Categorieën
poëzie

ik ga niet dood

            1 augustus, op een pleziertocht in Arashiyamaonderweg naar het Grote Droefenis Paviljoen:

zachtjes kabbelend

            stroomt het water terwijl

                        aan de heuvelvoet

ik op gevallen bamboeblad

            stap en ik koelte ervaar

sayasaya ni / mizu yuku nabe ni / yamasaka no / take no ochiba o / fumeba suzushi mo

  八月一日、嵐山に遊ぶ、大悲閣途上
さやさやに水行くなべに山坂の竹の落葉を踏めば涼しも

1903. Het Grote Droefenis Paviljoen (Daihi-kaku 大悲閣) is een ontvangstgebouw op het terrein van de Senkō-ji 千光寺 in de heuvels van Arashiyama, noordwesten van Kyoto, met fraai uitzicht over de Ōi-rivier. Nagatsuka, die onder invloed van zijn leermeester Masaoka Shiki de achtste-eeuwse bloemlezing Man’yōshū bestudeerde, gebruikt nogal eens het archaïsche voegwoord nabe ni (de stemhebbende variant van nae [ni], ‘samen met’, ‘tegelijkertijd’, ‘terwijl’).

            Ik zwaai mijn jongere broer uit die opgeroepen is voor het front:

in onze tuin

            is de opgekweekte es

                        een jonge es

keert es terug of keert es niet meer

            daarop zal ik blijven wachten

waga niwa no / ueki no kaede / wakakaede / kaeri-kaerazu / machitsutsu oramu

  小弟の出征を送る
わが庭の植木のかへでわかかへで帰りかへらず待ちつつ居らむ

1905. In dat jaar was Japan verwikkeld in de Russisch-Japanse oorlog, die Japan zou winnen. Nagatsuka speelt nadrukkelijk met een herhaling van de klank kae– (zowel in kaede, esdoorn’, als in kaeru, ‘[naar huis] terugkeren’). De esdoorn is overduidelijk een beeld voor zijn jongere broer (shōtei 小弟). Een oplettende lezer berispte me, en terecht: es en esdoorn zijn twee heel verschillende bomen. Ik gebruik hier ‘es’ als verkorte vorm van esdoorn (én hoop dat de lezer bereid is het ook als verwijzing naar de jongere broer te zien), maar dat kan dus helemaal niet. Probleempje: krijg ik veel meer lettergrepen dan ik eigenlijk wil wanneer ik 4x ‘esdoorn’ vertaal. Verder wordt deze oplossing ook steeds krampachtiger. Ik ben er nog niet uit.

            Mengelzang:

bamboegrasblad

            groeit welig en daarbij

bloeit de steranijs

            in de eenzame tuin

                        waar de struikzanger klinkt

shino no ha no / shigereru nabe ni /shikimi saki / sabishiki niwa no / uguisu no koe

  雑詠
しののしげれるなべにしきみ咲きさびしき庭の鶯の声

1905. Al heel lang zingt de uguisu graag in de tuin.

elke ochtend

veegde ik deze tuin aan

            die nu vol ligt

                        met gevallen pruimenblad

                                    waarop de herfstregen valt

asa sarazu / tachihaku niwa ni / chirishikeru / ume no ochiba ni / aki no ame furu

あさゝらず立ち掃く庭に散りしける梅の落葉に秋の雨ふる

Weer zo’n achtste-eeuws woord: asa sarazu 朝去らず (‘elke ochtend’).

in onze tuin

            de pruimenbladeren waarop

                        de regen valt

                                    op een kille avond

                                                hoor je een krekel roepen

waga niwa no / ume no ochiba ni / furu ame no / samuki yūbe ni / kōrogi no naku

我が庭の梅の落葉に降る雨の寒き夕にこほろぎのなく

            De 10e, aan het strand van Hamada:

precies hier

in heuvels van groen gras

            verborgen ligt

de avondzon die schijnt

            in de witte zeilen op zee

koko ni shite / aogusa no oka ni / kakuroishi / yūhi wa tereri / oki no shiraho ni

  十日、浜田の浜
ここにして青草の丘に隠ろひし夕日は照れり沖の白帆に

1906. Nagatsuka schrijft oka (‘heuvel’) met oud kanji-gebruik als 岡.

            De avond van de vijftiende april in 1913 was er geen spoor van regen aan de hemel; een trein tufte vrolijk langs de Hōki-kust:

achter me

            pronkt helder wit de Hōki-top

                        en als het optrekt

dan is dobberend in zee

            de provincie Oki te zien

sogai ni wa / hōkine shiroku / haretareba / harara ni ukeru / oki ni kuni miyu

  大正二年四月十五日夕、空には朝来の雨なごりもなく、汽車はこころよく伯耆の海岸に添うて走る
そがひにははう白く晴れたればはららにける隠岐の国見ゆ

1914. De ‘top van de Hōki’ (hōkine 伯耆嶺) zal de Daisen 大山 zijn, een inactieve vulkaan die wel ‘de Fuji van provincie Hōki’ (hōki no fuji 伯耆富士) genoemd werd. ‘Hōki’ is de oude naam voor wat nu de prefecture Shimane is, aan de Japanse Zee; van daaruit kun je met de veerboot naar de Oki-eilanden varen. Die oude plaatsnamen en bestuurlijke termen (kuni 国, ‘provincie’) en een achtste-eeuws woord als harara (‘verspreid’: Oki is een groep eilandjes) geven deze tanka een nadrukkelijk archaïsch smaakje, ondanks die ‘(stoom)trein’ (kisha 汽車). Dit is het laatste gedicht in de bloemlezing van Nagatsuka’s tanka waaruit ik deze gedichten las: Koizumi Chikashi 古泉千樫 [1886-1927], red., Nagatsuka Takashi senshū 長塚節選集 (Tokyo: Arusu, 1926).

 de nacht wordt dieper

            en stiekem door de klamboe

                        schijnt de maan

waarvan slapende mensen

            allemaal geen weet hebben

sayo fukete / hisoka ni kaya ni / sasu tsuki o / nemureru hito wa / mina shirazaramu

小夜更けてひそかに蚊帳にさす月を眠れる人はみな知らざらむ

De dichter zelf ligt wakker.

            In de nacht van 22 mei hield mijn ondraaglijke kwelling maar nauwelijks op:

de nacht wordt dieper

            en niets is meer goed te zien

                        kronkelend van pijn

zal ik morgen uitgeput

            wel weer kunnen slapen

sayo fukete / a’iro mo wakazu / modayureba / asu wa tsukarete / mata nemururamu

  五月廿二日夜、心に苦悩やみがたきこと起りて
小夜ふけてあいろもわかず悶ゆればは疲れてまた眠るらむ

1914. ‘Niets’ vertaalt hier ‘de contouren [van dingen]’ (a’iro, verkorte vorm van aya-iro 文色).

            Als het warmer wordt dan vermager ik meestal, maar dit jaar valt er in mijn borst juist geen rib te zien; in de wind bollen de mouwen van mijn dunne kleren op en denk ik niet aan het verval van mijn lichaam — en al kun je zulke momenten niet de hele tijd hebben, in mijn eentje lig ik niet ongelukkig te wezen:

dunne kleren aan:

het maakt dat mijn borst zich vult

            met opgewektheid

deze zomer is zonder meer

            duidelijk: ik ga niet dood

hitoe kite / kokoro hogaraka ni / narinikeri / natsu wa kanarazu / ware shinazaramu

  暑きころになればいつとても痩せ行くが常ながら、ことしは増して胸のあたり骨あらはなれど、単衣の袂かぜにふくらみてけふは身の衰へをおぼえず、かゝることいくばくもえつゞくべきにあらざれど猶独り心に快からずしもあらず
ひときてこころほがらかになりにけり夏は必ずなざらむ

1914. Een jaar voor zijn dood geschreven.

Rechts: een standbeeld van Nagatsuka Takashi in traditioneel reiskostuum, mét leesvoer voor onderweg, voor het Toyoda-kasteel in Jōsō, prefectuur Ibaraki. Links: het eerste gedicht ‘de nacht wordt dieper’ in Nagatsuka’s eigen handschrift. Ik ben erg geneigd om Nagatsuka’s kalligrafie te zien als een bewuste daad van onleesbaarheid. Wel meer literair onderlegde personen kozen er in moderniserend Japan voor om voor persoonlijke communicatie een handschrift te ontwikkelen dat nadrukkelijk afstand nam van de technologische uniformiteit van schrift die het gevolg was van de losse-typen-drukpers en de typemachine. Bijna onleesbaar schrijven werd zo een uitdrukking van individualiteit temidden van de ‘transparante’ maar onpersoonlijke mechanisering van tekstbeeld. Lees: Hoyt J. Long, ‘(Il)legibility and Handwriting in Meiji Letters: A Media History’, Positions: East Asia cultures critique 25: 2 (2017), p. 255-292.

Nagatsuka Takashi 長塚節 (1879-1915) was de oudste zoon van een welgestelde familie van landeigenaren zo’n zestig kilometer ten noorden van Tokyo, in de prefectuur Ibaraki. Hij is vooral bekend vanwege zijn roman Tsuchi (‘De aarde’, 1912), die op aanbeveling van Natsume Sōseki als feuilleton verschenen het dagblad Asahi shinbun en in 1939 verfilmd werd door Uchida Tomu. Gebaseerd op zijn jeugd op het platteland geeft die ruimschoots aandacht aan de moeilijke leefomstandigheden van boeren.

Op zijn eenentwintigste werd Nagatsuka een leerling van Masaoka Shiki tijdens de laatste twee jaar van diens leven en droeg bij aan het eerste nummer van het tanka-tijdschrift Araragi アララギ (‘Slangenlook’). Altijd al ziekelijk, overleed hij op vijfendertigjarige leeftijd aan tuberculose.

De foto van gevallen bamboeblad is genomen op Hemelvaartsdag 2024.

Categorieën
poëzie

in het badhuis

in het badhuis

een reus van een vent die een flesje

            limonade opentrekt

sentō no / rokushaku-otoko / ramune nuku

銭湯の六尺男ラムネ抜く

Een rokushaku-otoko is letterlijk ‘een man van zes voet’; in Japan is dat nog steeds behoorlijk lang. Ramune-limonade wordt verkocht in kogelflesjes waarvan de dop even ingedrukt moet worden om de glazen kogel naar beneden te duwen om wat koolzuurgas te laten ontsnappen. Dat ‘[limonade] opentrekken’ ([ramune] nuku, let. ‘iets ergens uittrekken’ of ‘iets ergens vanaf trekken’) is in het Japans in deze context een beetje verrassende uitdrukking, maar de dichter doelt ongetwijfeld op het laten ontsnappen van het koolzuurgas (met nuku kun je dat wel aangeven) en/of de dop eraf trekken en het gevoel dat je de limonade uit het flesje bevrijdt.

Deze haiku werd in 2012 ingezonden voor de 51e nationale haikuwedstrijd (zenkoku haiku taikai 全国俳句大会) door Sakamoto Takanori 坂元孝徳, van wie ik verder niks weet.

Gisteren had dat over mij kunnen gaan: na het weken in het warme bad wat nazweten in de kleedkamer met een koel flesje; zo hoort dat. Vandaag gaan de prijzen van de badhuizen in Tokyo omhoog. Nu kost de toegang voortaan 520 yen (€3,30, met de huidige koers). Dat is bijna het dubbele van het bedrag dat ik betaalde toen ik als student naar het badhuis begon te gaan. Het is inflatie die je met je eigen leeftijd confronteert, kennis die je niet meer op een zinvolle manier kan delen.

Zo herinner me nog steeds uit mijn jeugd de opmerking van iemand op leeftijd die over de eigen kindertijd zei: ‘een brood kostte toen nog 12 cent’ — dat ging voor mij als kind echt over tijden die niks met het heden te maken hadden.

De publieke badhuizen (sentō 銭湯) hebben het al heel lang moeilijk, omdat de meeste mensen allang thuis een douche of iets van een bad hebben en de publieke badhuizen van oorsprong geen luxe maar een bittere noodzaak waren. Blijkbaar is niet iedereen gevoelig voor de aantrekkingskracht van een gemeenschappelijk bad en in de kleedkamer gezamenlijk nadrogen en een Ramune of flesje melk drinken en jezelf maar weer eens wegen. Het aantal badhuizen in het land neemt al decennia in schrikbarend tempo af: 2.641 badhuizen in de metropool Tokyo in 1965, nog 2.043 toen ik voor het eerst in Tokyo studeerde, tegen slechts 706 in 2021. En de toegangsprijs moet telkens wat omhoog om het allemaal nog enigszins kostendekkend te houden. Heel treurig.

Maar er gloort wat hoop. Het badhuis dat ik gisteren bezocht trok naast bejaarden nog een hoop jong volk (nu is het ook wel een van de bekendere badhuizen, heb ik begrepen). Dat zou op een trend wijzen, is me verteld; het badhuis schijnt weer een klein beetje hip te worden.

[3 juni 2023:] Later op de avond bezocht ik dit badhuis opnieuw. Weer was het druk, maar dit keer was ik met afstand de oudste bader. Navraag bij de twee twintigers achter de balie leerde me dat het grote bezoekerssucces recent is: afgelopen september heeft men flink verbouwd en de boel opgefrist; sindsdien is het er druk. ‘Daarvoor was het een gewone sentō’; met andere woorden: een matig bezocht badhuis.

Misschien aangespoord door het succes van de haikuwedstrijden als die voor groene thee van Itō-en organiseert het Genootschap voor de Japanse Badhuizencultuur (Nihon Sentō Bunka Kyōkai 日本銭湯文化協会) dit jaar voor de derde keer een badhuis-haikuwedstrijd (sentō haiku kontesuto 銭湯俳句コンテスト).

Haiku over badhuizen bestaan al langer, uiteraard.

Suzuki Eiko 鈴木栄子 (1929):

zomerfestival —

al ’s middags in het badhuis

            de klank van wasbakjes

natsumatsuri / hiru no sentō / oke hibikase

夏祭昼の銭湯桶ひびかせ

Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916):

in het badhuis

            kibbelen de bezoekers

in klamme hitte

sentō ni / kyaku no isakau / atsusa kana

銭湯に客のいさかふ暑かな

Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902):

in het badhuis

gaan over Ueno’s bloesems

            de verhalen rond

sentō de / ueno no hana no / uwasa kana

銭湯で上野の花の噂かな

Hou er rekening mee dat de bezoekers van het badhuis het hebben over bloesems die ze ooit zagen of juist nog willen gaan zien, aangespoord door de muurschildering van een landschap die bijna elk badhuis heeft en die je vanuit het bad bekijken kan. Daarom vertaal ik ‘verhalen’ en niet ‘geruchten’ (uwasa 噂).

Een illustratie uit Shikitei Sanba’s 式亭三馬 (1776-1822) Het badhuis van de vlietende wereld (Ukiyoburo 浮世風呂, deel 1, 1809). Collectie Waseda University Library. Al in 1977 schreef iemand terecht dat Sanba’s satire beschouwd kan worden als ‘de sitcom van zijn tijd’.

De combinatie badhuis en haiku is niet zo verrassend, zeker in het licht van de sentō als een sociale ‘hub’ waar Jan en Alleman in zijn nakie staat en waar dus ruimschoots gelegenheid voor sociale satire bestaat. Dat ging niet altijd even subtiel overigens: ik denk aan de opening van het op zich echt komische Het badhuis van de vlietende wereld (Ukiyoburo 浮世風呂, 1809-1813) van Shikitei Sanba 式亭三馬 (1776-1822); dat begint met iemand met een spraakgebrek die in een hondendrol stapt.

De foto toont de ingang van de Goshikiyu 五色湯, een badhuis in Mejiro, Tokyo, 30 juni 2023.

Categorieën
poëzie

ergens in de verte

onder de verre

            hemel van Amerika

                        is het begonnen:

dit prachtige spel baseball

            dat ik nooit te vaak kan zien

hisakata no / amerikabito no / hajimenishi / bēsubōru wa / miredo akanu kamo

久方のアメリカ人のはじめにしベースボールは見れど飽かぬかも

Maart is in Japan ook de maand voor het nationale honkbaltoernooi voor middelbare scholen. De ‘senbatsuセンバツ (選抜, de afkorting voor senbatsu kōtō gakkō yakyū taikai 選抜高等学校野球大会) wordt georganiseerd door de Japan High School Baseball Federation en de krant Mainichi Shinbun, nu al 95 jaar lang. Honkbal is nog steeds schoolsport nummer één; dit nationale toernooi houdt de gemoederen in de lente dan ook altijd bezig  

Links: Masaoka Shiki’s manuscript van zijn reeks honkbal-tanka. De eerste van rechts is de hierboven vertaalde tanka. Rechts:  een jonge Shiki in honkbaluniform, maart 1890. Collectie The Shiki Museum, Matsuyama. Bron: Masaoka Shiki no sekai 正岡子規の世界 [‘De wereld van Masaoka Shiki’] |(Matsuyama: Shiki Kinen Hakubutsukan, 1994), p. 40.

De dichter Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902) was een groot fan van honkbal, een sport waarmee Japan pas kort tevoren bekend was geraakt. Hij was zelfs zo bezeten van de sport dat hij zijn eigenlijke naam, Noboru , ging schrijven met het vertaalwoord voor honkbal: yakyū 野球 (let. ‘veldbal’), dat hij met een alternatieve lezing uitsprak als ‘Nobōru’ (野ボール, ‘veld-ball’).

In deze tanka, de eerste uit een reeks van negen over honkbal geschreven in 1898, speelt hij met verbindingen tussen de moderne wereld en uitdrukkingen uit de achtste-eeuwse Man’yōshu: hisakata no ame (‘onder de verre hemel’), dat hij speels verbindt met amerika, en de clichéregel miredo akanu kamo (‘dat ik nooit te vaak kan zien’).

Daarom laat ik het leenwoord ‘baseball’ hier staan en gebruik niet het Nederlandse ‘honkbal’.

Behalve essays over deze sport schreef Shiki ook haiku over honkbal, zoals deze op zijn 31e. Hij was toen al zwaar ziek en gekluisterd aan zijn ziekbed, en wist dat hij aan zijn tuberculose zou overlijden. Een haiku waarin herinneringen aan een onbezorgdere jeugd doorklinken en een kloof gaapt tussen de zieke dichter en mensen die in vrolijke gezondheid honkbal spelen:

welig zomergras:

mensen spelen honkbal

            ergens in de verte

natsukusa ya / bēsubōru no / hito tōshi

夏草やベースボールの人遠し

De foto toont het Masoka Shiki honkbalveld in Ueno Park, Tokyo, 30 maart 2023.

uitzwaaien

            Natsume Sōseki uitzwaaien bij zijn vertrek naar Iyo

Ga nu maar, die drieduizend mijlen ver;

als ik je uitzwaai steekt de avondkilte op.

In de hemel zweeft de grote berg;

op zee zwellen hoge golven aan.

In de rimboe zijn vrienden schaars;

snotapen hou je moeilijk bij de les.

In de aprilmaand zien wij elkaar weer:

wees op tijd, zodat er nog bloesems resten.

送夏目漱石之伊予。去矣三千里。送君生暮寒。空中懸大岳。海末起長瀾。僻地交遊少。狡児教化難。清明期再会。莫後晩花残。

In januari 1896 zwaaide Masaoka Shiki op het station Shinbashi te Tokyo zijn vriend Natsume Sōseki uit, die na een bezoek terugging naar zijn baan als leraar Engels in Matsuyama, op het eiland Shikoku (in de titel van het gedicht aangegeven met de oude plaatsnaam ‘Iyo’). Shiki was overigens zelf in deze plaats opgegroeid. De ‘grote berg’ verwijst naar de Fuji, die Sōseki onderweg vanuit de trein zou zien.

[10 mei 2022] Sōseki was in de laatste weken van 1895 naar Tokyo teruggekeerd om de familie van de jonge vrouw te ontmoeten waarmee hij een paar maanden later zou trouwen.

De illustratie uit 1901 door Yamamoto Shōkoku 山本松谷 (var. Shōun 昇雲; 1870-1965) is getiteld ‘Station Shinbashi’ (shinbashi teishajō no zu 新橋停車場之図), en komt uit het tijdschrift Fūzoku gahō 風俗画報 (‘Geïllustreerde zeden en gewoonten’). Het is een scène met internationaal karakter: rechts is een Europese of Amerikaanse moeder met haar twee kinderen te zien, geheel rechts twee Chinezen, herkenbaar aan de staart die de Mantsjoe-overheid van de Qing-dynastie ook voor etnische Chinezen verplichtte (tien jaar later konden zij die afknippen).

kauwen op kaki

kauw op een kaki

            en daar klinkt een tempelklok —

de Hōryū-tempel

kaki kueba / kane ga narunari / hōryūji

Masaoka Shiki noteerde bij zijn gedicht: ‘Pauzerend in een theehuis bij de Hōryūji’, maar in deze aantekening is hij aan het jokken. Hij schreef de haiku een dag eerder, bij een bezoek aan de Tōdaiji in Nara, maar vond die tempelnaam slecht werken. 

Mogelijk is dit gedicht uit 1895 de meest gelezen moderne haiku in de Japanse geschiedenis. Shiki dateerde zijn gedicht op 26 oktober. Daarom geldt 26 oktober in Japan tegenwoordig als ‘kaki-dag’.

De kaki (Diospyros kaki) wordt in het Engels wel vertaald met ‘persimmon’ (of, botanisch iets preciezer, ‘Japanese persimmon’ of ‘kaki persimmon’), waarvan Van Dale weer wil dat ik er ‘dadelpruim’ van maak. Nog niet zo lang geleden kwam je dezelfde vrucht in Nederland tegen onder de van oorsprong Israëlische handelsnaam ‘Sharonfruit’. Gelukkig neemt de globalisering zo’n vaart, dat de kaki tegenwoordig als ‘kaki’ in de Nederlandse supermarkt ligt. Dat scheelt dan weer.

Vertaalzorgen: wat te doen met klank? Meestal doe ik vrij weinig met klankspel in mijn vertalingen. Maar toch: soms lijkt een gedicht wel erg met klank te spelen. Iedereen die ooit Japans leerde zal bij deze haiku vermoedelijk een associatie hebben met de dominante ordening van het lettergrepenalfabet (kana), die trouwens teruggaat tot de tiende eeuw. De reeks ka-ki-ku-ke-ko is een van de eerste rijtjes die een kind (of een student buiten Japan) leert wanneer het zich een eerste schriftbeheersing eigen moet maken. De eerste drie lettergrepen van de haiku komen daarmee overeen; de k-klank is sowieso dominant in de eerste zes lettergrepen ervan. Dan zijn er ook nog eens twee soorten van de kaki-vrucht: een harde, zoete (amagaki) en een zachtere, wat bittere (shibugaki) variant. Ik koos voor de harde; de zachte vrucht zou ik eerder vertalen met ‘wanneer ik in een kaki hap / hoor ik een tempelklok’. Maar dan verlies ik te veel van die harde medeklinkers die een onuitgesproken echo kennen in het knagende geluid van een hap in een harde kaki. Dat staat in contrast met de nadreunende bas van de tempelklok; ik hoop op een effect als ‘knaag > boe-oemm’.

Interessant genoeg lijken niet alle Japanse lezers van tanka en haiku erg geïnteresseerd te zijn in klankeffecten. (Zie bijv. Donald Keene, The Winter Sun Shines In: A Life of Masaoka Shiki, New York: Columbia University Press, 2013, p. 203, noot 4.)

Wat ik in deze vertaling niet expliciet maak is de standaarduitleg dat Shiki hier een alledaagse, bijna onbewuste handeling (vergelijk het met een hap uit een appel) contrasteert met de galm van de tempelklok die associaties op gang brengt met de tijdelijkheid van het bestaan, uitgespeld in de naam van de tempel: Hōryū-ji 法隆寺, ‘Tempel van de Bloeiende Dharma’. Wil je dat effect benadrukken, dan krijg je iets als (analoog aan ‘de Notre Dame’, want niemand noemt die kerk bij haar officiële naam ‘Cathédrale Notre-Dame de Paris’):

kauw op een kaki

            en daar klinkt een tempelklok —

de Dharma-bloei

Shiki hield erg van kaki. Daarvan was hij zich bewust:

een kaki-kauwer

            die van haiku hield, was-ie:

zeg ze dat dan maar

kaki kui no / haiku konomishi to / tsutaubeshi

Maar kaki en poëzie gingen voor hem dan ook goed samen:

drieduizend

            haiku te redigeren

en twee kaki

sanzen no / haiku o kemishi / kaki futatsu

De foto toont, naast een plat mandje (zaru) met vier kaki, de haiku in kwestie in Shiki’s eigen handschrift. Het tekstfragment komt uit Shiki’s eigen manuscript voor Gevallen bomen op een koude berg (Kanzan rakuboku 寒山落木), waarin hij 12.700 haiku die hij schreef in de periode 1885-1896 thematisch rangschikte op onderwerp. Manuscript in de collectie National Diet Library, Tokyo. 

genoeg van boeken

hortensia’s!

op een ingezakte muur

            slaat de regen neer

ajisai ya / kabe ni kuzure o / shibuku ame

in een vergeten

            bloempot bloeien bloemen

op een lentedag

wasure orishi / hachi ni hana saku / harubi kana

een spin doodslaan

            en daarna die eenzaamheid —

de kilte van de nacht

kumo korosu / ato no sabishiki / yosamu kana

genoeg van boeken,

ik stap naar buiten het veld in

            een veld vol nevel

sho ni unde / no ni dereba no no / kasumi kana

lentenacht!

wat zou een man zonder vrouw

            moeten lezen?

haru no yo ya / tsuma naki otoko / nani o yomu

een mand vol kruiden

            neergezet, geen mens te zien

bergen in de lente

kusakago o / oite hito nashi / haru no yama

in deze wijk

            geen woudzanger te horen

geluid van een trein

sono hen ni / uguisu orazu / kisha no oto

een lentebries!

ik zou zo graag een bal gooien

            over dit grasveld

harukaze ya / mari no nagetaki /kusa no hara

aan de boeddha

            valt nog van alles te vragen

winterretraite

shaka ni toute / mitaki koto ari / fuyugomori

Dat laatste woord stal ik van Henri Kerlen, uit zijn vertaling van deze haiku in Shiki, Geur van chrysanten. Haiku (Soest: Kairos, 1998, p. 31):

Nog zoveel vragen

zou ik Boeddha willen stellen —

winter-retraite.

de sponskomkommer bloeit

stikkend in zijn eigen slijm

            ligt de boeddha

hechima saite / tan no tsumarishi / hotoke kana

De laatste vier jaar van zijn leven zou Shiki vanwege zijn tuberculose goeddeels op bed doorbrengen, enigszins geholpen door morfine. Dit is een van de laatste drie haiku die Shiki’s schreef, op zijn doodsbed, in de laatste twaalf uur van zijn leven. In een afscheid met een gedicht volgde hij de haikai-meesters Matsuo Bashō (1644-1694) en Yosa Buson (1716-1785). ‘Boeddha’ (hotoke) is ook een manier om over een overledene te spreken; je kunt het laatste deel van de haiku dus ook vertalen als: ‘ligt hij al dood. 

De hechima 糸瓜 wordt wel vertaald met ‘kalebas’ (al is hij dat niet) en dat bekt zeker beter dan ‘sponskomkommer’, maar een andere keer wil ik op dit gedicht terugkomen en dan is het zaak dat we die sponskomkommer voor ogen hebben.

Als poëzie-activist van het zuiverste water heeft Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902) de moderne Japanse poëzie blijvend veranderd. Shiki schreef ook tanka, Sinitische gedichten en vrij vers, maar het bekendst is hij als haiku-dichter. Hij geldt ook als de uitvinder van die term, ‘haiku’. Dat is niet helemaal waar, maar waar genoeg om hier nog maar eens te herhalen. Feit is dat hij de oude haikai definitief bevrijdde tot een zelfstandige dichtvorm, én daarvan nadrukkelijk ‘Literatuur’ heeft willen maken. Hij stond aan de wieg van het haiku-tijdschrift Hototogisu (‘Koekoek’, een spel met zijn schrijversnaam Shiki, wat ook ‘Koekoek’ betekent en in feite een Sino-Japanse lezing van dezelfde vogelnaam is; Shiki had deze naam aangenomen als zijn enige gebaar van erkenning van zijn tuberculose: de mythe wil dat de koekoek bloed ophoest wanneer die zingt). Met name via dit tijdschrift werd het ideaal uitgedragen van shasei 写生, ‘schetsen naar het leven’, waarmee Shiki een dichterlijke variant van de moderne realistische schilderkunst voorstond.

Een recent boek dat heel goed laat zien hoe Shiki opereerde als poëzievernieuwer midden in het rumoer van de moderne literatuur is Robert Tuck, Idly Scribbling Rhymers: Poetry, Print, and Community in Nineteenth-Century Japan (New York: Columbia University Press, 2018); zie ook mijn recensie.

De afbeelding is een zelfportret van Shiki uit 1900, nu in de collectie van de National Diet Library, Tokyo; zie de Japanse Wikiwand-pagina.

houtrot in moderniserend Japan

            De Shinobazu-vijver

Het meertje strekt zich uit achter een bordeel:

dit ‘prachtig uitzicht’ schraagt zich tegen heuvels.

Een troep hongerige eenden vecht er om wat waterplanten;

resten van verwelkte lotussen zinken daar in het ijs.

De schrijn voor Benzaiten wordt almaar ouder;

het paardenrenbaanhek valt van houtrot uit elkaar.

Voorbij het water doen snaarmuziek en lied ontroeren;

de avondzon klimt al omhoog en laat haar stralen vallen.

不忍池。小湖開郭裏。勝概寄邱陵。飢鴨群争藻。枯荷折入氷。弁財祠漸古。調馬埒将崩。隔水絃歌動。夕陽既上燈。

Een gedicht uit 1896. De uitgestrekte Shinobazu-vijver in Ueno, noordoost-Tokyo, is al eeuwen een bekende plek. Midden in de vijver staat nog steeds een tempeltje gewijd aan de godin Benzaiten, één van de zeven geluksgoden (shichifukujin). Ook de lotussen zijn er nog altijd. Al gold in de vroegmoderne periode de vijver als een ‘prachtig vergezicht’ (shōgai 勝概), hier is het moeilijk Shiki’s gebruik van die wat versleten term niet als ironisch te lezen. In de Meiji-periode was er in Nezu, aan de noordkant van de vijver, een bordeel. Tussen 1884 en 1892 werden er over een renbaan van 1600 meter rondom de vijver paardenraces gehouden. Het gedicht leest als een wat wrange blik op de verworvenheden van een moderniserend Japan.

In 1889 hoestte Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902) voor het eerst bloed op, een teken van wat een destijds niet te behandelen tuberculose bleek. De ziekte verergerde na een verblijf als journalist aan het front in de Sino-Japanse oorlog, in 1895. De laatste vier jaar van zijn leven zou hij, verrekkend van de pijn, goeddeels op bed doorbrengen, enigszins geholpen door morfine. Vanaf zijn ziekbed heeft Shiki zonder overdrijven de moderne Japanse poëzie blijvend veranderd. 

Shiki beoefende alle poëziegenres: haiku, tanka, Sinitisch vers, ‘nieuwe-stijl poëzie’ (zie ook: termen), maar hij is zonder meer het beroemdst vanwege zijn heruitvinding van de haiku-vorm. 

Hier een Sinitisch gedicht. Haiku komen een andere keer.

In deze Triptiek ‘Paardenrennen in Shinobazu, Ueno’ uit 1890, door Toyohara Chikanobu 豊原周延 (1838-1912), wordt de renbaan nog voorgesteld als een glorieuze verworvenheid van moderniserend Japan. De Meiji-keizer kijkt toe in gala-uniform; jockeys en baanrechters zijn allen de perfecte Engelsman. In de achtergrond een glimp van het Benzaiten-tempeltje. Collectie Harvard Art Museums

een gedicht is het, maar moeilijk voor te dragen

bergen in de herfst

stilletjes trekken wolken

            aan het oog voorbij

aki no yama / shizuka ni kumo no / tōrikeri

vlietende herfst:

tot op de veranda reiken de stralen

            van de neergaande zon

yuku aki ya / en ni sashikomu / hi wa naname

de tsunami trok zich terug,

            hoe ontzagwekkend is het dan:

vroege zomerregen

tsunami satte / ato sasumaji ya / samidare

Waarschijnlijk gedicht naar aanleiding van een tsunami ter hoogte van Sanriku, in noordoost-Japan, in juni 1896.

ziek aangekomen,

            en ziek weer weggegaan: ik

de vogelverschrikker

yande kitari / yande saru ware ni / kakashi kana

vraag het de wind:

waar het eerste, denk je,

            vallen de bladeren?

kaze ni kike / izure ka saki ni / chiru ko no ha

herfstwind!

op weg naar de slacht is

            de kont van een koe

akikaze ya / hofurare ni yuku / ushi no shiri

ver van de wereld

komt mijn hart dan tot rust

            een lentedag

yo no tōki / kokoro hima aru / hinaga kana

ook al regent het,

het is bijna niet te zien: op bloemen

            liggen druppels

furu to shimo / mienu ni hana no / shizuku kana

op het grasveld

in respijt van de hitte

            de droom van een hond

shibakusa ya / kagerō hima o / inu no yume

De hiernavolgende gedichten zijn alle in 1904 geschreven, toen Sōseki experimenteerde met deze terloopse dichtvorm die hij zelf ‘poëzie in de haiku-stijl’ (haitaishi 俳体詩) noemde. Hij liep met deze ‘vrije haiku’ vooruit op de groep rondom Ogiwara Seisensui en Ozaki Hōsai.

de sake smaakt me toch bitter vanavond

sake no aji nigaki ka koyoi

een gedicht is het, maar moeilijk voor te dragen

shi naredomo tonaegatashi

hij tilt zijn kont op en stapt op de fiets

shiri o karagete jitensha ni noru

alleen en naakt steek ik het buitenbad aan

hitori hadaka de suefuro o taku

Een suefuro is een buitenbad in de vorm van een open ton waaronder een houtoven zit om het badwater te verwarmen.

hoe lang is de schaduw van een etend hert!

esa o kuu shika no kage no nagasa yo

in je slaap zal je wel niet dichten

suichū nado te shi nakaran

wanneer Li Bai tegen zijn drankzucht vecht

ri haku no yoi o shinobu toki

Li Bai 李白 (701-762) was een beroemde Chinese dichter, berucht om zijn drankgebruik. Een legende wil dat hij verdronk toen hij in dronkenschap de weerspiegeling van de maan op de Yangtze wilde omarmen.

Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) is in de eerste plaats wereldberoemd in Japan als een van de vaders van de moderne roman. Generaties scholieren lazen en lezen zijn Kokoro (Het hart, ook wel De wegen van het hart, 1914). Zijn portret stond twintig jaar lang (1984-2004) op het bankbiljet van duizend yen (zie afbeelding), het biljet dat in de grootste aantallen het vaakst van eigenaar verwisselt. Minder bekend is dat Sōseki ook een verwoed dichter was. Je zou kunnen stellen dat het schrijven van romans voor hem een dure, programmatische plicht was, die hem fysiek en geestelijk uitputte en vrij snel het graf in hielp, en dat de poëzie hem in die worsteling verlichting schonk.

Van Sōseki zijn ruim 2.500 haiku bewaard gebleven. Hij had grote bewondering voor zijn vriend Masaoka Shiki (1867-1902), die vanaf zijn ziekbed bijna eigenhandig de moderne poëzie vormgaf, en vroeg hem vaak om zijn haiku te beoordelen.

Een andere keer zal ik Sinitische poëzie van Sōseki plaatsen; daarvan schreef hij ook een hoop.

moeder ligt op sterven

dichterbij kom ik

zij kijkt me oplettend aan

            en zegt me

iets zegt ze me,

            omdat ik haar kind ben

yorisoeru / ware o mamorite / iitamau / nani ka iitamau / ware wa ko nareba

bijna dood is ze,

            mijn moeder, als ik bij haar lig —

                        en in die stilte

kikkers in verre velden

            die weerklinken in de hemel

shi ni chikaki / haha ni soine no / shinshin to / tōda no kawazu / ten ni kikoyuru

bijna dood is ze,

            mijn moeder, en vlakbij haar ogen

vertel ik haar:

            de akelei

                        staat in bloei

shi ni chikaki / haha ga me ni yori / odamaki no / hana sakitari to / iinikeru kana

bijna dood is ze,

            mijn moeder, en haar voorhoofd

wrijf ik almaar

            terwijl mijn tranen vloeien

                        en ik er heel erg ben

shi ni chikaki / haha ga hitai o / sasuritsutsu / namida nagarete / itarikeru kana

ach, mijn moeder

            die op sterven ligt

ach, mijn moeder

            die mij gebaard heeft, mijn moeder

                        met haar hangende borsten

waga haha yo / shinitamaiyuku / waga haha yo / ware o umashi chi / taraishi haha yo

zij leven nog wel,

            mensen die samenkomen

om mijn moeder

            te zien sterven,

                        te gaan sterven

inochi aru / hito atsumarite / waga haha no / inochi shiyuku o / mitari shiyuku o

wakend over het vuur

            wordt de nacht steeds dieper:

mijn jongere broer

            zingt over dit leven

                        een lied — droevig is het

hi o morite / sayo fukenureba / otōto wa / utsushi-mi no uta / utau kanashiku

in de bergkloof

            is de zon al helemaal

                        ondergegaan:

nu de geur van warm water

            die intenser door komt dringen

yama kai ni / hi wa toppuri to / kuretareba / ima wa yu no ka no / fukakarishi kamo

Saitō Mokichi 斎藤茂吉 (1882-1953) was een psychiater en tanka-dichter met meer dan 14.000 gedichten op zijn naam. Hij vervulde voor de Tweede Wereldoorlog een centrale rol bij de publicatie van het tanka-tijdschrift Araragi (‘Slangenlook’, dat tot december 1997 bleef bestaan), dat was opgericht door zijn tanka-leraar Itō Sachio (1864-1913), die weer een leerling was van Masaoka Shiki. Als er al een te duiden ‘erfenis’ van Shiki bestaat, dan mag Mokichi gelden als de voornaamste erfgenaam ervan. Deze gedichten komen uit een lange reeks tanka getiteld ‘Moeder ligt op sterven’ (Shinitamau haha) in Mokichi’s debuutbundel Rood licht (Shakkō, 1913), voorgepubliceerd in Araragi.

Deze reeks kwam ik onvoorbereid tegen toen mijn eigen moeder op sterven lag; het tweede gedicht las ik voor op haar afscheid.