Tag: tanka (modern)

  • Ainu-haat

    Ainu-haat

    ‘Ainu!’

    dat ene woord

                werd meer dan wat ook

    een belediging

                een vlammende haat

    ainu!     to / tada hitokoto ga / nani yori no / bujoku to natte / moeru funnu da

    アイヌッ! とただ一言が何よりの侮辱となって燃える憤怒だ

    Gepubliceerd in Otaru shinbun 小樽新聞, 3 oktober 1927. Iboshi Hokuto kashū, p. 16.

    ‘wel godver!     

                zak in de stront, jij!’

    word je heftig

                toegeschreeuwd en dan daarna

                            een bevreemdende stilte

    ‘nani!     / kuso demo kue!’ to / gōhō ni / donatta ato no / mukimi na chinmoku

    「何ッ! 糞でも喰へ!」と剛放にどなった後の無気味な沈黙

    Otaru shinbun, 28 oktober 1927. Iboshi Hokuto kashū, p. 18. Het woord gōhō (ni) 剛放(に) (als dat tenminste de lezing is die Ibuto in gedachten had) ken ik niet. In deze context vermoed ik dat het als bijwoord het ‘schreeuwen’ (donaru) moet versterken. Dat het in Mandarijn (gāng fàng) iets als ‘vastberaden’ betekenen kan lijkt me hier niet relevant.

                Dorpszangen:

    ‘’t is niet anders’

                en daarmee op te geven: dat

                            sentiment —ach!

    heeft Ainu

                als sentiment kapot gemaakt

    shikata naku / akirameru to iu / kokoro aware / ainu o / horoboshita kokoro

      コタン吟
    しかたなくあきらめるといふこころあはれアイヌを亡したこころ

    Shintanka jidai 新短歌時代, februari 1928. Iboshi Hokuto kashū, p. 32. ‘Dorp’ is de vertaling van het Ainu-woord kotan コタン.

    goudeerlijke

                Ainu werden bedrogen door

                            de Shamo: juist die

    is pas beklagenswaardig

                het zij hem vergeven in deze tijd

    shōjiki na / ainu o damashita / shamo o koso / aware na mono o / yurusu kono koro

    正直なアイヌをだましたシャモをこそあわれなものとゆるすこの頃

    Shintanka jidai februari 1928. Iboshi Hokuto kashū, p. 33. Shamo is de naam die Ainu gebruikten (en nog wel gebruiken) voor Japanners.

                Een Ainu-bedelaar:

    door kinderen

                geplaagd en uitgelachen

                            moet hij huilen

    de Ainu-bedelaar

                van wie ik mijn gezicht afwend

    kodomora ni / karakawarete wa / naite iru / ainu no kojiki ni / kao o somukeru

      アイヌの乞食
    子供等にからかはれては泣いてゐるアイヌの乞食に顔をそむける

    Shintanka jidai. Iboshi Hokuto kashū, p. 34.

    met een slok op

                zijn de Shamo en de Ainu

                            net hetzelfde

    merkt het dienstmeisje

                met een glimlach op

    sake nomeba / shamo mo ainu mo / onaji da te / aido no menoko / waratte imasu

    酒のめばシャモもアイヌも同じだテ愛奴のメノコわらってゐます

    Shintanka jidai. Iboshi Hokuto kashū, p. 35.

    als ik in de krant

                een artikel over Ainu

                            lees, dan heb ik telkens

    diepdoorvoelde pijnlijke

                gedachten en gevoelens

    shinbun de / ainu no kiji o / yomu goto ni / setsu ni kurushiki / waga omou kana

    新聞でアイヌの記事を読む毎に切に苦しき我が思かな

    Iboshi Hokuto kashū, p. 58.

    Links: De inhoudsopgave van het eerste nummer van Kotan コタン (‘Het dorp’), 1927. Dit gestencilde tijdschrift van Iboshi en anderen was gewijd aan Ainu-cultuur en -identiteit. Rechtsboven: fotoportret van Iboshi Hokuto. Rechtsonder: vijf tanka van Iboshi in eigen handschrift.

    Iboshi Hokuto 違星北斗 (1901-1929) was een activist voor gelijkberechting van de Ainu en gebruikte daarvoor onder meer een klassieke Japanse poëzievorm, de tanka. De Ainu zijn een inheems etnische groep die overwegend op Japans noordelijke hoofdeiland Hokkaido wonen. Sinds de kolonisatie van Hokkaidō door Japan in de negentiende eeuw zijn de Ainu op verschillende manieren zwaar gediscrimineerd. Als gevolg daarvan waren zij begin twintigste eeuw economisch achtergesteld en gingen vaak gebukt onder een opgedrongen minderwaardigheidsgevoel.

    Iboshi was zelf Ainu en publiceerde in kranten en poëzietijdschriften gedichten en andere teksten die altijd of de achterstelling van de Ainu als onderwerp hebben dan wel het zelfbeeld van Ainu willen verbeteren.

    Als kind had zijn moeder Hokuto naar een Japanse school gestuurd, in plaats van de voor Ainu-kinderen gebruikelijke ‘School voor de oude bewoners [van Hokkaido]’ (kyūdojin gakkō 旧土人学校). Daar was het onderwijs beter (de schooltijd duurde ook twee jaar langer), maar Hokuto werd er erg gepest door Japanse medeleerlingen. 

    Wel had Hokuto een begripvolle Japanse leraar die hem liefde voor haiku en tanka bijbracht en hem stimuleerde om met andere jonge Ainu een culturele club voor Ainu te beginnen (de Chawashō Gakkai 茶話笑学会, ‘De lachen-bij-theegesprekken studieclub’).

    In 1925 kreeg Hokuto de kans naar Tokyo te verhuizen, waar een baan voor hem was geregeld. Daar kwam hij in contact met de taalkundige Kinda’ichi Kyōsuke 金田一京助 (1882-1971), die een levenslange studie van het Ainu maakte en hem koppelde aan anderen met een interesse in Ainu-cultuur. Anderhalf jaar na aankomst in Tokyo reisde Hokuto weer naar Hokkaido terug. Hij was er nu van overtuigd dat zijn rol moest zijn om in Hokkaidō onder de Ainu te verblijven en hen zelfrespect en een liefde voor de eigen cultuur te voeden. 

    Hokuto had altijd al een zwakke gezondheid gehad. In 1928 spuugde hij bloed op, wat het begin was van een negen maanden durend ziekbed waar hij niet meer beter uit zou komen. In januari 1929 stierf hij, 27 jaar oud.

    Zijn eerste tanka publiceerde Hokuto op 3 oktober 1927, in de Hokkaidoose krant Otaru shinbun. Precies 97 jaar later, op 3 oktober 2024, herdacht Google dat met een doodle die ontworpen was door Japanse kunstenaar Koji Yuki.

    In de twee jaar na zijn terugkeer uit Tokyo produceerde Hokuto een onophoudelijke stroom aan teksten, waaronder veel tanka, die hij onder meer in lokale kranten gepubliceerd kreeg. Laat in 1927 begon hij aan een baan als colporteur van aambeienzalf, wat een goed excuus was om verschillende kotan (dorpen) van de Ainu-bevolking af te reizen. Ook die ervaring verwerkte hij in verschillende tanka, zoals:

    ‘voor aambeien

                aanbevolen zalf te koop!’

    niemand te zien

                op de pas waarop ik met luide

                            stem mijn verkoopleus probeer

    ‘gatchakki no / kusuri ikaga’ to / hito no inai / tōge de ōki na / koe dashite miru

    「ガッチャキの薬如何」と人の居ない峠で大きな声出して見る

    Iboshi Hokuto kashū, p. 60. Gatchakki is een dialectwoord voor aambeien dat beperkt is tot Hokkaidō en noord-Honshu; de standaardterm is jishitsu 痔疾 of jikaku 痔核.

    Na zijn dood publiceerden Hokuto’s vrienden een bundeling van zijn werk, Kotan: nagelaten werk van Iboshi Hokuto (Kotan: Iboshi Hokuto ikō コタン 違星北斗遺稿, 1930). Uiteraard stonden daarin vele tanka. Die werden voorafgegaan door en korte maar krachtige beginselverklaring van Hokuto zelf:

           Mijn tanka

           Mijn gedichten zijn allemaal bonkig, alsof er twee, drie zinnen uit een krantencommentaar staan. Natuurbeschrijvingen maak ik nauwelijks. Geen idee waarom dat is.

           Al hamer ik altijd op onomwonden eerlijkheid, wat er in mijn gedichten geëtaleerd wordt is niets anders dan het bepleiten van de zaak van de Ainu. Daarbij komen ook allerlei persoonlijke emoties kijken, maar uiteindelijk zijn mijn tanka het gevolg van een defect in de hedendaagse maatschappij. Én het is omdat ik overvloei van een verlangen naar een Hokkaidō waar het fijn leven is, naar een wereld zonder conflicten. Bovenal wil ik geen poëzie schrijven over onwaarheden die doelbewust mijn eigenheid ontkennen.

      私の短歌
           
    .
     私の歌はいつも論説の二三句を並べた様にゴツゴツしたもの許りである。叙景的なものは至って少ない。一体どうした訳だろう。
     公平無私とかありのまゝにとかを常に主張する自分だのに、歌に現われた所は全くアイヌの宣伝と弁明とに他ならない。それには幾多の情実もあるが、結局現代社会の欠陥が然らしめるのだ。そして住み心地よい北海道、争闘のない世界たらしめたい念願が迸り出るからである。殊更に作る心算で個性を無視した虚偽なものは歌いたくないのだ。

    Iboshi Hokuto kashū, p. 57.

    Intrigerend is dat iemand uit een etnische minderheid een traditionele poëzievorm gebruikt die zwaar geassocieerd wordt met de hen onderdrukkende cultuur. Begin twintigste eeuw was de tanka, net als de haiku een traditioneel genre dat nadrukkelijk als moderne poëzie heruitgevonden werd. Dat hielp, natuurlijk, maar vooral laat Hokuto’s keuze voor de tanka zien dat je zo’n poëzievorm ook kunt opeisen voor je eigen culturele —en dus politieke— strijd.

    Ik ken wel andere, onder meer vrij recente voorbeelden in Japan van hetzelfde fenomeen. Bij gelegenheid zal ik tanka van een dichter uit de Koreaanse minderheid in Japan behandelen.

    • Iboshi Hokuto 違星北斗, Iboshi Hokuto kashū: Ainu to iu atarashiku yoi gainen o 違星北斗歌集:アイヌと云ふ新しく良い概念を (Tokyo: Kadokawa, 2021).

    De foto toont een Ainu-zang in een dorp bij het Kussharo 屈斜路-meer, noordoost-Hokkaidō, begin twintigste eeuw.

  • aan je haar getrokken

    aan je haar getrokken

    om narcissen in

                bloei uitgekozen was het

                            dat ik over het golvenpad kwam

    iets blijft me tegenhouden

                op deze reis naar Awaji

    suisen no / hana ni sugurare / namiji kitari ya / ushirogami hiku / awaji no tabi yo

    水仙の花に選られ浪路来りや後髪引く淡路の旅よ

    Een tanka met een wat aparte prosodie: 5-7-7-7-7. De uitdrukking ushirogami ga hikarareru 後髪が引かれる (let. ‘aan het haar op je achterhoofd getrokken worden’) betekent iets als: niet in staat zijn een volgende stap in je leven te zetten omdat je nog blijft hangen in te verleden. 

    Aan het strand van Keino Matsubara op de zuidwestkust van het Japanse eiland Awaji groeit een pijnboombos. Daardoorheen loopt het anderhalve kilometer lange ‘Aanzoekpad’ (puropōzu kaidō プロポーズ街道). Dat pad is weer gelardeerd met tegels (of eigenlijk ‘dakpannen’, kawara ) met daarop gegraveerde teksten.(De teksten zijn op de tegels aangebracht voordat ze de oven ingingen.)

    Die teksten zijn onderdeel van een competitie. Voor Valentijnsdag 2024 werden er zoetsappige teksten beoordeeld door een jury (zie dit filmpje), met de wat tenenkrommende slogan ‘aanzoektegels voor een onveranderlijke liefde’ (puropōzu kawaranu ai プロポーズ瓦ぬ愛).

    Er zit een geforceerd woordspel in de slogan: kawara (‘dakpan’) en kawaranu (‘onveranderlijk’).

    Blijkbaar was in een eerder stadium de spelregel dat men waka of haiku schrijven moest. Die gedichten zijn soms minder zoetsappig.

    Tegels (‘dakpannen’) met traditonele poëzievormen langs het Aanzoekpad, Keino Matsubara, Awaji-shima, 28 maart 2026. Foto Lara Smits.

    Bij deze een van die gedichten, door ene Yamaji Setsuko 山路節子, uit de stad Sakai, net ten zuiden van Osaka.

    Ik heb ze niet gezien, maar in maart bloeien er op verschillende plekken op het eiland inderdaad trompetnarcissen (rappa suisen ラッパスイセン). De verleiding is groot om te speculeren dat de dichter naar het eiland kwam om een oude liefde of moeilijke relatie te vergeten, met de narcissen als excuus, en in die missie niet zo slaagt.

    Het gedicht van Yamaji Setsuko (rechts) langs het Aanzoekpad, Keino Matsubara, Awaji-shima, 28 maart 2026.

  • door beren opgegeten

    door beren opgegeten

                Toen de priester Ga’en in een bergtempel verbleef die ‘Berenpakhuis’ genoemd werd, zei hij tegen de priester die daar abt was ‘Schrijf een gedicht’:

                                                                Dichter onbekend

    de wereld achter me

                en de bergen ingetrokken

                            dat is wat ik deed

    dat beren me zouden opeten

                heb ik geen moment gedacht

    mi o sutete / yama ni irinishi / ware nareba / kuma no kurawamu / koto mo oboezu

      くまのくらといふ山寺に賀縁法師の宿やどりて(はべり)けるに、ぢうし侍ける法師に歌めとひければ
                 よみ人らず
    身をすて山に(いり)にし我なればくまのくらはむこともおぼえず

    Shūi wakashū 7-382. In de categorie ‘Namen van dingen’ (mono no na 物名): gedichten waarin een woord of naam verstopt zit. In de woorden ‘dat beren me zouden opeten’ (kuma no kurawamu koto) zit ook de naam ‘Berenpakhuis’ (Kuma-no-kura). Ga’en (data onbekend, actief eind tiende eeuw) was een geestelijke uit de Fujiwara-clan.

    Afgelopen vrijdag werd bekend gemaakt dat het woord (of: karakter) voor het jaar 2025 ‘beer’ (kuma ) is.

    Het karakter van het jaar wordt op basis van een enquête vastgesteld door de Japanse Stichting Bekwaamheidstest Karakters (Nihon Kanji Nōryoku Kentei Kyōkai 日本漢字能力検定協会; Eng. Japan Kanji Aptitude Testing Foundation). ‘Beer’ kreeg 12.3% van de publieksstemmen.

    Japanse beren zoeken steeds vaker de bewoonde wereld op en botsen daar met mensen. 2025 vormt een droevig record: begin deze maand stond de teller op 217 door een berenaanval gewonde mensen en nog eens dertien aanvallen die voor de mens dodelijk afliepen. Verreweg de meeste aanvallen (ruwweg twee-derde) deden zich in noordoost-Japan voor.

    Japan kent een grote berenpopulatie (schattingen houden het op 54.000), die in nog geen vijftien jaar verveelvoudigd is doordat klimaatverandering de laatste decennia voor meer voedsel heeft gezorgd (15.000 beren in 2012!). Wel waren er dit jaar aanzienlijk minder noten en bessen te vinden in de bossen en dat lijkt een reden te zijn dat meer beren voedsel gaan zoeken bij de mensen, zeker nu ze een vetlaag moeten opbouwen voor hun winterslaap. Er zijn voorbeelden van beren die supermarkten hebben overvallen. 

    In de klassieke poëzie komen beren nauwelijks voor; meer dan een handjevol voorbeelden ken ik niet. Als ze al in beeld komen is dat doorgaans in een woordspel of als een retorische bijvoeglijke bepaling. Dat begint al in de achtste eeuw:

    wilde beren

                leven op die berg zegt men

                            op de Shihase

    ook al word ik ondervraagd

                jouw naam zal ik niet noemen

    arakuma no / sumu to iu yama no / shihaseyama / semete tou to mo / naga na wa noraji

    荒熊之住云山之師歯迫山責而雖問汝名者不告

    Man’yōshū 11-2704 (var. 2696). Die beren zitten hier vooral als versiering (of inleidende stoplap, jo 序) bij de naam van de berg. Die berg zit er weer vooral in vanwege het ‘se’ in Shihase, omdat het als binnenrijm werkt met ‘ondervragen’ (semete tou). De aanname van commentatoren is dat dit een gedicht door een vrouw is en dat zij door haar moeder gevraagd wordt naar de identiteit van haar geheime liefde. Voor één keer kan ik H.H. Honda’s rijm wel hebben:

                Glad I will bear the blame

                For hiding my love’s name.

    H.H. Honda, The Manyoshu: A New and Complete Translation (Tokyo: Hokuseido Press, 1967), p. 206.

    in Shinano

                ligt het woeste veld van Suga

                            waar beren eten

    die zo ontzagwekkend zijn als

                de natheid van mijn mouwen

    shinano naru / suga no arano ni / hamu kuma no / osoroshiki made / nururu sode kana

    しなのなる須賀のあらにはむくまのおそろしきまでぬるる袖かな

    Sanboku kikashū 1011, door Minamoto no Toshiyori 源俊頼 (1055?-1129). In hofpoëzie zijn de dichters mouwen altijd nat van tranen. Een en al hyperbool, deze waka.

    De enige uitzondering —in de zin dat beren wél echt het onderwerp zijn— lijkt deze waka te zijn:

    aan mensen niet gewend

                zijn in het woeste veld van Suga

                            de wilde beren

    die van een jachtpijlpunt

                geen weet lijken te hebben

    hito narenu / suga no arano no / arakuma wa / karu ya no saki mo / shirazugao naru

    人なれぬ須賀の荒野のあらくまはかるやのさきもしらずがほなる

    Fuboku wakashū 19-12933, door Fujiwara no Tomoie 藤原知家 (1182-1258).

    Pas in de twintigste eeuw, zo lijkt het, kom je poëzie tegen die verankerd is in eigen ervaringen met beer en berg. Wandelaars die de bergen ingaan waar beren zijn wordt altijd geadviseerd minstens een belletje of fluitje mee te nemen om die beren te waarschuwen en zo op afstand te houden.

    Op één na kwam ik deze voorbeelden tegen als anonieme verzen.

    mijn beren mijdend

                belletje klinkt helder

                            als ik het pad beklim

    in de diepgroene zomer

                gevuld met mijn druppels zweet

    kuma-yoke no / rin o narashite / noboru michi / midori koki natsu / ase no shizuku

    熊避けの鈴を鳴らして登る道緑濃き夏汗の滴

    een beren mijdend

                belletje weerklinkt helder

    een bergwandeling

    kuma-yoke no / rin ga hibikase / yama-aruki

    熊避けの鈴が響かせ山歩き

    berenpoep

    weet sporen van paddenstoelen

                helpen verspreiden

    de kringloop van het woud

                is voelbaar op het herfstpad

    kuma no kuso / kinoko no hōshi / hakobu yaku / mori no junkan / kanjiru akimichi

    熊の糞きのこの胞子運ぶ役森の循環感じる秋道

    van een berenklauw

                bleven de sporen achter 

                            in de boombast

    aan het ecosysteem van een woud

                denk ik op deze wandelroute

    kuma no tsume / ato no nokoreru / juhi mite / mori no seitaikei / omou sanpomichi

    熊の爪跡の残れる樹皮見て森の生態系想う散歩道

    ‘beren gesignaleerd’

    een waarschuwing in het dorp

                bij een zomers graf

    kuma shutsubotsu / mura no keihō / natsu no haka

    熊出没村の警報夏の暮

    En toch:

    iemand vertelt over een beer

    ’t is niet mooi, maar het maakt me blij

    kuma no deta hanashi warui kedo yukai

    熊の出た話わるいけど愉快

    Deze laatste is een vrije haiku van Uda Kiyoko 宇多喜代子. Een intrigerende prosodie. Ik ben geneigd te lezen: 8-8 morae.

    De foto toont Mori Seihan 森清範 (1940), abt van de Kiyomizudera, Kyoto, die het karakter voor ‘beer’ (kuma ) schrijft. 12 december 2025.

  • gevallen

    gevallen

    wanneer jouw blik

                me ziet en me opmerkt

    is het zo dat ik

                tot miniscule water-

                            deeltjes wordt teruggebracht

    kimi no me ni / mirare-iru toki / watakushi wa / komakaki mizu no / ryūshi ni kaeru

    君の目に見られいるとき私はこまかき水の粒子に還る

    Een van de vervelende dingen van ouder worden is dat je zo geconfronteerd wordt met de vooroordelen die je had als jongmens. Zo kon ik nooit geloven dat oudere mensen de waarheid spraken als zij zeiden dat ze vergeten waren dat ze iets bewaard hadden. Een apart geval in die categorie vond ik destijds de memoires van Hans van Straten, De omgevallen boekenkast (1987). Daarin beweert Van Straten dat toen er een keer boeken uit zijn boekenkast vielen hij allemaal knipsels, aantekeningen en korte notities van zichzelf terugvond die hij in die boeken verstopt had en die nu allemaal naar beneden kwamen dwarrelen. Hij had volledig verdrongen dat hij dat alles zelf in die boeken gestopt had.

    Ik beken met enige gêne dat mij nu hetzelfde overkomen is. Het was nóg suffer, eigenlijk. Ik las recent wat en besloot daardoor de pocketeditie van een tanka-bundel uit 1992 te bestellen. Omdat het bijna onmogelijk is iets van de andere kant van de wereld pas maanden later te laten bezorgen in plaats van binnen een week, had ik het boekje snel in huis. Ik las verschillende gedichten erin, las het nawoord (daarover straks meer) en mijmerde een beetje over een excuus om daarmee iets te doen voor dit blog. 

    Toen schreef ik een blogpost over een tanka-bundel uit 1987. Als huiswerk opende ik na decennia een Nederlandse vertaling van die bundel. En wat kwam daaruit dwarrelen (ik verzin het niet)? Een krantenknipsel, waarvan ik volstrekt vergeten was dat ik het ooit uit een dagblad knipte en op deze manier bewaard had.

    Het knipsel komt uit het dagblad Asahi shinbun van 25 augustus 1992, een datum uit de tijd dat ik voor een tweede keer studeerde aan de Universiteit van Tokio en een prettig verslonsd piepklein appartementje bewoonde in een wijk die later helemaal hip-and-happening zou worden.

    Wat me destijds bewoog het stukje uit te knippen zal hetzelfde geweest zijn als wat me er kortgeleden toe dreef op de bestelknop te klikken bij de online-boekhandel om de tanka-bundel Waterdeeltjes (Mizu no ryūshi 水の粒子, 1992; pocketeditie 2018) te kopen: vaag-romantische associaties bij jonggestorven talent (en ja, van mijn eigen generatie).

    Het gaat hier om de dood en de postuum uitgegeven poëzie van Andō Miho 安藤美保 (1967-1991), eeuwig 24 jaar oud. Haar licht bizarre manier van overlijden zal ook wel een rol gespeeld hebben.

    Een door een vroege dood nooit vervulde belofte van de toekomst is altijd een krachtig ontroerder. Andō’s poëziementor, de tanka-dichter Sasaki Yukitsuna 佐佐木幸綱 (1938-) noemde haar de ‘de hoop van de tanka’ (tanka no hōpu 短歌のホープ) en vertolkte die emoties op papier. In Voorschoten schreef hij een nawoord voor de door Andō’s ouders uitgegeven bundeling van haar gedichten:

                Momenteel probeer ik een lastige tekst, of beter: een nawoord dat ik niet wil schrijven, te schrijven. Op deze manier wil ik geen woorden moeten wijden aan Andō Miho’s tanka-bundel.

                Al ruim een week ben ik steeds weer achter mijn bureau gaan zitten, maar het lukt me niet de pen op papier te zetten. Door het raam bij het bureau in de studeerkamer op de eerste verdieping zie in de verte Nederlands bakstenen huizen. Vanaf de eerste verdieping zie je in de verte gerieflijk hoge populieren en zilverberken staan en hun weelderig groene bladeren glinsteren.

                .

                ‘in een vorig leven

                            was ik misschien wel een boom’

                terwijl ik het auto-

                            portier opentrek

                                        kijk ik op mezelf terug

    ‘zense wa / ki datta ka mo ne’ / jidōsha no / tobira o akete / ware wo furikaeru

    […]

                In baksteenrode

                            kleren gehuld

                                        kijk ik toe

                hoe in heel kleine stukjes

                            de dingen kapotvallen

    renga-iro no / fuku ni kurumari / mite itari / konagona ni ware- / ochite yuku mono

                .

                En al moet ik als ik door het raam naar buiten kijk denken aan haar die zo van bomen hield en komen als ik de bakstenen huizen zie vanzelf bij mij de gedichten bovendrijven van haar die zo van baksteenrood hield, staat mijn hoofd er totaal niet naar daarover te schrijven.

                Wat kunnen we, in het volle besef van haar dood op 24-jarige leeftijd, anders doen dan ons te verbijten over het verdriet en verbittering daarover?

     私は、いま、聞きにくい文章、もっと言えば書きたくはない跋文を書こうとしている。こんなかたちで安藤美保歌集に文章を寄せたくはなかった。
     一週間も前から幾度も机の前に座っているのだが、どうしても筆が進まない。二階にある書斎の机の前の窓からは、煉瓦造りのオランダの家々が遠く見える。二階よりはるかに高いポプラや白樺の木がゆったりと立ち、緑豊かな葉を夏の日にかがやかせているのが見える。
                
    .
      「前世は木だったかもね」自動車の扉を開けて吾をふりかえる
    <中略>
      煉瓦色の服にくるまり見ていたり粉々に割れ落ちてゆくもの
                
    .
     窓の外を見ては、木が奸きだった人が思われ、煉瓦の家を見ては、煉瓦色が好きだった人のこのような歌が心に浮かびはするものの、それを論じようという気持ちにはとてもなれない。
     二十四歳の死という事実の前に、ただ、悲しみと口惜しさをかみしめるほかに、私たちに何かできるというのか。

    Sasaki Yukitsuna 佐佐木幸綱, ‘Batsu’ 跋 [Nawoord], in Mizu no ryūshi 水の粒子 (Tokyo: Nagarami Shobō, 2018 [oorspr. 1992]), p. 116-117.

    Begin twintig viel Andō op met een prijswinnende tanka-reeks, ‘Mozaïek’ モザイク, waarmee haar bundel opent. Ze studeerde in Tokyo aan de gerenommeerde Ochanomizu-universiteit in Tokyo en begon daar aan een masterprogramma Japanse literatuur, waarbij ze zich concentreerde op laat-klassieke hofpoëzie (met name die van Fujiwara no [Kujō] Yoshitsune). Zoals haar ouders in een eigen nawoord schrijven, was Andō Miho tot haar vroege dood geheel gefocused op de dubbelroute naar wetenschap en dichterschap. Op studiereis in het Hira-gebergte, provincie Shiga, een populaire plek voor bergwandeltochten, viel ze door een misstap met haar hoofd op een rots en overleed de volgende dag in het ziekenhuis zonder ooit bij bewustzijn te zijn gekomen.

    allemaal tegelijk

                de wens om omhoog vliegen

                            verkondigen ze

    halverwege de heuvel 

                staan groepjes fietsen

    issei ni / tobidachitai to / togeru gotoku / saka no tochū ni / mureru jitensha

    一斉に飛び立ちたいと告げるごとく坂の途中に群れる自転車

    tot elke vingertop

                met tranen opgezwollen

                            ben ik het die

    deze trein vervoert

                en weer naar huis brengt

    yubisaki made / namida de fukuramite / iru ware wo / densha wa hakobi / mata mochikaeru

    指先まで涙でふくらみている我を電車は運びまた持ち帰る

    In de reeks ‘een knarsend hart’ (Kishimu kokoro 軋む心).

    met toch wat spijt

                wandel ik ’s ochtends rond

                            in treurnis

    een spin die ondersteboven

                naar de hemel staren blijft

    kui arite / ayumu asa o / maganashiku / kumo wa sakasa ni / sora o mite ori

    悔いありて歩む朝をまがなしく蜘蛛はさかさに空を見ており

    Van maganashii (dat we vermoedelijk kunnen schrijven als 真悲しい, ‘treurig’) vraag ik me af in hoeverre dat een vondst van Andō zelf is. Ik vind het woord in ieder geval niet in woordenboeken, al is de betekenis ervan duidelijk.

    aan de scriptie

                telkens weer blijven schaven

    geeft mijn vriendin

                kronkellijnen in haar kin

                            die ik aandachtig bekijk

    ronbun no / chōso kasaneshi / yūjin no / ago no kyokusen / mite ori ware wa

    論文の彫塑かさねし友人の顎の曲線見ており我は

    twee vingers hoog

                is de overmoed die ik me indrink

    en met mij samen

                gaat in de avondzon

                            mijn studeren ten onder

    tsūfingā / kioite nomeba / morotomo ni / yūhi no naka e / ochiru bengaku

    ツーフィンガー気負いて飲めばもろともに夕陽のなかへ落ちる勉学

    In de reeks ‘Yoshitsune’ 良経. ‘Twee vingers’ (Eng. two fingers, Jp. tsūfingā) geeft aan tot hoe hoog je de whisky in je glas schenkt.

    De afbeelding is een fragment van het bewuste krantenknipsel. Asahi shinbun 25 augustus 1992.

  • kipnuggetdag

    kipnuggetdag

    ‘deze currysmaak

                is geweldig’, heb je gezegd

                            en dat is waarom

    vandaag tot Kipnugget-

                dag verklaard zal worden

    ‘karē-aji ga / ii ne’ to kimi ga / itta kara / kyō wa kara-age / kinenbi to suru

    「カレー味がいいね」と君が言ったから今日はからあげ記念日とする
    Links: de eerste uitgave van de tanka-bundel Saladedag (Sarada kinenbi サラダ記念日) uit 1987, met een fotoportret van de 24-jarige Tawara Machi. Rechts: een fotoportret van Tawara in dezelfde pose uit 2022, door Uemura Akihiko 上村明彦.

    De tanka-dichter Tawara Machi 俵万智 (1962) debuteerde in 1987 met de tanka-bundel Saladedag (Sarada kinenbi サラダ記念日, 1987) en verkocht daarvan dat jaar ruim twee miljoen exemplaren (een getal dat het jaar daarop zou oplopen tot 2,8 miljoen). Zulke verkoopcijfers voor een dichtbundel, en dan nog een waarin uitsluitend de klassieke tanka-vorm gehanteerd werd, waren nog nooit vertoond.

    Ik kwam een klein jaar later in Tokyo studeren. Op de onderzoeksafdeling Nationale Literatuur van die achtenswaardige universiteit werd wat besmuikt gereageerd op dit succes. Dat had er alles mee te maken dat Tawara het tanka-genre hanteerde als een vehikel van een jonge vrouw die heel nadrukkelijk in het ‘nu’ van de jaren ’80 leefde, onder andere door voortdurend woorden te gebruiken die helemaal niet hoorden bij het klassieke tanka-repertoire:

    ‘hou je goed, hè’ —

    in dat ene hoekje

                van de McDonald’s

    is dat de allerlaatste brief

                die ik jou schrijven zal

    ‘genki de ne’ / makudonarudo no / katasumi ni / saigo no tegami o / kakiagete ori

    「元気でね」マクドナルドの片隅に愛語の手紙を書きあげており

    Tawara Machi, Sarada kinenbi (pocketeditie, 199931), p. 158.

    Dát, en het verkoopsucces, natuurlijk. Het paste helemaal in de schattigheidscultus die in die jaren in Japan opkwam (inmiddels is het Japanse kawaii redelijk ingeburgerd in de wereld) en waarmee de geleerden niet goed raad wisten. ‘Da’s geen literatuur’, bromde een hoogleraar die met haar in de media zou optreden. Het lezerspubliek zat er niet mee. Tawara’s tanka werden geprezen als ‘fris’ (shinsen 新鮮), ‘jeugdig’ (wakawakashii 若々しい) en ‘onopgesmukt’ (tanjun 単純), vol ‘puurheid’ (pyua-sa ピュアさ) en —alweer— ‘frisheid’ (furesshu-sa フレッシュさ): niet toevallig termen die met die schattigheidscultus geassocieerd werden.

    Er volgden heel snel vertalingen: twee naar het Engels, en zowaar ook een naar het Nederlands, door Willy Vande Walle, destijds hoogleraar Japanstudies aan de universiteit van Leuven, en de Vlaamse haiku-dichter Bart Mesotten.

    De debuutbundel ontleende zijn titel aan een tanka die, zoals zoveel van de tanka in de bundel, over verliefdheid gaat. De dichter heeft een maaltijd bereid voor het object van haar liefde. Die zegt spontaan dat hij het lekker vindt. Dat moment moet voor de eeuwigheid bewaard door prompt van die dag een officiële herinneringsdag (kinenbi 記念日) te maken:

    ‘dit smaakt echt

                geweldig’, heb je gezegd 

                            en dat is waarom

    de zesde van de julimaand

                Saladedag moet zijn

    ‘kono aji ga / ii ne’ to kimi ga / itta kara / shichigatsu muika wa / sarada kinenbi

    「この味がいいね」と君が言ったから七月六日はサラダ記念日

    Tawara Machi, Sarada kinenbi (pocketeditie, 199931), p. 127.

    Een aantal jaren later onthulde Tawara in een essaybundel Tanka lezen (Tanka o yomu 短歌をよむ, 1993) dat dit gedicht oorspronkelijk anders was. Een eerdere versie was die die bovenaan deze blogpost vertaald staat. Dat was ook al een herschreven versie. De eerste luidde:

    de currysmaak

                van de kipnugget vind je

                            heerlijk, zei je

    op deze herinneringsdag

                de zesde van de julimaand

    karē-aji no / kara-age kimi ga / oishii to / itta kinenbi / shichigatsu muika

    カレー味のからあげ君がおいしいと言った記念日六月七日

    Gaandeweg begon Tawara groter belang te hechten aan een frisse ‘s’-klank (‘sarada’, ‘shichigatsu’) en eindigde met de versie die de bundel, de titel zou geven die tot een begrip uitgroeide. 

    Zulke overwegingen tonen dat Tawara al vroeg heel bewust met de tanka-vorm experimenteerde. Na haar debuutsucces groeide ze uit tot een gerespecteerde, nog steeds actieve tanka-dichter.

    Hier zal ik bekennen dat ik van die eerdere versies geen weet had tot ik afgelopen week een manga (strip) las over een jongeman die een antiquariaat drijft. De serie Boeken zat, kan ze wel verkopen (Hon nara uru hodo 本なら売るほど) van Kojima Ao 児島青 is misschien een stripvariant op romans als Morisaki’s boekwinkel (Morisaki shoten no hibi 森崎書店の日々; vert. Jacques Westerhoven, Meulenhoff, 2024) uit 2010. Het kabbelt allemaal lekker voort, vol ingetogen weemoed en bescheiden problemen die zonder al te veel diepgang tot veilige eindes gebracht worden.

    Hoe het ook zij, in een hoofdstuk dat naar mijn smaak wél aanleiding geeft tot overpeinzingen, komt op de openingspagina een vrouw van achter in de vijftig de tweedehandsboekwinkel binnen om boeken te verkopen. Typisch voor het ‘uitleggerige’ soort manga krijgt de striplezer een mini-cursus in ‘Wat te doen als handelaar in oude boeken die net zijn binnengebracht’: selecteren voor verkoop, afstoffen met speciale kwast, schoonvegen, potloodaantekeningen uitgummen, en allerhande ongerechtigheden met olie losweken. Een volgende stap is het boek doorbladeren op zaken die de eigenaar erin heeft achtergelaten om die te verwijderen. Zo haalt de jongeman uit een boek van de inmiddels weer vertrokken vrouw een boodschappenlijstje (‘Dat is nog maar het begin’).

    Dan stuit hij op een oorspronkelijk blanco bladzijde met een tekst in meisjeshandschrift. Wat ik heel leuk vind is dat dat een vrij getrouwe weergave is van het ‘schattige’ handschrift zoals dat in de jaren ’80 van de vorige eeuw opkwam en aan de basis stond van de schattigheidscultus. Je kan half een datum zien: 8 mei 1985.

    Lees ook eens: Laura Miller, ‘Subversief schrift en nieuwe schrifttekens in Japanse meisjescultuur’, in: Hello Kitty en Gothic Lolita’s: Oorsprong en invloed van schattigheidscultuur uit Japan, red. Ivo Smits en Katarzyna Cwiertka (Leiden: Leiden University Press, 2012).

    De jonge antiquaar ziet dat het dagboekfragment in een dichtbundel staat die in de jaren ’80 een bestseller was. Eenmaal volwassen was de vrouw duidelijk vergeten dat ze ooit als schoolmeisje haar ontboezemingen aan de dichtbundel had toevertrouwd. Uit privacyoverwegingen haalt hij de bewuste pagina door de shredder. (Hij doet dat met de cliché-frase ‘Het is de genade van de krijger om zich in stilte ervan te ontdoen.’)

    Tawara’s debuutbundel uit 1987 duikt achtendertig jaar later op in een strip als de dichtbundel Kipnuggetdag (Kara-age kinenbi からあげ記念日). Kojima Ao 児島青, Hon nara uru hodo 本なら売るほど, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025), p. 42.

    Die ‘bestseller’-dichtbundel van vier decennia geleden heet Kipnuggetdag (Kara-age kinenbi からあげ記念日). Dat is natuurlijk een leuke knipoog naar lezers die Tawara’s bundel kennen —en dat zijn er vandaag de dag meer dan je misschien zou denken na al die tijd— maar dan óók weten dat de ‘salade’ ooit een kipnugget was.

    Dit is overigens het enige boek waarnaar in deze manga verwezen wordt met een dergelijk verwijsspel. Alle andere boeken die erin voorbij komen bestaan echt.

    Mijn persoonlijke overpeinzingen hadden meer te maken met het verglijden van de tijd en je jeugd die eindigt als vergeten ontboezemingen die in de shredder belanden. Piëteit is mooi, natuurlijk, maar je ontkomt moeilijk aan de gedachte: alles is as in de wind.

    Gelezen:

    • Kojima Ao 児島青Hon nara uru hodo 本なら売るほど, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025).
    • Tawara Machi 俵万智Sarada kinenbi サラダ記念日 (Kawade Shobō Shinsha, 1987; pocketeditie, 1989, 199931).
    • Tawara Machi, Eigo taiyakuban Sarada kinenbi 英語対訳版サラダ記念日 [tweetalige editie, Japans-Engels], vert. Jack Stamm (Kawade Shobō Shinsha, 1988; pocketeditie, 1989, 19949).
    • Tawara Machi, De dag van het slaatje, vertaald door Willy Vande Walle en Bart Mesotten (Lannoo, 1989).
    • Machi Tawara, Salad Anniversary, vert. Juliet Winter Carpenter (Tokyo: Kodansha International, 1990).

    De illustratie komt uit de strip Hon nara uru hodo 本なら売るほど [‘Boeken zat, kan ze wel verkopen’] van Kojima Ao 児島青, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025), p. 42.

  • het stroomt

    het stroomt

    kersenbloesems

    hoeveel lentes is het al

                dat alles ouder werd

    over mijn lijf waterstromen

                waarvan de nagalm klinken blijft

    sakurabana / ikuharu kakete / oiyukan / mi ni suiryū no / oto hibiku nari

    さくら花幾春かけて老いゆかん身に水流の音ひびくなり

    Uit Baba’s tankabundel Ōka denshō 桜花伝承 (Overgeleverde kersenbloesemfolklore, 1977), waarmee zij dat jaar de Hedendaagse vrouwelijke tankaprijs (Gendai tanka joryūshō 現代短歌女流賞) won. Suiryū 水流 (het stromen van water) mag je hier lezen als een beeld voor het verglijden (of wegstromen) van de tijd (toki no nagare 時の流れ).

    Een van de bekendere tanka van de inmiddels 97 jaar oude Baba Akiko 馬場あき子 (1928).

    De foto toont een bloeiende kers bij de Leidse Pieterskerk, 27 maart 2025.

  • nieuwjaarsdromen

    nieuwjaarsdromen

                Vorstelijke compositie:

    op reisbestemmingen

                ontmoette ik kinderen

    die me vertelden

                met glinsterende ogen

                            over dromen voor de toekomst

    tabisaki ni / deaishi kora wa / kataritaru / mami kagayakase / mirai no yume o

      御製
    旅先に出会ひし子らは語りたる輝かせ未来の夢を

    Een tanka van de huidige keizer. Het keizerlijk paar bezoekt elk jaar verschillende plaatsen in het land.

                Vorstelijke gedicht van Hare Majesteit de Keizerin:

    na dertig jaar

                bezoek ik met mijn vorst

                            ons Engeland

    en denk aan de studentenkamer

                en mijn dromen daar destijds

    misotose hete / kimi to toitaru / eikoku no / manabiya ni omou / kano hibi no yume

      皇后陛下御歌
    とせへて君とひたる英国の学びに思ふかの日々の夢

    In juni 2024 bracht het keizerlijk paar een bezoek aan Oxford. ‘(Mijn) vorst’ (kimi 君) kan in informeel taalgebruik én in tanka ook gebruikt worden om ‘jij’ te zeggen. Het is verleidelijk om hier die dubbele betekenis op te projecteren. Misschien zit er sowieso nogal wat projectie in mijn vertaling. Zowel de keizer als de keizerin hebben aan de University of Oxford gestudeerd.

                                        Prinses-gemalin Norihito, prinses Hisako:

    in Jordanië

                een vluchtelingenkamp waar

                            jonge mensen

    dromen van een later leven

                aan mij vertellen willen

    yorudan no / nanmin kyanpu no / wakakira wa / kore kara no yume wo / katari orishi ga

              憲仁親王妃久子殿下
    ヨルダンの難民キャンプの若きらはこれからの夢を語りをりしが

    Prinses Hisako bezocht in 2023 een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië. Dit is voor mij een opvallend politiek vers.

                                        ontboden dichter Mitamura Masako:

    alleen in bed

                ’s nacht wakker te liggen

                            in die eenzaamheid

    van een al te korte droom

                raap ik de scherven op

    hitorine no / yoru no nezame no / sabishisa ni / mijikaki yume no / kakera o hirou

              召人  三田村雅子
    一人寝の夜の寝覚のさびしさにみじかき夢のかけらを拾ふ

    Voor ‘ontboden dichter’, zie hieronder voor uitleg. Yoru no nezame 夜の寝覚 (‘’s Nachts wakker liggen’, tweede helft elfde eeuw) is ook de naam van een vertelling (monogatari) van het klassieke hof. Ook het beeld van ontwaken en beseffen dat je niet samen met je geliefde bent is een klassieke topos. Het is heel verleidelijk om hier te denken aan Mitamura’s overleden echtgenoot, de befaamde literatuurwetenschapper Mitani Ei’ichi 三谷栄一 (1911-2007).

                                        ontboden dichter achterwacht Peter MacMillan:

    in het nieuwe jaar

                zijn de bloesems van de woordbladeren

                            blossoms die

    de zeeën oversteken

                als de dromen die we hebben

    hatsuharu ni / koto no ha no hana wa / burossamu / umi koete yuku / yume wo zo miru

              召人控  ピーター・J・マクミラン
    初春に言の葉の花は blossomブロツサム 海超えてゆく夢をぞ見たる

    Naast de ‘ontboden dichter’ kan er ook plaats zijn voor een achterwacht van deze functie (hikae 控え). De Ier Peter MacMillan is actief als vertaler van klassiek Japanse literatuur (hij publiceerde onder meer zijn vertaling van Van honderd dichters één gedicht bij Penguin in 2017). Hij woont in Japan en schrijft ook boeken voor een algemeen Japans publiek die vaak als thema hebben ‘Japanse klassieke literatuur lezen in het Engels’. MacMillan is bij mijn weten de eerste meshiudo hikae van niet-Japanse afkomst. (Een Japanse collega verzuchtte dat MacMillan –wie weet?– volgend jaar de eerste niet-Japanse meshiudo kan worden.) Hij is niet de eerste buitenlander die meedoet aan de utakai hajime. In 1954 deed de Amerikaanse dichter Lucille M. Nixon (1908-1963) mee met een Japanse tanka. ‘Woordbladeren’ (koto no ha 言の葉) is een al eeuwenoude manier om ‘woorden’ (kotoba 言葉, 詞) te zeggen. De inleiding tot Japans eerste vorstelijke waka-bloemlezing opent met de zin: ‘Het lied van Yamato [de poëzie van Japan] heeft als zaadjes het hart van de mensen en vormt die tot tienduizend woordbladeren’ (yamato no uta wa, hito no kokoro o tane to shite, yorozu no koto no ha to zo narerikeru やまとうたは、人のこゝろをたねとして、よろづのことのはとぞなれりける).

                .

                            Geselecteerde gedichten:

         選 歌

                .

                                        Yoshida Mitsuo, prefectuur Saitama:

    zouden ze nog dromen

                over hebben om te dromen?

    in de parlements-

                muren verborgen geraakte

                            ammonieten, die ook?

    mada yume o / miru no darō ka / gijidō no / kabe ni kakureta / anmonaito mo

              埼玉県  吉田光男
    まだ夢を見るのだらうか議事堂の壁に隠れたアンモナイトも

                                        Mawatari Hisato, prefectuur Nagasaki:

    in volle bloei

                staat de kers in het rampgebied

                            waardoor ze rijden

    van ‘Noto-spoorwegen’ begint

                de droom op stoom te komen

    mankai no / hisaichi sakura / kugurinuke / ‘noto tetsudō’ no / yume hashiridasu

              長崎県  馬渡壽人
    満開の被災地桜くぐり抜け「のと鉄道」の夢走り出す

    De Noto-spoorwegen exploiteren het Nanao-spoortraject, een stuk van 33 kilometer aan de oostkust van het Noto-schiereiland aan de Japanse Zee. Dat werd op 1 januari 2024 getroffen door een aardbeving, waardoor het spoor niet meer gebruikt kon worden. Op 6 april vorig jaar was de lijn hersteld en konden de Noto-spoorwegen hun dienst weer hervatten. 

                                        Muraki Riku, prefectuur Tokyo:

    ‘in de realiteit

                daarin moet het ook kunnen

                            pas je daaraan aan’

    als dat een droom moet zijn

                ben ik niet geïnteresseerd

    ‘jissai ni / kanau teido ni / shite oke’ to / sonna yume nado / mitakunai no da

              東京都  村木 陸
    「実際に叶ふ程度にしておけ」とそんな夢など見たくないのだ

                                        Moriyama Fuyu, prefectuur Miyagi:

    de eeltbobbel

                op mijn vinger is lichtjes inkt-

                            besmeurd geraakt

    een wazig geworden ‘droom’

                is dat karakter, zie ik nu

    pendako ni / usuku bokuju / somikomase / kasureta yume to / iu ji wo miteru

              宮城県  森山文結
    ぺんだこにうすく墨汁染み込ませ掠れた夢といふ字を見てる

    Een kalligrafie-oefening. De afbreking: ‘to / iu’ is apart.

    Een overzicht van de ceremonie van 22 januari 2025. Links zitten leden van de keizerlijke familie, met het keizerlijk paar in het midden. Helemaal rechts, met hun rug naar de ramen, zitten de tien dichters van wie een tanka is geselecteerd. In het midden staat de tafel waaraan de voordrachtzangers zullen gaan zitten. Beeld samengesteld uit shots van Nippon TV.

    Afgelopen woensdag, 22 januari jl., werd de in het keizerlijk paleis te Tokyo jaarlijkse ‘Nieuwjaars-poëziebijeenkomst’ (utakai hajime 歌会始) gehouden. De formele Engelse vertaling, zoals het Huishoudelijk Bureau van het Keizerhuis (Kunaichō 宮内庁; Eng. Imperial Household Agency) die hanteert, is ‘Imperial New Year’s Poetry Reading’. Deze ceremonie wordt altijd live uitgezonden op staatszender NHK.

    Tot 30 september vorig jaar konden hiervoor tanka worden ingestuurd. Na sluiting van inzendingstermijn stond de teller op 16.250 tanka, opgestuurd uit binnen- en buitenland. Uiteindelijk werd van tien aanwezige gelukkige dichters, in leeftijd variërend van 15 tot 77 jaar oud, het gedicht voorgelezen en kregen nog eens veertien tanka een eervolle vermelding (zgn. kasaku 佳作). Naast deze gedichten was er ook de recitatie van tanka door het keizerlijk echtpaar en andere leden van de keizerlijke familie, alsook van die door prof. Mitamura Masako 三田村雅子, een specialiste in klassiek Japanse literatuur, die dit jaar fungeerde als ‘ontboden dichter’ (meshiudo 召人).

    De ‘ontboden dichter’ wordt op persoonlijke titel uitgenodigd door de keizer en is iemand die actief is het culturele veld (bijvoorbeeld als tanka-dichter) of in de studie van klassiek Japanse literatuur.

    Het thema (of te gebruiken woord) voor dit jaar was ‘droom’ (yume ). Bij deze een selectie van de in totaal zevenendertig tanka die zijn vrijgegeven door het Huishoudelijk Bureau van het Keizershuis.

    Het Bureau geeft ook uitgebreide toelichting op de negen gedichten door leden van het vorstenhuis. Ongetwijfeld is die bedoeld als handreiking aan de natie, maar met de impliciete boodschap dat men niet vrij kan associëren over de strekking van de tanka. Ook zijn de eerste vijf vorstelijke tanka in Engelse vertaling beschikbaar gemaakt. Dat gaat dan om, in volgorde van politieke status, die van de keizer, de keizerin, de kroonprins (de jongere broer van de keizer), diens echtgenote en de dochter van het keizerlijk paar (prinses Aiko, die als vrouw geen troonopvolger kan zijn).

    Het door het Huishoudelijk Bureau van het Keizershuis voorgeschreven model voor de in te sturen tanka. Hier met het thema voor 2026.

    De Nieuwjaars-poëziebijeenkomst in het paleis kent een lange geschiedenis. Het vroegste voorbeeld dateert uit de dertiende eeuw, maar ze werd pas een echt jaarlijkse traditie in de vroegmoderne periode (1600-1868). Al die tijd behoorden deelnemers tot de hofadel, maar sinds 1874 kan iedere Japanner een gedicht insturen voor presentatie. Sinds 1879 kan een niet-adellijke Japanner, indien diens tanka is geselecteerd, ook de ceremonie in het paleis daadwerkelijk bijwonen. Het zogenaamde ‘vorstelijk thema’ (chokudai 勅題) waarop gedicht moet worden ligt vast, maar is elk jaar anders.

    Het team van controleurs en zangers voor de Nieuwjaars-poëziebijeenkomst. Keizerlijk paleis, Tokyo, 22 januari 2025. Beeld: Nippon TV.

    De in het paleis ‘gepresenteerde gedichten’ (eishinka 詠進歌) worden nogmaals nagelezen door de ‘lezer’ (dokuji 読師, die als ceremoniemeester optreedt), en dan opgelezen door de ‘voorlezer’ (kōji 講師), waarna de eerste regel (d.w.z. de eerste vijf morae) gezongen wordt door de ‘voorzanger’ (hassei 発声) en vervolgens de rest van het tanka gezongen wordt door de ‘voordrachtzangers’ (kōshō 講頌). (Dat is althans de theorie. Afgelopen woensdag reciteerde de hassei de hele tanka, waarna het koor van kōshō de tanka nog eens helemaal zong.) Het voorstellen van dichter en voordragen van een tanka duurt zo’n tweeëneenhalve minuut.

    De Nieuwjaars-poëziebijeenkomst is nadrukkelijk een ritueel. De formele naam ervan is dan ook ‘de ceremonie van de Nieuwjaars-poëziebijeenkomst’ (utakai hajime no gi 歌会始の儀). In die zin zijn de gedichten die in het paleis worden voorgedragen en ‘live’ op televisie te volgen zijn net zozeer waka in de klassieke zin als moderne tanka. Zoals is opgemerkt over Reizei Fumiko, van de Reizei-familie van adellijke hofdichters, aan het begin van deze eeuw: ‘Bovenal benadrukt ze dat de Weg van het Huis Reizei een uiting is van de oude hofcultuur en dat het componeren van gedichten volgens de oude conventies altijd een expliciete religieuze handeling is, waarbij de gedichten worden aangeboden als offergaven aan godheden. […] [Waka is] het medium van een esthetische praktijk die wordt onderwezen als een ambacht in plaats van als een “kunst” die alleen bestemd is voor degenen met een artistiek talent.’

    (‘Above all, she insists that the Way of the Reizei house is an expression of ancient court civilization and that composing poems according to the old conventions is always an explicitly religious act in which poems are presented as offerings to the gods. […] [waka is] the medium of an aesthetic practice that is taught as a craft rather than as an “art” only for the artistically gifted.’ Steven D. Carter, Householders: The Reizei Family in Japanese History [Cambridge: Harvard University Asia Center, 2007], p. 352, 354.)

    Daarmee is de rol van deze klassieke dichtvorm er een van bevestiging van de band tussen de mensen en hogere machten én van bestendiging van de staat. Daarom moeten leden van het vorstenhuis ook actief een gedicht componeren, hoe weinig geïnspireerd dat ook mag zijn. Creativiteit is het punt niet, continuïteit wel. 

    Ik vind dat mooi, dat de staat zegt: poëzie is belangrijk. En het hoeft niet allemaal Kunst te zijn.

    ‘Traditie’ wordt onder meer benadrukt door het feit dat alle tanka zich houden aan klassiek Japanse grammatica en spelling.

    Concentratie bij de Nieuwjaars-poëziebijeenkomst (utakai hajime) van de Reizei-familie, Kyoto, 18 januari 2025. Beeld: Kyoto shinbun.

    Nieuwjaars-poëziebijeenkomsten waren vroeger vrij wijd verspreid in Japan en ook vandaag nog is het keizerlijk paleis is niet de enige plek in Japan waar een Nieuwjaars-poëziebijeenkomst gehouden wordt. Ook de Reizei-familie, de enige na 1868 in Kyoto achtergebleven adellijke familie, afstammelingen van de beroemde dichter Fujiwara no Teika 藤原定家 (1162-1241), organiseert jaarlijks een Nieuwjaars-poëziebijeenkomst. Dit jaar was dat op 18 januari 2025. Daaraan doen zo’n beetje alle leerlingen van de Reizei-familie, die opereert als een traditionele waka-school, mee. Een ander verschil met de ceremonie in het paleis in Tokyo is dat de dichters in Kyoto ter plekke hun gedicht moeten maken.

                                        * * * * *

    Het thema (of te gebruiken woord) van de keizerlijke Nieuwjaars-poëziebijeenkomst voor 2026 is ook al bekendgemaakt door het Huishoudelijk Bureau van het Keizershuis. Dat is ‘helder’ (mei ).

    Je mag ook gebruik maken van samengestelde woorden als ‘duidelijk’ (shinmei 鮮明), ‘beschaving’ (bunmei 文明), ‘[de planeet] Venus’ (myōjō 明星), of de Japanse glosse van het karakter, akarui 明るい, aldus de website. Blinden en slechtzienden kunnen hun gedicht insturen in braille (tenji 点字).

    De foto bovenaan toont de binnenkomst van de leden van de keizerlijke familie in de paleiszaal waar de jaarlijkse Nieuwjaars-poëziebijeenkomst gehouden wordt, 22 januari 2025. Beeld: Nippon TV (Nittere 日テレ).

  • die nacht in Amsterdam

    die nacht in Amsterdam

                late herfst

                .

    een S-vormige tweezitsbank,

    een nare bank die de ruggen naar elkaar dwingt,

    als ik met jou daarop zitten zou,

    werd het zo prettige Nederland

    in één enkele nacht een nare plek,

    en de herinnering daaraan ónaangenaam

    garçon, heeft u geen betere kamer?

                (een nacht in Amsterdam)

                .

      晩秋
                
    .
                x
    エスがたの二人ふたり椅子いす
    なかあはせのいやな椅子いす
    これにあなたとけたなら、
    このつた和蘭陀オランダ
    だの一夜ひとよいやになろ、
    その思出おもひでもうとましい。
    ギヤルソン、ほかにいいいの。
        (アムステルダムの一夜)

    Tekkan Akiko zenshū, bekkan 1, p. 307. Voor het eerst gepubliceerd in het dagblad Yomiuri shinbun 読売新聞 van 16 november 1914.

                de ondergaande zon in Nederland

                .

    de herfstzon

    (de voor een reiziger zo snel vertrouwde

    herfstzon)

    in lichtpaars benevelde straten

    waar ze tussen hoge huizen neerdaalt,

    dieprood als de besjes van de Japanse lelie.

    boven de daken aan de overkant

    de masten van de schepen in de haven

    die elk een paal van gekleurd glas vormen

    en golven honderdduizend kleuren mengen

    verblindend, als een schilderij van Monet.

    als je nog eens goed kijkt, bestaat het midden van die golven

    uit vanaf talloze mastpunten wapperende

    smalle indigokleurige wimpels.

    lieveling, kom eens kijken bij het raam,

    die brief kan wel tot later wachten,

    ach! boven de Nederlandse zee

    die prachtige ondergaande zon.

    wat zijn we gelukkig nog jong

    dat we zo in een Amsterdams hôtel

    vanuit een raam op de vijfde verdieping samen

    kunnen kijken naar deze fraaie ondergaande zon

    morgen vertrekken we hier alweer,

    zullen we deze zee nog eens terugzien?

    hé, in de straat onder het raam,

    een in scharlaken jasjes op zwart gestoken

    klas jongens in een rij,

    wat voor een schattige,

    ouderwetse, prachtige

    scholierenuniformpjes.

                .

      和蘭陀オランダらくじつ
                
    .
    あきが、
    たびびとにつまされやすい
    あきが、)
    薄紫うすむらさきけむつたまち
    たかいへいへとのあひだちて
    万年青おもとのやうに真紅しんくに。
    はんたいがはうへには
    みなとふねばしらが
    どれも色硝子いろがらすぼうてゝ
    なみは百千のいろうちぜて
    ぎらぎらと、モネののやう。
    よくると、そのなみなかばは、
    すう帆檣ほばしらさきからひるがへ
    ほそなが藍色あゐいろはただ。
    あなた、まどらんなさい、
    がみくのはあとにしませう、
    まあ、この和蘭陀オランダうみ
    うつくしいいり
    わたしたちは、まださいはひにわかくて、
    かうして、アムステルダムの旅館ホテル
    かいまどかほならべて、
    このいりながめてるのですわねえ。
    もう明日あす此処ここちます、
    またこのうみられるでせうか。
    あれ、まどしたとほりに、
    猩々緋しやう/″\ひうはくろうへ
    いつたいをとこぎやうれつ
    なんふ、かは愛いゝ、
    ふうな、うつくしい
    せうがくせいふくなんでせう。

    Tekkan Akiko zenshū, bekkan 1, p. 388. Voor het eerst verschenen in Yokohama bōeki shinpō 横浜貿易新報 (‘Yokohama handelsblad’) van 7 november 1920. Herdrukt onder de titel ‘Herfst in Nederland’ (Oranda no aki 和蘭陀の秋), met enkele extra en variante regels, in Yosano Tekkan’s en Akiko’s eigen tijdschrift Myōjō 明星 (‘Ochtendster’) van 1 april 1922. De Japanse lelie (Rohdea japonica, Jp. omoto 万年青) is een wintergroene plant met vuurrode besjes. De zwart-rode uniformen waarnaar Akiko verwijst zijn hoogstwaarschijnlijk de uniformen van het Amsterdamse Burgerweeshuis (dank aan Jacques Scholten). ‘De wekelijkse optocht van wezen, duidelijk herkenbaar aan de uniformen, was een bezienswaardigheid voor de overige inwoners van Amsterdam.’ — aldus Ilja Mostert op zijn website Amsterdams Verleden.

    De foto toont een detail van een groep Amsterdamse weeskinderen in 1906. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

                diezelfde periode

                .

    zwart en groot is de kraan

    die ons raam op de vierde verdieping blokkeert,

    daaronder vele huizenblokken verder

    de lichtjes van schepen op zee

    als gele chrysanten op een rij.

    aan de andere kant van de douane

    golven die aanrollen bij de pier en opspoelend

    met tussenpozen klinken in hun witheid.

    vanuit het raam van een café ergens,

    een lied van zeelui begeleid door een gitaar

    dat zich vermengt met een avondlijke herfstbries,

    langs het wandelpad langs de werf

    blijft in de stammen van een bosje

    vaagjes de weerspiegeling achter van de zee.

    al te koud is van ver aangekomen

    die ene nacht in Amsterdam.

                .

      同じ時
                
    .
    黒く大いなる起重機
    我が五階の前に立ちふさがり、
    その下にすうちやう離れて
    沖に掛かれる汽船の
    ぎくの花を並ぶ。
    税関の彼方かなた
    桟橋に寄るなみのたぶたぶと
    をりをりに鳴りて白し。
    いづこの酒場の窓よりぞ、
    ギタルに合はするふなびとうた
    秋のかぜまじり、
    波止場に沿ふ散歩道は
    おちしたるだちの幹に
    海の反射淡く残りぬ。
    うら寒し、はるばるつる
    アムステルダムのいち

    Ongedateerd. Akiko shihen zenshū 晶子詩篇全集 [‘Akiko’s verzamelde vrije verzen’] (Jitsugyō no Nihonsha 実業之日本社, 1929), gereproduceerd in Aozora Bunko 青空文庫. Ik kan dit gedicht niet terugvinden in Tekkan Akiko zenshū.

    Yosano Akiko en haar echtgenoot Tekkan. Bron: Wikipedia.

    Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942) kwam in 1901 met een paukenslag de literaire wereld binnen met haar debuut, de tanka-bundel Midaregami みだれ髪 (‘Verwarde haren’). Die titel roept erotische associaties op, en is tekenend voor de volstrekte ongeremdheid waarmee Yosano ruimte opeiste om haar hoogstpersoonlijke ervaringen als individu en als vrouw te uiten in de klassieke tanka-vorm. Een zinnelijke feminist, zou je kunnen zeggen, die uitgroeide tot een belangrijke stem in de moderne poëzie.

    Akiko publiceerde al tanka toen zij in 1900 werd uitgenodigd door de dichter Yosano Tekkan 与謝野鉄幹 (var. Hiroshi , 1873-1935) om gedichten in te sturen naar het door hem net opgerichte poëzietijdschrift Myōjō 明星 (‘Ochtendster’). Tekkan presenteerde zichzelf vrij luidruchtig als een vernieuwer van Japanse poëzie, met name van traditionele vormen als de tanka. Datzelfde jaar ontmoetten zij elkaar en dat was het begin van een intense relatie, die eerst platonisch was maar na Tekkan’s scheiding van zijn eerste vrouw leidde tot een huwelijk.

    In 1912 bezocht het echtpaar Yosano Europa. Hun Europese verblijf duurde vier maanden, vanaf aankomst in Parijs met de Siberië-expres op 19 mei tot vertrek vanuit Marseille op 22 september. Ze verbleven vooral in Frankrijk, met Parijs als uitvalsbasis, maar reisden ook naar Engeland (Londen, met name) en Duitsland (München) en stopten even in Brussel en Wenen. De Yosano’s waren ook twee dagen in Nederland. Tijdens hun reis schreven beiden aan de lopende band reisimpressies die zij publiceerden in Japanse dagbladen en tijdschriften. Ongetwijfeld was dat ook een manier om hun reis te financieren. Als iemand die haar geld verdiende als artistiek auteur én broodschrijver schreef Akiko gedurende haar leven sowieso een gigantische hoop teksten, waaronder romans, essays, en meerdere vertalingen van het elfde-eeuwse epos Het verhaal van Genji.

    De meeste gedichten die Akiko gedurende die reis schreef nam zij op in Van de zomer tot de herfst (Natsu yori aki e 夏より秋へ, 1914). Deze dichtbundel bevat 767 tanka en 102 gedichten in vrij vers (shi ) en onderstreept daarmee dat, al is Akiko in de eerste plaats echt heel beroemd als tanka-dichter, het vrije vers voor haar ook een vanzelfsprekend medium was: behalve duizenden tanka hebben we van Akiko ook een enorme hoeveelheid vrije verzen.

    Deze drie gedichten zijn daarvan een voorbeeld. Ze zijn van een later datum dan de bundel Van de zomer tot de herfst, en zijn bij mijn weten pas gebundeld voor uitgaven van verzameld werk. Ze zijn, denk ik, vrij representatief voor hoe Akiko de vorm van vrij vers inzette: een parlando-aandoende stijl die niet echt naar een punt toewerkt, maar nadrukkelijk impressionistisch opereert.

    Het gaat hier dus om herinneringen, wat verklaren kan waarom er beelden opgeroepen worden waarvan je je afvraagt hoe die realistisch kunnen zijn. Niemand zal bijvoorbeeld, ook niet in 1912, vanuit een Amsterdamse hotelkamer de zee, of zelfs de Zuiderzee, kunnen zien, maar misschien gaat het om het IJ? Het zijn natuurlijk de vragen van een boekhouder, maar deels ingegeven door de lulligheid (pardon: trivialiteit) van de reisaantekeningen van Tekkan en Akiko.

    Op 16 september 1912 kwam het echtpaar aan in Amsterdam. Zij zouden twee dagen in Nederland doorbrengen; de avond van de 18e vertrokken zij vanuit Den Haag naar Parijs. Drie dagen later voer Akiko vanuit Marseille alleen terug naar Japan. Tekkan bleef nog wat langer in Europa. Hun tweedaags verblijf in Nederland heeft nauwelijks sporen nagelaten bij het echtpaar, in de zin dat beiden er geen poëzie produceerden en we er slechts twee reisnotities van hebben, die nooit in een krant of tijdschrift zijn gepubliceerd.

    De gepubliceerde en ongepubliceerde impressies die Tekkan en Akiko schreven bundelden zij in hun reisverslag Vanuit Parijs (Parii yori 巴里より, 1914). Tekkan’s aantekening ‘Twee dagen in Nederland’ (‘Oranda no futsuka’ ランふつ) lijkt overgeschreven te zijn uit een reisgids (ze bezochten het Mauritshuis), op de slotzin na:

    Ik had in dit land wel ergens een week op het platteland willen blijven, maar Akiko, die zich verschrikkelijke zorgen maakte over de kinderen die in Tokyo waren achtergebleven, zei dat ze alvast naar huis terug wilde met de Hirano-maru die de 21e van deze maand vanuit Marseille vertrekt, dus kwamen we direct terug naar Parijs met de trein die midden in de nacht vanuit Den Haag vertrok. (18 september)

    僕はこの国の田舎ゐなかはひつて一週間もとゞまりたいと思つたが、東京に残して来た子供等をひどく気にする晶子が此月の二十一日にマルセエユを出るひらまるで急に先に帰りたいと云ふので、海牙ハアグなかに発する汽車に乗つて巴里パリイへ直行して帰つて来た。(九月十八日)

    Parii yori. Tekkan Akiko zenshū 10, p. 192.

    In die zin is het contrast met Akiko’s aantekeningen opvallend. Waar Tekkan nogal eens feitelijkheden over Europa oplepelt, lijkt Akiko sneller bereid om een lezer als familielid of intieme vriend te behandelen met wie je ook trivialiteiten delen kan. Haar voorkeur voor het reproduceren van conversaties sluit daar perfect bij aan. In een ongepubliceerd stukje gedateerd op 16 september 1912, ‘De avond dat we in Nederland aankwamen’ (‘Oranda e tsuita yo’ ランへ着いた), beschrijft Akiko hoe het echtpaar per trein de Nederlandse hoofdstad nadert:

    Monsieur, is dit al Amsterdam?’

    vroeg mijn man, waarop de ander antwoordde:

    Ouioui.’

    Toen ik dat hoorde, kwam ik wankelend overeind.

    ‘We zijn in Amsterdam!’

    ‘Jaja.’

    ‘Is het niet prachtig? Kijk dan toch!’

    「ムツシユウ、もうがアムステルダムですか。」
     と良人をつとの云つたのに対して、
    「ウイ、ウイ。」
     と相手の答へたのがわたしの耳にはひると、わたしはふらふらとして立つた。
    「アムステルダムだよ。」
    「さう。」
    「綺麗ぢやないか、見て覧。」

    Parii yoriTekkan Akiko zenshū 10, p. 188.

    Zo krijgt het einde van Akiko’s Amsterdamse notitie bijna een zweem van Hollandse gezelligheid:

    Het dienstmeisje kwam binnen.

    ‘Zullen we om café vragen?’

    Toen mijn man dat besteld had, verdween de vrouw weer.

    ‘Zal ik misschien ook om wijn vragen?’

    ‘Zolang we door het buitenland rondreizen is wijn nogal een luxe, hè, maar als we in Parijs terug zijn kan je zoveel wijn van me krijgen als je wil.’

    ‘Get, wat naar; als je me zoiets zegt lijkt het net alsof ik een drinkebroer ben. Het was alleen maar omdat ik het idee heb dat ik aan cerebrale anemie kan lijden.’

    ‘Vooruit, vraag het dan maar.’

    ‘Als de café sterk is, zal dat ook wel werken.’

    ‘En ik heb gebak besteld.’

    ‘O, wat heerlijk!’

    Ik zette mijn hoed af, en begon mijn kleren een voor een af te pellen. Toen ik weer tot mezelf gekomen was haastte ik me naar het raam en riep uit:

    ‘Hé, daar is de brug die Kobayashi Mango geschilderd heeft!’

    (16 september)

    部屋づきの女も来た。
    あつたかい珈琲キヤツフエでも貰はうね。」
     と云つて、良人をつとが命じると女は出て行つた。
    「わたしはどう酒でももらはうかしら。」
    「外国を歩いて居る間は葡萄酒は実際ぜいたくなんだからね、巴里パリイへ帰つたらいくらでも飲ませてあげるよ。」
    「厭なこと、そんなことを云はれるとさけのみのやうよ。たゞね、脳貧血がおこるやうな気がしたからさう思つたのですよ。」
    「ぢやあお貰ひよ。」
    珈琲キヤツフエでもければいいでせうよ。」
    「菓子も頼んだから。」
    「さう、うれしいわ。」
     私は帽子を取つたり、着て居たものを上から一つ一ついだりした。身軽になつて窓のところへ走り寄つたわたしは、
    「あら、小林こばやしまんさんのおきになつた橋がある。」
     と大きい声を出した。(九月十六日)

    Parii yoriTekkan Akiko zenshū 10, p. 190-191. Kobayasahi Mango 小林萬吾 (1870-1947) was een schilder in westerse stijl die met een studiebeurs van de Japanse overheid in Europa verbleef in de periode 1911-1914 en die de Yosano’s naar Londen had vergezeld. Ik vertaalde met opzet kyaffe, en hoteru in het gedicht ‘De ondergaande zon in Nederland’, met hun Franse equivalenten, omdat Tekkan en Akiko Europa zo overduidelijk ervoeren via de Franse taal.

    De afbeelding toont een detail van het schilderij Atelier (Atorie アトリエ) uit 1912 van Kobayasahi Mango. Collectie Kagawa Prefectural Museum 香川県立ミュージアム.

    Nederland was dus een maar kort oplichtend vlekje op de radar en zeker geen hoogtepunt van de Europese reis van de beroemde Japanse dichter Yosano Akiko. Dat herinneringen blijven vervormen tot ze geschikter functie krijgen in het eigen verhaal wordt allicht geïllustreerd door de enige tanka die Akiko bij mijn weten aan haar verblijf in Amsterdam wijdde, en dan nog alleen indirect. In 1931, dus bijna twee decennia later, dichtte zij:

    onze auto

    parkeren we in de regen

                bij Nanao op Noto

    en even moet ik denken

                aan dat verre Amsterdam

    waga kuruma / noto no nanao no / ame ni tate / shibaraku omou / amusuterudamu

    わが車能登の七尾の雨に立てしばらく思ふアムステルダム

    Op 5 januari 1931 bezocht Yosano het plaatsje Nanao, op het Noto-schiereiland aan de Japanse Zee. Opgenomen in de bundel Shinrin no ka 深林の香 (‘De geur van een diep bos’, 1933).

    Ik gebruikte:

    • Tekkan Akiko zenshū 鉄幹晶子全集 [De verzamelde werken van Tekkan en Akiko], bekkan 別巻 [appendix] 1 (Shūihen: shi 拾遺篇——詩 [Verspreide geschriften: vrij vers]), red. Itsumi Kumi 逸見久美 e.a. (Tokyo: Bensei Shuppan, 2013).
    • Tekkan Akiko zenshū 鉄幹晶子全集 10 (Parii yori 巴里より, Yattsu no yoru 八つの夜 [ ‘Vanuit Parijs’, ‘Acht nachten’]), red. Itsumi Kumi 逸見久美 e.a. (Tokyo: Bensei Shuppan, 2003).
    • Fukunaga Katsuya 福永勝也, ‘Yosano Akiko, Hiroshi fusai no Pari, yōroppa shōyō to “Natsu yori aki e”’ 与謝野晶子,寛夫妻のパリ,ヨーロッパしようようと『夏より秋へ』 [‘Het Parijs en de Europese omzwervingen van het echtpaar Yosano Akiko en Tekkan en Van de zomer tot de herfst’], Ningen bunka kenkyū 人間文化研究 36 (2016), p. 97-148.

    Bij mijn weten zijn dit de allereerste vertalingen ooit van deze Hollandse gedichten van Yosano Akiko.

    De afbeelding toont Het Damrak te Amsterdam (1903) van George Hendrik Breitner (1857-1923). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

  • gouden vogeltjes

    gouden vogeltjes

    goudkleurige

                heel kleine vogeltjes

                            vormen ze

    gingko-bladeren vallen

                op een heuvel in de avondzon

    konjiki no / chiisaki tori no / katachi shite / itchō chiru nari / yūhi no oka ni

    金色のちひさき鳥のかたちして銀杏ちるなり夕日の岡に

    Een tanka van Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942). 

    Een vleugje locale trots: de Leidse Hortus Botanicus heeft een heel oude en dus inmiddels grote gingko-boom (Ginkgo biloba, Jp. itchō 銀杏), die daar in 1785 is geplant. De Leidse gingko is de op een na oudste van Europa. Afgelopen week werd de boom verkozen tot Nederlandse boom van het jaar. 

    De gingko is de dinosauriër onder de bomen en stamt ook uit de tijd dat er nog dinosauriërs op aarde rondliepen. Het blad ervan heeft een typische waaiervorm met een inkeping in het midden.

    Jammer genoeg is de Leidse gingko een mannetje, wat betekent dat die geen vruchten draagt. De geroosterde en licht gezouten gingko-noten (ginnan 銀杏) zijn een perfect borrelhapje.

    De Hongō-campus van de Universiteit van Tokyo in de herfst.

    In de herfst verkleuren de bladeren ervan tot een schitterend goudgele kleur. Mijn twee herfsten aan de Universiteit van Tokyo brachten me de pracht ervan goed bij: de Hongō-campus staat vol met gingko’s en in het najaar lag die elke ochtend bedekt met een gouden tapijt. Totdat universitair bestuur later op de dag ingreep en oude mensjes (ja, zij waren veel kleiner dan ik — die in alles buitenmaats was) dat alles liet opvegen.

    De foto toont gevallen gingko-bladeren.

  • warme bloei

    warme bloei

    in mijn borst

                een hart waarvan de bloem

                            heel warm en zwoel

    ontbloeien gaat, zo voelt dat

                in een droom op een lentenacht

    waga mune no / kokoro no hana no / atatakō / saku ka to omou / haru no yo no yume

    わが胸の心の花の暖かう咲くかと思ふ春の夜の夢

    Een gedicht uit het begin van de vorige eeuw, van Yanagihara Byakuren 柳原白蓮 (1885-1967).

    Af en toe word ik gevraagd of ik het origineel van een haiku identificeren wil die iemand in vertaling heeft gevonden. Mijn standaardantwoord is altijd ‘nee’. Ik leg dan uit dat dat dat in de praktijk onbegonnen werk is, omdat zulke vertalingen vaak vrij omspringen met het origineel — helemaal als het vertalingen van vertalingen zijn, wat nogal vaak het geval blijkt te wezen. Je moet dus gaan gokken naar woordflarden die in het origineel hadden kunnen staan, wil je een kans maken de Japanse tekst terug kunnen vinden.

    Voor mezelf maak ik natuurlijk een uitzondering. Een bescheiden hobby van me is om van vroege vertalingen te kijken of ik het Japanse origineel kan achterhalen. Die hobby heeft vooral te maken met een interesse in de geschiedenis van vertalingen vanuit het Japans. 

    De Engelse versie uit 1927.

    Dit gedicht van Byakuren bestaat in een Engelse versie in wat bij mijn weten de eerste vertaling naar een Europese taal van haar poëzie is, uit 1927. In een bundel die drie op dat moment toonaangevende tanka-dichteressen presenteert wordt zij voorgesteld als ‘Witte Lotus’ (‘White Lotus’), wat een letterlijke vertaling is van haar dichtersnaam Byakuren. De inleiding daarbij (zie bovenaan deze blogpost) benadrukt een in Byakuren-narratieven gebruikelijk zwaar-romantisch dichterbeeld: chique afkomst en in een wolk van schandalen toch gekozen voor de liefde — en dan was zij ook nog eens heel mooi.

    De versie van Glenn Hughes en Yozan T. Iwasaki uit 1927 is:

    In the warmth of this spring night

    The flowers of my heart must surely bloom

    As I lie dreaming.

    Glenn Hughes en Yozan T. Iwasaki, Three women Poets of Modern Japan: A Book of Translation (Seattle: University of Washington Book Store, 1927).

    Waar ik nog steeds niet uit ben is wat we doen met misvertalingen die eigenlijk ook heel mooi zijn. De strekking van het Engels klopt natuurlijk wel. Maar er staat wat anders in het Japans.

    De afbeelding toont de openingspagina’s die Bakuren’s poëzie introduceren in Three women Poets of Modern Japan uit 1927.