hortensia’s!
op een ingezakte muur
slaat de regen neer
ajisai ya / kabe ni kuzure o / shibuku ame
in een vergeten
bloempot bloeien bloemen
op een lentedag
wasure orishi / hachi ni hana saku / harubi kana
een spin doodslaan
en daarna die eenzaamheid —
de kilte van de nacht
kumo korosu / ato no sabishiki / yosamu kana
genoeg van boeken,
ik stap naar buiten het veld in
een veld vol nevel
sho ni unde / no ni dereba no no / kasumi kana
lentenacht!
wat zou een man zonder vrouw
moeten lezen?
haru no yo ya / tsuma naki otoko / nani o yomu
een mand vol kruiden
neergezet, geen mens te zien
bergen in de lente
kusakago o / oite hito nashi / haru no yama
in deze wijk
geen woudzanger te horen
geluid van een trein
sono hen ni / uguisu orazu / kisha no oto
een lentebries!
ik zou zo graag een bal gooien
over dit grasveld
harukaze ya / mari no nagetaki /kusa no hara
aan de boeddha
valt nog van alles te vragen
winterretraite
shaka ni toute / mitaki koto ari / fuyugomori
Dat laatste woord stal ik van Henri Kerlen, uit zijn vertaling van deze haiku in Shiki, Geur van chrysanten. Haiku (Soest: Kairos, 1998, p. 31):
Nog zoveel vragen
zou ik Boeddha willen stellen —
winter-retraite.
de sponskomkommer bloeit
stikkend in zijn eigen slijm
ligt de boeddha
hechima saite / tan no tsumarishi / hotoke kana
De laatste vier jaar van zijn leven zou Shiki vanwege zijn tuberculose goeddeels op bed doorbrengen, enigszins geholpen door morfine. Dit is een van de laatste drie haiku die Shiki’s schreef, op zijn doodsbed, in de laatste twaalf uur van zijn leven. In een afscheid met een gedicht volgde hij de haikai-meesters Matsuo Bashō (1644-1694) en Yosa Buson (1716-1785). ‘Boeddha’ (hotoke) is ook een manier om over een overledene te spreken; je kunt het laatste deel van de haiku dus ook vertalen als: ‘ligt hij al dood.
De hechima 糸瓜 wordt wel vertaald met ‘kalebas’ (al is hij dat niet) en dat bekt zeker beter dan ‘sponskomkommer’, maar een andere keer wil ik op dit gedicht terugkomen en dan is het zaak dat we die sponskomkommer voor ogen hebben.
Als poëzie-activist van het zuiverste water heeft Masaoka Shiki 正岡子規 (1867-1902) de moderne Japanse poëzie blijvend veranderd. Shiki schreef ook tanka, Sinitische gedichten en vrij vers, maar het bekendst is hij als haiku-dichter. Hij geldt ook als de uitvinder van die term, ‘haiku’. Dat is niet helemaal waar, maar waar genoeg om hier nog maar eens te herhalen. Feit is dat hij de oude haikai definitief bevrijdde tot een zelfstandige dichtvorm, én daarvan nadrukkelijk ‘Literatuur’ heeft willen maken. Hij stond aan de wieg van het haiku-tijdschrift Hototogisu (‘Koekoek’, een spel met zijn schrijversnaam Shiki, wat ook ‘Koekoek’ betekent en in feite een Sino-Japanse lezing van dezelfde vogelnaam is; Shiki had deze naam aangenomen als zijn enige gebaar van erkenning van zijn tuberculose: de mythe wil dat de koekoek bloed ophoest wanneer die zingt). Met name via dit tijdschrift werd het ideaal uitgedragen van shasei 写生, ‘schetsen naar het leven’, waarmee Shiki een dichterlijke variant van de moderne realistische schilderkunst voorstond.
Een recent boek dat heel goed laat zien hoe Shiki opereerde als poëzievernieuwer midden in het rumoer van de moderne literatuur is Robert Tuck, Idly Scribbling Rhymers: Poetry, Print, and Community in Nineteenth-Century Japan (New York: Columbia University Press, 2018); zie ook mijn recensie.
De afbeelding is een zelfportret van Shiki uit 1900, nu in de collectie van de National Diet Library, Tokyo; zie de Japanse Wikiwand-pagina.