Categorieën
poëzie

de vrouw op de fluit

            fluitiste

            .

ik speel de fluit

ik speel de fluit al betreur ik

ik speel de fluit al bid ik

ik speel de fluit al baar ik

            .

een slechts één voet lange bamboe-

ach handgemaakte vreemde

als tijdelijk amusement bedoelde 

fluit bespeelde ik als kind

            .

ik speel de fluit

mijn fluit is zilverwit

een heldere spiering in een stroomversnelling

haar geluid een purperen mysterie

            .

ik speel de fluit

de fluit is waarheid

de fluit is godheid

als ik niet eerst haar eer bewijs zal zij niet spreken 

            .

als ik de fluit bespeelde

bleven puppy’s stilstaan

dansten de vogels

kregen de muren oren

            .

ik speelde de fluit, maar

zodra een marskramer zich liet horen

stopte ik abrupt met spelen

en begon dan weer te spelen

            .

fu-fuut fu-fuut

klinkt de eenzame fluit

ach! hoe lang al

is Pierrot zijn tranen vergeten?

            .

hoe eenzaam!

hoe eenzaam!

hoe vergeefs!

en toch speel ik de fluit

            .

weent u toch

kom, weent u toch

heeft wenen u uitgeput speelt u dan de fluit

hoop huist alleen in deze ene fluit

            .

de gedachten van mensen fluit ik schoon

in deze steeds belachelijker wereld

ben ik in naam in wezen in alles

een dienares en ik fluit

            .

indien ik de fluit bespeel

breekt de lente aan

indien ik de spanbrug tussen wolken oversteek

indien ik de hemelpoort verrassen kan

            .

de geur van seringen vult de klanken van de fluit

deze avond bied ik u een madrigaal uit verre streken

raakt u vooral beschonken

de maan uit verre streken zal u fascineren

            .

 笛吹き女
            
.
笛を吹き候
笛吹きて悔ゆるのに候
笛吹きて祈るのに候
笛吹きて生くるのに候
            
.
尺ばかりなる篠竹の
あな手作りのおぼつかな
唯かりそめのすさびにも
笛吹く子にて候ひしが
            
.
笛を吹き候
笛はしろがね
早瀬のまゝに冴ゆる初鮎
音はむらさきの秘めごとに候
            
.
笛を吹き候
笛は真
笛は神
まづをろがまではもの申されぬ
            
.
笛吹けば
子犬立ち止まり候ひぬ
雀をどり候ひぬ
壁耳を傾け候ひぬ
            
.
笛を吹さ候ひしが
もの売り人の声の聞えしかば
はたとばかりに吹き止め候
やがてまた吹き出づるのに候が
            
.
ひゆひゆらひゆひゆらと
吹くは孤独の笛に候
あはれいつよりか
ぴえろは涙をわすれけむ
            
.
寂しとや
寂しとや
むなしとや
されどなほ笛吹くことの候に
            
.
哭きたまえ
只哭たまえ
哭きつかれては笛吹きたまえ
望みは一管の笛にのみやどり候
            
.
人のおもひを吹きすましては
いよよおどけし世のふりの
名もうつそみもなべてものかは
笛のはしため笛を吹き候
            
.
笛吹かばや
春にて候ものを
笛吹きて雲の懸橋を渡らばや
笛吹きて天の戸をおどろかさばや
            
.
りらのかをりをにこめて
今宵まゐるはとつくにぶりの牧歌調 まどりがるに候
酔ひたまえ
異國ぶりの月もをかしきに

Deze liedtekst schreef Fukao Sumako 深尾須磨子 (geboren als Ogino Shigeno 荻野志げの, 1888-1974) in 1928 of 1929. Ze was een minor poet, heet dat dan, maar wel een die de modernistische wereld van poëzie, zang en muziek in zich verenigde. Fukao was namelijk ook professioneel musicus op de dwarsfluit, schreef liedteksten (onder meer voor schoolliederen), publiceerde dertien dichtbundels en vertaalde Franse literatuur.

Onder musici in Japan is deze liedtekst ‘Fluitiste’ misschien niet beroemd maar zeker niet onbekend en er bestaan uitvoeringen van met andere dan de oorspronkelijk ervoor gecomponeerde muziek. Beluister hier de sterke uitvoering door fluitiste Remi NAGANO (Nagano Reimi 永野伶実) met barokdwarsfluit, op haar album Fuefuki-onna 笛吹き女 (2016), met voordracht door haar zuster, de sopraan Nagano Kaori 永野歌織. Compositie is van een tijdgenoot van Fukao, Sugahara Meirō 菅原明朗 (1897-1988; Sugahara heeft zowaar een Nederlandse Wikipedia-pagina).

Er is ook een oudere uitvoering, uit 1989, niet met fluit maar met koto en ‘traditionele’ utai-voordracht (dat wil zeggen -achtige zang) door koto-speelster Nakashima Yasuko 中島靖子 (1926-2021) en de Seiha Hōgaku Kai 正派邦楽会. Blijkbaar was dit een van Nakashima’s ‘signature compositions’.

‘Fluitiste’ werd voor het eerst uitgevoerd op 23 mei 1929, op muziek van Hashimoto Kunihiko 橋本國彦 (1904-1949). Hashimoto, die zijn eigennaam ook wel ‘Qunihico’ schreef, componeerde eind jaren ’20 wel vaker liederen op tekst van Fukao en ontwikkelde juist in deze periode een Japanse versie van muziek voor spreekstem (Sprechgesang). De zingzeg-voordracht werd die dag bezorgd door de sopraan Ogino Ayako 荻野綾子 (1898-1944). 

[13 december 2022] Inmiddels heb ik een opname binnen van Hashimoto’s Symfonie No. 1 in D (1940) en zijn symfonische suite Heavenly Maiden and Fisherman (1938), uitgevoerd door het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra in 2001 (CD: Naxos 8.555881). In het begeleidend tekstboekje stelt Katayama Morihide: ‘Establishing himself as a popular composer in the latter half of the 1920s, Hashimoto produced a variety of concert songs. His pieces Kabi (Mould) and Hanmyo (Tiger Beetle) were epoch-making in their demonstration of a Japanese composer’s command of the French Impressionists’ sense of harmony. Chansons like […] caught the heart of urban people who longed for the modern culture of Paris.’ (p. 3). Laten die twee liederen, allebei uit 1928, nu net op tekst van Fukao Sumako gecomponeerd zijn.

Ook Ogino was een multitalent: zij was actief in de groep rondom het poëzietijdschrift Heldere ster (Myōjō 明星), opgericht door Yosano Tekkan, de echtgenoot van Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942). Daar lag een heel specifiek raakvlak met Fukao, die na het bezorgen van de postume dichtbundel van haar man poëzieleerling van Yosano Akiko geworden was.

Sopraan en fluitiste-tekstdichter deelden nóg meer met elkaar, namelijk een recente, langdurige en vormende periode in Parijs. Fukao was net terug van een vierjarige studieperiode in de Franse hoofdstad, in de jaren 1924-1928, waar zij dwarsfluit had gestudeerd bij Marcel Moyse (1889-1984). Zij zou nog twee keer naar Parijs terugkeren voor langere verblijven in 1930-1932 en 1939-1940. Ogino reisde in periode 1925-1938 drie keer naar Parijs om er in totaal vijf jaar (met woonadres in het 16e arrondissement — geen idee waarvan ze dat deed) door te brengen voor een opleiding in zang en harp.

Links: groepsfoto, vermoedelijk eind jaren ’20 van de vorige eeuw, ter gelegenheid van een dag met voordrachten door dichters. Op de voorste rij, van rechts naar links: musicus Tanaka Nobuko 田中のぶ子; de dichter Yosano Akiko (met grote hoed), bij wie Fukao poëzie studeerde; Fukao zelf (met bos bloemen); en de sopraan Hagino Ayako, die ‘Fluitiste’ zong bij de eerste uitvoering ervan op 23 mei 1929. Bron: Bessatsu Taiyō 24: Kindai shijin hyakunin 別冊太陽24 近代詩人百人 (1978), p. 118. Rechts: Ogino Ayako op ongedateerde foto, jaren ’20.

In 1921 zat Fukao zo te zien al stevig in het netwerk dat in ‘Fluitiste’ zou samenkomen. Yosano Akiko kende ze al; die schreef een nawoord bij Sleutel tot de hemel (Ten no kagi 天の鍵, 1921), de door Fukao bezorgde postume dichtbundel van haar man die voor een derde gevuld was met poëzie van haarzelf. Na de dood van haar echtgenoot in 1920 had zij een tijd samengewoond met Ogino Ayako, totdat die trouwde en de twee van een intense relatie naar een meer afstandelijke verschoven.

Fukao was in Parijs om dwarsfluit te studeren en wat van Europa te zien. Niet alleen zou Ogino even later ook naar Parijs komen, maar Fukao zou daar ook Colette leren kennen. Het zou Colette zijn die haar aanspoorde om te schrijven, wat Fukao is gaan doen; zij schreef ook een aantal verhalen en romans. Voor Japan was dat contact ook belangrijk: Fukao vertaalde Colettes Chéri (1920), haar beroemde roman over de liefde tussen een oudere vrouw en een jonge man. De Japanse versie, Purperen liefde (Murasaki no koi 紫の恋), verscheen in 1928.

Colette in 1912 (bron: Wikipedia) en Fukao Sumako’s vertaling van haar Chéri, Murasaki no koi (1928).

Het ligt het voor de hand om Fukao’s ‘Fluitiste’ als creatief zelfportret te lezen. Dat wil zeggen, óók als zelfcommentaar. Individu-zijn, vrouw-zijn en fluitspelen zijn volledig met elkaar versmolten geraakt. De fluitiste heeft magische krachten; zij is een sjamaan, maar is ook een ‘dienares’ (hashitame 端女・婢女) in de zin dat zij misschien ook wel voor zichzelf speelt maar in ieder geval voor een publiek dat zij toespreekt en moet zien te behagen met muziek ‘uit verre streken’. 

Die verre streken worden concreter door minimaal twee verwijzingen naar of sporen van Fukao’s Parijse jaren in deze liedtekst. Die Pierrot is er één. De ander is ‘de geur van seringen’ (rira no kaori). Muziekhistorici zijn het erover eens (of praten elkaar simpelweg na, zoals ik dat nu ook doe) dat die frase verwijst naar het lied Le temps des lilas (1886) van Ernest Chausson (1855-1899), op tekst van Maurice Bouchor. Het kan heel goed dat componist Hashimoto ‘De tijd van de seringen’ (of ‘Wanneer de seringen bloeien’) had horen zingen door sopraan Ogino Ayako na haar terugkeer uit Parijs. Die aanname suggereert weer dat ‘Fluitiste’ eigenlijk gezien moet worden als de uitkomst van trekken en stoten door tenminste drie kunstzinnige jonge Japanners die met hun zang hun land het modernisme in wilden leiden. Die jaren ’20 van de vorige eeuw waren in dat opzicht ook in Japan een duizelingwekkende tijd van onuitputtelijk experiment in literatuur, film, beeldende kunsten, muziek.

Ik vraag me af of het ‘purperen mysterie’ (murasaki no himegoto むらさきの秘めごと) waarmee het derde couplet van ‘Fluitiste’ eindigt een echo van Colettes Chéri is. Misschien ben ik nu te hard op zoek naar verwijzingen naar Fukao’s eerste Parijse periode.

In elk geval in één opzicht is deze vertaling mislukt. Opvallend is namelijk Fukao’s toepassing van de zogenaamde ‘sōrō-stijl’ (sōrōbun 候文), met consistent gebruik van het middeleeuwse hulpwerkwoord van beleefdheid sōrō . Dat geeft haar liedtekst een nadrukkelijk archaïserend karakter, dat versterkt wordt door haar gebruik van heel oude woorden als totsukuni 異国 (var. 外つ国, ‘verre streken’) en door de titel van dit lied. ‘Fluitiste’ is een vertaling van fuefuki-me 笛吹き女, wat zich meer letterlijk vertalen laat als ‘een vrouw die fluit bespeelt’, waarbij me een woord uit het achtste-eeuwse Oud Japans is. Ik heb na wat experimenten (het Middelnederlandse ‘flute’ voor fluit, bijvoorbeeld) ervan afgezien daarmee veel te doen; een heel licht archaïserende toon heb ik mezelf wel toegestaan. Voordat je het weet wordt het allemaal wat bespottelijk, wat bepaald niet geldt voor Fukao’s tekst. Die heeft juist een bezwerend, bijna magisch karakter.

Fukao Sumako op dwarsfluit (bron: Kōjien) en met hoed, begin jaren ’20 van de vorige eeuw. Bron: Bessatsu Taiyō 24: Kindai shijin hyakunin 別冊太陽24 近代詩人百人 (1978), p. 88.

Categorieën
poëzie

duizend zuchten per kwartier

            voor John Coltrane

            .

jij leefde en je ademde, dat was al

elk kwartier een duizend zuchten slaakte je

één keer maar tijdens dat hele leven van je schreeuwde je het uit

en wat is er daardoor dan veranderd in de wereld?

zulke stomme vragen zal ik niet meer stellen, hoor

midden in de nacht een blikje lauw bier

en een doos wonderlijk genoeg niet klef geworden crackers

dat is de stuff van onze wanhoop en van onze hoop

            .

moeilijk te verwoorden is

eigenlijk maar één ding

namelijk dat we of er na onze dood dan wel nog bij leven

iets zal zijn niet weten

            .

als ziel en lot langs elkaar schurende geluiden maken

resten mij alleen nog onomatopeeën

maar mocht dat ooit in druk verschijnen

is kreunen al te zinloos

          .

ik doe mijn ogen dicht

dat geen visioen verschijnt is eerder een bron van trots

maar de afschrikwekkendheid daarvan

zal me ooit laten gillen

            .

                                    8 februari 1973

            .

 ジョン・コルトレーンに
            
.
きみは生きていて呼吸してたに過ぎないんだ
十五分間に千回もためいきをつき
一生かかってたった一回叫んだ
それでこの世の何が変わったか?
なんてそんな大ゲサな問いはやめるよ
真夜中のなまぬるいビールの一カンと
奇跡的にしけっていないクラッカーの一箱が
ぼくらの失望と希望そのものさ
            
.
そして曰く言い難いものは
ただひとつだけ
それがぼくらの死後にあるのか生前に
あるのかさえわからない
            
.
魂と運命がこすれあって音をたててら
もうぼくにも擬声語しか残ってないよ
でも活字になるんじゃ
呻くのだって無駄か
            
.
ぼくは目をつむって
どんな幻影も浮かばぬ事がむしろ誇りだ
その事の怖ろしさに
いつか泣き喚くとしても
            
.
                8/2/1973

Een overpeinzing van Levende Meesterdichter Tanikawa Shuntarō 谷川俊太郎 (1931), uit zijn bundel Midden in de nacht had ik in de keuken met je willen praten (Yonaka ni daidokoro de boku wa kimi ni hanashikaketakatta 夜中に台所でぼくは君に話しかけたかった, 1975).

Striptekenaar Cosey wilde altijd dat je bepaalde muziek luisterde bij het lezen van zijn albums. In navolging daarvan bij dit gedicht de suggestie dat je A Love Supreme dan wel Giant Steps beluisteren kan. Tanikawa zelf zou misschien zeggen: ‘Nee, My Favorite Things’, want in dezelfde bundel heeft hij een gedicht opgenomen met die titel. Maar ja, dat is dan weer een verzekerd haakje naar The Sound of Music en het is nog geen Kerst.

Het linoleumsnede-portret uit 1985 van John Coltrane is van de hand van Hayo de Boer. Dank voor het mogen plaatsen ervan.

Categorieën
poëzie

gezellig

            poes

            .

bovenop de kotatsu zit de poes     recht daarboven brandt de lamp

vanuit de vallei stemmen als oorgeruis      buiten het raam valt sneeuw

langzaam werpt de lamp zijn licht steeds verder     berg en bos verdwijnen uit het zicht

ze rolt haar staart om zich heen     de wind huilt     de aanmaakhoutjes knisperen     in de ketel borrelt theewater

            .

 
            
.
炬燵の上に猫がゐる 真上にランプが点ってゐる
耳鳴りほどのたにの声 窗まどには雪が降ってゐる
やがてランプが光を増す 山も林も見えなくなる 猫は
尻尾を巻きかへる 風が鳴る ほたがはじける 文福茶釜に湯が沸たぎ

Een kotatsu is een laag tafeltje met daaronder een verwarmingselement; het tafelblad ligt op een deken waaronder je je benen hebt zitten. Het is een doeltreffende en heel behaaglijke vorm van verwarming in koude tijden. Voor ‘theeketel’ gebruikt Miyoshi het voor mij altijd licht magische woord bunbuku chagama 文福茶釜, een ketel die eigenlijk een tanuki (of vos) is die van vorm veranderen kan. Hier hangt die ketel boven een open vuurtje.

Het cliché wil dat ‘gezellig’ een oerhollands en daarom onvertaalbaar woord is. Dat mag zo zijn, maar het gevoel van geborgenheid dat daarbij hoort is allicht universeel.

Miyoshi Tatsuji 三好達治 (1900-1964) nam ‘Poes’ (‘Neko’ ) op zijn bundel Bergvruchten (Sankashū 山果集; ‘De vruchten van mijn buitenhuis’ zou misschien een explicietere vertaling van de titel zijn) uit 1935. Vijf jaar eerder was hij als modernistisch dichter doorgebroken met Onderzoeksschip (Sokuryōsen 測量船, 1930). Dit gedicht is natuurlijk wat braver.

Ik geloof zeker niet dat we Miyoshi hier zouden moeten lezen in de geest van Anton Kortwegs ironische of zelfs cynische ‘Ik niet’ (‘Biesheuvel lezen. Binnen handbereik / port en sigaren. Naast me het getik / van breinaalden. Vlokje en Borre spinnen. / Wie er ook ongelukkig is – niet ik.’). Het enige dat wat mij betreft dit een cynisch gedicht maakt is dat het eind oktober meer dan twintig graden is. Klimaatverandering maakt zulke poëzie tot verloren ervaringen — zelfs al typ ik dit met een kat op schoot.

De afbeelding is een still van het YouTube-filmpje ‘コタツの中の猫 Cats in the kotatsu’.

Categorieën
poëzie

naar zee!

            de verhalen van onze hulp

            .

sindsdien vertelt onze hulp me niets meer,

al hield ik zo van haar verhalen.

            .

‘die hoorde ik al van je’, zei ik,

en ze trok een droef gezicht.

            .

in onze hulp haar ogen zag ik de weerspiegeling

van veldrozen op grasbegroeide heuvels.

            .

die verhalen zijn me dierbaar,

mocht zij me ooit weer wat vertellen,

dan zou ik vijf keer, tien keer, zó braaf,

zwijgend naar haar luisteren.

            .

 ばあやのお話
            
.
ばあやはあれきり話さない、
あのおはなしは好きだのに。
            
.
「もうきいたよ」といったとき、
ずいぶんさびしい顔してた。
            
.
ばあやのには、草山の、
野茨のはなうつってた。
            
.
あのおはなしがなつかしい、
もしも話してくれるなら、
五度も、十度も、おとなしく、
だまって聞いていようもの。

            naar zee

            .

opa ook naar zee,

pappa ook naar zee,

ook grote broer naar zee,

allemaal allemaal naar zee.

            .

aan de zee haar overkant

daar is het echt heel mooi hoor,

iedereen die daar dan heen gaat

die komt nooit meer terug.

            .

wij moesten ook maar snel

ook grote mensen worden,

dan gaan we heus naar zee

heus, dat is echt waar hoor.

            .

 海へ
            
.
さも海へ、
ととさも海へ、
あにさも海へ、
みんなみんな海へ。
            
.
海のむかうは
よいところだよ、
みんな行つたきり
帰りゃあしない。
            
.
おいらも早く
大人になつて、
やっぱり海へ
ゆくんだよ。

Voor mij heeft dit gedicht iets sinisters dat Kaneko Misuzu er allicht niet ingelegd heeft.

            steen

            .

gisteren was het een kind

dat je liet struikelen

en vandaag een paard

dat je vallen liet.

en morgen: wie

zal er dan bij je langs komen?

            .

de steen

op een landweg

onder de rode zon

kan het niks schelen.

            .

石ころ
            
.
きのうは子供を
ころばせて
きょうはお馬を
つまずかす。
あしたはだれ
とおるやら。
            
.
田舎いなかのみちの
石ころは
赤い夕日に
けろりかん。

           grote vangst

            .

bij het gloren van het ochtendgloren

een grote vangst

van stevige sardines

een grote vangst.

            .

op het strand daar lijkt het wel

een festival

maar diep in zee

daar houden ze 

voor tienduizenden

sardines een begrafenis

ja, dat denk ik wel.

            .

 たいりょう
            .
あさやけやけ
大漁だ。
おおいわし
大漁だ。
            .
はまは祭まつりの
ようだけど
海のなかでは
なんまん
鰯のとむらい
するだろう。

‘Grote vangst’ geldt zo’n beetje als Kaneko’s bekendste gedicht.

Links: Kaneko Misuzu op haar twintigste. Bron: Wikipedia. Rechts: Kaneko Misuzu tijdens haar mddelbareschooltijd. Bron: nippon.com. Misuzu was schijnbaar al vroeg een enthousiaste lezer. Ik val daarom graag voor de valse verleiding om de portretfoto die van haar genomen is in haar schooltijd, in typische studiopose met boek in de rechterhand, te zien als ‘authentiek’ en ‘persoonlijk’.

Kaneko Misuzu 金子みすゞ (officiële eigennaam: Teru テル, 1903-1930): jong gestorven, lang vergeten, en nu heel erg herontdekt.

Misuzu werd geboren in het vissersdorp Senzaki, aan de Japanse Zeekust in het uiterste westen van Japans hoofdeiland. Na de plotse dood van haar vader hertrouwde haar moeder met Misuzu’s oom en gingen zij en Misuzu nog iets verder naar het westen in Shimonoseki wonen, waar hij een boekhandel dreef. Uitzonderlijk voor die tijd was dat Misuzu dankzij haar moeder tot haar zeventiende naar school kon blijven gaan.

In 1926 trouwde zij met de hoofdklerk van de boekhandel, die een onbetrouwbare rokkenjager bleek en die haar behalve een dochter ook een pijnlijke geslachtsziekte zou bezorgen. In februari 1930 vroeg zij een echtscheiding aan, die wel zou betekenen dat zij voogdij over haar dochter kwijt zou raken. Ondanks smeekbeden van haar kant om voor hun dochter te kunnen blijven zorgen gaf haar man niet toe. In maart pleegde zij zelfmoord door zichzelf te vergiftigen, een maand voor haar zevenentwintigste verjaardag.

In de drie jaar voor haar huwelijk, terwijl zij in de boekhandel van haar oom-stiefvader en moeder werkte, begon Misuzu poëzie te schrijven voor kinderen, teksten in de brede categorie dōyō 童謡: kinderrijmpjes en gedichten die op kinderen gericht waren maar ook door volwassen gewaard werden. Ze publiceerde die hoofdzakelijk (zo’n dertig gedichten) in het tijdschrift Kinderverhalen (Dōwa 童話). Dit was een tijd dat lustig geëxperimenteerd werd met creatieve poëzie voor kinderen. Bekende namen in die beweging waren Kitahara Hakushū 北原白秋 (1885-1942) en het legendarische literatuurtijdschrift voor kinderen, Rode vogel (Akai tori 赤い鳥), dat in 1918 was opgericht. De dichter Saijō Yaso 西條八十 (1892-1970), die ook voor Rode vogel schreef, roemde Misuzu’s bijdragen aan de kinderpoëzie en zag zich als haar ontdekker. Na haar huwelijk maakte haar man het Misuzu onmogelijk te blijven publiceren; hij dwong een traditionele rol voor zijn echtgenote af. Misuzu bleef doorschrijven, maar in het geheim.

Misuzu’s drie aantekeningenboekjes met haar verzameld werk. Bron: nippon.com.

De drie door Misuzu volgeschreven aantekeningenboekjes met in totaal 512 grotendeels ongepubliceerde gedichten waren al die tijd door Misuzu’s jongere broer bewaard en werden in 1982 bij hem ontdekt door de kinderliedjesschrijver Yazaki Setsuo 矢崎節夫 (1947), de huidige directeur van het Kaneko Misuzu Memorial Museum. Zijn uitgave, in 1984, van haar verzameld werk zorgde ervoor dat ruim een halve eeuw na haar dood Misuzu’s poëzie eindelijk een breed publiek vond.

De afbeelding toont een detail van de omslag van Vive la marée! van Pascal Rabaté en David Prudhomme (Futuropolis, 2015; pocketuitgave 2022), een strip die terecht wel vergeleken is met Jacques Tati’s Les vacances de monsieur Hulot (1951).

Categorieën
poëzie

gyawalo’-gyawalo’

            Geboortefestival

            .

midden tussen zanderige rivieroevers weerspiegelde het moeras wolken in het avondlicht.

paarse nevel rees al op.

en de gouden maanschotel klom omhoog.

            .

lisdodde en pijlkruid omzomen het moeras.

in het fluweel van hun stengels, hun bladeren, hun aren lijken vuurvliegjes zich op te stapelen

de vuurvliegjesverlichting knippert rusteloos aan en uit.

een schrijvertje op de rug van een watertor. eendenkroos dat oplicht in de baardhaar van een meerval.

            .

toen.

klonk er een fluit van schaafstro.

en plots vulde het moerasoppervlak zich met kikkergezichten.

in plechtige stilte maakten zij kringen in kringen.

de vuurvliegjes doofden hun lichten.

en alles werd in duister gehuld.

de fluit van schaafstro klonk schril een tweede keer.

de koorzang ‘Rust en kalmte in alle eeuwigheid’ deed de zegge in weerklank trillen.

            .

            was het Gobila die opstond?

            of was het Glimadar, of Kerke?

            de koorzang eindigt te midden van flikkerend licht.

            opvallend hoog hangt ze tegen de zegge aan.

            nadat de welluidende bezwering bara-a-ra bara-a-ra gezongen werd.

            .

                        al onze geboorten.

                        al onze vreugdes.

                        vanavond is de enige avond van het jaar.

                        het bonzen in al onze borsten.

                        het glanzen van al onze ogen.

                        de viering van al onze toekomsten.

                        al onze …

            .

            drink en zing! vrienden, de jabo-jabo-jabo-jabo-draaikolk van licht.

            in een schitterende flits springt een voorn omhoog.

            talloze talloze vuurvliegjes stromen samen.

            .

lii-lii     lililu     lililu     liffuffuf

lii-lii     lililu     lililu     liffuffuf

                        lilinf     fkenk

                        fukenk     kekekke

kekuk     kekuk     kensalili-olu

            kekuk     kekuk     kensalili-olu

                        biida-lala     biida-lala

                        binbin      bigank

                        biida-lala     biida-lala

                        binbin      bigank

binbin      bigank     gaggagga-liliki

binbin      bigank     gaggagga-liliki

            galililiki     kikuk     gaggagga-liliki

                        galililiki     kikuk     kikuk     gugugu

                                    kikuk     kukuk     kukuk     gugugu

                                                gugugugu     gugunk

                                                gugugugu     gugunk

gururu’     gururu’     iiiiiiiiiiiiiiiii

gururu’     gururu’     iiiiiiiiiiiiiiiii

            gānbyan     gānbyan

                        onze dromen

                        die kleur van de dageraad

                        onze liederen

            .

            .

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

gyawalo’-gyawalo’-gyawalo’-lo’-lo’-lo’-li’

            .

            .

            Postpoëem

            .

als auteur voel ik er niets voor om de koorzang van deze feestelijkheden ter viering van geboorte te onderbreken. aan de oever van de Ōaza-kamio-rivier in Kamiogawa in het district Iwaki in de prefectuur Fukushima. het is een festival van puntjes kleiner nog dan sesamzaadjes. die plek waar extase golft en weerklinkt en stroomt. maar in werkelijkheid valt lichtjes de sneeuw terwijl ik in kleermakerszit aan een armzalige kotatsu in het duister. de ogen in concentratie gesloten met uiteindelijk dat wat geboren was. (ook wanneer in mijn lichaam zwakjes de koorzang naklinkt. en nu vaagjes verre rimpelingen.) ach! de lichtjes van de vuurvliegjesketting gaan al uit. een kluwen van uitgetrokken leeuwenbekken grijpt tevergeefs naar de enorme volle maan.

            .

 誕生祭
            
.
砂川原のまんなかの沼が夕焼け雲を映してゐたが。
もうむらさきの靄もたちこめ。
金盥の月がのぼつた。
            
.
蒲やおもだかが沼をふちどり。
その茎や葉や穂のびろうどには重なりあふほどの蛍たちが。
蛍イルミネーションがせはしくせはしく明滅する。
げんごろうの背中には水すましが。鯰のひげには光る藻が。

            .
この時。
とくさの笛が鳴り渡つた。
するといきなり。沼のおもては蛙の顔で充満し。
幾重もの円輪をつくつてなんか厳かにしんとしてゐる。
螢がさつとあかりを消し。
あたりいちめん闇が沸き。
とくさの笛がふたたび高く鳴り渡ると。
《悠悠延延たり一万年のはての祝祭》の合唱が蒲もゆれゆれ轟きわたる。
            
.
  たちあがったのはごびろだらうか。
  それともぐりまだらうかケルケだらうか。

  合唱のすんだ明滅のなかに。
  ひときは高くかやつり草にもたれかかり。
  ばあらばあらと太い呪文を唱へてから。
            
.
    全われわれの誕生の。
    全われわれのよろこびの。

    今宵は今年のたつたひと宵。
    全われわれの胸は音たて。
    全われわれの瞳はひかり。
    全われわれの未来を祝し……。
    全われわれは……。
            
.
  飲めや歌へだ。ともうじやぼじやぼじやぼじやぼのひかりの渦。
  泥鰌はきらつとはねあがり。
  無数無数の螢はながれもつれあふ。
            
.
りーりー りりる りりる りつふつふつふ
りーりー りりる りりる りつふつふつふ
  りりんふ ふけんふ
  ふけんく けけつけ
けくつく けくつく けんさりりをる
けくつく けくつく けんさりりをる
   びいだらら びいだらら
   びんびん びがんく
   びいだらら びいだらら
   びんびん びがんく
びがんく びがんく がつがつがりりがりりき
びがんく びがんく がつがつがりりがりりき
   がりりき きくつく がつがつがりりき
   がりりき きくつく くつくく ぐぐぐ
             ぐぐぐぐ ぐぐんく
ぐぐぐぐ ぐぐんく
ぐるるつ ぐるるつ いいいいいいいいいいいいいいいいい
ぐるるつ ぐるるつ いいいいいいいいいいいいいいいいい
   があんびやん があんびやん
     われらのゆめは
     よあけのあのいろ
     われらのうたは
            
.
     ぎやわろっぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
     ぎやわろぎやわろぎやわろろろろり
            
.
     追詩
            
.
誕生を祝うこの催しの合唱を作者の私はとめたくない。福島県石城郡上小川村大字上小川の前の川原の。胡麻つぶにもならない小さな点でのお祭だが。この大歓喜の波打ちとどろき流れるところ。けれども実はちらちら雪もふっている貧乏な炬燵に胡坐をかいてる私のおもたい暗い。瞑目のはてに生まれたもの。(からだにはかすかにのこる合唱の。いまはほのぼののとおいさざなみ。)ああもう蛍のじゅずなりのあかりも消え。根のぬけた金魚藻のみだれがうけとめているものは徒らに大きな満月だけ。

Een kotatsu is een laag tafeltje met daaronder een verwarmingselement; het tafelblad ligt op een deken waaronder je je benen hebt zitten. Het is een doeltreffende en heel behaaglijke vorm van verwarming in koude tijden.

‘Die kikkerdichter’ — dat zal de eerste associatie zijn van lezers die de naam Kusano Shinpei 草野心平 (1903-1988) kennen. Hij heeft dan ook heel veel kikkerpoëzie geschreven en experimenteerde in zijn avant-garde-gedichten met kikkerstemmen. Hij ging zelfs zo ver hele gedichten in het kikkers (ago 蛙語) te schrijven — al gaf hij daar in zo’n geval dan ook een vertaling bij. 

Dit is het openingsgedicht van Kusano’s bundel Kikkers — de definitieve editie (Teihon: Kaeru 定本 蛙) uit 1948. De titel van Kusano’s gedicht is wel vertaald als ‘verjaardagsfeest’ (‘Birthday Party’) maar het Japanse tanjōsai 誕生祭 is een wat ongewoon woord, dus wilde ik ook een wat ongewoon Nederlands equivalent. Daarbij wordt gaandeweg duidelijk dat het hier niet zomaar om een verjaardagsfeestje gaat maar om een rituele, feestelijke bijeenkomst die de grondvesten van de kikkergemeenschap bevestigen moet. Het gedicht schept de setting voor de bundel, waarin verschillende kikkers optreden. Gobila (Jp. Gobira), Glimadar (Gurimadarō) en Kerke (Keruke) zijn namen van kikkers. De naam van de eerste lijkt nogal op die van de oude, filosofisch ingestelde kikker Gobilaf (Gobiraffu ごびらっふ), die in een later gedicht in de bundel een monoloog houdt, geheel in het kikkers, over de aard van geluk: ‘geluk, dat kan ook bestaan bij dwaasheid’ (rutēru biru moretolili gaik’ るてえる びる もれとりり がいく幸福といふものはたわいなくっていいものだ; hier kun je Kusano zelf deze monoloog horen voordragen). Kusano vult zijn bundel met een bont gezelschap aan kikkers, elk met hun eigen persoonlijkheid. Het effect van de bundel is dat de lezer zich onderdeel van de kikkergemeenschap wanen gaat.

Kikkers werden in Japan al vroeg begiftigd met voor mensen zeer herkenbare emoties. Al in het zogeheten ‘Japanse voorwoord’ (kanajo 仮名序) van Japans eerste vorstelijke waka-bloemlezing, de Verzameling van gedichten van vroeger en nu uit 914, wordt de natuurlijke aandrang van de mensen om poëzie te zingen vergeleken met onder meer ‘het gekwaak van de kikkers die in het water wonen’ (mizu ni sumu kawazu no koe). Antropomorfe kikkers komen in grote aantallen voor op de befaamde ‘rolschildering van de dartelende dieren’ (chōjū giga 獣鳥戯画) uit de twaalfde of dertiende eeuw; één ervan heeft zelfs boeddha-status weten te bereiken en wordt aanbeden door een apenpriester.

Links: Kusano Shinpei drinkt een glas. Bron: Wikipedia. Rechts: een kikkerboeddha, in de twaalfde- of dertiende-eeuwse Rolschildering van de dartelende dieren. Bron: Osaka Institute of Technology.

Ik weet niet of Kusano zelf bezig was met zulke historische perspectieven. Het is ook wat gemakzuchtig, natuurlijk om altijd maar zulke verbanden te suggereren; dat ontzegt een dichter als Kusano een deel van zijn eigenheid en reduceert zijn poëzie tot ‘representatief Japans cultuurgoed’. Ik wil maar zeggen: Kusano’s voorliefde voor kikkers is allicht minder vreemd dan een westerse lezer zou kunnen denken.

In zijn ‘na[schrift]-gedicht’ of ‘postpoëem’ (tsuishi 追詩, een neologisme van Kusano dat vast niet toevallig homofoon is met tsuishi 追思, ‘herinnering’) verbindt Kusano, zonder dat expliciet te maken, het kikkerlandschap met zijn jeugd: Kamiogawa in het district Iwaki in de prefectuur Fukushima is Kusano’s geboortedorp. Het valt inmiddels in de no-go-zone bij de kernreactor Fukushima, alleen nog maar bereikbaar via de poëzie.

De afbeelding toont een kikkerdans door Kawanabe Kyōsai 河鍋暁斎 (1831-1889).

zwenken als een zwaluw

            Ushiwakamaru

            .

boven op de brug bij Gojō in de hoofdstad

die grote man, die Benkei daar

tilt hoog zijn ellelange hellebaard omhoog

mikt op Ushiwaka om hem neer te steken

            .

Ushiwakamaru, die springt heel snel opzij

de waaier die hij vastheeft gooit hij naar hem toe

‘kom dan’, ‘kom dan’, ‘kom dan’ — op de balustrade

klimt hij en klapt dan in zijn handen

            .

vóór je en dan weer achter, links en ook nog rechts

hier denk je dat hij stond     dan staat-ie toch weer daar

snelle acties zwenkend als een zwaluw

laten die duivel Benkei er toch mooi in tuinen

            .

  牛若丸
            
.
京の五条の橋の上
大のおとこの弁慶は
長い薙刀ふりあげて
牛若めがけて切りかかる

            .
牛若丸は飛び退いて
持った扇を投げつけて
来い来い来いと欄干の
上へあがって手を叩く
            
.
前やうしろや右左
ここと思えば またあちら
燕のような早業に
鬼の弁慶あやまった

            ..

            Ushiwakamaru
            
.
kyō no gojō no hashi no ue
dai no otoko no benkei wa
nagai naginata furiagete
ushiwaka megakete kirikakaru
            
.
ushiwakamaru wa tobinoite
motta ōgi o nagetsukete
koi koi koi to kanran no
ue e agatte te o tataku
            
.
mae ya ushiro ya migi hidari
koko to omoeba     mata achira
tsubame no yō na hayawaza ni
oni no benkei ayamatta

Ushiwakamaru 牛若丸 is de jeugdnaam van Minamoto no Yoshitsune 源義経 (1159-1189), een historische maar vooral legendarische generaal. Historische kennis over hem bestaat er verbazingwekkend weinig voor iemand die als generaal grootse militaire successen behaalde en de jongere broer was van Japans eerste militaire heerser, de shōgun. Al heeft hij echt bestaan, toch zijn bijna alle verhalen over hem eerder mythisch dan historisch. Zo zou hij in zijn jeugd op de berg Kurama ten noorden van Kyoto zwaardvechten hebben geleerd van magische kobolden (tengu).

In een verhaal dat nogal doet denken aan de ontmoeting tussen Robin Hood en Little John daalt hij van de berg af om naar Kyoto te gaan. Op de brug over de Kamo-rivier ter hoogte van de Vijfde Avenue (gojō) die reizigers de stad in leidde stuitte hij op de krijger-monnik Benkei, zoals zo’n beetje alle ‘monnik-soldaten’ (sōhei 僧兵) destijds bewapend met een lans met gebogen kling (naginata). Deze Benkei had zichzelf beloofd om duizend zwaarden te stelen van nachtelijke voorbijgangers, om zo rijk te worden. Hij had al 999 zwaarden verzameld toen hij op de Gojō-brug Yoshitsune tegenkwam met een fraai zwaard. Zij gingen een gevecht aan dat Yoshitsune dankzij zijn magische vechtkunst wist te winnen. De volgende dag probeerde Benkei het opnieuw, maar hij kon nog steeds niet tegen Yoshitsune op. Weer verloor Benkei en hij beloofde nu Yoshitsune’s vazal te worden.

Deze episode ‘Benkei op de brug’ (‘Hashi Benkei’ 橋弁慶) is zeer, zeer iconisch; elke Japanner kent hem. (De gemeente Kyoto heeft daarom bij de brug zelfs een oerlelijk beeld ervan geplaatst.) 

Over de verhalen over Yoshitsune is zeer veel geschreven. Een kwarteeuw geleden publiceerde ik zelf ‘Een zeer Japanse held. Yoshitsune-legenden en De Yoshitsune-kroniek.’ In: Op avontuur! Aspecten van avonturenverhalen in Oost en West, red. S. Houppermans, W.L. Idema en R. Kruk (Zutphen: Walburg Pers, 1998).

Afgelopen donderdag promoveerde in Leiden Aafke van Ewijk terecht cum laude op haar proefschrift ‘Memory, Modernity, and Children’s Literature in Japan: Premodern Warriors as National Icons in Nineteenth and Early Twentieth Century Literature and Curriculum’. Daarin kiest zij heel origineel voor kinder- en jeugdliteratuur als lens om de zo dynamische en veelbesproken overgang van het vroegmoderne naar het moderne Japan te analyseren. Het is die connectie met de grotere geschiedenis die haar proefschrift uittilt boven een op zich al heel interessante casestudy over de geboorte van kinderliteratuur in Japan. Een thema is hoe leesonderwijs en de vorming van jonge burgers van de al net zo jonge natiestaat parallel liepen. Jeugdige incarnaties van helden uit de Japanse cultuurgeschiedenis, zoals Ushiwakamaru, werden voortdurend gerecycled om als rolmodel te dienen.

Om dat te vieren dit keer een liedje uit 1911 dat daarop helemaal aansluit. Het komt uit een door het Ministerie van Onderwijs goedgekeurde reeks schoolliederen voor het vak ‘zingen’ op de lagere school (jinjō shōgaku shōka 尋常小学唱歌). Voor zulk lesmateriaal werden speciaal Japanse componisten en schrijvers aangezocht. De tekst van ‘Ushiwakamaru’ is van Ishihara Wasaburō 石原和三郎 (1865-1922), die al sinds 1894 betrokken was bij zangonderwijs op de lagere school en tekstboeken Japans. Het liedje is op muziek gezet door muziekpedagoog Tamura Torazō 田村虎蔵 (1873-1873).

Hier kun je het lied horen worden uitgevoerd door het kinderkoor Mimi-chan Rekōdo Jidō Gasshōdan みみちゃんレコード児童合唱団 (Nijntjes Opnames Kinderkoor). Het is het eerste van de twee liedjes in de opname, de eerste anderhalve minuut (van 0:00 to 1:30); het andere lied is de klassieker ‘Momotarō’ van hetzelfde duo. Ik kan niet goed plaatsen van wanneer de opname dateert; ik gok uit de jaren ’60 van de vorige eeuw.

Ik heb niet heel erg geprobeerd mijn vertaling aan te passen aan de muziek. Daar is nog veel ruimte voor verbetering.

De afbeelding toont ‘Ushiwakamaru to Benkei’ ウシワカマルトベンケイ (‘Ushiwakamaru en Benkei’), in gevecht op de Gojō-brug, door Chiji Yoshirō 千地芳朗, in Yōnen gahō 幼年画報 (‘Het geïllustreerd kind’) 20: 1 (1925). Collectie International Institute for Children’s Literature Osaka (Ōsaka Kokusai Jidō Bungaku Shinkō Zaidan 大阪国際児童文学振興財団). Van Ewijks proefschrift gaat uitgebreid in op de veranderende iconografie van zulke scènes.

niet voor bangeriken

            de zee

            .

de zee was ooit bezit van goden

maar de zee werd als snel

bezit van stoere ontdekkingsreizigers

dankzij hen werd de zee

bezit van deze planeet, van de aarde

en van alle jongens

die bij de branding van de wijde wereld dromen

de zee was ooit in handen van Neptunus

de zee was ooit bezit van eenzame boekaniers

maar de zee is nog steeds niet

beheerst geweest door één enkele natie

en nooit zal de zee het bezit van bangeriken zijn

die schrikken van visioenen van verlies

            .

 海
            
.
海はかつて神のものだった
だが海はやがて
勇敢な探検家のものとなり
それらの人々のおかげで海は
この星のもの地球のものとなった
波打ち際で広い世界を夢見る
すべての少年のものとなった
海はかつてネプチューンのものだった
海はかつて孤独な海賊のものだった
だが海はいまだかつて
ひとつの国家のものだったことはない
そしてまた海は敗北の幻影におびえる
臆病者のものだったこともないのだ

‘Niemand is ervoor verantwoordelijk, dat is de tragiek van de open zee’, schreef NRC Handelsblad afgelopen vrijdag, naar aanleiding van een VN-top over de ‘oceaannoodtoestand’ die dit weekend gehouden wordt. Toen Tanikawa Shuntarō 谷川俊太郎 (1931) in 1964 schreef: ‘[…] de zee is nog steeds niet / beheerst geweest door één enkele natie’, was dat een visioen van vrijheid; nu is dat een bron van zorg. Of liever, de zee zou van ons allemaal moeten zijn, om ons er verantwoordelijk voor te voelen. Niet schrikken van visioenen van verlies dus, lijkt me bij herlezing na een kwart eeuw de boodschap, maar ons gedrag veranderen.

Tanikawa gebruikt een woord dat je in striktere zien als ‘nederlaag’ zou moeten opvatten (haiboku 敗北); toch blijf ik vasthouden aan ‘verlies’.

Tanikawa is waarschijnlijk de nog levende dichter waarvan zo’n beetje elke Japanner gehoord heeft, al was het maar omdat hij ook meesterlijke kinderboeken schreef. Dit gedicht komt uit zijn bundel 99 Spotgedichten (Rakushu kujūku 落首九十九, 1964). De term rakushu had altijd al een politieke lading; dat is gebleven.

Deze lichtjes aangepaste vertaling verscheen eerder in: De zee, de zee. Gedichten uit de hele wereld, verzameld door Katinka van Dorp (Van Gennep-Novib-Ncos, 1998), p. 45.

De afbeelding is jeugdwerk. Onschuldiger tijden waren dat.

ceder van de nacht

            wind nodigt wind uit

            .

wind nodigt wind uit

om wolf te gaan eten

blauw vlees     vlug bloed 

o! ceder van de nacht     toren van de nacht 

            .

onweerstaanbaar zwermt stuifmeel uit

de maan sperde een wit oog open

laat wind wind eten

laat botten botten bijten 

            .

tastende ademhaling     in elkaar gedoken apen

stapelen de ene gefossiliseerde schreeuw op de andere

o! ceder van de nacht     toren van de nacht

het glazen vogeltje ligt aan stukken

            .

het woud is met rails doorregen

door de oven lopen rode barsten

wind nodigt wind uit

om wolf te gaan eten 

            .

 風が風を
            
.
風が風をさそった
狼を喰いに行こうと
蒼い肉 すばやい血
おお夜の杉 夜の塔
            
.
むらむらと花粉がこぼれ
月は白い眼を剝いた
風は風を喰うがいい
骨は骨を嚙むがいい
            
.
さぐる息 すくむ猿
化石した叫びをかさね
おお夜の杉 夜の塔
ガラスの小鳥は砕け散った
            
.
森はレールに貫かれ
かまどに紅い亀裂が走り
風がまた風をさそった
狼を喰いに行こうと

Sinds ik ruim twintig jaar geleden voor het eerst ‘Wind nodigt wind uit’ (Kaze ga kaze o 風が風を) van Tada Chimako 多田智満子 (1930-2003) las, uit haar bundel Een valse kroniek (Nise no nendaiki 贋の年代記, 1971), is dit gedicht door mijn hoofd blijven spoken. Tada woonde lange tijd met haar echtgenoot in Kobe aan de voet van de berg Rokko, waar het zo steil werd dat de straat wel moest ophouden en het bergbos begon. Ik denk graag dat dit gedicht een wereld beschrijft waarin zij half woonde.

Tada’s gedicht is in 1984 op muziek gezet door Kinoshita Makiko 木下牧子 (1956). Deze componiste heeft zowaar een eigen Nederlandse Wikipedia-pagina. Zij componeert vooral voor koren; dit is een van haar eerste koorstukken. Dat was destijds voor de Tokyo Women’s Coral Society. ‘Wind nodigt wind uit’ is onderdeel van Kinoshita’s liederenreeks ‘Zes romances’ (Muttsu no roman 六つの浪漫), zes zangstukken naar gedichten van verschillende dichters.

De foto toont boomtoppen tegen de achtergrond van de Melkweg.

de geest tapdanst

geestendans

            .

vanonder de middernachtelijke berg van puin tevoorschijn gekropen     met een spichtige staart een wriemelende staart

is het de darm van de geest,

fluorescerend groen licht ze op

in een half doorzichtig hoofd     ontbloot ze haar vooruitstekende tanden

zij knijpt met haar ogen     zonder pupillen,

zij zwelt aan     zij springt

zij springt

mensennekvlees eet ik niet hoor     te hard hè

ze draaien niet en buigen alleen maar, de idioten

ik hè     ik week het met azijn

de naden van de dakgoot zijn losgeraakt     en het vuile water spettert op de straat

met haar klauwen lijkt ze erop te tokkelen

voor je ogen loopt ze over de leidingen     via de armen van de elektriciteitsmasten

de geest

doet een shake dance

zwaait trillend buik en ingewanden heen en weer

zo krijg ik weer honger, joh

’t is een tijd vol vuilnis     dus hiero hè     zit ik meer dan vol

die offers     die hoef ik niet

strekt zich uit     rolt zich op     begint pulserend groen     te verteren

vanuit het uiteinde

uiteindelijk     druppelsgewijs     komen daar de geestendwaallichten

een tijgerkat heft zijn kin op     en stuurt zijn yell de wereld in:     miauw, amigo

zij zwelt aan     zij springt

zij springt

zij springt omhoog

zij springt over domfraaie wimpers die met de wimperkruller bewerkt zijn

springt naar beneden op het sleutelbeen van de hulpeloze en dus populaire jongen

hupt van de hangborst af die de zwaartekracht niet kan weerstaan

galoppeert langs hangende wijsneuzen die zich vastklampen aan de neusharen van autoriteit

zij zwelt aan     zij springt

zij springt     zij zwelt aan     springt

zij springt

een prachtige mysterieuze vogel pulserend groen

ontbloot haar vooruitstekende tanden

het vuilnis van rampdag     het vuilnis van dronkerdag (hik)     allemaal van de geest

hé     zal ik die bespelen

de tijd      die jou nog rest

bonk     fraai     met me klauwen

’t is allemaal te hard hè    ’t draait niet, hè     ook jouw hoofd niet

miauw, amigo

de geest

tapdanst     doet de step     doet een shake dance

met de geestendwaallichten

roeit ze haar fiets voort

ik wil weer honger krijgen

ik hè     heb een geheiligd seksueel lijf dus waar mijn lijf stagneert is het gevoelig

dus

bonk     fraai

voor de tijd     die jou nog rest     doe ik gymnastiek

hé!

jij, brutaal verwend nest

dat offer van een doerian     dat neem ik dus echt niet aan!

            .

タマシイ・ダンス
            .
真夜中の瓦礫の山から這い出した ひょろ長いしっぽ
のたくったしっぽ
タマシイの腸なのだ、
蛍光グリーンに点っている
半透明のかしらから 馬ットウムギの歯を剥き出し
黒目のない まなこを凝らして、
うねって 飛ぶ
飛ぶ
ヒトの首肉ナンテモー喰われませんヨ 固くてサ
回りもしないのにお辞儀バッカだろ
俺ネ ビネガーかけてホぐしテンノ
雨樋の継ぎ目が外れて 汚水が路上に散らばっていく
爪先で弾じいていったらしい
ケーブルをみるみるつたって 電信柱の肩先で
タマシイは、
シェイクダンスする
胃腸をぶららら揺らしている

コーシテ腹減らしてるワケサ
芥ダラケの昨今だから コッチ側ねェ 飽食なのヨ
お供えナンテなァ いらないヨ
伸び 縮み 消化をはじめる ぷるぷるグリーン
先っぽから
ようやく ほろほろ 火ノ玉サンです
タイガーキャットが顎を上げ にやァごあみィご とィエールをおくる
うねって 飛ぶ
飛ぶ
飛び上がる
ビューラーで撥ねあげた白痴美まつ毛をスキップし
非力なのが売りもののカレシの鎖骨にドロップし
重力には逆らえないある垂レ乳根でホップして
オーソリテの鼻毛に掴まるウンチク垂レにはギャロップす
うねって 飛ぶ
飛ぶ うねって 飛ぶ
飛ぶ
麗しの怪チョウぷるブリーン
馬ットウムギの歯を剥いて
禍曜日の芥も 酔曜日の芥もヒック、タマシイのモノ
オイ 弾じいてヤロウか
ソッチの ジカンを 
コツン、シャーンと 爪先で
ドーモコーモ固まり過ぎダネ 回ってないネェ、オツムもサァ
にやァご あみィご
タマシイは、
タップする ステップする シェイクダンスする
火ノ玉サンと
自転車漕ぎする
腹減らしたいワケヨ
俺らはネ セー体だからカラダの淀みにビンカンなのヨ
ではネ
コツン、シャーンと
アナタの ジカンへ 体操シマス
オオイ!
そこのフンゾリカエリ、
ドリアンのお供えだって 受け取れナイよォ

Over een kleine week treedt Arai Takako 新井高子 (1966) op op Poetry International. Dat doet ze niet met dit gedicht, maar met drie langere gedichten: twee uit haar bundel Geestendans (Tamashii dansu タマシイ・ダンス, 2007), waarvan het gedicht hier het titelgedicht is, en een nog niet gepubliceerd gedicht.

De bij haar voordracht te projecteren vertalingen zijn van Jeffrey Angles (Engels) en van mij (Nederlands).

Haar avantgardistische poëzie is heel verhalend, maar op een vaak volkomen surrealistische manier. De lezer (of beter: toehoorder) valt midden in een verhaal dat al aan de gang lijkt te zijn, waardoor allerlei verwijzingen niet meteen (of zelfs nooit echt) te volgen zijn, en dat met horten en stoten verteld wordt. Haar gedichten zijn als een dans in uitvoering, bij nalezing vormen haar zinnen een weefwerk van verschillende wolstalen. Alleen door je over te geven aan een taalschouwspel waarin vaak hoogstpersoonlijke beelden de vertelde ervaringen regeren krijg je iets van grip op een wereld waarin wel degelijk samenhang is.

Arai weeft taal naar eigen goeddunken en eigen behoeften en heeft een onbedwingbare behoefte die binnenstebuiten te keren. Soms weeft zij haar taal met dubbelzinnigheden. Zo is ‘een geheiligd seksueel lijf’ een poging de ambiguïteit te vangen van seitai, dat Arai met opzet schrijft als セー体: een manier om alleen de klank te geven van het eerste deel van een woord (tai  betekent hier lichaam) dat je zowel kunt opvatten als ‘heilig lichaam’ (聖体) als als ‘seksueel lichaam’ (性体). Nog zo’n voorbeeld is ‘rampdag’ en ‘dronkerdag’, mijn pogingen iets te doen met de woorden kayōbi en suiyōbi: die woorden betekenen ‘maandag’ en ‘woensdag’, maar Arai schrijft ze met andere karakters (nl. 禍曜日 en 酔曜日) waardoor vertrouwde doordeweekse dagen een andere gedaante aannemen.

Maar veel vaker weeft Arai haar taal door zich weg te bewegen van het standaard-Japans en haar eigen Japans te creëren. Vrijdag 10 juni is daarvan in Rotterdam een vrij extreem voorbeeld mee te maken. Een van de gedichten is geschreven in een eigen dialect dat losjes gebaseerd is op het kesengo, het dialect van de streek in noordoost-Japan die bijzonder zwaar getroffen werd door de tsunami van 2011. Arai is daar sindsdien al jaren actief, vooral met poëzieactiviteiten met lokale dichters.

Een eerder versie van deze vertaling gebruikte ‘ziel’ om tamashii weer te geven. Na lang wikken en wegen, ook vanwege vragen daarover (zie de ‘Reacties’-sectie), heb ik dat toch veranderd in ‘geest’. Nederlandse uitdrukkingen als ‘de geest geven’ hielpen me daarbij.

De afbeelding toont een detail van de omslag van Arai’s Tamashii dansu タマシイ・ダンス (Michitani, 2007).

een vloek over haar dochter

            De zevende van de dertiende

            .

voor iemand van over de zeventig

zal ik make-up gaan kopen

en om haar vlekken en rimpels te bedekken

foundation

            .

toen ik haar voor het eerst ontmoette

was zij nog in de twintig

nogal ongelukkig getrouwd

met een ontevreden uitdrukking

verschoonde zij haar baby

            .

ook toen zij in de dertig was

keek zij niet bepaald blij

haar voet pompend op een ratelende naaimachine

maakte zij onbegrijpelijkheden

            .

toen zij in de veertig was

las zij stiekem haar dochters dagboek

opende zij de brieven die voor haar dochter kwamen

sprak zij een vloek over haar dochter uit nooit gelukkig te zullen zijn

de vloek was zo krachtig

dat haar dochter elke dag hoofdpijn had

            .

hoe zij in de vijftig was weet ik niet

omdat ik toen ver van huis was gegaan

            .

ook hoe zij in de zestig was weet ik niet

omdat ik niet één keer ben terug geweest

            .

toen haar na twintig jaar ik weer ontmoette

was zij in de zeventig

meer dan een moeder was zij een bejaarde

dat mijn eigen moeder

op een dag een bejaarde worden kon had ik nooit gedacht

dus was ik wat verrast

            .

ik was in de veertig toen ik

de boodschappenlijstjes las die zij geschreven had

de facturen opende die aan haar gericht waren

haar rekeningen betaalde

            .

voor iemand van over de zeventig

zal ik make-up gaan kopen

toch kan ik haar toen ze in de veertig was

nog niet vergeven

            .

om haar vlekken en rimpels te bedekken

foundation

en misschien dat ik dan daarmee

mijn eigen gevoelens

kan proberen te bedekken

            .

 十三月七日
            
.
七十をいくつか過ぎた人のために
化粧品を買いに行く
シミとシワをきれいに隠してくれる
液体のファンデーションを
            
.
初めて会った頃
この人はまだ二十代だった
あまり幸せではない結婚をして
不機嫌な顔で
赤ん坊のおしめを替えていた
            
.
三十代のこの人も

楽しそうには見えなかった
カタカタカタとミシンを踏んでは
わけのわからないものを作っていた
            
.
四十代のこの人は
娘の日記をこっそり読んで
娘にきた手紙を勝手に開けた
娘が幸せにならないよう呪いをかけた
呪いは実によく効いたので
娘は毎日頭痛で悩んだ
            
.
五十代のこの人を知らない

わたしは遠く家を出たから
            
.
六十代のこの人も知らない
一度も帰らなかったから
            
.
二十数年ぶりに会ったこの人は
七十をいくつか過ぎていて
母というより老人だった
自分の母が
老人になる日がくるとは思わなかったので
ちょっと驚いた
            
.
四十代になったわたしは
この人の書いた買い物メモを読み
この人宛ての請求書を勝手に開けて
支払いをすませる
            
.
七十を過ぎたこの人のために
化粧品を買いに行く
四十代の頃のこの人を
まだ許してはいないのに
            
.
シミやシワをきれいに隠す
液体のファンデーション
わたしはそれで
自分のこころを
隠そうとしているのかもしれない

In 2004 publiceerde Hirata Toshiko 平田俊子 (1955) haar bundel Shi nanoka 詩七日. Die titel is bewust dubbelzinnig: shi betekent in beide lezingen ervan ‘gedicht’, maar nanoka kan zowel ‘zevende dag’ betekenen (七日) als een existentiële vraag aanduiden (なのか). Een vertaling van de titel kan dus zowel Gedichten van de zevende zijn als Is dit poëzie?. Elk gedicht heeft als titel ‘zevende dag van de XX-e maand’: ‘de zevende van de eerste’, ‘de zevende van de tweede’, enzovoorts. Bevreemding treedt op wanneer de jaarcyclus voorbij lijkt maar de telling van de maanden gewoon doorgaat. Dit gedicht is het dertiende in de reeks van vierentwintig.

De afbeelding toont het werk ‘Zeenimf’ (Stof, wol, plastic en kapok, 1978) van Paula Rego (1935).