het kansspel van de liefde

            [Thema: maan]

wat een verrassing!

tegen wie had zij ingezet

            het licht van de maan

                        die haar laatste hand verspeelt

                                    en haar wolkenkleed uittrekt?

obotsukana / tare ni uchi-irete / tsukikage no / kumo no koromo o / nugite miyuran

おほつかなたれにうち入て月かけのくもの衣をぬきている覧

‘Je kleren [moeten] uittrekken’ (koromo o nugu) komt heel erg in de buurt van het Nederlandse ‘tot op het hemd uitgekleed worden’. Kleren waren een betaalmiddel en een inzet in het gokspel. Hier wordt de maan voorgesteld als speler die stelselmatig verkeerd gegokt heeft. Het beeld van de maan die haar wolkenkleed uittrekt was in 1094 al eens bij een dichtwedstrijd gebruikt door Minamoto no Toshiyori 源俊頼 (1055?-1129). Die striptease werd toen door deelnemers als hoogst schokkend ervaren:

            boven de bergrand

                        trekt zij haar wolkenkleed

                                    uit en werpt die weg

            geheel alleen klimt de maan

                        steeds hoger en hoger

yama no ha ni / kumo no koromo o / nugisutete / hitori mo tsuki no / tachinoboru kana

            [Thema: liefde]

mijn grote liefde

            heb ik al half verloren:

van het speelbord

            uitgesloten kan ik jou

                        niet langer nog ontmoeten

waga koi wa / kata-okure naru / suguroku no / warete mo hito ni / awan to zo omou

我こひはかたおくれなるすくろくのわれても人にあはんとそおもふ

Sugoroku 双六 (het gedicht geeft de oudere vorm suguroku, let. ‘de dubbelzes’) is een bordspel dat een oude variant is van backgammon. Het wordt in Japan al sinds de zevende eeuw gespeeld. Omdat het al snel bij uitstek als gokspel werd gebruikt, werd het spelen ervan aan het hof verboden; voor het eerst gebeurde dat in 690, maar de herhalingen van dat verbod suggereren dat men zich er niet aan hield.

De dichtwedstrijd der ambachten in de Tōhoku’in (Tōhoku’in shokunin uta-awase 東北院職人歌合, 1214), 5 ronden-versie, Ronde 4, Team Rechts.

Het concept ‘ambachtslui’ (shokunin 職人) in middeleeuws Japan kreeg ruim aandacht van sociaal historici. Intrigerend is dat in elk geval in de vroege dertiende eeuw er blijkbaar consensus was dat ook gokkers (baku’uchi of bakuchi 博打) een beroepsgroep vormden met een specifieke, professionele expertise. De roulette- of pokertafel van de klassieke en vroegmiddeleeuwse gokkers was het backgammon-bord (suguroku, later sugoroku 双六, let. ‘de dubbelzes’, met de latere naam ban sugoroku 盤双六, ‘bord-sugoroku’ — in tegenstelling tot een variant op ganzenbord, het later ontwikkelde e-sugoroku 絵双六 of ‘plaatjes-sugoroku’). Dat backgammon-bord is hierboven ook afgebeeld.

Over het middeleeuwse genre ‘dichtwedstrijd der ambachten’ (shokunin uta-awase 職人歌合), dat ruwweg van de dertiende tot en met de zestiende eeuw bestond, in een volgende blogpost meer. Hoe dan ook waren het nooit de ambachtslui zelf die de gedichten schreven, maar dichters uit de (hof)adel die zich verplaatsten in het beroep in kwestie en er een spel van maakten beroepsspecifieke verwijzingen in het gedicht op te nemen. In dit specifieke geval hebben we mogelijk te maken met een literair experiment van een teruggetreden vorst (Go-Toba 後鳥羽院, 1180-1239) of hooggeplaatste prelaat (Jien 慈円, 1155-1225).

De gokker is een bescheiden archetype in de literatuur van de Heian-periode (794-1185). Deze beroepsgokker is in de dubbele betekenis een verliezer: dat hij naakt naast zijn backgammon-bord zit betekent dat dat hij zelfs zijn hemd verspeeld heeft. (Let erop dat zelfs in zijn naaktheid hij nog zijn slappe kap [nae-ebōshi 萎烏帽子] op houdt; zonder hoofddeksel was je als man in het klassieke Oost-Azië naakter dan naakt.) In zijn tweede gedicht is hij ook verliezer in de liefde. In een variante tekst van deze dichtwedstrijd (de 12 ronden-versie, Ronde 9) speelt ook het alternatieve gedicht van de gokker op het thema ‘Liefde’ met zulk verlies:

uit volle macht

            gestreden tot het einde

is de inzet

            niet voldoende en verzetten zich

                        de kansen in het liefdesspel

waritatete / kioi-hateraru / irigane no / awaji to sumau / koi mo suru kana

わりたてゝきほひはてたるいりかねのあはしとすまふ恋もする哉

De afbeelding toont de gokker (baku’uchi of bakuchi 博打) in de Tōhoku’in shokunin uta-awase emaki 東北院職人歌合絵巻 (‘Rolschildering van de dichtwedstrijd der ambachten in de Tōhoku’in’, 5 ronden-versie), 14e eeuw. Collectie Tokyo National Museum. Niet vertaald is het juryoordeel.

deze ongekend droeve wereld

‘het rode land’

            noemen ze het, maar uit brand

                        rijst rook op

die je zwart ziet opklimmen

            met de oplaaiende vlammen

akaguni to / iedomo yakete / tatsu keburi / kuroku noboru wa / homura to zo miru

赤国といへ共やけて立煙黒くのぼるハほむらとぞ見る

Japanse troepen landden in de provincie Chŏlla, in het zuidwesten van Korea; hun codenaam daarvoor was ‘het rode land’ (akaguni).

elk veld, elke berg

            gevuld met brandlustige

                        krijgersstemmen

zo wordt dit een door demonen

            aangerichte bloedbadscène

no mo yama mo / yakitate no yobu / musha no koe / sanagara shura no / chimata narikeri

野も山も焼きたて呼ぶ武者の声さながら修羅のちまた成りけり

aangrijpend is het

‘het afscheid van de vier kuikens’

            dat is dit dus:

de aanblik van ouders wenend

            om jammerende kinderen

aware nari / shichō no wakare / kore ka to yo / oyako no nageki / miru ni tsukete mo

あわれなりしてふの別れ是かとよ親子の嘆みるにつけても

‘Het afscheid van de vier kuikens’ (shichō betsuri 四鳥別離) is een verhaal in Confucius’ huisgesprekken (Kongzi jiayu 孔子家語) dat fungeert als parabel voor het verdriet gevoeld bij afscheid tussen ouder en kind.

hoe al te wreed!

in deze ongekend droeve wereld

            is een ding zeker:

man en vrouw, oud en jong — allen

            sterven, allen gaan verloren

muzan ya na / shiranu ukiyo no / narai tote / nannyo rōshō / shi-shite usekeri

無惨やな知らぬうき世のならひとて男女老少死してうせけり

iedereen, kijk dan toch!

het menselijk lot, zo valt dit

            zwaar te noemen

is vandaag dan het einde

            van een eindig leven?

tare mo miyo / hito no ue to wa / iikatashi / kyō o ka kiri no / inochi narikeri

たれも見よ人のうえとハいひかたしけふをかきりのお命なりけり

Japan heeft eind zestiende eeuw twee keer een langdurige en uiterst bloedige invasie in Korea ondernomen, in 1592 en 1597. Bij de tweede invasie reisde een Japanse monnik mee die daarvan een verslag heeft nagelaten. Keinen 慶念 (var. Kyōnen, 1534?-1611), een monnik van de An’yō-ji 安養寺 in Usuki, in noordoost-Kyushu, was als arts verbonden aan de troepen van veldheer Ōta Kazuyoshi 太田一吉 (?-1617). In zijn Korea, dag voor dag (Chōsen hinikki, var. Chōsen nichinichi ki 朝鮮日々記) noteerde hij de verschrikkingen en vernielingen die Japanse soldaten aanrichtten. Hij lardeerde zijn verslag met ter plekke gecomponeerde waka. Dit is een zeer bescheiden selectie daaruit.

De parallellen met vandaag zijn duidelijk, lijkt me.

De afbeelding toont een detail van een anonieme schildering van het beleg door Japanse troepen van een fort bij het Koreaanse Busan in 1592 (buzanchin junsetsu no zu 釜山鎮殉節図, kopie uit 1760 naar een origineel uit 1709).

zwervertje!

als ik vertrekken moet

            naar de top van de Inaba

                        zo vol pijnbomen

en hoor dat jij pijnen lijdt

            dan kom ik meteen weer terug

tachiwakare / inaba no yama no / mine ni ouru / matsu to shi kikaba / ima kaerikomu

Kokin wakashū 8-365; Hyakunin isshu no. 16. ‘Pijnboom’ (matsu 松) is homofoon met ‘wachten’ (matsu 待つ). Hier heb ik dat opgelost met ‘pijnen lijden’.

Een waka van de Ariwara no Yukihira 在原行平 (818-893).

Tot voor kort had ik er geen idee van, maar Japan kent al sinds 1987 een Kattendag, (Neko no hi 猫の日). Die valt op 22 februari, omdat in krom Japans de datum ‘2-2-2’ uitgesproken kan worden als nyan-nyan-nyan にゃん・にゃん・にゃん. Zo praten katten in Japan; de 22e van de 2e is dus ‘miauw-miauw-miauw’-dag. Dat men het maar weet. Hiervoor was wel een landelijke enquête nodig onder kattenliefhebbers.

Dit gebruik van cijfers om woorden mee te vormen (goro-awase 語呂合わせ) is in Japan nog veel verder ontwikkeld dan in Europa. ‘3-9’ is bijvoorbeeld ‘san-kyū’ oftewel ‘thank you’.

In 1957 liep de poes Nora ノラ (nora 野良: ‘zwerf-’) weg van het huis waarin hij woonde met zijn baasje, de schrijver Uchida Hyakken 内田百閒 (1889-1971). Na een maand was de poes nog steeds weg. Hyakken was er kapot van en kon niet stoppen met huilen. Hij liet zeker vier keer in totaal tussen de (jawel) vijftienduizend en twintigduizend flyers drukken met een oproep ‘Poes zoek’ (mayoi-neko 迷ひ猫), die mee gevouwen werden met de krant in het lokale distributiecentrum voor de bezorging ervan. Daarop gaf hij Nora’s signalement en loofde voor de vinder een beloning uit van drieduizend yen. (Omrekenen is erg lastig, blijkt, maar denk aan €250 à €350 vandaag de dag en een bedrag met allicht nog meer koopkracht.) Het mocht niet baten; Nora zou niet meer terugkomen. Uit rouwverwerking schreef hij toen zijn combinatie van memoires en essay Zwervertje! (of ‘Nora!’; Nora ya ノラや, 1957).

Uchida Hyakken is een buiten Japan nauwelijks gelezen auteur, maar daar nog steeds een bekende naam. Hij is bijvoorbeeld de hoofdpersoon in Kurosawa Akira’s laatste film, Madadayo (1993). Zijn Zwervertje! is sinds verschijnen een kleine klassieker in het genre kattenliteratuur (neko bungaku 猫文学) en het sub-genre ‘huisdierverlies’ (petto rosu ペットロス, d.w.z. ‘pet loss’). Het boek bestaat uit een intrigerend zwelgen in zijn oprechte verdriet om het verlies van zijn geliefde kater en koortsachtig gedetailleerde notatie van de dagen na diens verdwijnen, afgewisseld met meer beschouwelijke essays (onder meer ‘Kattenromanticisme’, neko romanchishizumu ネコロマンチシズム). 

Nu Nederlandse uitgevers maar geen genoeg lijken te kunnen krijgen van vertalingen van Japanse kattenromans (er zijn ook vergevorderde plannen voor een vertaling van Tanizaki Jun’ichirō’s Shōzō, een kat en twee vrouwen uit 1936), kan iemand op het idee komen dat ook Uchida Hyakken’s boek in het Nederlands verschijnen mag?

Uchida Hyakken 内田百閒, Nora ya ノラや (Chūō Bunko, 201618).

De tweede van de zeker vier flyers die Uchida Hyakken in 1957 in lokaal bezorgde kranten mee liet vouwen om zijn weggelopen poes Nora terug te vinden: ‘1. Dit is een kater. Zijn naam is Nora. Als u “Nora!” [nora ya] roept, dan geeft hij antwoord.’ De oproep is omlijst met de tekst van Yukihira’s negende-eeuwse gedicht, gedrukt in rode reliëfdruk (aka-iro no toppan 赤色の凸版).

In één van zijn krantenadvertenties omlijstte Hyakken zijn oproep met de tekst van Yukihira’s gedicht. Hij moet geweten hebben dat in sommige streken in Japan dit gedicht gebruikt werd als een bezweringsformule (majinai no waka まじないの和歌) om weggelopen katten naar huis te lokken. Dat geldt dan met name voor de tweede helft van het gedicht (‘hoor ik dat jij pijnen lijdt [=dat jij op me wacht] / dan kom ik meteen weer terug’): door die tekst op een stuk papier bij de voordeur op te plakken, zou de kat terugkeren. Een lezer schreef Hyakken dat het belangrijk was de tekst laag op de deurpost te plakken, waar een mensenoog er niet op valt (maar een kattenoog vermoedelijk wel), anders had de bezwering weinig effect. Een variante bezwering is de tekst van het eerste gedeelte van het gedicht onder een schoteltje kattenvoer te plaatsen en een papier met daarop de tweede helft te verbranden.

Deze wetenswaardigheid schijnt ook opgetekend te zijn door Inugai Tomoko 犬養智子 (1931-2016) in haar Kattenencyclopedie (Neko no jiten ネコの事典, Goma Shobō, 1976).

In Verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū, 914) heeft Yukihira’s gedicht als inleidende noot: ‘Thema (of situatie) onbekend’ (dai shirazu 題しらず). Dat biedt alle vrijheid voor interpretatie.

Hoe vaak het gebeurt weet ik niet, maar er zijn nog steeds Japanners die deze waka gebruiken in de hoop zo hun kat terug te vinden. Uit een mini-enquête op Twitter in februari 2018 onder 118 respondenten bleek 39% bekend met de magische werking van het gedicht, met deze onderverdeling:

            – hier wist ik niks van:                                                 61,0%

            – ik wist ervan van iemand in mijn familie:                 3,4%

            – ik wist ervan uit Uchida Hyakken’s Zwervertje!:      11,9%

            – ik wist ervan van iemand buiten mijn familie:         23,7%

Foto’s van Twitter-berichten van februari 2018, die bevestigen dat het ophangen van Yukihira’s gedicht effectief is in het teruglokken van een weggelopen huiskat.

[20 februari 2022] Een Japans echtpaar in Nederland liet me vandaag weten dat ook zij ooit dit gedicht onder het etensbakje van hun weggelopen kat plaatsten, met positief effect! Het werkt dus ook hier te lande.

De foto toont een still uit Kurosawa Akira’s Māda da yo まあだだよ (Madadayo, 1993), met Matsumura Tatsuo 松村達雄 als Uchida Hyakken en Kagawa Kyōko 香川京子 als zijn vrouw, met in haar armen een kat in de rol van de kater Nora. In de tweede helft van Kurosawa’s film speelt Nora’s verdwijnen een centrale rol.

een mouw in een rivier van tranen

in mijmerend

            aanhoudende regen zwelt

                        een rivier van tranen:

alleen mijn mouw raakte doorweekt

            zonder jou te kunnen zien

tsurezure no / nagame ni masaru / namidagawa / sode nomi nurete / au yoshi mo nashi

つれづれの詠 / にまさる涙がは / 袖のみぬれて / 逢よしもなし

Kokin wakashū 13-617. Fujiwara no Toshiyuki 藤原敏行 (?-901). ‘Voortekst’ (kotobagaki): ‘Gedicht voor en gestuurd naar een vrouw die diende in het huis van Heer Narihira’ 業平朝臣の家に侍ける女のもとに、よみて、遣はしける. Heel subtiel is dit gedicht niet. Met het woord nagame speelt de dichter een voor de hofliteratuur vertrouwd woordspel: ‘aanhoudende regen’ (nagame = naga-ame 長雨) en ‘in gedachten verzonken voor je uitstaren’ (nagame 眺め) vallen hier samen. Kōetsu voegt daar met zijn orthografische ingreep nog een laag aan toe. Door in deze kalligrafie te kiezen voor het karakter 詠 (nagame, ‘geneurie’, ‘neuriën’) lijkt hij te suggereren dat ledig gemijmer gepaard gaat met het prevelen van poëzie. (Ik neig dan naar: ‘in mijmerend / murmelende regen zwelt […]’.) In de poëzie zijn mouwen altijd nat van tranen.

juist in ondiepten

            zal een mouw doorweekt raken

die rivier van tranen:

            pas als jij daarop bent weggespoeld

                        en ik dat hoor, wil ik je geloven

asami koso / sode wa hitsurame / namidagawa [mi sae nagaru to / kikaba tanomamu]

あさみこそ / 袖はひつらめ / なみだがは / [みさへながると / 聞ばたのま / む]

Kokin wakashū 13-618. Ariwara no Narihira 在原業平 (825-880). Voortekst: ‘Gedicht als antwoord in plaats van die vrouw’ かの女に代りて、返しに、よめる. De praktijk van een ‘substituutgedicht’ (dai’ei 代詠) was wijdverbreid in de hofmaatschappij. Omdat alle interactie poëzie vereiste was het niet raar dat ervaren dichters antwoorden formuleerden voor leden in hun huishouden die dat niet aandurfden of -konden. 

Aan het begin van de zeventiende eeuw koos de kalligraaf Hon’ami Kōetsu 本阿弥光悦 (1558-1637) een reeks van 39 gedichten om een veertien meter lange rol gestencild papier te beschrijven. De gedichten kwamen uit het dertiende boek (‘Liefde, 3’) van de eerste vorstelijke bloemlezing van waka, de Verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū, 914, nos. 617-655). Hier de twee openingsgedichten van die reeks, die samen een paar vormen.

In hun rangschikking in bloemlezingen van waka volgden liefdesrelaties een min of meer vaste, overkoepelende ‘plot’: het op afstand verliefd raken, een heimelijke eerste nacht samen, aantrekken en afstoten, geleidelijke verwijdering, en tenslotte de gefrustreerde verzuchtingen na een verbroken relatie. Deze twee gedichten komen uit het middelste stadium van een relatie. 

Zie voor meer over de literaire codificaties van hoofse liefde mijn ‘De kleur van liefde. Hoofse romantiek in de klassieke Japanse literatuur’, in Liefdeslessen. Verleidingskunst en erotiek van schepping tot verlichting, red. Piet Gerbrandy, Mark Heerink en Casper de Jonge (AtlasContact, 2017).

Mijn hoogleraar aan de Universiteit van Tokyo, Kubota Jun 久保田淳, leerde ooit: ‘Waka gaat over communicatie’ (waka wa komyunikēshon da 和歌はコミュニケーションだ). Dat is in dit geval overduidelijk. Vrij typisch voor zulke deels plagerige uitwisselingen is dat de gedichten elkaar echoën: ‘een rivier van tranen’ (namidagawa), een kleine volière, en natte mouwen (sode).

In Kōetsu’s kalligrafie springt het karakter voor dat woord ‘mouw’ (sode ) erg in het oog. 

Deze twee gedichten zijn ook het fundament waarop een episode uit de Ise-vertellingen (Ise monogatari, tiende eeuw) is gebouwd:

Vroeger was er een chique man. In zijn huishouden was een iemand die het hof gemaakt werd door Fujiwara no Toshiyuki, een keizerlijk secretaris. Zij was nog te jong om een [goede] brief te kunnen schrijven en ook wist ze niet hoe ze zich in woorden moest uitdrukken, laat staan dat zij een gedicht kon maken. Daarom schreef de heer des huizes een kladversie voor haar en liet haar die kopiëren. [Toshiyuki] was van zijn sokken geblazen. Hij schreef haar toen:

            in mijmerend

                        aanhoudende regen zwelt

                                    een rivier van tranen:

            alleen mijn mouw raakte doorweekt

                        zonder jou te kunnen zien

Als antwoord schreef dezelfde man in haar plaats:

            juist in ondiepten

                        zal een mouw doorweekt raken

            die rivier van tranen

                        pas als jij daarop bent weggespoeld

                                    en ik dat hoor, wil ik je geloven

Toshiyuki was hiervan echt helemaal ondersteboven en ze zeggen dat hij deze brief nog steeds opgerold in zijn brievendoos bewaart. Hij stuurde haar [weer] een brief. Dat was nadat zij de zijne was geworden. ‘Het ziet er naar uit dat het gaat regenen en ik weet niet wat te doen [=of ik dan naar je toe kan komen]. Met een beetje geluk blijft het droog,’ schreef hij haar, en dezelfde man schreef hem in haar plaats:

            blaadje voor blaadje, of

                        je wel of niet aan mij denkt

                                    durf ik niet te vragen

            de regen die jou doorheeft

                        blijft steeds harder vallen

kazukazu ni / omi-omowazu / toigatami / mi o shiru ame zo / furi zo masareru

かずかずに思ひおもはず問ひがたみ身をしる雨は降りぞまされる

Toen dit bij Toshiyuki bezorgd werd, pakte hij zelfs geen regenmantel of hoed en haastte hij zich volkomen doorweekt naar haar toe.

Ise monogatari sectie 107. Het derde gedicht is Kokin wakashū 14-705. De anonieme chique man is Ariwara no Narihira. Om de hier geschetste situatie beter te begrijpen helpt het te weten dat in hofkringen mannen niet bij hun vrouw inwoonden, zeker niet wanneer zij meerdere vrouwen hadden (wat bij Toshiyuki waarschijnlijk is).

In plaats van liefdespoëzie kun je dit verhaal en de uitwisseling ook zien als het plagen door vrienden. Narihira en Toshiyuki kenden elkaar behoorlijk goed; het is geen toeval dat hun gedichten naast elkaar staan in Van honderd dichters één gedicht (resp. nos. 17 en 18). Ze waren ook zwagers van elkaar; hun beider vrouwen waren zussen. Misschien dat daarom al zeker sinds de zestiende eeuw een aanname bestaat dat de jonge vrouw in wiens plaats Narihira de gedichten schrijft zijn eigen zusje was. In deze interpretatie maakt het wel uit of Toshiyuki doorheeft dat de gedichten door zijn vriend zijn geschreven en niet door jonge vrouw op wie hij verliefd is geworden (een soort omgekeerde Cyrano de Bergerac-situatie): een al dan niet gespeelde bromance over het hoofd van de zwijgende vrouw heen, of een poëtisch geintje dat de een met de ander uithaalt.

De afbeelding toont het eerste stuk van de veertien meter lange ‘poëzierol met gestencilde onderschildering’ (Suri shita-e wakakan 摺下絵和歌巻) met een gestencilde ondertekening in goud- en zilververf (kingindei suri-e 金銀泥摺絵) van verschillende planten, waaronder bamboe. Kalligrafie Hon’ami Kōetsu 本阿弥光悦 (1558-1637), begin 17e eeuw. Collectie Tokyo National Museum. Het tweede deel van gedicht no. 618 is net niet te zien.

Van honderd dichters één gedicht [3]

[021]   De priester Sosei 素性法師 (actief ca. 900):

ik kom meteen

            zei je en alleen daarom

maandenlang

            bleef tot bij dageraad de maan

                        opkwam ik op jou wachten

ima komu to / iishi bakari ni / nagatsuki no / ariake no tsuki o / machi-idetsuru kana

Eeuwen van commentaar stellen dat dit gedicht is geschreven vanuit het perspectief van ‘de wachtende vrouw’ (matsu onna), een oud topos. ‘De lange maand’ (nagatsuki) is de negende maand (d.w.z. de laatste herfstmaand), maar middeleeuwse commentaren beweren zo’n beetje allemaal dat de implicatie is dat de vrouw al maanden op haar geliefde aan het wachten is.

[022]   Fun’ya no Yasuhide 文屋康秀 (negende eeuw):

zodra ze blaast

            gaan herfstgrassen en bomen

                        verdorren en dus

klopt het dat de wind vanaf de berg

            een ‘vernietiger’ wordt genoemd

fuku kara ni / aki no kusaki no / shiorureba / mube yamakaze o / arashi to iuramu

Woordspel met het woord ‘storm’ (arashi), waarin het werkwoord aru (‘vernietigen’) verstopt zit, en dat als karakter geschreven wordt met een combinatie van ‘berg’ (山) en ‘wind’ (風): 嵐.

[023]   Ōe no Chisato 大江千里 (actief ca. 889-923):

als ik de maan bezie

            zijn alle duizenden dingen

                        al te droevig

al is het niet alleen voor mij

            een roerend herfsttij

tsuki mireba / chiji ni mono koso / kanashikere / wagami hitotsu no / aki ni wa aranedo

[024]   [Michizane van] het Huis van de Sugawara 菅家 (845-903):

ditmaal op deze reis

            kon ik geen gebedsstaf pakken

op de Offerandeberg

waar het brokaat van herfstblad

            de goden te behagen weet

kono tabi wa / nusa mo toriaezu / tamukeyama / momiji no nishiki / kami no mani-mani

Michizane was vooral bekend als dichter van Sinitische poëzie. Kokin wakashū 9-420 (‘Reizen’). Gedicht tijdens een vorstelijke excursie (gyokō 御幸) in de vroege winter van 898 waarbij Michizane de keizer Uda 宇多天皇 (867-931) begeleidde naar onder meer Tamukeyama 手向山 (‘Offerandeberg’), bij Nara. Er bestaan twee dominante verklaringen voor ‘ik kon [een gebedsstaf, nusa 幣] niet pakken’ (toriaezu): ofwel Michizane had geen tijd er eentje in te pakken omdat hij onverwacht mee moest met zijn vorst, ofwel zo’n offerande was te privé om in de context van een vorstelijke (en dus publieke) excursie te doen. Moderne commentaren verwijzen graag naar een Sinitisch gedicht van Michizane uit 898 dat inderdaad wel resonanties van deze waka bevat en dat hij tijdens dezelfde excursie dichtte. De bron is Michizane’s Excerpt uit het verslag van de vorstelijke excursie naar Miyataki (Miyataki gyokō kiryaku 宮滝御幸記略), aantekening voor Eishō 昌泰 1 [898].10.28:

            Vol herfstblad op elke berg verslaat een gewoon weefgetouw;

            hoe passend dat vlietende wolken dansen onder onze voeten.

            Kil-kale bomen zijn werkelijk nergens te bekennen;

            in de regen draag ik brokaat en keer zo terug naar huis.

            満山紅葉破小機。況過浮雲足下飛。寒樹不知何処去。雨中衣錦故郷帰。

[025]   De Derde-Laans Minister ter Rechterzijde 三条右大臣 (873-932):

met zulke namen moet je wel

            op de Ontmoetingsheuvel

                        als bijslaapwingerd

zonder dat iemand het weet

            opgewonden willen komen

na ni shi owaba / ōsakayama no / sanekazura / hito ni shirarede / kuru yoshi mogana

Een gedicht van Fujiwara no Sadakata 藤原定方. Een vertaling ervan is lastig, niet zozeer vanwege de betekenis maar vanwege de overdaad aan double-entendre’s: veel woorden kunnen en moeten op twee manieren gelezen worden: ōsakayama: de ‘Ontmoetingsheuvel’ (dat is een sleetse); sa-ne[kazura]: het samen slapen van twee geliefden (kazura: wingerd); kuru: ‘komen’ (来る) en ‘(een draad) oprollen, opwinden’ (繰る). De smaak van het gedicht zit hem dus vooral in de technische gekunsteldheid ervan.

[026]   Heer Teishin 貞信公 (880-949):

op de Ogura’s

toppen, jij herfstblad daar:

            als je een hart hebt

wil nu dan op nog die ene

            vorstelijke excursie wachten

ogurayama / mine no momijiba / kokoro araba / ima hitotabi no / miyuki matanamu

Heer Teishin (Teishinkō 貞信公) was de machtige staatsman Fujiwara no Tadahira 藤原忠平 (880-949).

[027]   Midden-raadsheer Kanesuke 中納言兼輔 (877-933):

door Kruikenveld

borrelt zij, kolkt en stroomt zij

            de Izumi-rivier

wanneer heb ik haar dan gezien

            dat ik zo naar haar verlang?

mikanohara / wakite nagaruru / izumigawa / itsu miki tote ka / koishikaruramu

De prent is een vrije verbeelding van Minamoto no Muneyuki’s gedicht (no. 28) door Katsushika Hokusai 葛飾北斎 (1760-1849), in de reeks Van honderd dichters één gedicht, door de min met plaatjes verklaard (Hyakunin isshu uba ga etoki 百人一首乳母が絵説, 1835-1838). Collectie Metropolitan Museum of Art, New York.

[028]   Heer Minamoto no Muneyuki 源宗于朝臣 (?-939):

in het bergdorp

            is het ’s winters dat eenzaamheid

                        steeds verder toeneemt

zowel bezoek als gras

            droogt op — die gedachte

yamazato wa / fuyu zo sabishisa / masarikeru / hitome mo kusa mo / karenu to omoeba

Minamoto no Muneyuki was een van de productiefste hofdichters van de vroege tiende eeuw.

[029]   Ōshikōchi no Mitsune 凡河内躬恒 (?-ca. 925):

gok ik dan maar

            dat ik haar echt af kan breken

allereerste rijp

            ligt verwarrend misleidend

                        op de witte chrysanten

kokoro ate ni / oraba ya oramu / hatsushimo no / okimadowaseru / shiragiku no hana

[030]   Mibu no Tadamine 壬生忠岑 (ca.850-?):

in het eerste licht

            leek ze me zo harteloos

                        bij ons afscheid

de maan bij dageraad: iets

            veel treurigers is er niet

ariake no / tsurenaku mieshi / wakare yori / akatsuki bakari / ukimono wa nashi

De foto toont, vanaf rechtsboven tegen de klok in, gedichten nos. 21, 24, 28 en 25 in een facsimile van een vroeg-achttiende-eeuwse kaartspel (karuta)-versie van Van honderd dichters één gedicht, gemaakt door Ogata Kōrin 尾形光琳 (1658-1716).

ik had zo mijn gedachten

[280]

Op het thema: Bij een hut in de bergen is de sneeuw diep

komt zelfs maar bezoek

            door de allereerste sneeuw

                        nog een spoor trekken?

afgesloten is de weg

            naar het dorp diep in de bergen

tou hito mo / hatsuyuki koso / wakekoshi ka / michi tojitekeri / miyamabe no sato

 山のいへにゆきかしといふことを
とふ人もはつゆきこそわけこしか/みちとぢてけりみやまべのさと

Sankashū 569, met als thema: ‘Bij een hut in de bergen, diep in de winter’ 山里冬深. De tweede ‘regel’ telt nu slechts zes morae en moet zijn; ‘hatsuyuki o koso’ (= 7). Foutje van de kopiist.

[281]

Toen ik de wereld ontvluchtte en in een tempel in de Oostelijke Bergen verbleef, kwamen er aan het einde van het jaar mensen langs en had ik zo mijn gedachten:

het jaar liep ten einde

en de bezigheden daarbij

            ben ik vergeten

niet langer herken ik me in

            het gehaast om tijdig klaar te zijn

toshi kureshi / sono itonami wa / wasurarete / aranu sama naru / isogi o zo suru

 よのがれてひむがし山でらにはべりしころ、としのくれに人々まうできて、おもひのべはべりしに
としくれしそのいとなみはわすられてあらぬさまなるいそぎをぞする

Sankashū 574, met als voortekst (kotobagaki): ‘In de Oostelijke Bergen je gevoelens uiten aan het einde van het jaar’ 東山にて歳暮述懐. ‘De Oostelijke Bergen’ is het gebied Higashiyama, aan de oostkant van Kyoto; ik weet niet om welke tempel het hier gaat. De ‘bezigheden’ (itonami) die bij het einde van het jaar hoorden zijn alle voorbereidingen om klaar te zijn voor het nieuwe jaar: dat zijn typisch de preoccupaties van mensen die nog midden in het werelds levens staan; een monnik hoeft zich daarmee niet meer bezig te houden. 

[282]

Aan het einde van jaar stuurde ik vanuit Kōya naar de hoofdstad:

overal gelijk

            gaan dezelfde maanden, dagen

                        aan ons voorbij, dus

ook in de hoofdstad net als hier

            liep het jaar ten einde

oshinabete / onaji tsukihi no / sugiyukeba / miyako mo kaku ya / toshi wa kurenuru

 としのくれにかうやより京へ申つかはしはべりし
おしなべておなじ月日のすぎゆけばみやこもかくやとしはくれぬる

Sankashū 575. Op de berg Kōya, zo’n 125 kilometer ten zuiden van Kyoto, stichtte Kūkai in 817 een tempelcomplex. 

Sanka shinchū shū, nos. 280-282 (alt. 277-279). 

Ook monniken zitten in een vorm van lockdown, maar dan in principe permanent, in hun klooster of kluizenaarshut. En ook in het klassieke Japan was de jaarwisseling voor iedereen een moment van contemplatie. Hier drie gedichten gedrapeerd rondom het einde van het jaar — dat wil zeggen: volgens de oude maankalender, dus zo rond januari-februari. 

Deze reeks staat als hekkensluiter van de wintergedichten in De berghut-verzameling van diepste gevoelens (Sanka shinchū shū 山家心中集). Dat is een selectie uit de persoonlijke poëzieverzameling van de twaalfde-eeuwse dichter-monnik Saigyō 西行 (1118-1190), die hij de naam De verzameling van een berghut (Sankashū 山家集) gaf. 

Saigyō was een krijger die al vrij jong zijn gezin verliet en een reizende monnik werd. Zijn monnikennaam (‘reis naar het westen’, waar het paradijs van de boeddha Amitābha ligt) en de naam van zijn verzameling zijn, zoals altijd bij monniken, programmatisch. De drie gedichten hier zijn in zekere zin een spel met dat programma, een afstoten en aantrekken van het wereldse bestaan dat Saigyō vaarwelzei maar waarmee hij de banden nooit helemaal verbrak. Een lange afzondering van elkaar is niet eenvoudig, tenslotte.

De afbeelding toont een fragment uit Sanka shinchū shū met de bewuste gedichten, in een handschrift dat lang is toegeschreven aan Saigyō zelf maar waarschijnlijk dat van Fujiwara no Shunzei 藤原俊成 (1114-1204) is. Sanka shinchū shū (den Saigyō hitsu) 山家心中集 (伝西行筆) (Nihon meihitsu sen 日本名筆選 44), Tokyo: Nigensha, 2004, p. 74-75.

rijden op een tijger

rijdend op een tijger

            langs het oud spookhuis te gaan

om in de blauwe diepte

            de draak te gaan verslaan

                        daarvoor een flink zwaard graag!

tora ni nori / furuya o koete / aofuchi ni / mitsuchi torikomu / tsurugitachi mo ga

虎尓乗古屋乎越而青淵尓鮫龍取将来劒刀毛我

Man’yōshū 16-3833. Door Prins Sakaibe 境部王 (eerste helft achtste eeuw).

2022 is het jaar van de Tijger. Vermoedelijk de oudste waka waarin een tijger voorkomt stamt uit de achtste eeuw, toen de eerste levende tijger nog naar Japan gebracht moest worden. Laten we hopen dat de ’22-tijger ons eenzelfde hulp biedt om de draken op ons pad tegemoet te treden.

geheelde snippers

[162]

Toen de dagen maar voortduurden terwijl iemand niet te begrijpen was:

o, zit dat zo

elkaar eindelijk weer zien

            is blijkbaar lastig 

‘ik vergeet je heus niet’

            zijn woorden van een man die niet bestaat

sa mo koso wa / aimiru koto wa / katakarame / wasurezu to dani / iu hito no naki

  人の、おぼつかなくてすぐしけるころ
さもこそはあひみることはかたからめわすれずとだにいふ人のなき

[163]

Zijn antwoord:

al verstrijkt de tijd

            juist ik zal altijd zeker

                        ‘ik vergeet je niet’

(als was ik een strandplevier)

            blijven roepen, blijven aanvliegen

toshi furedo / itsu mo ware koso / wasurezu no / hamachidori to wa / nakiwataritsure

  かへし、人の
としふれどいつもわれこそわすれずのはまちどりとはなきわたりつれ

[164]

En toen schreef ik weer:

elkaar ontmoeten

            moeizaam neergestreken is

                        de rietkraanvogel

diens lokroep daar op het wad

            zou hij die wel kunnen horen?

au koto no / kata ni ori iru / ashitazu no / su ni naku koe wa / kikoe ya wa suru

  また、かへし
あふことのかたにをりゐるあしたづのすになくこゑはきこえやはする

[165]

op een tranenstroom

            drijft ze al jammerend mee

                        de watervogel

die geheel doorweekt door hem

            niet wordt gezien — daarom, dus

namida ni zo / ukite nakaruru / mizudori no / nurete wa hito ni / mienu mono kara

なみだにぞうきてなかるるみづどりのぬれては人にみえぬものから

[166]

een haan

            was het niet wiens geluid

                        jij hebt gehoord

toen het ’s ochtends licht werd

            was ik het die een kreet slaakte

niwatori ni / aranu ne nite mo / kikoekeri / akeyuku toki wa / ware mo nakiniki

にはとりにあらぬねにてもきこえけりあけゆくときはわれもなきにき

Gedicht aan Ise van een verder onbekende man.

Ise shū nos. 162-166. Twee sets van uitwisselingen tussen twee geliefden, of tussen twee mensen die spelen met de rol van geliefde. De constante is het vergelijken van zichzelf met een om een partner roepende vogel. Daarbij is het goed te weten dat ‘roepen’ of ‘zingen’ (sowieso het geluid maken door een dier) en ‘huilen’ homofone werkwoorden zijn (allebei naku).

In het najaar 2013 bezocht ik in Tokyo een bijzondere verkooptentoonstelling (tenji sokubaikai 展示即売会) ter gelegenheid van het 110-jarige bestaan van het befaamde antiquariaat en boekhandel Isseidō 一誠堂書店. Daar was veel prachtigs te zien, maar mijn belangstelling ging vooral uit naar kalligrafie. Onder meer stokte mijn adem bij catalogus no. 45: de praktisch volledige ‘Nishihonganji-versie van de verzamelingen van de zesendertig dichters’ (nishihonganji-bon sanjūrokunin kashū 西本願寺本三十六人家集) in een perfect uitgevoerde en handgemaakte facsimile (fukusei 複製mohon 模本) uit het begin van de twintigste eeuw door de legendarische kalligraaf en connaisseur van handschriften Tanaka Shinbi 田中親美 (1875-1975). Prachtige lijnvoering op werkelijk spectaculair papier.

Een kopie dus, maar wel van een schier goddelijke volmaaktheid. Het feit dat het origineel onaanraakbaar verschanst ligt achter een driedubbele firewall van de status als Nationale Schat maakte deze inmiddels ook antieke facsimile extra begerenswaardig. (Wie zou een Van Gogh willen kopen als je dit letterlijk in handen krijgen kan?)

Dit kunstwerk —want dat is het toch echt— was in 2013 te koop voor het luttele bedrag van 65 miljoen yen, omgerekend een bescheiden half miljoen euro. Dat had ik niet op zak en ik heb als troostprijs toen maar de catalogus gekocht.

Ik was dan ook opgewonden toen ik recentelijk dankzij een bericht van een zeer gewaardeerde Japanse collega besefte dat ik voor een acceptabel bedrag een uitgave van een gedeeltelijk facsimile van dat facsimile kon kopen: in recente jaren heeft Fujiwara Akiko (of: Shōko) met de hand een getrouwe reproductie verzorgd van Tanaka Shinbi’s facsimile van het werk van één van de zesendertig dichters in de Nishihonganji-collectie, namelijk de hofdame Ise. Sinterklaas! Met een beroep op de goedheiligman (waarvan ik pas onlangs leerde dat hij de beschermheilige van mijn geboortestad is) heb ik die uitgave kortgeleden aangeschaft.

(Heel typisch voor zulk materiaal: de uitgever-antiquaar levert niet buiten de Japanse landsgrenzen; in dit universum houdt de wereld op bij de territoriale wateren. Gelukkig was een goede vriend bereid als tussenpersoon op te treden: 39!)

Ik weet: het is een emotie die je niet al te nadrukkelijk met iedereen moet willen delen, maar laat ik gezegd hebben dat ik vrij extatisch ben deze kopie van een kopie van een kopie in handen te mogen houden. Erzats is het, jawel, maar dat hielp onze natie wel de oorlog door. Zelfs bij deze kopie-kopie-kopie pleng ik een offertraan voor de lijnvoering. Lieveheer, wat is dat mooi.

Fujiwara’s kopie-kopie betreft specifiek Ise’s verzameling (Ise shū 伊勢集), de verzamelde gedichten van de vroeg-tiende-eeuwse hofdame en dichter Ise 伊勢 (ca. 875-938). Zij is ook opgenomen in Van honderd dichters één gedicht (no. 19).

Dit handschrift van Ise’s verzameling was ooit onderdeel van een groter geheel. Het oorspronkelijke handschrift zat eeuwenlang genesteld in een bundeling van de poëzieverzamelingen van ‘de zesendertig dichter-onsterfelijken’. Aan het begin van de elfde eeuw stelde Fujiwara no Kintō 藤原公任 (966-1041) een lijst van zesendertig belangrijkste dichters uit de achtste tot en met tiende eeuw samen (de ‘Selectie van zesendertig dichters’, Sanjūrokunin sen 三十六人撰). Die lijst sloeg aan en kreeg niet alleen navolging maar er verschenen vanaf de dertiende eeuw ook geïllustreerde versies, waarbij elke dichter geportretteerd werd. Dit was de geboorte van het concept van de ‘dichter-onsterfelijke’ (kasen 歌仙), waarbij het dan altijd gaat om dichters van waka

De oudste bewaard gebleven bundeling van de complete poëzieproductie van deze zesendertig is de Nishihonganji-versie, zo genoemd naar de tempel in Kyoto die deze sinds het midden van de zestiende eeuw in bezit heeft. Het is een magnifiek object, in het begin van de twaalfde eeuw gemaakt door de beste kalligrafen van hun tijd op wonderschoon papier, in negenendertig boeken (van drie dichters is het verzameld werk over twee boeken verdeeld), en in 1112 aangeboden aan de teruggetreden vorst Shirakawa 白河院 (1053-1129) voor diens zestigste verjaardag. In 1549 schonk keizer Go-Nara 後奈良天皇 (1497-1557) de set aan de Nishihonganji.

Daar, in de opslag van de tempel, werd het literaire kunstwerk drieënhalve eeuw vergeten, totdat in 1896 een nog jonge kalligrafie-expert en ambtenaar in het keizerlijk poëziebureau (kyūchū outadokoro 宮中御歌所), Ōguchi Shūgyo 大口周魚 (var. Taiji 鯛二, 1864-1920), uitgenodigd werd om een aantal manuscripten in het bezit van de tempel te inspecteren. Ōguchi kreeg toestemming (en dat was nog uitzonderlijker dan de uitnodiging zelf) om een aantal manuscripten mee naar huis te nemen om die verder te bestuderen. Het was bij Ōguchi thuis dat de kunstenaar Tanaka Shinbi de ‘Nishihonganji-versie van de verzamelingen van de zesendertig dichters’ zag en zwoer om er een perfecte, volledige kopie van te maken. Die zelfopgelegde taak zou hem tien jaar kosten. Het was zijn werk dat in 2013 in Tokyo op de verkooptentoonstelling te zien was.

In 1929 gebeurde er iets vreselijks. Op zoek naar een forse kapitaalinjectie om een universiteit te stichten besloot de monnik-politicus Ōtani Son’yū 大谷尊由 (1886-1939), wiens familie al generaties de positie van abt van de Nishihonganji bezette, een deel van de poëziebundels te verkopen. Hij deed dat met hulp van de entrepreneur Masuda Takashi 益田孝 (1848-1938), de directeur van het Mitsui-conglomeraat. Uit het geheel haalden zij de poëzie van twee dichters, Ki no Tsurayuki 紀貫之 (872?-945) en Ise, sneden die boeken open en verkochten de losse bladen daarvan op een veiling. Masuda noemde de bladen ‘de Ishiyama-fragmenten’ (Ishiyama-gire 石山切) en sindsdien staan ze zo bekend.

Omgerekend naar de koers van 1975 bracht de veiling van 1929 zo’n 800 miljoen yen op (ik heb niet de moeite genomen om te rekenen wat dat in hedendaagse euro’s is). De universiteit die daarmee gesticht werd was de Religieuze Universiteit voor Vrouwen (Shūkyō Joshi Daigaku 宗教女子大学), de latere Musashino-universiteit 武蔵野大学 in Tokyo. Deze nieuwe universiteit was mede het initiatief van de boeddholoog en esperantist Takakusu Junjirō 高楠順次郎 (1866-1945) en was (en is nog steeds) nauw gelieerd aan de Nishihonganji.

Het was niet de eerste keer dat Masuda en consorten zoiets deden. In oktober 2019 bezocht ik in het Kyoto Nationaal Museum de tentoonstelling van ‘de Satake-versie van portretten van de zesendertig dichter-onsterfelijken’ (Satake-bon sanjūrokkasen’e 佐竹本三十六歌仙絵). Daar werden voor het eerst in een eeuw fragmenten uit de dertiende eeuw bij elkaar gebracht die ooit samen twee rollen vormden, maar in 1919, na een eerdere verkoop door de familie Satake, door Masuda en anderen opgeknipt waren en verkocht door middel van een lootjestrekking.

Masuda en anderen waren aficionado’s van de theeceremonie, waarin kalligrafiefragmenten in kakemono (hangrol) zeer geliefd zijn. Met andere woorden, het fragment werd meer gewaardeerd dan het geheel en vooral de kans om zelf zo’n fragment in bezit te krijgen telde mee; dat helpt verklaren waarom men weinig scrupules had rolschilderingen op te knippen. Dat opknippen gebeurde vrij veel in de eerste decennia van de vorige eeuw, onder meer met de vroeg-zeventiende-eeuwse ‘poëzierol van de Shinkokinshū met herten-onderschildering’. Rudy Kousbroek heeft ooit een fantasie geformuleerd over de straf voor mensen die verantwoordelijk waren voor de afbraak van de resten van het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam: iets met karwatsen. Dat schiet wel door het hoofd als je deze geschiedenissen leest.

Toch is, zoals zo vaak, de historische realiteit wat complexer. Zo liet Masuda bijvoorbeeld, voordat de twee rolschilderingen met portretten van de zesendertig dichters uit het bezit van de Satake-familie in 1919 veranderde in zevenendertig losse stukken (voor elke dichter één, plus één voor de godheid van Sumiyoshi—de godheid van de poëzie), door Tanaka Shinbi een exacte kopie van die rolschilderingen maken. Met andere woorden, Masuda en consorten hadden wel enig oog voor de oorspronkelijke context waarin zulke fragmenten hadden gefunctioneerd. Hun betrokkenheid bij Japans cultureel erfgoed was een ingewikkelde mengeling van sociale zelfverheffing, hebzucht, en het idee een missie voor nationaal erfgoed uit te voeren.

Deze recente facsimile van Ise’s verzameling is dus niet alleen een kopie maar ook een reconstructie. Ze brengt de losse bladen van Ise’s werk weer bij elkaar, door middel van een reproductie van Tanaka’s kopie. Daarin zit iets helends.

Er is één nadeel aan de uitgave van Fujiwara’s kopie-kopie, en dat is het papier. Deze recente uitgave is een fotografische weergave van het facsimile, op glad papier. Daarmee verlies je textuur, tactiliteit en driedimensionaliteit van zowel het oorspronkelijk twaalfde-eeuwse papier als van Tanaka’s facsimile van een eeuw geleden (en ook van Fujiwara’s kopie, neem ik aan). Thomas LaMarre muntte twee decennia terug het mooie woord ‘paperscape’ of ‘papierschap’ om aandacht te vragen voor het papier als integraal onderdeel van een Japanse kalligrafie.

Bij het formuleren van ‘de vier schatten’ (Ch. sì băo, Jp. shihō 四宝) van de kalligraaf (papier, penseel, inkt en inktsteen), zou de legendarische vierde-eeuwse Chinese kalligraaf Wang Xizhi 王羲之 (303-361) geschreven hebben: ‘het papier is het slagveld’ (Ch. zhǐ zhě zhèn yě; Jp. kami wa jin nari 紙者陣也). Kortom, in Oost-Azië bestaat al heel lang het besef dat kalligrafie niet alleen maar draait om schrifttekens in inkt, maar dat het inzicht in papier, zowel in de kwaliteit ervan als in de verdeling van de tekst erover, misschien wel het belangrijkste is.

De Honganji-versie kent twee categorieën papier: ‘Chinees papier’ (karakami 唐紙) met gestencilde patronen en variaties in typen ‘collagepapier’ (tsugigami 継ぎ紙) van verschillende stukken gekleurd paper, dat versierd kan zijn met snippers bladgoud en gemalen schelp en soms een ondertekening bevatten kan.

Dankzij gastcolleges in 2015 van Prof. Seki Izuru (Tokyo National University of Fine Arts and Music) in het Japanse artist-in-residence programma, dat de Universiteit Leiden in samenwerking met de Japan Association for Promotion of Arts voor studenten organiseert, besefte ik eens te meer hoe groot de verscheidenheid is aan Japanse papiersoorten, en leerde ook dat het veel uitmaakt in welk jaargetijde de planten gerooid worden die als basis voor het paper dienen.

De Russische formalisten beweerden ooit: ‘poëzie is taal die aandacht vraagt voor zichzelf’. Dat kan dus ook uitstekend door de visuele uitvoering ervan.

Een handzame geschiedenis van de nishihonganji-bon sanjūrokunin kashū staat in het verder ook fascinerende artikel:

  • Kristopher W. Kersey. ‘In Defiance of Collage: Assembling Modernity, ca. 1112 CE.’ Archives of Asian Art 68: 1 (2018), pp. 1-32.

Voor Masuda Takashi (en ook een klein beetje voor Tanaka Shinbi), lees:

  • Christine M.E. Guth, Art, Tea, and Industry: Masuda Takashi and the Mitsui Circle (Princeton University Press, 1993).

De afbeelding toont een dubbele pagina uit: Mohon Ise shū 摹本 伊勢集 (‘Facsimile-versie: de Ise-verzameling’), uitvoering door Fujiwara Akiko 藤原彰子, Kyoto: Benridō, 2016. Daarop zijn gedichten 162 t/m 166 te zien. De eerste helft van gedicht 161 staat nog net op de vorige bladzijde; de tweede helft van gedicht 167 staat op de volgende. Het papier van dit blad is een collage van met mica (unmo 雲母) bestencild ‘Chinees’ papier met iets van een ondertekening van plantmotieven, afgescheurde stukken (yaburetsugi 破れ継ぎ) gekleurd paper met zilverstof, en ‘Chinees’ papier met een mica-stenceling van herfstgrassen en konijnen.

de storm klaart op

            ‘Opklarende mist in het bergdorp’

dennen rijzen op

bij het dorp hoog waarboven

            de top opklaarde

verzonken in de storm

            wolken aan de voet van de berg

matsu takaki / sato yori ue no / mine harete / arashi ni shizumu / yamamoto no kumo

(山市晴嵐) 松たかき里より / うへのみねはれて / あらしにしづむ / 山本のくも

Een anoniem gedicht op een kamerscherm dat ruim een eeuw oud is. Het thema van het scherm is ‘De acht gezichten op het Biwa-meer’ (ōmi hakkei 近江八景). De daarbij horende acht thema’s (dai ; in dit genre frasen van telkens vier karakters) liggen vast en zijn ontleend aan het genre ‘De acht gezichten op Xiao en Xiang’ in China (Ch. xiāoxiāng bājĭng, Jp. shōshō hakkei 瀟湘八景).

Het woord lán (Jp. ran betekent in het Chinees ‘mist’ of ‘nevel’. De Japanse glosse (kun ) ervoor is arashi, ‘storm’, en zo wordt het gebruikt in het gedicht zelf: arashi ni shizumu yamamoto is ‘de bergvoet die verzonken is in de storm’. Het gaat hier niet om wolken (kumo) die verzonken zouden zijn in de mist; de wolken zijn de mist.

Zulke opvallende betekenisverschuivingen tussen het Chinees en het Japans komen wel meer voor, al zijn ze niet heel talrijk. Een andere klassieker is xiá (Jp. ka, het Chinese woord voor de rozerode wolken bij zonsop- of ondergang, dat als Japanse glosse kasumi heeft: ‘(lente)nevel’.

De bij dit gedicht horende schildering op hetzelfde scherm.

Ik weet niet helemaal zeker of ik de kalligrafie goed ontcijferde. Met name de ‘ta’ in takaki (‘hoog zijn’; hier vrij vertaald met ‘rijzen op’) is wat twijfelachtig, maar in deze context wel de meest aannemelijke identificatie, lijkt me.

De afbeelding toont de cartouche (shikishi 色紙) met het vijfde van de acht gedichten op het bewuste kamerscherm. Privécollectie.

Leidse exegese

            ‘leef dit bestaan

                        zonder één verder treffen’

awade kono yo o / sugushite yo to ya

De monoloog in Gorō de pijlpuntslijper: ‘Hij poetst de slijpsteen achteloos, en met ijdele dromen van succes wordt Tokimune hoogmoedig’ (het vervolg is hier afgekort)

Het Hollandse kruidenboek Dodonaeus: ‘KOEKJE VAN GIERST: NEE, NEE — BOEKWEITNOEDELS, WITTE NOEDELS WIL IK ETEN!’ (Je moet dit van links naar rechts lezen.)

あはで此よをすぐしてよとや
矢根五郎せりふ曰 といしをぬぐひむぞうさにこれかんたんのまくらぞとふんぞりかへつて時むねは    下略
ヲランダ本草DODONAEUSドドネウス曰 AWANOMOTI MO IJAIJA ZOBAKIRI ZOOMEN KOEITAI NA
ヒダリヨリヨムベシ

In 1787 publiceerde de populaire auteur Santō Kyōden 山東京伝 (1761-1816) zijn De nieuwe kleren (Hatsu’ishō 初衣抄, 1787), een parodie op de middeleeuwse poëziebloemlezing Van honderd dichters één gedicht (Hyakunin isshu 百人一首). Daarin gaf hij onzinnig bedoeld commentaar op achttien van de honderd gedichten in die verzameling. Bij gedicht 19, door de hofdame Ise 伊勢 (ca. 875-ca. 938), ‘citeert’ hij als een van de autoriteiten in een verzonnen commentaartraditie de zestiende-eeuwse Leidse hoogleraar Rembert Dodoens (1517-1585), beter bekend onder zijn gelatiniseerde naam Dodonaeus.

Deze van oorsprong Friese botanist en arts publiceerde in 1554 zijn Cruydeboeck, een handboek kruidengeneeskunde met houtsnede-illustraties. In 1659 werd een exemplaar aangeboden aan het Japanse shogunaat. Mede op basis van aanvullende interviews met de op Dejima gestationeerde artsen verzorgde de arts en hollandoloog Noro Genjō 野呂元丈 (1694-1761) een Japanse versie van Dodoens boek als Vertaalde Hollandse kruidengeneeskunde (Oranda honzō wage 阿蘭陀本草和解). Die interviews hield Genjō in de periode 1742-1750 in Edo tijdens acht opeenvolgende bezoeken aan de shogunale hofstad van de Nederlanders voor hun jaarlijkse hofreis. Die Japanse editie van het Cruydeboeck werd een belangrijke bron van westerse medische informatie voor artsen ‘Hollandse stijl’ (ranpō 蘭方) en dat is waarnaar Kyōden een generatie later in zijn commentaar bij het gedicht van Ise verwijst.

Het mag duidelijk zijn dat dit verzonnen citaat als een tang op een varken slaat; het heeft hoegenaamd niets met het gedicht in kwestie te maken. Dat geldt ook voor al het andere commentaar op de rest van de gedichten uit Van honderd dichters één gedicht. Dat is ook het hele punt, natuurlijk: Kyōden presenteert een equivalent van absurdistisch theater, met allerhande gekkigheden. Geen toelichting maar oplichting — of voetlichting. Het westers schrift onderstreept dat; dat maakt tegelijkertijd een exotische én een geleerde indruk. Opvallend is wel dat Kyōden een volstrekt accurate transcriptie in romeinletter geeft van de Japanse tekst (met glosse in katakana) die hij door middel van zijn schriftkeuze presenteert als Nederlands. De aanwijzing dat je dit westerse schrift ‘van links [naar rechts] moet lezen’ (hidari yori yomubeshi ヒダリヨリヨムベシ), en dus precies andersom dan Japans, sluit perfect bij die fictie aan.

De aan Dodoens toegeschreven woorden zijn niet geheel verzonnen: ze komen uit een toendertijd populair kinderliedje. Terwijl kinderen elkaars hand vastpakten en in een kring rondom een boom of paal rondrenden zongen ze:

We draaien rond en rond, we draaien zo. Koekje van gierst: nee-hee, nee; koekje van rijst: nee-hee, nee — boekweitnoedels, witte noedels wil ik eten!

dōdō meguri kō meguri, āwa no mōchi mo īyaiya, kōme no mochi mo īyaiya, sobakiri sōmen kuitai na

どうどうめぐりこーうめぐり、粟の餅もいーやいや、米の餅もいーやいや、蕎麦切素麺くいたいな

Ōta Saijirō 大田才次郎, red. Nihon jidō yūgi shū 日本児童遊戯集 [Japanse kinderspelletjes] (Tōyō bunko 東洋文庫 122; Tokyo: Heibonsha, 1968), p. 18.

Die identificatie dank ik aan William David Fleming, ‘The World Beyond the Walls: Morishima Chūryō (1756-1810) and the Development of Late Edo Fiction’ (ongepubliceerde dissertatie, Harvard University, 2011), p. 283-284, en aan Yamamoto en Matsuda (2003); zie onder.

De titel van Kyōden’s parodie is vrij onbegrijpelijk wanneer je het Sinitische voorwoord ervan niet hebt gelezen. Hij gebruikt ‘de nieuwe kleren’ (let. ‘eerste kleding [van het jaar]’, hatsu’i) daarin als een verwijzing naar de gewoonte om in de bordeelwijk Yoshiwara met nieuwjaar alle prostituees in nieuwe seizoenskleding te laten rondlopen. Deze ‘bedrijfskleding’ (want zo moet je dat toch wel zien) werd ‘eerste kleding’ (hatsu’ishō 初衣裳; hatsu’i is daarvan de verkorte vorm) genoemd en werd de eerste twee dagen van het jaar gedragen. Daarna mochten de vrouwen weer kleding naar (meer) eigen voorkeur dragen. De analogie lijkt te zijn dat, net als de formele kleding die de sekswerkers na twee dagen kunnen uittrekken, Kyōden hier verwacht dat lezers serieus commentaar op de Van honderd dichters één gedicht ook weer snel afleggen, omdat die toch niet weten wat de dingen écht waard zijn (verguld is net zo goed als goud) en goedkoop en gemakkelijk verkiezen boven kwaliteit die een inspanning vraagt. Een vergelijking met de nieuwe kleren van de keizer dringt zich op en dat laat ik maar toe, al beweegt die precies in tegengestelde richting; maar er is associatie, en dat is wel zoals het allemaal werken moet.

Net zoals [na de tweede dag] brokaat vervangen wordt door katoen en gele zijde vervangen wordt door pongézijde, zo trekken de mensen van dit land de nieuwe kleren uit en zijn ze zo verguld met honderd koperen centen (hyakumon) alsof die een dubbele zilveren munt (nishu) waard zijn.

如其以錦為木錦、以八丈為紬。国人一対脱始衣裳而為百文二朱通用物而巳。

Zoals gebruikelijk voor vroegmodern Japan, barst de tekst van woordgrappen en (klank)associaties. Wat deze vertaling niet duidelijk maakt is dat in de laatste zin de frase ‘honderd koperen centen [als] een dubbele zilveren munt’ (hyakumon nishu 百文二朱) praktisch homofoon is met ‘Van honderd dichters één gedicht’ (hyakunin isshu). Dan kun je vrij vertalen: ‘zo trekken de mensen van dit land de nieuwe kleren uit en consumeren ze zo Van honderd dichters één gedicht.’ (Dank aan prof. dr. Kobayashi Fumiko van Hosei University, Tokyo.)

Maar het is toch mooi dat in de context van achttiende-eeuwse meligheid klassieke hofpoëzie verbonden wordt met Leidse geleerdheid waar je niets aan hebt.

Gorō de pijlpuntslijper (Ya-no-ne Gorō 矢根五郎) is een van ‘de achttien kabuki-stukken’ (kabuki jūhachiban 歌舞伎十八番), een klassieker in het theaterrepertoire, voor het eerst opgevoerd in 1729 (Kyōhō 14). De bombastisch spelende acteur Ichikawa Danjūrō II 二世市川団十郎 (1688-1758) speelde daarin Soga Gorō Tokimune 曽我吾郎時宗, een van de twee legendarische Soga-broers die verwikkeld waren in een vendetta. In de bewuste scène is Gorō Tokimune bezig een enorme pijl te slijpen en doet daarna een hazenslaapje waarin hij in een droom zijn broer ziet die hulp nodig heeft.

Heel handig was het commentaar in: Yamamoto Harufumi 山本陽史 en Matsuda Takayuki 松田高行, ‘Santō Kyōden “Hatsu’ishō” chūshaku (2)’ 山東京伝『初衣抄』註釈(二) [Een commentaar op Santō Kyōden’s Hatsu’ishō (deel 2)], Meikai nihongo 明海日本語 8 (2003), p. 1-20.

De volledige pagina in kwestie.

De afbeelding toont het ‘hoofdkapcommentaar’ (kanchū 冠注) bij gedicht 19 uit Van honderd dichters één gedicht (Hyakunin isshu 百人一首), in Santō Kyōden’s Hatsu’ishō 初衣抄 (1787). Collectie Waseda University Library.