gedichten samen in zijn ‘Kleine zangen in een lege hemel’ (Kokū shōgin 虚空小吟). Een thema was angst voor vliegangst:

van doodsangsten heb ik zelfs geen teken van een voorgevoel

            terwijl ik door een lege hemel aan het vliegen ben

inochi osoremu yokaku no kizashi sae nashi munashiki sora o tobitsutsu zo iku

いのち恐れむ予覚のきざしさへなしむなしき空を飛びつつぞ行く

Het vogelperspectief vanuit het vliegtuig bood een nieuwe blik.

een zwarte zee laat haar schittering vrij en in dat moment zag ik eenzaamheid vanuit de lucht

kuroki umi no hikari o hanatsu toki no ma no sabishiki o mitsu ame no naka yori

くろき海の光を放つ時のまの寂しきを見つ天あめのなかより

Ook verleidde de vlucht tot experimentele poëzie. Dit gedicht van Mokichi is een routebeschrijving:

telegrafisten-waterzuiveringsvijver-vrouwenuniversiteit-gevangenis-schietbaan-militairegreppels-deijzerenbrugbijAkabane-deSumida-debaaivanShinagawa

denshintai-jōsuichi-joshidaigaku-keimusho-shagekijō-zangō-akabanenotekkyō-sumidagawa-shinagawawan

電信隊浄水池女子大学刑務所射擊場塹ざん壕ごう赤羽の鉄橋隅田川品川湾
Portret van Maeda Yūgure door Hasegawa Toshiyuki 長谷川利行 (1891-1940), 1930.

De afbeelding van de top van de Fuji boven een wolkendek is een illustratie door Onchi Kōshirō 恩地孝四郎 (1891-1955) voor Maeda Yūgure’s dichtbundel Shinshō – Fuji 新頌・富士 (‘Nieuwe hymne: Fuji’), 1946. Zo’n perspectief lijkt me typisch van na de uitvinding van het vliegtuig. Collectie British Museum.

Categorieën
poëzie

moeder ligt op sterven

dichterbij kom ik

zij kijkt me oplettend aan

            en zegt me

iets zegt ze me,

            omdat ik haar kind ben

yorisoeru / ware o mamorite / iitamau / nani ka iitamau / ware wa ko nareba

bijna dood is ze,

            mijn moeder, als ik bij haar lig —

                        en in die stilte

kikkers in verre velden

            die weerklinken in de hemel

shi ni chikaki / haha ni soine no / shinshin to / tōda no kawazu / ten ni kikoyuru

bijna dood is ze,

            mijn moeder, en vlakbij haar ogen

vertel ik haar:

            de akelei, die

                        staat in bloei

shi ni chikaki / haha ga me ni yori / odamaki no / hana sakitari to / iinikeru kana

bijna dood is ze,

            mijn moeder, en haar voorhoofd

wrijf ik almaar

            terwijl mijn tranen vloeien

                        en ik er heel erg ben

shi ni chikaki / haha ga hitai o / sasuritsutsu / namida nagarete / itarikeru kana

ach, mijn moeder

            die op sterven ligt

ach, mijn moeder

            die mij gebaard heeft, mijn moeder

                        met haar hangende borsten

waga haha yo / shinitamaiyuku / waga haha yo / ware o umashi chi / taraishi haha yo

zij leven nog wel,

            mensen die samenkomen

om mijn moeder

            te zien sterven,

                        te gaan sterven

inochi aru / hito atsumarite / waga haha no / inochi shiyuku o / mitari shiyuku o

wakend over het vuur

            wordt de nacht steeds dieper:

mijn jongere broer

            zingt over dit leven

                        een lied — droevig is het

hi o morite / sayo fukenureba / otōto wa / utsushi-mi no uta / utau kanashiku

in de bergkloof

            is de zon al helemaal

                        ondergegaan:

nu de geur van warm water

            die intenser door komt dringen

yama kai ni / hi wa toppuri to / kuretareba / ima wa yu no ka no / fukakarishi kamo

Saitō Mokichi 斎藤茂吉 (1882-1953) was een psychiater en tanka-dichter met meer dan 14.000 gedichten op zijn naam. Hij vervulde voor de Tweede Wereldoorlog een centrale rol bij de publicatie van het tanka-tijdschrift Araragi (‘Slangenlook’, dat tot december 1997 bleef bestaan), dat was opgericht door zijn tanka-leraar Itō Sachio (1864-1913), die weer een leerling was van Masaoka Shiki. Als er al een te duiden ‘erfenis’ van Shiki bestaat, dan mag Mokichi gelden als de voornaamste erfgenaam ervan. Deze gedichten komen uit een lange reeks tanka getiteld ‘Moeder ligt op sterven’ (Shinitamau haha) in Mokichi’s debuutbundel Rood licht (Shakkō, 1913), voorgepubliceerd in Araragi.

Deze reeks kwam ik onvoorbereid tegen toen mijn eigen moeder op sterven lag; het tweede gedicht las ik voor op haar afscheid.