[Zonder titel]
Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme
en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.
In die wijde hemel wolken die niet bewegen,
heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.
[無題]。仰臥人如啞、黙然見大空。大空雲不動、終日杳相同。
29 september 1910. Sōseki zenshū 18 (2018), p. 246. Sōseki wil dat we yō to shite 杳 opvatten als ‘veraf’; in Omoidasu koto nado (p. 52) leest hij het karakter ook als haruka ni 杳かに.
Romanauteur Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) spuugde op 24 augustus 1910 bijna een liter bloed op en verloor het bewustzijn. Zijn vrouw Kyōko naast hem zat onder; haar kimono werd van kraag tot middel volledig roodgekleurd. [Nathan 2018,p. 186, naar Kyōko’s memoires.]
Het echtpaar verbleef sinds 6 augustus in een Japanse variant van een spa: een onsen (hete bron) in Shuzenji, op het Izu-schiereiland. Sōseki was daar in de ryokan Kikuya 菊屋 om te herstellen van opname in het ziekenhuis vanwege een ernstige maagzweer.
De Kikuya, een ryokan (traditionele herberg) van zo’n vier eeuwen oud, bestaat nog steeds. Intrigerend genoeg wordt Sōseki’s verschrikkelijk verlopen verblijf daar er uitgebreid gememoreerd.
De Sōseki-mythologie wil dat de schrijver een half uur lang geen hartslag had; dat is natuurlijk onwaarschijnlijk, omdat hij weer bijkwam. Toegesnelde artsen dienden hem zestien kamferinjecties toe. Een afschuwelijke toestand was het hoe dan ook wel en het moment staat onder Sōseki-adepten bekend als ‘de Shuzenji-ellende’ (shuzenji no taikan 修善寺の大患). De oorzaak was opnieuw een opspelende maagzweer. Dit was een chronische kwaal van Sōseki; hij zou er in 1916 uiteindelijk aan overlijden.
De ‘Shuzenji-ellende’ werkte als ontstopper voor Sōseki’s geblokkeerde dichtader. Na zo’n tien jaar waarin hij geen Sinitische poëzie geschreven had, begin hij weer kanshi te noteren—meestal in zijn dagboek. Daar komen we ook voor het eerst dit kwatrijn tegen. Sōseki was inmiddels opnieuw naar het ziekenhuis verhuisd.
29 september (donderdag)
.
Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme / en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.
In die wijde hemel wolken die niet bewegen, / heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.
.
Ook gisteren me geschoren. Op aanraden van de vrouw. Dat ik eerst een stuk onder mijn kin had overgeslagen leek ze vervelend te vinden.
.
terug naar de hoofdstad
die dag komt steeds dichterbij
gele chrysanten
kyō ni kaeru / hi mo chikazuite / kigiku kana
.
’s Avonds een zachtgekookt ei gegeten.
九月二十九日〔木〕
◯ 仰臥人如啞 黙然見大空
大空雲不動 終日杳相同
◯昨日も髪剃。細君の注意による。始めは顎の下を剃り落した時は残り惜さうなりき
◯ 京に帰る日も近付いて黄菊哉
◯晩に玉子の煮りたるを食ふ
Dagboek, 29 september 1910. Sōseki zenshū 25 (1957), p. 208. Saikun 細君 (‘de vrouw’) was een vrij gebruikelijke, informele term onder Meiji-literaten om naar hun echtgenote te verwijzen. ‘De hoofdstad’ (kyō 京) is Tokyo, waar Sōseki woonde.
(Als we heel streng zijn: het eerste Sinitische gedicht waarmee Sōseki weer aan een dichtfase begon dateert al van 31 juli 1910, de laatste dag van het ziekenhuisverblijf vanwege een eerdere maagzweer. Het eerstvolgende gedicht is in Shuzenji geschreven, op 20 september; dan blijft hij een goede maand lang intensief dichten.)
De ‘Shuzenji-ellende’ leidde ook tot een serie mini-essays onder de titel Wat ik me herinner (Omoidasu koto nado 思ひ出す事など) die hij in 1910 en 1911 als feuilleton publiceerde in het dagblad Asahi shinbun. Daarin beschrijft hij, halverwege een overpeinzing over Dostojevski, hoe hij in zijn ziekenhuisbed tot innerlijke rust probeerde te komen.
Het kostte me grote moeite om lang met iemand te praten. Ik herinner me hoe luchtgolven die stemmen werden en zo in mijn oren echoden tot aan mijn hart reikten en dat mijn stabiele gemoedstoestand er volledig door verstoord werd. Het oude spreekwoord ‘zwijgen is goud’ kwam bij me op en ik lag alleen maar op mijn rug bij te komen. Godzijdank kon ik tussen de luifel van mijn kamer en het dak van de tweede verdieping tegenover me de blauwe hemel zien. Het was het seizoen waarin die hemel door herfstdauw schoongewassen en geleidelijk steeds hoger werd. Ik maakte van het staren naar deze hemel mijn dagtaak. Deze wijde hemel, waarin niets gebeurde en waarin niets was, boog haar serene schaduw naar me toe weerspiegelde zich volledig in mijn hart. Zo gebeurde er ook in mijn hart niets en was er daar niets. Twee transparante dingen sloten perfect op elkaar aan. Wat er zo in mij restte was een stemming die ik moet omschrijven als oneindig.
余は当時十分と続けて人と話をする煩はしさを感じた。声となって耳に響く空気の波が心に伝って、平らかな気分をことさらに騒つかせるやうに覚えた。口を閉ぢて黄金なりといふ古い言葉を思い出して、ただ仰向あおむけに寝てゐた。有難い事に室の廂と、向うの三階の屋根の間に、青い空が見えた。其空が秋の露に洗はれつゝ次第に高くなる時節であった。余は黙って此空を見詰めるのを日課のようにした。何事もない、又何物もない此大空は、其静かな影を傾むけて悉く余の心に映じた。そうして余の心にも何事もなかった、又何物もなかった。透明な二つのものがぴたりと合った。合って自分に残るのは、縹緲とでも形容してよい気分であった。
Omoidasu koto nado (1957), hoofdstuk 20, p. 51.
Sōseki eindigt het hoofstuk met zijn kwatrijn. Dat was dan ook de eerste keer dat lezers, in de krant, het gedicht onder ogen kregen.
Van Sōseki’s kwatrijn bestaan tenminste twee Franse vertalingen:
Renversé sur le dos
Je suis comme un muet
Silencieux je regarde
L’immensité du ciel
Les nuages sont immobiles
Le jour passe
Rien se passe
Vert. Elisabeth Suetsugu. Sôseki, Choses dont je me souviens (2005), p. 115.
Sans titre
29 septembre 1910 [à Shuzenji]
.
Étendu dans ce lit et devenue muet,
Je n’ai plus rien a dire en regardant le ciel.
Le ciel, ou pas un nuage ne se déplace
Tout le jour, immensement, s’accorde avec moi.
Vert. Alain-Louis Colas. Natsume Sôseki, Poèmes, p. 103.
De eerste bevalt me beter.
Bij Sōseki leidde stress tot maagzweren én tot poëzie.
Ik gebruikte:
- Nakamura Hiroshi 中村宏, Sōseki kanshi no sekai 漱石漢詩の世界 [‘De wereld van Sōseki’s Sinitische poëzie’] (Tokyo: Dai’ichi Shobō, 1983).
- John Nathan, Sōseki: Modern Japan’s Greatest Novelist (New York: Columbia University Press, 2018). [Hoofdstuk 13, ‘Crisis at Shuzenji’, p. 181-198.]
- Omoidasu koto nado 思ひ出す事など [‘Wat ik me herinner’], in: Sōseki zenshū 漱石全集 [‘Sōseki’s verzameld werk’] 17: Shōhin (3) 小品 (下) [‘Korte stukken’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957). [Hoofdstuk 20, p. 50-52.]
- Sōseki zenshū 漱石全集 18: Kanshibun 漢詩文 [‘Sinitische poëzie en proza’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2018).
- Sōseki zenshū 漱石全集 25: Nikki oyobi danpen (2) 日記及断片 (中) [‘Dagboeken en fragmenten’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957).
- Sôseki, Choses dont je me souviens, vert. Elisabeth Suetsugu (Arles: Éditions Philippe Piquier, 2000; pocketeditie 2005). [Hoofdstuk 20, p. 111-115.]
- Natsume Sôseki, Poèmes, vert. Alain-Louis Colas ([Parijs:] Le bruit de temps, 2016).
De foto toont wolken boven Leiden, 16 mei 2026.

Geef een reactie