Categorieën
poëzie

buitenlands ballonklokje

diep gerimpeld

            waren moeders handen die

                        als ze me aanraakten

naar de zee van Korea

            en de wind daar konden geuren

shiwa fukaki / haha no morote ni / furetareba / chōsen no umi to / kaze ga nioeri

しわ深き母のもろに触れたれば朝鮮の海と風が匂えり

I Chonja, Ponsona no uta, p. 44.

wit ballonklokje

anders gezegd: doraji

die mijn vader plantte

die mijn moeder plantte en die ik

            in mijn haar stak

shirokikyō / sunawachi toraji / chichi ga ue / haha ga ue ware wa / kami ni sasu

白桔梗すなわちトラジ父が植えまた母が植え吾は髪に挿す

I Chonja, Ponsona no uta, p. 150. De kikkyō 桔梗 (Platycodon grandiflorus) heet in het Nederlands wel ‘ballonklokje’ en in het Engels ‘Chinese bellflower’. De Koreaanse naam is doraji (of toraji). Dat is ook de titel van een (noord-)Koreaans volksliedje over die bloem dat in Japan populair werd vanwege de Japanse koloniale bezetting van dat land. (Hetzelfde geldt voor het in Japan zo populaire oud-Koreaanse liedje Arirang, dat ook zo’n ingewikkelde Japans-koloniale erfenis met zich meedraagt.)

landsgrenzen

            over te steken — die gedachte

is mij onbekend

en (geen idee waarom) alleen voor

            apathische Japanners een droom

kokkyō o / koyuru nado to wa / waga shirazu / naze ka kiyowaki / nihonjin bakari kou

国境を越ゆるなどとは吾がしらず何故か気弱き日本人ばかり恋う

I Chonja, Ponsona no uta, p. 81.

buiten dit land

            was nergens nog een woonplek

                        voor mij voorhanden

tot me op een dag gevraagd werd

            hoe zwaar mijn oogleden voelen

kono kuni no / hoka ni sumika wa / motezakarishi / aru hi mabuta no / omosa made tou

この国のほかにはもてざかりし或る日まぶたの重さまで問う

Dat ‘tot’ (in vierde regel) leg ik zelf in de vertaling. Het tweede deel van deze tanka suggereert namelijk een omslag; ik lees in daarin de suggestie van acceptatie. Als zainichi-Koreaan was er in Japan eigenlijk geen plaats voor de dichter — en dan, ‘op een dag’, neemt iemand de moeite te vragen hoe moeilijk ze het heeft: ze wordt gezien.

in welke van al die

            landstalen ze dan ook mag

                        schoongewassen zijn

als droefheid ondergronds

            tot zero zal wegsterven

samazama na / kuni no kotoba de /arau to mo / kanashimi ga chika de / zero to naru nara

さまざまな国の言葉であらうともかなしみが地下でゼロとるなら

Deze tanka is lastig—maar fascinerend. Ik vermoed in elk geval een woordspel: zero to naru (in de laatste regel) zal een mens in eerste instantie begrijpen als ‘tot zero/nul worden (teruggebracht)’, maar I schrijft het werkwoord naru niet als ‘worden’ (成る、なる) maar als ‘echoën’, ‘klinken’ (響る) — en dan  moet je de frase toch uitleggen als ‘als zero echoën’ of misschien zelfs ‘als klank tot niks wegsterven’. Wat betekent dat? Dat is de paradoxale weerklank van een vacuüm. Droefheid is verdwenen en/óf een echo. Nog lastiger wordt het doordat I haar tanka eindigt met het woord nara (‘als’, ‘indien’), waarmee het gedicht een voorwaardelijke zin wordt (‘als …, dan …’) waarvan het tweede deel ontbreekt. Het gedicht is de formulering van een voorwaarde (en dus een bijzin), maar het gevolg krijgen we niet uitgespeld (in wat de hoofdzin zou moeten worden).

Alle vijf bovenstaande tanka staan (ook) in: Nakamura Sonoko 中村苑子, Baba Akiko 馬場あき子 en Shinkawa Kazue 新川和江, red., Josei sakka shirīzu 24: gendai shiika 女性作家シリーズ 24: 現代詩歌集 (Tokyo: Kadokawa Shoten, 1999), p. 276.

‘hé Koreaan

rot eens op naar Korea’

            met die sfeermuzak

klinkend achter mijn rug

            ging mijn meisjestijd voorbij

‘chōsenjin / chōsen e kaere’ no / hayashi-uta / sobira ni kikite / shōjoki wa sugu

「チョーセン人チョーセンへ還れ」のはやし唄そびらに聞きて少女期は過ぐ

I Chonja, Ponsona no uta, p. 42.

Krantenartikel over I Chonja, naar aanleiding van haar zesde bundel, Hōkō mugen 彷徨夢幻 (‘Dwalen in een droomwereld’). Chūnichi shinbun 24 mei 2017.

De tanka-dichter I Chonja (Kor. Lee Jung-ja; of, zoals ze zelf transcribeert: Lee Jungia) 李正子 (1947) is een zogenaamde ‘in Japan verblijvende Koreaan’ (Jp. zainichi chōsenjin 在日朝鮮人), de eufemistische benaming voor inwoners van Japan met Koreaanse wortels die doorgaans al generaties in Japan wonen, er geboren en opgegroeid zijn maar in veel gevallen geen aanspraak kunnen maken op Japanse nationaliteit. 

In de regel stammen zainichi-Koreanen af van families die tijdens de Japanse bezetting van Korea (1905-1945) naar Japan overgebracht zijn, regelmatig voor een vorm van dwangarbeid, en na de Tweede Wereldoorlog om verschillende redenen besloten niet naar Korea terug te keren. Tot mei 1947 waren deze Koreanen onderdanen van het Japanse keizerrijk, maar daarna was dat niet langer het geval en werden zij geclassificeerd als buitenlander met permanente verblijfstatus. De geschiedenis van zainichi-Koreanen is er een van discriminatie met soms verschrikkelijke uitwassen. Schattingen zijn dat het aantal zainichi-Koreanen (maar dan inclusief hen die Japanse nationaliteit wisten te verkrijgen) rond de één miljoen individuen ligt; in een nauwere definitie ligt dat aantal rond de 600.000.

In plaats van zainichi chōsenjin (een term die Japanners muntten) hoor je ook wel zainichi kankokujin 在日韓国人. Het formele verschil is er een van nationaliteit. Omdat zainichi-Koreanen niet de Japanse nationaliteit hebben zijn zij gedwongen om te kiezen voor ofwel Noord-Koreaanse dan wel Zuid-Koreaanse nationaliteit. Het verschil tussen kankokujin (‘[Zuid-] Koreaan’) of chōsenjin (dan verwijzend naar kita-chōsen 北朝鮮, ‘Noord-Korea’) in de samenstelling met het woord zainichi is dan een aanduiding van het specifieke paspoort dat zij bezitten. Wel is chōsenjin ook een erfenis van het nog ongedeelde Korea (‘Chōsen’) én van Japans koloniaal bewind daarover. Er is behoefte aan naamgeving die een keuze van zainichi-Koreanen zelf suggereert. Een door sommigen omarmde alternatieve benaming is zainichi korian 在日コリアン, maar echt aangeslagen lijkt dat nog niet. Dan is er ook nog de poging om zainichi kanjin 在日韓人 (met als Engelse vertaling ‘J-Koreans’) ingang te laten vinden (zie bijvoorbeeld The History Museum of J-Koreans; niet te verwarren met ‘Korean Japanese’, wat strikt gesproken slaat op van oorsprong Koreaanse mensen die de Japanse nationaliteit hebben verworven). Naamgeving doet veel voor en zegt evenzeer veel over identiteit. Soms wordt zainichi zonder samenstelling gebruikt; dan wordt het door velen ervaren als beledigend, omdat het regelmatig ook beledigend bedoeld is. Sinds een antidiscriminatiewet uit 2016 lijkt dat minder te zijn geworden; daarover kan ik niet oordelen. De aanduiding ‘in Japan verblijvend’ impliceert tenslotte dat iemand niet echt meetelt, maar een ‘vreemdeling’ is; dat voor veel zainichi-Koreanen die status geen eigen keuze is maakt dat extra wrang.

Op haar twintigste stuurde I Chonja onder haar Japanse naam Kayama Shōko (of Masako) 香山正子 een aantal tanka in voor de wekelijkse tanka-pagina van het dagblad Asahi shinbun; haar gedichten werden geselecteerd door een verantwoordelijke redacteur, de tanka-dichter Kondō Yoshimi 近藤芳美 (1913-2006). Kondō zou haar tanka-leraar worden en I werd lid van de Mirai 未来 (‘Toekomst’)-tankagroep.

Zainichi-Koreanen hebben doorgaans een Koreaanse naam, maar daarnaast ook een Japanse naam. Deels is dat een erfenis van de regel uit de koloniale periode waarin de Japanse bezetter Koreanen dwong om een Japanse familienaam aan te nemen. Voor de meeste zainchi-Koreanen is het gebruik ervan een manier om niet op te vallen als ‘vreemdeling’ in het land waarin ze zijn geboren en opgegroeid. Schatting is dat zo’n tachtig procent van zainichi-Koreanen een Japanse naam gebruikt. [Kimu 2004, p. 119.] (Naturalisatie vereiste sowieso een Japanse naam en bijschrijving in een Japans huishouden-register, of koseki 戸籍.) Dat I Chonja nadrukkelijk kiest voor haar Koreaanse naam is een bevestiging van haar specifieke identiteit.

I Chonja

of Lee Jungia

of toch Kayama

wat is nou je naam

            vragen de kinderen

i chonja / mata ri shōko / aruiwa kayama / izure ga na ka to / ko ga toikakeru

イ・チョンジャまた李正子或いは香山いずれが名かと子が問いかける

I Chonja, Ponsona no uta (2003), p. 150. I speelt hier niet alleen met taal maar ook met verschillende schriftsoorten. ‘I Chonja’ イ・チョンジャ is geschreven in katakana, het lettergrepenschrift om buitenlandse woorden en namen mee te transcriberen. Wat ik vertaal als ‘Lee Jungia’ is geschreven met karakters, zodat je daar verschillende talen op projecteren kan. 

Overigens is de titel van I’s debuutbundel, Ponsona no uta 鳳仙花のうた (‘Balsemienliederen’, 1984), al een onderstreping van haar Koreaanse wortels. Het is een impliciete verwijzing naar het lied ‘Bongseonhwa’ van de Koreaanse componist en musicus Hong Nan-pa (1898-1941), die het componeerde rond 1925. Het lied werd heel populair groeide uit tot een teken van hoop voor een volk onder koloniaal gezag. [Kimu 2004, p. 121.]

Dat Koreanen in Japan of Japanners van Koreaanse afkomst de tanka-vorm beoefenen is vrij uitzonderlijk. De Koreaanse vertaalster Kim Hun-a (Jp. Kimu Funa キムフナ) noemt als vroege voorbeelden Koreaanse auteurs in de jaren ’30 en vroege jaren ’40 van de vorige eeuw, dus tijdens de Japanse koloniale bezetting. [Kimu 2004, p. 101.] Op het eerste gezicht is dat niet verwonderlijk: een dichtvorm die de reputatie heeft een eeuwenoud, ‘puur Japans’ lyrisch genre te zijn is niet heel aantrekkelijk voor een mensen die door Japanners gekoloniseerd zijn. Toch leent de tanka zich als een modern genre voor vele toepassingen en vele stemmen.

Ook de Ainu-dichter Iboshi Hokuto 違星北斗 (1901-1929) gebruikte de tanka juist als een protestgenre voor aanklachten tegen Japanse onderdrukking.

Voor I Chonja was haar ontmoeting op de middelbare school met de tanka, toen haar leraar Japanse poëzie voorlas, een kantelpunt. [Kimu 2004, p. 104.] In een thuissituatie waarin haar ouders uiterst wantrouwend tegenover Japanners stonden en hun dochters liefst binnen de zainichi-gemeenschap zagen opereren was haar enorme affiniteit met tanka op zijn zachtst gezegd opvallend.

‘Met die Japanse

            mannen geen geflikflooi, hoor je’

door vaders hand

            werd dat zo vaak bij mijn zussen

                        en bij mij hard ingeramd

‘nihon no / otoko wa kou na’ / chichi no te ni / ikutabi ane mo / ware mo utarete

<日本のおとこは恋うな>父の掌にいくたび姉もわれも打たれて

I Chonja, Ponsona no uta, p. 151; ook geciteerd in Kimu 2004, p. 105. I’s vader, in 1910 in Korea geboren, kwam in 1929 naar Japan als arbeider; in Japan kreeg hij drie dochters.

In het Japans te schrijven is voor I Chonja minder beladen dan het voor een voorgaande generatie was, omdat het simpelweg geen keuze is. Als tweede-generatie Koreaanse Japanner (of ‘J-Koreaan’) is voor haar, net als andere Koreaanse Japanners van haar generatie het Japans haar eerste (en mogelijk enige) taal. [Kimu 2004, p. 109; Takayanagi 2007, p. 148.]

Het zoeken naar haar eigen plaats in dit krachtenveld van identiteiten is duidelijk —en niet zo verwonderlijk— een alles doordringend thema in haar leven en poëzie.

            Waar ik ook was, ik was altijd een beetje anders. Het verschil tussen Korea en mij. Het verschil tussen Korea en Japan. Elke keer dat ik die subtiele maar o zo grote verschillen probeer te begrijpen, zie ik mezelf altijd omringd door een groep Japanners. Had ik tussen allemaal Koreanen gewoond, had ik misschien wel nooit tanka geschreven.

            In mijn eentje dichten, denken. Dat is een wipwap-spel tussen het Japanse cultuurklimaat en mij. Het is een wipwap-spel tussen de tanka en mijzelf die opgroeide in het klimaat van het dunbevolkte Ueno.

 どこにいても、いつも少し違う私。朝鮮と私の違い。朝鮮と日本の違い。微妙で、だが大きいその違いを分かろうとするとき、つねに日本人の群れのなかにいた私を思い浮かべる。朝鮮人が密集する地域にいたならば、私は短歌を作ることにならなかったかもしれない。
 一人で歌い、考える。それは日本の風土と私のシーソーゲームである。過疎の地、上野の風土に育てられた私と短歌とのシーソーゲームである。

I Chonja, Ponsona no uta, p. 21. I gebruikt hier een in zekere zin oud woord voor ‘Korea’, namelijk chōsen 朝鮮: een woord dat verwijst naar een niet langer bestaand, ongedeeld Korea en daarmee naar het idee van een Korea-in-Japan. I groeide op in het plaatsje Ueno (ook wel Iga-Ueno) in de prefectuur Mie, met destijds een bevolking van slechts 60.000 en waar maar weinig zainichi-Koreanen woonden. Lastig te vertalen vind ik altijd het beladen woord fūdo 風土 (‘cultuurklimaat’): de term slaat niet alleen op de natuurlijke gesteldheid van een gebied maar heeft doorgaans de implicatie ook iets te zeggen over de culturele of zelfs spirituele aard van de mensen die daar wonen (ik overwoog iets met de dubbelheid van ‘natuur’ te doen, maar zag ervan af).

Omdat zainichi-Koreanen niet de Japanse nationaliteit hebben, worden zij in het dagelijks leven voortdurend gewezen op hun status als ‘vreemdeling’. Zo zijn zij uitgesloten van banen waarvoor de Japanse nationaliteit vereist is. Ook moeten zij ten alle tijden een registratie als wettelijk in Japan verblijvende vreemdeling op zak hebben. Tot 1993 was onderdeel van die registratie het nemen van vingerafdrukken. Omdat mensen met een Japanse nationaliteit hoeven hun vingerafdrukken niet laten nemen (dat is alleen van toepassing op gearresteerde misdadigers), was het voor zainichi-Koreanen in de praktijk onmogelijk om te voorkomen dat buurtgenoten hun status als ‘vreemdeling’ te weten kwamen wanneer zij op een gemeentekantoor hun vreemdelingenpas moesten verlengen. 

Er waren langdurige protesten nodig om de vingerafdrukregistratie voor zainichi-Koreanen af te schaffen. Tegenwoordig moet verder elke niet-Japanner die het land binnenkomt, ook als kortverblijvende toerist, vingerafdrukken laten scannen; inkt komt er niet meer aan te pas. De schaal waarop het gebeurt, en het feit dat dat zo’n vingerafdrukregistratie voor buitenlanders nu natuurlijk voor meer landen geldt, gaat gepaard met gewenning.

Die vingerafdrukregistratie was stigmatiserend voor zainichi-Koreanen. Raar is het dus niet dat je in I Chonj’a poëzie dat als onderwerp ook tegenkomt. [Zie ook: Kimu 2004, p. 123.]

van het schiereiland 

            overgestoken is het iemands

                        ademtocht?

                        een brandmerk?

mijn vingers liet ik neerdrukken

            en zette een vingerafdruk

hantō o / koekishi mono no / ikizuki ka / rakuin ka / yubi shimerasete / shimon o oshinu

半島を越えきしものの息づきからくいんかゆびしめらせて指紋を押しぬ

I Chonja, Ponsona no uta (2003), p. 154. Dit is een onregelmatige tanka, met zesendertig in plaats van eenendertig morae; je zou kunnen zeggen: een tanka met een extra ‘regel van vijf morae (5-7-5-5-7-7). Ik ben er niet uit hoe ik hier ikizuki 息づき (nu vertaald als ‘ademtocht’) het beste interpreteren kan.

een misdadiger

            ben ik niet, protesteerde ik

in mijn vreemdelingenpas

            zwarte vingerafdrukken te zetten

                        is iets dat langzaam went

hanzaisha / ni arazu to aragaishi / gaijin tōrokusho ni / kuroki shimon o / osu mo nareyuku

犯罪者にあらずとあらがいし外人登録書に黒き指紋を押すも慣れゆく

I Chonja, Ponsona no uta (2003), p. 154. Dat ‘ik’ voeg ik als vertaler telkens in. Het Japans maakt het mogelijk om niet te specificeren wie het onderwerp is. De ‘vreemdelingenpas’ (gaijin tōrokusho; de volledige term is gaikokujin-tōroku shōmeisho 外国人登録証明書, ‘bewijs van vreemdelingenregistratie’) is sinds 2012 een plastic kaart. Ik herinner me uit mijn eerste studieverblijven in Japan protestacties van in Japan wonende (witte) buitenlanders tegen het registeren van hun vingerafdrukken, met precies hetzelfde argument.

Tokyo’s ‘Koreatown’ in Shinōkubo.

Japanse Koreanen (en Koreaanse Japanners) zijn in het dagelijks leven, zeker voor niet-Japanners, niet te onderscheiden van Japanse Japanners. Het is vooral in de zogenaamde ‘Koreatowns’ van de grote steden als Osaka, Tokyo of Yokohama dat je weer eens beseft dat Japan al heel lang een multi-etnische maatschappij is. Je kan natuurlijk ook I Chonja’s poëzie lezen.

Ik las:

  • I Chonja [Kor. Lee Jungia (Lee Jung-ja)] 李正子, Ponsona no uta ポンのうた (Tokyo: Kage Shobō, 2003, 20122). [Dit is een vermeerderde editie van I’s Furimukeba nihon ふりむけば日本 (‘Terugkijkend: Japan’, 1994).]
  • Kimu Funa キムフナ [Kor. Kim Hun-a], ‘Zainichi josei kajin I Chonja’ 在日女性歌人 李正子論, Senshū kokubun 専修国文 74 (2004), p. 101-132.
  • Takayanagi Toshio 高柳俊男, ‘Zainichi bungaku to tanka: Kan Bufu o tegakari to shite’ 在日文学と短歌:韓武夫を手がかりとして, Shakai bungaku 社会文学 26 (2007), p. 148-160.
  • Kayoko Aoki, ‘Over the Seas, over the Generations: Narratives of Multigenerational Korean Women in Japan and Japanese American women in the United States’, ongepubliceerd proefschrift, The University of San Francisco, 2008.

Verder is er een enorme hoop academische literatuur over zainichi-Koreanen, vroeger en nu.

De foto is een still uit de film GO ゴー (Go, 2001) van regisseur Yukisada Isao 行定勲, naar de gelijknamige roman uit 2000 van de zainichi-Koreaanse auteur Kaneshiro Kazuki 金城一紀 (1968). Het is het prijswinnende verhaal van een jonge zainichi-Koreaan die worstelt met het vinden van zijn plaats in de Japanse maatschappij, waarin mensen als hij worden gediscrimineerd, in zijn relatie met zijn vader die om materialistische redenen de onder zainichi-Koreanen vrij veel voorkomende identificatie met (communistisch) Noord-Korea verruilt voor (kapitalistisch) Zuid-Korea, en tenslotte in zijn relatie met een Japans meisje dat zich niet bewust is van zijn Koreaanse identiteit. Zie ook: David S. Roh, ‘Kaneshiro Kazuki’s GO and the American Racializing of Zainichi Koreans’, Verge: Studies in Global Asias 2: 2 (2016), p. 163-187. (Al begrijp ik niet waarom Roh schrijft dat de roman uit 1996 dateert.) De roman werd in 2018 naar het Engels vertaald: Kazuki Kaneshiro, Go: A Coming of Age Novel, vert. Takami Nieda (AmazonCrossing, 2018).

Categorieën
poëzie

glanzender jeogori

op de vergeelde

            foto mijn grootmoeder die

onmiskenbaar

            in Koreaanse golven

                        glanzender in haar jeogori

kibami-taru / shashin no sobo wa / magire naki / chōsen no nami / kirakirara chogori

黄ばみたる写真の祖母はまぎれなき朝鮮の波きらきららチョゴリ

I Chonja, ‘Sobo no shashin’ 祖母の写真 (‘Grootmoeders foto’), in Ponsona no uta (2003), p. 172. Een jeogori (Jp. chogori) is het jak dat vrouwen als onderdeel van hun traditionele Koreaanse kleding (hanbok) dragen. I’s laatste ‘regel’ is intrigerend: dat kirakirara is, denk ik, een woord dat zij zelf verzon—je vindt het in elk geval niet in een woordenboek. Het is duidelijk verwant aan het reguliere kirakira (‘[fel] glinsterend’), maar suggereert een ingetogener glimmen of glanzen. Dat sluit op zich goed aan bij de notie van een vergeelde foto en de suggestie van tijd die in golven verstrijkt die die foto oproept. Opvallend daarbij is dat door het toevoegen van die extra lettergeep ‘-ra’ de laatste ‘regel’ eigenlijk te lang wordt en namelijk acht in plaats van zeven morae (lettergrepen, zal ik maar even zeggen) telt. Het totaaleffect is de aandacht te zuigen naar die laatste woorden. (Ik had hierbij geweldige steun aan de inzichten van mijn collega Keiko Yoshioka.) Het wat ongrammaticale van de tanka heb ik in mijn vertaling proberen te reproduceren.

1 juni is Dag van de fotografie in Japan (shashin no hi 写真の日).

De tanka-dichter I Chonja (Kor. Lee Jung-ja; of, zoals ze zelf transcribeert: Lee Jungia) 李正子 (1947) is een zogenaamde ‘in Japan verblijvende’ (Jp. zainichi chōsenjin 在日朝鮮人, var. zainichi kankokujin 在日韓国人). Dat is de eufemistische benaming voor inwoners van Japan met Koreaanse wortels.

In een volgende blogpost meer hierover (inclusief de verschillende benamingen), want het is een belangrijk thema voor I Chonja, en met haar voor bijna een miljoen anderen in Japan.

De foto toont Jonge Koreaans-Japanse vrouwen (of ‘J-Koreans’) in het dorp Tenryū, Ina-district, prefectuur Nagano, 1948. Collectie The History Museum of J-Koreans (Zainichi Kanjin Rekishi Shiryōkan 在日韓人歴史資料館), Tokyo.

Categorieën
poëzie

Ainu-haat

‘Ainu!’

dat ene woord

            werd meer dan wat ook

een belediging

            een vlammende haat

ainu!     to / tada hitokoto ga / nani yori no / bujoku to natte / moeru funnu da

アイヌッ! とただ一言が何よりの侮辱となって燃える憤怒だ

Gepubliceerd in Otaru shinbun 小樽新聞, 3 oktober 1927. Iboshi Hokuto kashū, p. 16.

‘wel godver!     

            zak in de stront, jij!’

word je heftig

            toegeschreeuwd en dan daarna

                        een bevreemdende stilte

‘nani!     / kuso demo kue!’ to / gōhō ni / donatta ato no / mukimi na chinmoku

「何ッ! 糞でも喰へ!」と剛放にどなった後の無気味な沈黙

Otaru shinbun, 28 oktober 1927. Iboshi Hokuto kashū, p. 18. Het woord gōhō (ni) 剛放(に) (als dat tenminste de lezing is die Ibuto in gedachten had) ken ik niet. In deze context vermoed ik dat het als bijwoord het ‘schreeuwen’ (donaru) moet versterken. Dat het in Mandarijn (gāng fàng) iets als ‘vastberaden’ betekenen kan lijkt me hier niet relevant.

            Dorpszangen:

‘’t is niet anders’

            en daarmee op te geven: dat

                        sentiment —ach!

heeft Ainu

            als sentiment kapot gemaakt

shikata naku / akirameru to iu / kokoro aware / ainu o / horoboshita kokoro

  コタン吟
しかたなくあきらめるといふこころあはれアイヌを亡したこころ

Shintanka jidai 新短歌時代, februari 1928. Iboshi Hokuto kashū, p. 32. ‘Dorp’ is de vertaling van het Ainu-woord kotan コタン.

goudeerlijke

            Ainu werden bedrogen door

                        de Shamo: juist die

is pas beklagenswaardig

            het zij hem vergeven in deze tijd

shōjiki na / ainu o damashita / shamo o koso / aware na mono o / yurusu kono koro

正直なアイヌをだましたシャモをこそあわれなものとゆるすこの頃

Shintanka jidai februari 1928. Iboshi Hokuto kashū, p. 33. Shamo is de naam die Ainu gebruikten (en nog wel gebruiken) voor Japanners.

            Een Ainu-bedelaar:

door kinderen

            geplaagd en uitgelachen

                        moet hij huilen

de Ainu-bedelaar

            van wie ik mijn gezicht afwend

kodomora ni / karakawarete wa / naite iru / ainu no kojiki ni / kao o somukeru

  アイヌの乞食
子供等にからかはれては泣いてゐるアイヌの乞食に顔をそむける

Shintanka jidai. Iboshi Hokuto kashū, p. 34.

met een slok op

            zijn de Shamo en de Ainu

                        net hetzelfde

merkt het dienstmeisje

            met een glimlach op

sake nomeba / shamo mo ainu mo / onaji da te / aido no menoko / waratte imasu

酒のめばシャモもアイヌも同じだテ愛奴のメノコわらってゐます

Shintanka jidai. Iboshi Hokuto kashū, p. 35.

als ik in de krant

            een artikel over Ainu

                        lees, dan heb ik telkens

diepdoorvoelde pijnlijke

            gedachten en gevoelens

shinbun de / ainu no kiji o / yomu goto ni / setsu ni kurushiki / waga omou kana

新聞でアイヌの記事を読む毎に切に苦しき我が思かな

Iboshi Hokuto kashū, p. 58.

Links: De inhoudsopgave van het eerste nummer van Kotan コタン (‘Het dorp’), 1927. Dit gestencilde tijdschrift van Iboshi en anderen was gewijd aan Ainu-cultuur en -identiteit. Rechtsboven: fotoportret van Iboshi Hokuto. Rechtsonder: vijf tanka van Iboshi in eigen handschrift.

Iboshi Hokuto 違星北斗 (1901-1929) was een activist voor gelijkberechting van de Ainu en gebruikte daarvoor onder meer een klassieke Japanse poëzievorm, de tanka. De Ainu zijn een inheems etnische groep die overwegend op Japans noordelijke hoofdeiland Hokkaido wonen. Sinds de kolonisatie van Hokkaidō door Japan in de negentiende eeuw zijn de Ainu op verschillende manieren zwaar gediscrimineerd. Als gevolg daarvan waren zij begin twintigste eeuw economisch achtergesteld en gingen vaak gebukt onder een opgedrongen minderwaardigheidsgevoel.

Iboshi was zelf Ainu en publiceerde in kranten en poëzietijdschriften gedichten en andere teksten die altijd of de achterstelling van de Ainu als onderwerp hebben dan wel het zelfbeeld van Ainu willen verbeteren.

Als kind had zijn moeder Hokuto naar een Japanse school gestuurd, in plaats van de voor Ainu-kinderen gebruikelijke ‘School voor de oude bewoners [van Hokkaido]’ (kyūdojin gakkō 旧土人学校). Daar was het onderwijs beter (de schooltijd duurde ook twee jaar langer), maar Hokuto werd er erg gepest door Japanse medeleerlingen. 

Wel had Hokuto een begripvolle Japanse leraar die hem liefde voor haiku en tanka bijbracht en hem stimuleerde om met andere jonge Ainu een culturele club voor Ainu te beginnen (de Chawashō Gakkai 茶話笑学会, ‘De lachen-bij-theegesprekken studieclub’).

In 1925 kreeg Hokuto de kans naar Tokyo te verhuizen, waar een baan voor hem was geregeld. Daar kwam hij in contact met de taalkundige Kinda’ichi Kyōsuke 金田一京助 (1882-1971), die een levenslange studie van het Ainu maakte en hem koppelde aan anderen met een interesse in Ainu-cultuur. Anderhalf jaar na aankomst in Tokyo reisde Hokuto weer naar Hokkaido terug. Hij was er nu van overtuigd dat zijn rol moest zijn om in Hokkaidō onder de Ainu te verblijven en hen zelfrespect en een liefde voor de eigen cultuur te voeden. 

Hokuto had altijd al een zwakke gezondheid gehad. In 1928 spuugde hij bloed op, wat het begin was van een negen maanden durend ziekbed waar hij niet meer beter uit zou komen. In januari 1929 stierf hij, 27 jaar oud.

Zijn eerste tanka publiceerde Hokuto op 3 oktober 1927, in de Hokkaidoose krant Otaru shinbun. Precies 97 jaar later, op 3 oktober 2024, herdacht Google dat met een doodle die ontworpen was door Japanse kunstenaar Koji Yuki.

In de twee jaar na zijn terugkeer uit Tokyo produceerde Hokuto een onophoudelijke stroom aan teksten, waaronder veel tanka, die hij onder meer in lokale kranten gepubliceerd kreeg. Laat in 1927 begon hij aan een baan als colporteur van aambeienzalf, wat een goed excuus was om verschillende kotan (dorpen) van de Ainu-bevolking af te reizen. Ook die ervaring verwerkte hij in verschillende tanka, zoals:

‘voor aambeien

            aanbevolen zalf te koop!’

niemand te zien

            op de pas waarop ik met luide

                        stem mijn verkoopleus probeer

‘gatchakki no / kusuri ikaga’ to / hito no inai / tōge de ōki na / koe dashite miru

「ガッチャキの薬如何」と人の居ない峠で大きな声出して見る

Iboshi Hokuto kashū, p. 60. Gatchakki is een dialectwoord voor aambeien dat beperkt is tot Hokkaidō en noord-Honshu; de standaardterm is jishitsu 痔疾 of jikaku 痔核.

Na zijn dood publiceerden Hokuto’s vrienden een bundeling van zijn werk, Kotan: nagelaten werk van Iboshi Hokuto (Kotan: Iboshi Hokuto ikō コタン 違星北斗遺稿, 1930). Uiteraard stonden daarin vele tanka. Die werden voorafgegaan door en korte maar krachtige beginselverklaring van Hokuto zelf:

       Mijn tanka

       Mijn gedichten zijn allemaal bonkig, alsof er twee, drie zinnen uit een krantencommentaar staan. Natuurbeschrijvingen maak ik nauwelijks. Geen idee waarom dat is.

       Al hamer ik altijd op onomwonden eerlijkheid, wat er in mijn gedichten geëtaleerd wordt is niets anders dan het bepleiten van de zaak van de Ainu. Daarbij komen ook allerlei persoonlijke emoties kijken, maar uiteindelijk zijn mijn tanka het gevolg van een defect in de hedendaagse maatschappij. Én het is omdat ik overvloei van een verlangen naar een Hokkaidō waar het fijn leven is, naar een wereld zonder conflicten. Bovenal wil ik geen poëzie schrijven over onwaarheden die doelbewust mijn eigenheid ontkennen.

  私の短歌
       
.
 私の歌はいつも論説の二三句を並べた様にゴツゴツしたもの許りである。叙景的なものは至って少ない。一体どうした訳だろう。
 公平無私とかありのまゝにとかを常に主張する自分だのに、歌に現われた所は全くアイヌの宣伝と弁明とに他ならない。それには幾多の情実もあるが、結局現代社会の欠陥が然らしめるのだ。そして住み心地よい北海道、争闘のない世界たらしめたい念願が迸り出るからである。殊更に作る心算で個性を無視した虚偽なものは歌いたくないのだ。

Iboshi Hokuto kashū, p. 57.

Intrigerend is dat iemand uit een etnische minderheid een traditionele poëzievorm gebruikt die zwaar geassocieerd wordt met de hen onderdrukkende cultuur. Begin twintigste eeuw was de tanka, net als de haiku een traditioneel genre dat nadrukkelijk als moderne poëzie heruitgevonden werd. Dat hielp, natuurlijk, maar vooral laat Hokuto’s keuze voor de tanka zien dat je zo’n poëzievorm ook kunt opeisen voor je eigen culturele —en dus politieke— strijd.

Ik ken wel andere, onder meer vrij recente voorbeelden in Japan van hetzelfde fenomeen. Bij gelegenheid zal ik tanka van een dichter uit de Koreaanse minderheid in Japan behandelen.

  • Iboshi Hokuto 違星北斗, Iboshi Hokuto kashū: Ainu to iu atarashiku yoi gainen o 違星北斗歌集:アイヌと云ふ新しく良い概念を (Tokyo: Kadokawa, 2021).

De foto toont een Ainu-zang in een dorp bij het Kussharo 屈斜路-meer, noordoost-Hokkaidō, begin twintigste eeuw.

Categorieën
poëzie

aan je haar getrokken

om narcissen in

            bloei uitgekozen was het

                        dat ik over het golvenpad kwam

iets blijft me tegenhouden

            op deze reis naar Awaji

suisen no / hana ni sugurare / namiji kitari ya / ushirogami hiku / awaji no tabi yo

水仙の花に選られ浪路来りや後髪引く淡路の旅よ

Een tanka met een wat aparte prosodie: 5-7-7-7-7. De uitdrukking ushirogami ga hikarareru 後髪が引かれる (let. ‘aan het haar op je achterhoofd getrokken worden’) betekent iets als: niet in staat zijn een volgende stap in je leven te zetten omdat je nog blijft hangen in te verleden. 

Aan het strand van Keino Matsubara op de zuidwestkust van het Japanse eiland Awaji groeit een pijnboombos. Daardoorheen loopt het anderhalve kilometer lange ‘Aanzoekpad’ (puropōzu kaidō プロポーズ街道). Dat pad is weer gelardeerd met tegels (of eigenlijk ‘dakpannen’, kawara ) met daarop gegraveerde teksten.(De teksten zijn op de tegels aangebracht voordat ze de oven ingingen.)

Die teksten zijn onderdeel van een competitie. Voor Valentijnsdag 2024 werden er zoetsappige teksten beoordeeld door een jury (zie dit filmpje), met de wat tenenkrommende slogan ‘aanzoektegels voor een onveranderlijke liefde’ (puropōzu kawaranu ai プロポーズ瓦ぬ愛).

Er zit een geforceerd woordspel in de slogan: kawara (‘dakpan’) en kawaranu (‘onveranderlijk’).

Blijkbaar was in een eerder stadium de spelregel dat men waka of haiku schrijven moest. Die gedichten zijn soms minder zoetsappig.

Tegels (‘dakpannen’) met traditonele poëzievormen langs het Aanzoekpad, Keino Matsubara, Awaji-shima, 28 maart 2026. Foto Lara Smits.

Bij deze een van die gedichten, door ene Yamaji Setsuko 山路節子, uit de stad Sakai, net ten zuiden van Osaka.

Ik heb ze niet gezien, maar in maart bloeien er op verschillende plekken op het eiland inderdaad trompetnarcissen (rappa suisen ラッパスイセン). De verleiding is groot om te speculeren dat de dichter naar het eiland kwam om een oude liefde of moeilijke relatie te vergeten, met de narcissen als excuus, en in die missie niet zo slaagt.

Het gedicht van Yamaji Setsuko (rechts) langs het Aanzoekpad, Keino Matsubara, Awaji-shima, 28 maart 2026.

Categorieën
poëzie

door beren opgegeten

            Toen de priester Ga’en in een bergtempel verbleef die ‘Berenpakhuis’ genoemd werd, zei hij tegen de priester die daar abt was ‘Schrijf een gedicht’:

                                                            Dichter onbekend

de wereld achter me

            en de bergen ingetrokken

                        dat is wat ik deed

dat beren me zouden opeten

            heb ik geen moment gedacht

mi o sutete / yama ni irinishi / ware nareba / kuma no kurawamu / koto mo oboezu

  くまのくらといふ山寺に賀縁法師の宿やどりて(はべり)けるに、ぢうし侍ける法師に歌めとひければ
             よみ人らず
身をすて山に(いり)にし我なればくまのくらはむこともおぼえず

Shūi wakashū 7-382. In de categorie ‘Namen van dingen’ (mono no na 物名): gedichten waarin een woord of naam verstopt zit. In de woorden ‘dat beren me zouden opeten’ (kuma no kurawamu koto) zit ook de naam ‘Berenpakhuis’ (Kuma-no-kura). Ga’en (data onbekend, actief eind tiende eeuw) was een geestelijke uit de Fujiwara-clan.

Afgelopen vrijdag werd bekend gemaakt dat het woord (of: karakter) voor het jaar 2025 ‘beer’ (kuma ) is.

Het karakter van het jaar wordt op basis van een enquête vastgesteld door de Japanse Stichting Bekwaamheidstest Karakters (Nihon Kanji Nōryoku Kentei Kyōkai 日本漢字能力検定協会; Eng. Japan Kanji Aptitude Testing Foundation). ‘Beer’ kreeg 12.3% van de publieksstemmen.

Japanse beren zoeken steeds vaker de bewoonde wereld op en botsen daar met mensen. 2025 vormt een droevig record: begin deze maand stond de teller op 217 door een berenaanval gewonde mensen en nog eens dertien aanvallen die voor de mens dodelijk afliepen. Verreweg de meeste aanvallen (ruwweg twee-derde) deden zich in noordoost-Japan voor.

Japan kent een grote berenpopulatie (schattingen houden het op 54.000), die in nog geen vijftien jaar verveelvoudigd is doordat klimaatverandering de laatste decennia voor meer voedsel heeft gezorgd (15.000 beren in 2012!). Wel waren er dit jaar aanzienlijk minder noten en bessen te vinden in de bossen en dat lijkt een reden te zijn dat meer beren voedsel gaan zoeken bij de mensen, zeker nu ze een vetlaag moeten opbouwen voor hun winterslaap. Er zijn voorbeelden van beren die supermarkten hebben overvallen. 

In de klassieke poëzie komen beren nauwelijks voor; meer dan een handjevol voorbeelden ken ik niet. Als ze al in beeld komen is dat doorgaans in een woordspel of als een retorische bijvoeglijke bepaling. Dat begint al in de achtste eeuw:

wilde beren

            leven op die berg zegt men

                        op de Shihase

ook al word ik ondervraagd

            jouw naam zal ik niet noemen

arakuma no / sumu to iu yama no / shihaseyama / semete tou to mo / naga na wa noraji

荒熊之住云山之師歯迫山責而雖問汝名者不告

Man’yōshū 11-2704 (var. 2696). Die beren zitten hier vooral als versiering (of inleidende stoplap, jo 序) bij de naam van de berg. Die berg zit er weer vooral in vanwege het ‘se’ in Shihase, omdat het als binnenrijm werkt met ‘ondervragen’ (semete tou). De aanname van commentatoren is dat dit een gedicht door een vrouw is en dat zij door haar moeder gevraagd wordt naar de identiteit van haar geheime liefde. Voor één keer kan ik H.H. Honda’s rijm wel hebben:

            Glad I will bear the blame

            For hiding my love’s name.

H.H. Honda, The Manyoshu: A New and Complete Translation (Tokyo: Hokuseido Press, 1967), p. 206.

in Shinano

            ligt het woeste veld van Suga

                        waar beren eten

die zo ontzagwekkend zijn als

            de natheid van mijn mouwen

shinano naru / suga no arano ni / hamu kuma no / osoroshiki made / nururu sode kana

しなのなる須賀のあらにはむくまのおそろしきまでぬるる袖かな

Sanboku kikashū 1011, door Minamoto no Toshiyori 源俊頼 (1055?-1129). In hofpoëzie zijn de dichters mouwen altijd nat van tranen. Een en al hyperbool, deze waka.

De enige uitzondering —in de zin dat beren wél echt het onderwerp zijn— lijkt deze waka te zijn:

aan mensen niet gewend

            zijn in het woeste veld van Suga

                        de wilde beren

die van een jachtpijlpunt

            geen weet lijken te hebben

hito narenu / suga no arano no / arakuma wa / karu ya no saki mo / shirazugao naru

人なれぬ須賀の荒野のあらくまはかるやのさきもしらずがほなる

Fuboku wakashū 19-12933, door Fujiwara no Tomoie 藤原知家 (1182-1258).

Pas in de twintigste eeuw, zo lijkt het, kom je poëzie tegen die verankerd is in eigen ervaringen met beer en berg. Wandelaars die de bergen ingaan waar beren zijn wordt altijd geadviseerd minstens een belletje of fluitje mee te nemen om die beren te waarschuwen en zo op afstand te houden.

Op één na kwam ik deze voorbeelden tegen als anonieme verzen.

mijn beren mijdend

            belletje klinkt helder

                        als ik het pad beklim

in de diepgroene zomer

            gevuld met mijn druppels zweet

kuma-yoke no / rin o narashite / noboru michi / midori koki natsu / ase no shizuku

熊避けの鈴を鳴らして登る道緑濃き夏汗の滴

een beren mijdend

            belletje weerklinkt helder

een bergwandeling

kuma-yoke no / rin ga hibikase / yama-aruki

熊避けの鈴が響かせ山歩き

berenpoep

weet sporen van paddenstoelen

            helpen verspreiden

de kringloop van het woud

            is voelbaar op het herfstpad

kuma no kuso / kinoko no hōshi / hakobu yaku / mori no junkan / kanjiru akimichi

熊の糞きのこの胞子運ぶ役森の循環感じる秋道

van een berenklauw

            bleven de sporen achter 

                        in de boombast

aan het ecosysteem van een woud

            denk ik op deze wandelroute

kuma no tsume / ato no nokoreru / juhi mite / mori no seitaikei / omou sanpomichi

熊の爪跡の残れる樹皮見て森の生態系想う散歩道

‘beren gesignaleerd’

een waarschuwing in het dorp

            bij een zomers graf

kuma shutsubotsu / mura no keihō / natsu no haka

熊出没村の警報夏の暮

En toch:

iemand vertelt over een beer

’t is niet mooi, maar het maakt me blij

kuma no deta hanashi warui kedo yukai

熊の出た話わるいけど愉快

Deze laatste is een vrije haiku van Uda Kiyoko 宇多喜代子. Een intrigerende prosodie. Ik ben geneigd te lezen: 8-8 morae.

De foto toont Mori Seihan 森清範 (1940), abt van de Kiyomizudera, Kyoto, die het karakter voor ‘beer’ (kuma ) schrijft. 12 december 2025.

Categorieën
poëzie

gevallen

wanneer jouw blik

            me ziet en me opmerkt

is het zo dat ik

            tot miniscule water-

                        deeltjes wordt teruggebracht

kimi no me ni / mirare-iru toki / watakushi wa / komakaki mizu no / ryūshi ni kaeru

君の目に見られいるとき私はこまかき水の粒子に還る

Een van de vervelende dingen van ouder worden is dat je zo geconfronteerd wordt met de vooroordelen die je had als jongmens. Zo kon ik nooit geloven dat oudere mensen de waarheid spraken als zij zeiden dat ze vergeten waren dat ze iets bewaard hadden. Een apart geval in die categorie vond ik destijds de memoires van Hans van Straten, De omgevallen boekenkast (1987). Daarin beweert Van Straten dat toen er een keer boeken uit zijn boekenkast vielen hij allemaal knipsels, aantekeningen en korte notities van zichzelf terugvond die hij in die boeken verstopt had en die nu allemaal naar beneden kwamen dwarrelen. Hij had volledig verdrongen dat hij dat alles zelf in die boeken gestopt had.

Ik beken met enige gêne dat mij nu hetzelfde overkomen is. Het was nóg suffer, eigenlijk. Ik las recent wat en besloot daardoor de pocketeditie van een tanka-bundel uit 1992 te bestellen. Omdat het bijna onmogelijk is iets van de andere kant van de wereld pas maanden later te laten bezorgen in plaats van binnen een week, had ik het boekje snel in huis. Ik las verschillende gedichten erin, las het nawoord (daarover straks meer) en mijmerde een beetje over een excuus om daarmee iets te doen voor dit blog. 

Toen schreef ik een blogpost over een tanka-bundel uit 1987. Als huiswerk opende ik na decennia een Nederlandse vertaling van die bundel. En wat kwam daaruit dwarrelen (ik verzin het niet)? Een krantenknipsel, waarvan ik volstrekt vergeten was dat ik het ooit uit een dagblad knipte en op deze manier bewaard had.

Het knipsel komt uit het dagblad Asahi shinbun van 25 augustus 1992, een datum uit de tijd dat ik voor een tweede keer studeerde aan de Universiteit van Tokio en een prettig verslonsd piepklein appartementje bewoonde in een wijk die later helemaal hip-and-happening zou worden.

Wat me destijds bewoog het stukje uit te knippen zal hetzelfde geweest zijn als wat me er kortgeleden toe dreef op de bestelknop te klikken bij de online-boekhandel om de tanka-bundel Waterdeeltjes (Mizu no ryūshi 水の粒子, 1992; pocketeditie 2018) te kopen: vaag-romantische associaties bij jonggestorven talent (en ja, van mijn eigen generatie).

Het gaat hier om de dood en de postuum uitgegeven poëzie van Andō Miho 安藤美保 (1967-1991), eeuwig 24 jaar oud. Haar licht bizarre manier van overlijden zal ook wel een rol gespeeld hebben.

Een door een vroege dood nooit vervulde belofte van de toekomst is altijd een krachtig ontroerder. Andō’s poëziementor, de tanka-dichter Sasaki Yukitsuna 佐佐木幸綱 (1938-) noemde haar de ‘de hoop van de tanka’ (tanka no hōpu 短歌のホープ) en vertolkte die emoties op papier. In Voorschoten schreef hij een nawoord voor de door Andō’s ouders uitgegeven bundeling van haar gedichten:

            Momenteel probeer ik een lastige tekst, of beter: een nawoord dat ik niet wil schrijven, te schrijven. Op deze manier wil ik geen woorden moeten wijden aan Andō Miho’s tanka-bundel.

            Al ruim een week ben ik steeds weer achter mijn bureau gaan zitten, maar het lukt me niet de pen op papier te zetten. Door het raam bij het bureau in de studeerkamer op de eerste verdieping zie in de verte Nederlands bakstenen huizen. Vanaf de eerste verdieping zie je in de verte gerieflijk hoge populieren en zilverberken staan en hun weelderig groene bladeren glinsteren.

            .

            ‘in een vorig leven

                        was ik misschien wel een boom’

            terwijl ik het auto-

                        portier opentrek

                                    kijk ik op mezelf terug

‘zense wa / ki datta ka mo ne’ / jidōsha no / tobira o akete / ware wo furikaeru

[…]

            In baksteenrode

                        kleren gehuld

                                    kijk ik toe

            hoe in heel kleine stukjes

                        de dingen kapotvallen

renga-iro no / fuku ni kurumari / mite itari / konagona ni ware- / ochite yuku mono

            .

            En al moet ik als ik door het raam naar buiten kijk denken aan haar die zo van bomen hield en komen als ik de bakstenen huizen zie vanzelf bij mij de gedichten bovendrijven van haar die zo van baksteenrood hield, staat mijn hoofd er totaal niet naar daarover te schrijven.

            Wat kunnen we, in het volle besef van haar dood op 24-jarige leeftijd, anders doen dan ons te verbijten over het verdriet en verbittering daarover?

 私は、いま、聞きにくい文章、もっと言えば書きたくはない跋文を書こうとしている。こんなかたちで安藤美保歌集に文章を寄せたくはなかった。
 一週間も前から幾度も机の前に座っているのだが、どうしても筆が進まない。二階にある書斎の机の前の窓からは、煉瓦造りのオランダの家々が遠く見える。二階よりはるかに高いポプラや白樺の木がゆったりと立ち、緑豊かな葉を夏の日にかがやかせているのが見える。
            
.
  「前世は木だったかもね」自動車の扉を開けて吾をふりかえる
<中略>
  煉瓦色の服にくるまり見ていたり粉々に割れ落ちてゆくもの
            
.
 窓の外を見ては、木が奸きだった人が思われ、煉瓦の家を見ては、煉瓦色が好きだった人のこのような歌が心に浮かびはするものの、それを論じようという気持ちにはとてもなれない。
 二十四歳の死という事実の前に、ただ、悲しみと口惜しさをかみしめるほかに、私たちに何かできるというのか。

Sasaki Yukitsuna 佐佐木幸綱, ‘Batsu’ 跋 [Nawoord], in Mizu no ryūshi 水の粒子 (Tokyo: Nagarami Shobō, 2018 [oorspr. 1992]), p. 116-117.

Begin twintig viel Andō op met een prijswinnende tanka-reeks, ‘Mozaïek’ モザイク, waarmee haar bundel opent. Ze studeerde in Tokyo aan de gerenommeerde Ochanomizu-universiteit in Tokyo en begon daar aan een masterprogramma Japanse literatuur, waarbij ze zich concentreerde op laat-klassieke hofpoëzie (met name die van Fujiwara no [Kujō] Yoshitsune). Zoals haar ouders in een eigen nawoord schrijven, was Andō Miho tot haar vroege dood geheel gefocused op de dubbelroute naar wetenschap en dichterschap. Op studiereis in het Hira-gebergte, provincie Shiga, een populaire plek voor bergwandeltochten, viel ze door een misstap met haar hoofd op een rots en overleed de volgende dag in het ziekenhuis zonder ooit bij bewustzijn te zijn gekomen.

allemaal tegelijk

            de wens om omhoog vliegen

                        verkondigen ze

halverwege de heuvel 

            staan groepjes fietsen

issei ni / tobidachitai to / togeru gotoku / saka no tochū ni / mureru jitensha

一斉に飛び立ちたいと告げるごとく坂の途中に群れる自転車

tot elke vingertop

            met tranen opgezwollen

                        ben ik het die

deze trein vervoert

            en weer naar huis brengt

yubisaki made / namida de fukuramite / iru ware wo / densha wa hakobi / mata mochikaeru

指先まで涙でふくらみている我を電車は運びまた持ち帰る

In de reeks ‘een knarsend hart’ (Kishimu kokoro 軋む心).

met toch wat spijt

            wandel ik ’s ochtends rond

                        in treurnis

een spin die ondersteboven

            naar de hemel staren blijft

kui arite / ayumu asa o / maganashiku / kumo wa sakasa ni / sora o mite ori

悔いありて歩む朝をまがなしく蜘蛛はさかさに空を見ており

Van maganashii (dat we vermoedelijk kunnen schrijven als 真悲しい, ‘treurig’) vraag ik me af in hoeverre dat een vondst van Andō zelf is. Ik vind het woord in ieder geval niet in woordenboeken, al is de betekenis ervan duidelijk.

aan de scriptie

            telkens weer blijven schaven

geeft mijn vriendin

            kronkellijnen in haar kin

                        die ik aandachtig bekijk

ronbun no / chōso kasaneshi / yūjin no / ago no kyokusen / mite ori ware wa

論文の彫塑かさねし友人の顎の曲線見ており我は

twee vingers hoog

            is de overmoed die ik me indrink

en met mij samen

            gaat in de avondzon

                        mijn studeren ten onder

tsūfingā / kioite nomeba / morotomo ni / yūhi no naka e / ochiru bengaku

ツーフィンガー気負いて飲めばもろともに夕陽のなかへ落ちる勉学

In de reeks ‘Yoshitsune’ 良経. ‘Twee vingers’ (Eng. two fingers, Jp. tsūfingā) geeft aan tot hoe hoog je de whisky in je glas schenkt.

De afbeelding is een fragment van het bewuste krantenknipsel. Asahi shinbun 25 augustus 1992.

Categorieën
poëzie

kipnuggetdag

‘deze currysmaak

            is geweldig’, heb je gezegd

                        en dat is waarom

vandaag tot Kipnugget-

            dag verklaard zal worden

‘karē-aji ga / ii ne’ to kimi ga / itta kara / kyō wa kara-age / kinenbi to suru

「カレー味がいいね」と君が言ったから今日はからあげ記念日とする
Links: de eerste uitgave van de tanka-bundel Saladedag (Sarada kinenbi サラダ記念日) uit 1987, met een fotoportret van de 24-jarige Tawara Machi. Rechts: een fotoportret van Tawara in dezelfde pose uit 2022, door Uemura Akihiko 上村明彦.

De tanka-dichter Tawara Machi 俵万智 (1962) debuteerde in 1987 met de tanka-bundel Saladedag (Sarada kinenbi サラダ記念日, 1987) en verkocht daarvan dat jaar ruim twee miljoen exemplaren (een getal dat het jaar daarop zou oplopen tot 2,8 miljoen). Zulke verkoopcijfers voor een dichtbundel, en dan nog een waarin uitsluitend de klassieke tanka-vorm gehanteerd werd, waren nog nooit vertoond.

Ik kwam een klein jaar later in Tokyo studeren. Op de onderzoeksafdeling Nationale Literatuur van die achtenswaardige universiteit werd wat besmuikt gereageerd op dit succes. Dat had er alles mee te maken dat Tawara het tanka-genre hanteerde als een vehikel van een jonge vrouw die heel nadrukkelijk in het ‘nu’ van de jaren ’80 leefde, onder andere door voortdurend woorden te gebruiken die helemaal niet hoorden bij het klassieke tanka-repertoire:

‘hou je goed, hè’ —

in dat ene hoekje

            van de McDonald’s

is dat de allerlaatste brief

            die ik jou schrijven zal

‘genki de ne’ / makudonarudo no / katasumi ni / saigo no tegami o / kakiagete ori

「元気でね」マクドナルドの片隅に愛語の手紙を書きあげており

Tawara Machi, Sarada kinenbi (pocketeditie, 199931), p. 158.

Dát, en het verkoopsucces, natuurlijk. Het paste helemaal in de schattigheidscultus die in die jaren in Japan opkwam (inmiddels is het Japanse kawaii redelijk ingeburgerd in de wereld) en waarmee de geleerden niet goed raad wisten. ‘Da’s geen literatuur’, bromde een hoogleraar die met haar in de media zou optreden. Het lezerspubliek zat er niet mee. Tawara’s tanka werden geprezen als ‘fris’ (shinsen 新鮮), ‘jeugdig’ (wakawakashii 若々しい) en ‘onopgesmukt’ (tanjun 単純), vol ‘puurheid’ (pyua-sa ピュアさ) en —alweer— ‘frisheid’ (furesshu-sa フレッシュさ): niet toevallig termen die met die schattigheidscultus geassocieerd werden.

Er volgden heel snel vertalingen: twee naar het Engels, en zowaar ook een naar het Nederlands, door Willy Vande Walle, destijds hoogleraar Japanstudies aan de universiteit van Leuven, en de Vlaamse haiku-dichter Bart Mesotten.

De debuutbundel ontleende zijn titel aan een tanka die, zoals zoveel van de tanka in de bundel, over verliefdheid gaat. De dichter heeft een maaltijd bereid voor het object van haar liefde. Die zegt spontaan dat hij het lekker vindt. Dat moment moet voor de eeuwigheid bewaard door prompt van die dag een officiële herinneringsdag (kinenbi 記念日) te maken:

‘dit smaakt echt

            geweldig’, heb je gezegd 

                        en dat is waarom

de zesde van de julimaand

            Saladedag moet zijn

‘kono aji ga / ii ne’ to kimi ga / itta kara / shichigatsu muika wa / sarada kinenbi

「この味がいいね」と君が言ったから七月六日はサラダ記念日

Tawara Machi, Sarada kinenbi (pocketeditie, 199931), p. 127.

Een aantal jaren later onthulde Tawara in een essaybundel Tanka lezen (Tanka o yomu 短歌をよむ, 1993) dat dit gedicht oorspronkelijk anders was. Een eerdere versie was die die bovenaan deze blogpost vertaald staat. Dat was ook al een herschreven versie. De eerste luidde:

de currysmaak

            van de kipnugget vind je

                        heerlijk, zei je

op deze herinneringsdag

            de zesde van de julimaand

karē-aji no / kara-age kimi ga / oishii to / itta kinenbi / shichigatsu muika

カレー味のからあげ君がおいしいと言った記念日六月七日

Gaandeweg begon Tawara groter belang te hechten aan een frisse ‘s’-klank (‘sarada’, ‘shichigatsu’) en eindigde met de versie die de bundel, de titel zou geven die tot een begrip uitgroeide. 

Zulke overwegingen tonen dat Tawara al vroeg heel bewust met de tanka-vorm experimenteerde. Na haar debuutsucces groeide ze uit tot een gerespecteerde, nog steeds actieve tanka-dichter.

Hier zal ik bekennen dat ik van die eerdere versies geen weet had tot ik afgelopen week een manga (strip) las over een jongeman die een antiquariaat drijft. De serie Boeken zat, kan ze wel verkopen (Hon nara uru hodo 本なら売るほど) van Kojima Ao 児島青 is misschien een stripvariant op romans als Morisaki’s boekwinkel (Morisaki shoten no hibi 森崎書店の日々; vert. Jacques Westerhoven, Meulenhoff, 2024) uit 2010. Het kabbelt allemaal lekker voort, vol ingetogen weemoed en bescheiden problemen die zonder al te veel diepgang tot veilige eindes gebracht worden.

Hoe het ook zij, in een hoofdstuk dat naar mijn smaak wél aanleiding geeft tot overpeinzingen, komt op de openingspagina een vrouw van achter in de vijftig de tweedehandsboekwinkel binnen om boeken te verkopen. Typisch voor het ‘uitleggerige’ soort manga krijgt de striplezer een mini-cursus in ‘Wat te doen als handelaar in oude boeken die net zijn binnengebracht’: selecteren voor verkoop, afstoffen met speciale kwast, schoonvegen, potloodaantekeningen uitgummen, en allerhande ongerechtigheden met olie losweken. Een volgende stap is het boek doorbladeren op zaken die de eigenaar erin heeft achtergelaten om die te verwijderen. Zo haalt de jongeman uit een boek van de inmiddels weer vertrokken vrouw een boodschappenlijstje (‘Dat is nog maar het begin’).

Dan stuit hij op een oorspronkelijk blanco bladzijde met een tekst in meisjeshandschrift. Wat ik heel leuk vind is dat dat een vrij getrouwe weergave is van het ‘schattige’ handschrift zoals dat in de jaren ’80 van de vorige eeuw opkwam en aan de basis stond van de schattigheidscultus. Je kan half een datum zien: 8 mei 1985.

Lees ook eens: Laura Miller, ‘Subversief schrift en nieuwe schrifttekens in Japanse meisjescultuur’, in: Hello Kitty en Gothic Lolita’s: Oorsprong en invloed van schattigheidscultuur uit Japan, red. Ivo Smits en Katarzyna Cwiertka (Leiden: Leiden University Press, 2012).

De jonge antiquaar ziet dat het dagboekfragment in een dichtbundel staat die in de jaren ’80 een bestseller was. Eenmaal volwassen was de vrouw duidelijk vergeten dat ze ooit als schoolmeisje haar ontboezemingen aan de dichtbundel had toevertrouwd. Uit privacyoverwegingen haalt hij de bewuste pagina door de shredder. (Hij doet dat met de cliché-frase ‘Het is de genade van de krijger om zich in stilte ervan te ontdoen.’)

Tawara’s debuutbundel uit 1987 duikt achtendertig jaar later op in een strip als de dichtbundel Kipnuggetdag (Kara-age kinenbi からあげ記念日). Kojima Ao 児島青, Hon nara uru hodo 本なら売るほど, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025), p. 42.

Die ‘bestseller’-dichtbundel van vier decennia geleden heet Kipnuggetdag (Kara-age kinenbi からあげ記念日). Dat is natuurlijk een leuke knipoog naar lezers die Tawara’s bundel kennen —en dat zijn er vandaag de dag meer dan je misschien zou denken na al die tijd— maar dan óók weten dat de ‘salade’ ooit een kipnugget was.

Dit is overigens het enige boek waarnaar in deze manga verwezen wordt met een dergelijk verwijsspel. Alle andere boeken die erin voorbij komen bestaan echt.

Mijn persoonlijke overpeinzingen hadden meer te maken met het verglijden van de tijd en je jeugd die eindigt als vergeten ontboezemingen die in de shredder belanden. Piëteit is mooi, natuurlijk, maar je ontkomt moeilijk aan de gedachte: alles is as in de wind.

Gelezen:

  • Kojima Ao 児島青Hon nara uru hodo 本なら売るほど, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025).
  • Tawara Machi 俵万智Sarada kinenbi サラダ記念日 (Kawade Shobō Shinsha, 1987; pocketeditie, 1989, 199931).
  • Tawara Machi, Eigo taiyakuban Sarada kinenbi 英語対訳版サラダ記念日 [tweetalige editie, Japans-Engels], vert. Jack Stamm (Kawade Shobō Shinsha, 1988; pocketeditie, 1989, 19949).
  • Tawara Machi, De dag van het slaatje, vertaald door Willy Vande Walle en Bart Mesotten (Lannoo, 1989).
  • Machi Tawara, Salad Anniversary, vert. Juliet Winter Carpenter (Tokyo: Kodansha International, 1990).

De illustratie komt uit de strip Hon nara uru hodo 本なら売るほど [‘Boeken zat, kan ze wel verkopen’] van Kojima Ao 児島青, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025), p. 42.

Categorieën
poëzie

het stroomt

kersenbloesems

hoeveel lentes is het al

            dat alles ouder werd

over mijn lijf waterstromen

            waarvan de nagalm klinken blijft

sakurabana / ikuharu kakete / oiyukan / mi ni suiryū no / oto hibiku nari

さくら花幾春かけて老いゆかん身に水流の音ひびくなり

Uit Baba’s tankabundel Ōka denshō 桜花伝承 (Overgeleverde kersenbloesemfolklore, 1977), waarmee zij dat jaar de Hedendaagse vrouwelijke tankaprijs (Gendai tanka joryūshō 現代短歌女流賞) won. Suiryū 水流 (het stromen van water) mag je hier lezen als een beeld voor het verglijden (of wegstromen) van de tijd (toki no nagare 時の流れ).

Een van de bekendere tanka van de inmiddels 97 jaar oude Baba Akiko 馬場あき子 (1928).

De foto toont een bloeiende kers bij de Leidse Pieterskerk, 27 maart 2025.

Categorieën
poëzie

nieuwjaarsdromen

            Vorstelijke compositie:

op reisbestemmingen

            ontmoette ik kinderen

die me vertelden

            met glinsterende ogen

                        over dromen voor de toekomst

tabisaki ni / deaishi kora wa / kataritaru / mami kagayakase / mirai no yume o

  御製
旅先に出会ひし子らは語りたる輝かせ未来の夢を

Een tanka van de huidige keizer. Het keizerlijk paar bezoekt elk jaar verschillende plaatsen in het land.

            Vorstelijke gedicht van Hare Majesteit de Keizerin:

na dertig jaar

            bezoek ik met mijn vorst

                        ons Engeland

en denk aan de studentenkamer

            en mijn dromen daar destijds

misotose hete / kimi to toitaru / eikoku no / manabiya ni omou / kano hibi no yume

  皇后陛下御歌
とせへて君とひたる英国の学びに思ふかの日々の夢

In juni 2024 bracht het keizerlijk paar een bezoek aan Oxford. ‘(Mijn) vorst’ (kimi 君) kan in informeel taalgebruik én in tanka ook gebruikt worden om ‘jij’ te zeggen. Het is verleidelijk om hier die dubbele betekenis op te projecteren. Misschien zit er sowieso nogal wat projectie in mijn vertaling. Zowel de keizer als de keizerin hebben aan de University of Oxford gestudeerd.

                                    Prinses-gemalin Norihito, prinses Hisako:

in Jordanië

            een vluchtelingenkamp waar

                        jonge mensen

dromen van een later leven

            aan mij vertellen willen

yorudan no / nanmin kyanpu no / wakakira wa / kore kara no yume wo / katari orishi ga

          憲仁親王妃久子殿下
ヨルダンの難民キャンプの若きらはこれからの夢を語りをりしが

Prinses Hisako bezocht in 2023 een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië. Dit is voor mij een opvallend politiek vers.

                                    ontboden dichter Mitamura Masako:

alleen in bed

            ’s nacht wakker te liggen

                        in die eenzaamheid

van een al te korte droom

            raap ik de scherven op

hitorine no / yoru no nezame no / sabishisa ni / mijikaki yume no / kakera o hirou

          召人  三田村雅子
一人寝の夜の寝覚のさびしさにみじかき夢のかけらを拾ふ

Voor ‘ontboden dichter’, zie hieronder voor uitleg. Yoru no nezame 夜の寝覚 (‘’s Nachts wakker liggen’, tweede helft elfde eeuw) is ook de naam van een vertelling (monogatari) van het klassieke hof. Ook het beeld van ontwaken en beseffen dat je niet samen met je geliefde bent is een klassieke topos. Het is heel verleidelijk om hier te denken aan Mitamura’s overleden echtgenoot, de befaamde literatuurwetenschapper Mitani Ei’ichi 三谷栄一 (1911-2007).

                                    ontboden dichter achterwacht Peter MacMillan:

in het nieuwe jaar

            zijn de bloesems van de woordbladeren

                        blossoms die

de zeeën oversteken

            als de dromen die we hebben

hatsuharu ni / koto no ha no hana wa / burossamu / umi koete yuku / yume wo zo miru

          召人控  ピーター・J・マクミラン
初春に言の葉の花は blossomブロツサム 海超えてゆく夢をぞ見たる

Naast de ‘ontboden dichter’ kan er ook plaats zijn voor een achterwacht van deze functie (hikae 控え). De Ier Peter MacMillan is actief als vertaler van klassiek Japanse literatuur (hij publiceerde onder meer zijn vertaling van Van honderd dichters één gedicht bij Penguin in 2017). Hij woont in Japan en schrijft ook boeken voor een algemeen Japans publiek die vaak als thema hebben ‘Japanse klassieke literatuur lezen in het Engels’. MacMillan is bij mijn weten de eerste meshiudo hikae van niet-Japanse afkomst. (Een Japanse collega verzuchtte dat MacMillan –wie weet?– volgend jaar de eerste niet-Japanse meshiudo kan worden.) Hij is niet de eerste buitenlander die meedoet aan de utakai hajime. In 1954 deed de Amerikaanse dichter Lucille M. Nixon (1908-1963) mee met een Japanse tanka. ‘Woordbladeren’ (koto no ha 言の葉) is een al eeuwenoude manier om ‘woorden’ (kotoba 言葉, 詞) te zeggen. De inleiding tot Japans eerste vorstelijke waka-bloemlezing opent met de zin: ‘Het lied van Yamato [de poëzie van Japan] heeft als zaadjes het hart van de mensen en vormt die tot tienduizend woordbladeren’ (yamato no uta wa, hito no kokoro o tane to shite, yorozu no koto no ha to zo narerikeru やまとうたは、人のこゝろをたねとして、よろづのことのはとぞなれりける).

            .

                        Geselecteerde gedichten:

     選 歌

            .

                                    Yoshida Mitsuo, prefectuur Saitama:

zouden ze nog dromen

            over hebben om te dromen?

in de parlements-

            muren verborgen geraakte

                        ammonieten, die ook?

mada yume o / miru no darō ka / gijidō no / kabe ni kakureta / anmonaito mo

          埼玉県  吉田光男
まだ夢を見るのだらうか議事堂の壁に隠れたアンモナイトも

                                    Mawatari Hisato, prefectuur Nagasaki:

in volle bloei

            staat de kers in het rampgebied

                        waardoor ze rijden

van ‘Noto-spoorwegen’ begint

            de droom op stoom te komen

mankai no / hisaichi sakura / kugurinuke / ‘noto tetsudō’ no / yume hashiridasu

          長崎県  馬渡壽人
満開の被災地桜くぐり抜け「のと鉄道」の夢走り出す

De Noto-spoorwegen exploiteren het Nanao-spoortraject, een stuk van 33 kilometer aan de oostkust van het Noto-schiereiland aan de Japanse Zee. Dat werd op 1 januari 2024 getroffen door een aardbeving, waardoor het spoor niet meer gebruikt kon worden. Op 6 april vorig jaar was de lijn hersteld en konden de Noto-spoorwegen hun dienst weer hervatten. 

                                    Muraki Riku, prefectuur Tokyo:

‘in de realiteit

            daarin moet het ook kunnen

                        pas je daaraan aan’

als dat een droom moet zijn

            ben ik niet geïnteresseerd

‘jissai ni / kanau teido ni / shite oke’ to / sonna yume nado / mitakunai no da

          東京都  村木 陸
「実際に叶ふ程度にしておけ」とそんな夢など見たくないのだ

                                    Moriyama Fuyu, prefectuur Miyagi:

de eeltbobbel

            op mijn vinger is lichtjes inkt-

                        besmeurd geraakt

een wazig geworden ‘droom’

            is dat karakter, zie ik nu

pendako ni / usuku bokuju / somikomase / kasureta yume to / iu ji wo miteru

          宮城県  森山文結
ぺんだこにうすく墨汁染み込ませ掠れた夢といふ字を見てる

Een kalligrafie-oefening. De afbreking: ‘to / iu’ is apart.

Een overzicht van de ceremonie van 22 januari 2025. Links zitten leden van de keizerlijke familie, met het keizerlijk paar in het midden. Helemaal rechts, met hun rug naar de ramen, zitten de tien dichters van wie een tanka is geselecteerd. In het midden staat de tafel waaraan de voordrachtzangers zullen gaan zitten. Beeld samengesteld uit shots van Nippon TV.

Afgelopen woensdag, 22 januari jl., werd de in het keizerlijk paleis te Tokyo jaarlijkse ‘Nieuwjaars-poëziebijeenkomst’ (utakai hajime 歌会始) gehouden. De formele Engelse vertaling, zoals het Huishoudelijk Bureau van het Keizerhuis (Kunaichō 宮内庁; Eng. Imperial Household Agency) die hanteert, is ‘Imperial New Year’s Poetry Reading’. Deze ceremonie wordt altijd live uitgezonden op staatszender NHK.

Tot 30 september vorig jaar konden hiervoor tanka worden ingestuurd. Na sluiting van inzendingstermijn stond de teller op 16.250 tanka, opgestuurd uit binnen- en buitenland. Uiteindelijk werd van tien aanwezige gelukkige dichters, in leeftijd variërend van 15 tot 77 jaar oud, het gedicht voorgelezen en kregen nog eens veertien tanka een eervolle vermelding (zgn. kasaku 佳作). Naast deze gedichten was er ook de recitatie van tanka door het keizerlijk echtpaar en andere leden van de keizerlijke familie, alsook van die door prof. Mitamura Masako 三田村雅子, een specialiste in klassiek Japanse literatuur, die dit jaar fungeerde als ‘ontboden dichter’ (meshiudo 召人).

De ‘ontboden dichter’ wordt op persoonlijke titel uitgenodigd door de keizer en is iemand die actief is het culturele veld (bijvoorbeeld als tanka-dichter) of in de studie van klassiek Japanse literatuur.

Het thema (of te gebruiken woord) voor dit jaar was ‘droom’ (yume ). Bij deze een selectie van de in totaal zevenendertig tanka die zijn vrijgegeven door het Huishoudelijk Bureau van het Keizershuis.

Het Bureau geeft ook uitgebreide toelichting op de negen gedichten door leden van het vorstenhuis. Ongetwijfeld is die bedoeld als handreiking aan de natie, maar met de impliciete boodschap dat men niet vrij kan associëren over de strekking van de tanka. Ook zijn de eerste vijf vorstelijke tanka in Engelse vertaling beschikbaar gemaakt. Dat gaat dan om, in volgorde van politieke status, die van de keizer, de keizerin, de kroonprins (de jongere broer van de keizer), diens echtgenote en de dochter van het keizerlijk paar (prinses Aiko, die als vrouw geen troonopvolger kan zijn).

Het door het Huishoudelijk Bureau van het Keizershuis voorgeschreven model voor de in te sturen tanka. Hier met het thema voor 2026.

De Nieuwjaars-poëziebijeenkomst in het paleis kent een lange geschiedenis. Het vroegste voorbeeld dateert uit de dertiende eeuw, maar ze werd pas een echt jaarlijkse traditie in de vroegmoderne periode (1600-1868). Al die tijd behoorden deelnemers tot de hofadel, maar sinds 1874 kan iedere Japanner een gedicht insturen voor presentatie. Sinds 1879 kan een niet-adellijke Japanner, indien diens tanka is geselecteerd, ook de ceremonie in het paleis daadwerkelijk bijwonen. Het zogenaamde ‘vorstelijk thema’ (chokudai 勅題) waarop gedicht moet worden ligt vast, maar is elk jaar anders.

Het team van controleurs en zangers voor de Nieuwjaars-poëziebijeenkomst. Keizerlijk paleis, Tokyo, 22 januari 2025. Beeld: Nippon TV.

De in het paleis ‘gepresenteerde gedichten’ (eishinka 詠進歌) worden nogmaals nagelezen door de ‘lezer’ (dokuji 読師, die als ceremoniemeester optreedt), en dan opgelezen door de ‘voorlezer’ (kōji 講師), waarna de eerste regel (d.w.z. de eerste vijf morae) gezongen wordt door de ‘voorzanger’ (hassei 発声) en vervolgens de rest van het tanka gezongen wordt door de ‘voordrachtzangers’ (kōshō 講頌). (Dat is althans de theorie. Afgelopen woensdag reciteerde de hassei de hele tanka, waarna het koor van kōshō de tanka nog eens helemaal zong.) Het voorstellen van dichter en voordragen van een tanka duurt zo’n tweeëneenhalve minuut.

De Nieuwjaars-poëziebijeenkomst is nadrukkelijk een ritueel. De formele naam ervan is dan ook ‘de ceremonie van de Nieuwjaars-poëziebijeenkomst’ (utakai hajime no gi 歌会始の儀). In die zin zijn de gedichten die in het paleis worden voorgedragen en ‘live’ op televisie te volgen zijn net zozeer waka in de klassieke zin als moderne tanka. Zoals is opgemerkt over Reizei Fumiko, van de Reizei-familie van adellijke hofdichters, aan het begin van deze eeuw: ‘Bovenal benadrukt ze dat de Weg van het Huis Reizei een uiting is van de oude hofcultuur en dat het componeren van gedichten volgens de oude conventies altijd een expliciete religieuze handeling is, waarbij de gedichten worden aangeboden als offergaven aan godheden. […] [Waka is] het medium van een esthetische praktijk die wordt onderwezen als een ambacht in plaats van als een “kunst” die alleen bestemd is voor degenen met een artistiek talent.’

(‘Above all, she insists that the Way of the Reizei house is an expression of ancient court civilization and that composing poems according to the old conventions is always an explicitly religious act in which poems are presented as offerings to the gods. […] [waka is] the medium of an aesthetic practice that is taught as a craft rather than as an “art” only for the artistically gifted.’ Steven D. Carter, Householders: The Reizei Family in Japanese History [Cambridge: Harvard University Asia Center, 2007], p. 352, 354.)

Daarmee is de rol van deze klassieke dichtvorm er een van bevestiging van de band tussen de mensen en hogere machten én van bestendiging van de staat. Daarom moeten leden van het vorstenhuis ook actief een gedicht componeren, hoe weinig geïnspireerd dat ook mag zijn. Creativiteit is het punt niet, continuïteit wel. 

Ik vind dat mooi, dat de staat zegt: poëzie is belangrijk. En het hoeft niet allemaal Kunst te zijn.

‘Traditie’ wordt onder meer benadrukt door het feit dat alle tanka zich houden aan klassiek Japanse grammatica en spelling.

Concentratie bij de Nieuwjaars-poëziebijeenkomst (utakai hajime) van de Reizei-familie, Kyoto, 18 januari 2025. Beeld: Kyoto shinbun.

Nieuwjaars-poëziebijeenkomsten waren vroeger vrij wijd verspreid in Japan en ook vandaag nog is het keizerlijk paleis is niet de enige plek in Japan waar een Nieuwjaars-poëziebijeenkomst gehouden wordt. Ook de Reizei-familie, de enige na 1868 in Kyoto achtergebleven adellijke familie, afstammelingen van de beroemde dichter Fujiwara no Teika 藤原定家 (1162-1241), organiseert jaarlijks een Nieuwjaars-poëziebijeenkomst. Dit jaar was dat op 18 januari 2025. Daaraan doen zo’n beetje alle leerlingen van de Reizei-familie, die opereert als een traditionele waka-school, mee. Een ander verschil met de ceremonie in het paleis in Tokyo is dat de dichters in Kyoto ter plekke hun gedicht moeten maken.

                                    * * * * *

Het thema (of te gebruiken woord) van de keizerlijke Nieuwjaars-poëziebijeenkomst voor 2026 is ook al bekendgemaakt door het Huishoudelijk Bureau van het Keizershuis. Dat is ‘helder’ (mei ).

Je mag ook gebruik maken van samengestelde woorden als ‘duidelijk’ (shinmei 鮮明), ‘beschaving’ (bunmei 文明), ‘[de planeet] Venus’ (myōjō 明星), of de Japanse glosse van het karakter, akarui 明るい, aldus de website. Blinden en slechtzienden kunnen hun gedicht insturen in braille (tenji 点字).

De foto bovenaan toont de binnenkomst van de leden van de keizerlijke familie in de paleiszaal waar de jaarlijkse Nieuwjaars-poëziebijeenkomst gehouden wordt, 22 januari 2025. Beeld: Nippon TV (Nittere 日テレ).

Categorieën
poëzie

die nacht in Amsterdam

            late herfst

            .

een S-vormige tweezitsbank,

een nare bank die de ruggen naar elkaar dwingt,

als ik met jou daarop zitten zou,

werd het zo prettige Nederland

in één enkele nacht een nare plek,

en de herinnering daaraan ónaangenaam

garçon, heeft u geen betere kamer?

            (een nacht in Amsterdam)

            .

  晩秋
            
.
            x
エスがたの二人ふたり椅子いす
なかあはせのいやな椅子いす
これにあなたとけたなら、
このつた和蘭陀オランダ
だの一夜ひとよいやになろ、
その思出おもひでもうとましい。
ギヤルソン、ほかにいいいの。
    (アムステルダムの一夜)

Tekkan Akiko zenshū, bekkan 1, p. 307. Voor het eerst gepubliceerd in het dagblad Yomiuri shinbun 読売新聞 van 16 november 1914.

            de ondergaande zon in Nederland

            .

de herfstzon

(de voor een reiziger zo snel vertrouwde

herfstzon)

in lichtpaars benevelde straten

waar ze tussen hoge huizen neerdaalt,

dieprood als de besjes van de Japanse lelie.

boven de daken aan de overkant

de masten van de schepen in de haven

die elk een paal van gekleurd glas vormen

en golven honderdduizend kleuren mengen

verblindend, als een schilderij van Monet.

als je nog eens goed kijkt, bestaat het midden van die golven

uit vanaf talloze mastpunten wapperende

smalle indigokleurige wimpels.

lieveling, kom eens kijken bij het raam,

die brief kan wel tot later wachten,

ach! boven de Nederlandse zee

die prachtige ondergaande zon.

wat zijn we gelukkig nog jong

dat we zo in een Amsterdams hôtel

vanuit een raam op de vijfde verdieping samen

kunnen kijken naar deze fraaie ondergaande zon

morgen vertrekken we hier alweer,

zullen we deze zee nog eens terugzien?

hé, in de straat onder het raam,

een in scharlaken jasjes op zwart gestoken

klas jongens in een rij,

wat voor een schattige,

ouderwetse, prachtige

scholierenuniformpjes.

            .

  和蘭陀オランダらくじつ
            
.
あきが、
たびびとにつまされやすい
あきが、)
薄紫うすむらさきけむつたまち
たかいへいへとのあひだちて
万年青おもとのやうに真紅しんくに。
はんたいがはうへには
みなとふねばしらが
どれも色硝子いろがらすぼうてゝ
なみは百千のいろうちぜて
ぎらぎらと、モネののやう。
よくると、そのなみなかばは、
すう帆檣ほばしらさきからひるがへ
ほそなが藍色あゐいろはただ。
あなた、まどらんなさい、
がみくのはあとにしませう、
まあ、この和蘭陀オランダうみ
うつくしいいり
わたしたちは、まださいはひにわかくて、
かうして、アムステルダムの旅館ホテル
かいまどかほならべて、
このいりながめてるのですわねえ。
もう明日あす此処ここちます、
またこのうみられるでせうか。
あれ、まどしたとほりに、
猩々緋しやう/″\ひうはくろうへ
いつたいをとこぎやうれつ
なんふ、かは愛いゝ、
ふうな、うつくしい
せうがくせいふくなんでせう。

Tekkan Akiko zenshū, bekkan 1, p. 388. Voor het eerst verschenen in Yokohama bōeki shinpō 横浜貿易新報 (‘Yokohama handelsblad’) van 7 november 1920. Herdrukt onder de titel ‘Herfst in Nederland’ (Oranda no aki 和蘭陀の秋), met enkele extra en variante regels, in Yosano Tekkan’s en Akiko’s eigen tijdschrift Myōjō 明星 (‘Ochtendster’) van 1 april 1922. De Japanse lelie (Rohdea japonica, Jp. omoto 万年青) is een wintergroene plant met vuurrode besjes. De zwart-rode uniformen waarnaar Akiko verwijst zijn hoogstwaarschijnlijk de uniformen van het Amsterdamse Burgerweeshuis (dank aan Jacques Scholten). ‘De wekelijkse optocht van wezen, duidelijk herkenbaar aan de uniformen, was een bezienswaardigheid voor de overige inwoners van Amsterdam.’ — aldus Ilja Mostert op zijn website Amsterdams Verleden.

De foto toont een detail van een groep Amsterdamse weeskinderen in 1906. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

            diezelfde periode

            .

zwart en groot is de kraan

die ons raam op de vierde verdieping blokkeert,

daaronder vele huizenblokken verder

de lichtjes van schepen op zee

als gele chrysanten op een rij.

aan de andere kant van de douane

golven die aanrollen bij de pier en opspoelend

met tussenpozen klinken in hun witheid.

vanuit het raam van een café ergens,

een lied van zeelui begeleid door een gitaar

dat zich vermengt met een avondlijke herfstbries,

langs het wandelpad langs de werf

blijft in de stammen van een bosje

vaagjes de weerspiegeling achter van de zee.

al te koud is van ver aangekomen

die ene nacht in Amsterdam.

            .

  同じ時
            
.
黒く大いなる起重機
我が五階の前に立ちふさがり、
その下にすうちやう離れて
沖に掛かれる汽船の
ぎくの花を並ぶ。
税関の彼方かなた
桟橋に寄るなみのたぶたぶと
をりをりに鳴りて白し。
いづこの酒場の窓よりぞ、
ギタルに合はするふなびとうた
秋のかぜまじり、
波止場に沿ふ散歩道は
おちしたるだちの幹に
海の反射淡く残りぬ。
うら寒し、はるばるつる
アムステルダムのいち

Ongedateerd. Akiko shihen zenshū 晶子詩篇全集 [‘Akiko’s verzamelde vrije verzen’] (Jitsugyō no Nihonsha 実業之日本社, 1929), gereproduceerd in Aozora Bunko 青空文庫. Ik kan dit gedicht niet terugvinden in Tekkan Akiko zenshū.

Yosano Akiko en haar echtgenoot Tekkan. Bron: Wikipedia.

Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942) kwam in 1901 met een paukenslag de literaire wereld binnen met haar debuut, de tanka-bundel Midaregami みだれ髪 (‘Verwarde haren’). Die titel roept erotische associaties op, en is tekenend voor de volstrekte ongeremdheid waarmee Yosano ruimte opeiste om haar hoogstpersoonlijke ervaringen als individu en als vrouw te uiten in de klassieke tanka-vorm. Een zinnelijke feminist, zou je kunnen zeggen, die uitgroeide tot een belangrijke stem in de moderne poëzie.

Akiko publiceerde al tanka toen zij in 1900 werd uitgenodigd door de dichter Yosano Tekkan 与謝野鉄幹 (var. Hiroshi , 1873-1935) om gedichten in te sturen naar het door hem net opgerichte poëzietijdschrift Myōjō 明星 (‘Ochtendster’). Tekkan presenteerde zichzelf vrij luidruchtig als een vernieuwer van Japanse poëzie, met name van traditionele vormen als de tanka. Datzelfde jaar ontmoetten zij elkaar en dat was het begin van een intense relatie, die eerst platonisch was maar na Tekkan’s scheiding van zijn eerste vrouw leidde tot een huwelijk.

In 1912 bezocht het echtpaar Yosano Europa. Hun Europese verblijf duurde vier maanden, vanaf aankomst in Parijs met de Siberië-expres op 19 mei tot vertrek vanuit Marseille op 22 september. Ze verbleven vooral in Frankrijk, met Parijs als uitvalsbasis, maar reisden ook naar Engeland (Londen, met name) en Duitsland (München) en stopten even in Brussel en Wenen. De Yosano’s waren ook twee dagen in Nederland. Tijdens hun reis schreven beiden aan de lopende band reisimpressies die zij publiceerden in Japanse dagbladen en tijdschriften. Ongetwijfeld was dat ook een manier om hun reis te financieren. Als iemand die haar geld verdiende als artistiek auteur én broodschrijver schreef Akiko gedurende haar leven sowieso een gigantische hoop teksten, waaronder romans, essays, en meerdere vertalingen van het elfde-eeuwse epos Het verhaal van Genji.

De meeste gedichten die Akiko gedurende die reis schreef nam zij op in Van de zomer tot de herfst (Natsu yori aki e 夏より秋へ, 1914). Deze dichtbundel bevat 767 tanka en 102 gedichten in vrij vers (shi ) en onderstreept daarmee dat, al is Akiko in de eerste plaats echt heel beroemd als tanka-dichter, het vrije vers voor haar ook een vanzelfsprekend medium was: behalve duizenden tanka hebben we van Akiko ook een enorme hoeveelheid vrije verzen.

Deze drie gedichten zijn daarvan een voorbeeld. Ze zijn van een later datum dan de bundel Van de zomer tot de herfst, en zijn bij mijn weten pas gebundeld voor uitgaven van verzameld werk. Ze zijn, denk ik, vrij representatief voor hoe Akiko de vorm van vrij vers inzette: een parlando-aandoende stijl die niet echt naar een punt toewerkt, maar nadrukkelijk impressionistisch opereert.

Het gaat hier dus om herinneringen, wat verklaren kan waarom er beelden opgeroepen worden waarvan je je afvraagt hoe die realistisch kunnen zijn. Niemand zal bijvoorbeeld, ook niet in 1912, vanuit een Amsterdamse hotelkamer de zee, of zelfs de Zuiderzee, kunnen zien, maar misschien gaat het om het IJ? Het zijn natuurlijk de vragen van een boekhouder, maar deels ingegeven door de lulligheid (pardon: trivialiteit) van de reisaantekeningen van Tekkan en Akiko.

Op 16 september 1912 kwam het echtpaar aan in Amsterdam. Zij zouden twee dagen in Nederland doorbrengen; de avond van de 18e vertrokken zij vanuit Den Haag naar Parijs. Drie dagen later voer Akiko vanuit Marseille alleen terug naar Japan. Tekkan bleef nog wat langer in Europa. Hun tweedaags verblijf in Nederland heeft nauwelijks sporen nagelaten bij het echtpaar, in de zin dat beiden er geen poëzie produceerden en we er slechts twee reisnotities van hebben, die nooit in een krant of tijdschrift zijn gepubliceerd.

De gepubliceerde en ongepubliceerde impressies die Tekkan en Akiko schreven bundelden zij in hun reisverslag Vanuit Parijs (Parii yori 巴里より, 1914). Tekkan’s aantekening ‘Twee dagen in Nederland’ (‘Oranda no futsuka’ ランふつ) lijkt overgeschreven te zijn uit een reisgids (ze bezochten het Mauritshuis), op de slotzin na:

Ik had in dit land wel ergens een week op het platteland willen blijven, maar Akiko, die zich verschrikkelijke zorgen maakte over de kinderen die in Tokyo waren achtergebleven, zei dat ze alvast naar huis terug wilde met de Hirano-maru die de 21e van deze maand vanuit Marseille vertrekt, dus kwamen we direct terug naar Parijs met de trein die midden in de nacht vanuit Den Haag vertrok. (18 september)

僕はこの国の田舎ゐなかはひつて一週間もとゞまりたいと思つたが、東京に残して来た子供等をひどく気にする晶子が此月の二十一日にマルセエユを出るひらまるで急に先に帰りたいと云ふので、海牙ハアグなかに発する汽車に乗つて巴里パリイへ直行して帰つて来た。(九月十八日)

Parii yori. Tekkan Akiko zenshū 10, p. 192.

In die zin is het contrast met Akiko’s aantekeningen opvallend. Waar Tekkan nogal eens feitelijkheden over Europa oplepelt, lijkt Akiko sneller bereid om een lezer als familielid of intieme vriend te behandelen met wie je ook trivialiteiten delen kan. Haar voorkeur voor het reproduceren van conversaties sluit daar perfect bij aan. In een ongepubliceerd stukje gedateerd op 16 september 1912, ‘De avond dat we in Nederland aankwamen’ (‘Oranda e tsuita yo’ ランへ着いた), beschrijft Akiko hoe het echtpaar per trein de Nederlandse hoofdstad nadert:

Monsieur, is dit al Amsterdam?’

vroeg mijn man, waarop de ander antwoordde:

Ouioui.’

Toen ik dat hoorde, kwam ik wankelend overeind.

‘We zijn in Amsterdam!’

‘Jaja.’

‘Is het niet prachtig? Kijk dan toch!’

「ムツシユウ、もうがアムステルダムですか。」
 と良人をつとの云つたのに対して、
「ウイ、ウイ。」
 と相手の答へたのがわたしの耳にはひると、わたしはふらふらとして立つた。
「アムステルダムだよ。」
「さう。」
「綺麗ぢやないか、見て覧。」

Parii yoriTekkan Akiko zenshū 10, p. 188.

Zo krijgt het einde van Akiko’s Amsterdamse notitie bijna een zweem van Hollandse gezelligheid:

Het dienstmeisje kwam binnen.

‘Zullen we om café vragen?’

Toen mijn man dat besteld had, verdween de vrouw weer.

‘Zal ik misschien ook om wijn vragen?’

‘Zolang we door het buitenland rondreizen is wijn nogal een luxe, hè, maar als we in Parijs terug zijn kan je zoveel wijn van me krijgen als je wil.’

‘Get, wat naar; als je me zoiets zegt lijkt het net alsof ik een drinkebroer ben. Het was alleen maar omdat ik het idee heb dat ik aan cerebrale anemie kan lijden.’

‘Vooruit, vraag het dan maar.’

‘Als de café sterk is, zal dat ook wel werken.’

‘En ik heb gebak besteld.’

‘O, wat heerlijk!’

Ik zette mijn hoed af, en begon mijn kleren een voor een af te pellen. Toen ik weer tot mezelf gekomen was haastte ik me naar het raam en riep uit:

‘Hé, daar is de brug die Kobayashi Mango geschilderd heeft!’

(16 september)

部屋づきの女も来た。
あつたかい珈琲キヤツフエでも貰はうね。」
 と云つて、良人をつとが命じると女は出て行つた。
「わたしはどう酒でももらはうかしら。」
「外国を歩いて居る間は葡萄酒は実際ぜいたくなんだからね、巴里パリイへ帰つたらいくらでも飲ませてあげるよ。」
「厭なこと、そんなことを云はれるとさけのみのやうよ。たゞね、脳貧血がおこるやうな気がしたからさう思つたのですよ。」
「ぢやあお貰ひよ。」
珈琲キヤツフエでもければいいでせうよ。」
「菓子も頼んだから。」
「さう、うれしいわ。」
 私は帽子を取つたり、着て居たものを上から一つ一ついだりした。身軽になつて窓のところへ走り寄つたわたしは、
「あら、小林こばやしまんさんのおきになつた橋がある。」
 と大きい声を出した。(九月十六日)

Parii yoriTekkan Akiko zenshū 10, p. 190-191. Kobayasahi Mango 小林萬吾 (1870-1947) was een schilder in westerse stijl die met een studiebeurs van de Japanse overheid in Europa verbleef in de periode 1911-1914 en die de Yosano’s naar Londen had vergezeld. Ik vertaalde met opzet kyaffe, en hoteru in het gedicht ‘De ondergaande zon in Nederland’, met hun Franse equivalenten, omdat Tekkan en Akiko Europa zo overduidelijk ervoeren via de Franse taal.

De afbeelding toont een detail van het schilderij Atelier (Atorie アトリエ) uit 1912 van Kobayasahi Mango. Collectie Kagawa Prefectural Museum 香川県立ミュージアム.

Nederland was dus een maar kort oplichtend vlekje op de radar en zeker geen hoogtepunt van de Europese reis van de beroemde Japanse dichter Yosano Akiko. Dat herinneringen blijven vervormen tot ze geschikter functie krijgen in het eigen verhaal wordt allicht geïllustreerd door de enige tanka die Akiko bij mijn weten aan haar verblijf in Amsterdam wijdde, en dan nog alleen indirect. In 1931, dus bijna twee decennia later, dichtte zij:

onze auto

parkeren we in de regen

            bij Nanao op Noto

en even moet ik denken

            aan dat verre Amsterdam

waga kuruma / noto no nanao no / ame ni tate / shibaraku omou / amusuterudamu

わが車能登の七尾の雨に立てしばらく思ふアムステルダム

Op 5 januari 1931 bezocht Yosano het plaatsje Nanao, op het Noto-schiereiland aan de Japanse Zee. Opgenomen in de bundel Shinrin no ka 深林の香 (‘De geur van een diep bos’, 1933).

Ik gebruikte:

  • Tekkan Akiko zenshū 鉄幹晶子全集 [De verzamelde werken van Tekkan en Akiko], bekkan 別巻 [appendix] 1 (Shūihen: shi 拾遺篇——詩 [Verspreide geschriften: vrij vers]), red. Itsumi Kumi 逸見久美 e.a. (Tokyo: Bensei Shuppan, 2013).
  • Tekkan Akiko zenshū 鉄幹晶子全集 10 (Parii yori 巴里より, Yattsu no yoru 八つの夜 [ ‘Vanuit Parijs’, ‘Acht nachten’]), red. Itsumi Kumi 逸見久美 e.a. (Tokyo: Bensei Shuppan, 2003).
  • Fukunaga Katsuya 福永勝也, ‘Yosano Akiko, Hiroshi fusai no Pari, yōroppa shōyō to “Natsu yori aki e”’ 与謝野晶子,寛夫妻のパリ,ヨーロッパしようようと『夏より秋へ』 [‘Het Parijs en de Europese omzwervingen van het echtpaar Yosano Akiko en Tekkan en Van de zomer tot de herfst’], Ningen bunka kenkyū 人間文化研究 36 (2016), p. 97-148.

Bij mijn weten zijn dit de allereerste vertalingen ooit van deze Hollandse gedichten van Yosano Akiko.

De afbeelding toont Het Damrak te Amsterdam (1903) van George Hendrik Breitner (1857-1923). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.