Categorieën
poëzie

berggroente

geplukte kruiden

            lieten hun geuren achter

                        op mijn vingers

als ik ze aan het wassen ben

            komt boven het veld de maan op

tsumikusa no / nioi nokoreru / yubisaki o / araite ireba / no ni tsuki no izu

摘草のにほひ残れるゆびさきをあらひて居れば野に月の出

Een tanka van Wakayama Bokusui 若山牧水 (1885-1928), uit zijn bundel Onderweg (Rojō 路上, 1911).

De (late) lente is bij uitstek al eeuwen een moment om berg en veld in te gaan om daar kruiden, wilde groenten of veldbloemen te plukken (tsumikusa 摘み草). Eetbare wilde planten (sansai 山菜, let. ‘berggroente’) zijn een delicatesse en altijd een aanrader op een menu. In Bokusui’s tanka zou je het woord kusa (let. ‘grassen’, gewassen) ook kunnen lezen als ‘groenten’: ‘geplukte groenten / lieten hun geuren achter / op mijn vingers’.

Tegenwoordig krijg je nog wel eens ‘berggroenten’ op je bord die wel degelijk gekweekt zijn en niet in het wild geplukt.

Ik kreeg net een erg leuk boek bezorgd: Eating Wild Japan. Winifred Bird woonde acht jaar op het Japanse platteland (een term die met al die bergen daar een wat vertekend beeld geeft) en leerde daar onder meer van haar buurvrouw het plezier dat berggroenten verschaffen. Zij schreef een mengeling van antropologisch veldwerk en cultuurgeschiedenis, met als toegift een praktische inventaris van berggroenten en recepten ervoor. Birds boek heeft een breed geografisch bereik, van Kyushu tot de Ainu in Nibutani, Hokkaido.

  • Winifred Bird, Eating Wild Japan. Tracking the Culture of Foraged Foods, with a Guide to Plants and Recipes (Stone Bridge Press, 2021).

Leuk is ook dat er af en toe een gedicht in geciteerd staat, zoals dit van Yosa Buson 与謝蕪村 (1716-1784):

mijn wereld is dit:

ook al die gewassen hier

            worden zoetigheid

ora ga yo ya / sokora no kusa mo / mochi ni naru

おらが世やそこらの草も餅になる

Lange tijd stonden sansai voor armoe: ze waren een aanvulling op een karig menu voor mensen die anders van de honger zouden omkomen. Tegenwoordig gelden ze, als gezegd, als delicatesse; het kan verkeren.

Berggroenten zijn vandaag de dag ook omgeven met een zekere weemoed, omdat er steeds minder mensen zijn om ze te plukken. De helft van Japans slinkende bevolking woont inmiddels in enorme verstedelijkte gebieden (ruwweg 30% in Tokyo), en dat is een trend die alleen maar doorzet. De regering verwacht dat rond 2050 zo’n twintig procent van de momenteel bewoonde gebieden onbewoond zal zijn: in één-derde van Japans dorpen zijn de meeste bewoners ouder dan 65 en in de periode 2015-2019 hielden al 139 dorpen simpelweg op te bestaan. [Bird, Eating Wild Japan, p. 168, noot 4.]

De afbeelding toont een dubbele pagina uit de stripreeks Little Forest (Ritoru foresuto リトル・フォレスト), deel 2, van Igarashi Daisuke 五十嵐大介 (Kōdansha, 2005). Te zien zijn onder meer een schaaltje met jonge struisvarens (kogomi; zie ook foto linksboven en Eating Wild Japan, p. 190-192) en een mandje met de als tempura gefrituurde ‘koning van de berggroente’ (sansai no ōsama 山菜の王様), nl. spruiten van de duivelswandelstok of engelenboom (tara no me; zie ook foto linksonder en Eating Wild Japan, p. 207-208) — beide klassieke voorbeelden van ‘berggroente’. Deze mij sympathieke manga behandelt lokale, zelf verbouwde ingrediënten voor kleinschalige gerechten en is zo een ode aan het leven op het platteland.

het verdriet van de zee

luchtaanvallen

            en daar middenin een vlinder

                        die ik zie dansen

bitter drijft de menselijke

            stupiditeit me tot tranen

kūshū no / sanaka ni chō no / asobu mite / shimijimi hito no / orokasa ni naku

空襲のさなかに蝶のあそぶ見てしみじみ人のおろかさに泣く

na een heldendood

            toch levend teruggekomen

                        die zijn er, zeggen ze

de urn met de botten van mijn zoon:

            als ik haar schud hoor ik ze rammelen

eirei no / ikite kaeru ga / ari to iu / ko no kotsu-tsubo yo / fureba oto suru

英霊の生きてかへるがありといふ子の骨壺よ振れば音する

zie ik de zee, dan

            het verdriet van de zee

zie ik de berg, dan

            de eenzaamheid van de berg

nergens een plek om te zijn

umi mireba / umi no kanashisa / yama mireba / yama no sabishisa / mi no okido naki

海見れば海の悲しさ山みれば山の寂しさ身のおきどなき

Yanagihara Byakuren 柳原白蓮 (1885-1967) was de dochter van een adellijke familie (en in de verte afstammeling van de Reizei-familie van hofdichters). Na twee ongelukkige huwelijken ging ze er vandoor met de jonge advocaat en sociaal hervormer Miyazaki Ryūsuke 宮崎龍介 (1892-1971); ); de brief waarin ze haar man de wacht aan zei publiceerde ze ook in de krant. In 1923 trouwde ze met Miyazaki. Hun voor militaire dienst opgeroepen zoon zou in de Tweede Wereldoorlog omkomen bij een bombardement, vier dagen voor Japans overgave. Na de oorlog was Byakuren actief in de vredesbeweging en richtte de ‘Moeders van de Barmhartigheid’ (Hibo no Kai 悲母の会) op.

De foto toont een portret van Yanagihara Byakuren. Bron: Wikipedia.

Categorieën
poëzie

de storm klaart op

            ‘Opklarende mist in het bergdorp’

dennen rijzen op

bij het dorp hoog waarboven

            de top opklaarde

verzonken in de storm

            wolken aan de voet van de berg

matsu takaki / sato yori ue no / mine harete / arashi ni shizumu / yamamoto no kumo

(山市晴嵐) 松たかき里より / うへのみねはれて / あらしにしづむ / 山本のくも

Een anoniem gedicht op een kamerscherm dat ruim een eeuw oud is. Het thema van het scherm is ‘De acht gezichten op de provincie Ōmi’ (ōmi hakkei 近江八景). De daarbij horende acht thema’s (dai ; in dit genre frasen van telkens vier karakters) liggen vast en zijn ontleend aan het genre ‘De acht gezichten op Xiao en Xiang’ in China (Ch. xiāoxiāng bājĭng, Jp. shōshō hakkei 瀟湘八景).

Het woord lán (Jp. ran betekent in het Chinees ‘mist’ of ‘nevel’. De Japanse glosse (kun ) ervoor is arashi, ‘storm’, en zo wordt het gebruikt in het gedicht zelf: arashi ni shizumu yamamoto is ‘de bergvoet die verzonken is in de storm’. Het gaat hier niet om wolken (kumo) die verzonken zouden zijn in de mist; de wolken zijn de mist.

Zulke opvallende betekenisverschuivingen tussen het Chinees en het Japans komen wel meer voor, al zijn ze niet heel talrijk. Een andere klassieker is xiá (Jp. ka, het Chinese woord voor de rozerode wolken bij zonsop- of ondergang, dat als Japanse glosse kasumi heeft: ‘(lente)nevel’.

De bij dit gedicht horende schildering op hetzelfde scherm.

Ik weet niet helemaal zeker of ik de kalligrafie goed ontcijferde. Met name de ‘ta’ in takaki (‘hoog zijn’; hier vrij vertaald met ‘rijzen op’) is wat twijfelachtig, maar in deze context wel de meest aannemelijke identificatie, lijkt me.

De afbeelding toont de cartouche (shikishi 色紙) met het vijfde van de acht gedichten op het bewuste kamerscherm. Privécollectie.

de zee kent ze niet

de zee kent ze niet

            het meisje voor wie ik

met een strohoed op

            allebei mijn handen

                        breed uiteen spreidde

umi o shiranu / shōjo no mae ni / mugiwarabō no / ware wa ryōte o / hirogete itari

Terayama Shūji 寺山修司 (1935-1983) was een bijna manisch actieve avant-garde theatermaker en filmregisseur, die vooral met zijn theatergroep Tenjō sajiki 天井桟敷 (De engelenbak) beroemd en berucht werd en ook in Europa successen vierde — onder meer in het Mickery Theater in Amsterdam, in 1977. Zie YouTube voor filmwerk van hem. Terayama heeft zijn hele leven lang, al vanaf zijn dertiende, de tanka-vorm beoefend, die voor hem als zelfexpressie naadloos overging in zijn theater- en filmwerk.

De afbeelding is een detail uit de anime Howl’s Moving Castle (Hauru no ugoku shiro ハウルの動く城, 2004) van Miyazaki Hayao en Studio Ghibli. (En ja, op de afbeelding is het het meisje dat de strohoed draagt; in de tanka is dat de dichter.)

krantenkop

arrestatie, plotse dood,

plotse dood, plotse dood, plotse dood.

ach! wat dat betekenen moet

behoeft geen betoog.

taiho, kyūshi,

kyūshi, kyūshi, kyūshi.

aa, sore ga nani o imi-suru ka wa

iu made mo nai.

逮捕、急死、
急死、急死、急死。
ああ、それが何を意味するかは
いふまでもない。

Aanleiding van dit gedicht, dat in 1933 werd gepubliceerd in het mei-nummer van Shiika 詩歌 (‘Poëzie’), was de arrestatie door de ‘gedachtenpolitie’ (lett. ‘Speciale Politie’, tokubetsu kōtō keisatsu 特別高等警察, of Tokkō 特高) van en moord op de zelfverklaard proletarische romanauteur Kobayashi Takiji 小林多喜二 (1903-1933). Kobayashi werd op 20 februari 1933 door zijn verhoorders op het politiebureau doodgemarteld.

Kobayashi is met name bekend geworden door zijn novelle Het krabbenschip (Kani kōsen 蟹工船) uit 1929. Het is het verhaal, geïnspireerd door een waargebeurd incident, van een bemanning van een vissersschip dat op de Zee van Ochotsk krabben vangt en verwerkt. Ze wordt uitgebuit en mishandeld door de scheepsleiding en komt uiteindelijk in opstand. Thema maar ook stijl (met nadruk op korte zinnen) waren vernieuwend en nadrukkelijk symbolisch: het werk was een aanklacht tegen de Japanse regering.

Kobayashi stond niet alleen; de jaren ’20 en vroege jaren ’30 van de vorige eeuw waren vol met schrijvers, dichters, film- en theaterregisseurs die onderdrukking van de arbeidersklasse en de totalitaire trekken van de staat bekritiseerden Zij golden als puroretaria プロレタリア, ‘proletarisch’, en waren deels georganiseerd in de Japanse Proletarische Schrijversbond (Nihon Puroretaria Sakka Dōmei 日本プロレタリア作家同盟), waarvan Kobayashi Secretaris-Generaal was geworden. Het waren zijn activiteiten voor de bond en zijn lidmaatschap van de destijds verboden Communistische Partij waarvoor hij vervolgd werd en die hem dwongen onder te duiken, tot zijn arrestatie in februari 1933.

In 2008 maakte Kobayashi’s novelle een plotse herontdekking mee en verkocht een half miljoen exemplaren. De novelle werd in 2006 verstript, door manga-tekenaar Fujio Gō 藤生ゴオ, en in 2009 voor een tweede keer verfilmd. Kobayashi’s novelle is beschikbaar in Engelse vertalingen: Takiji Kobayashi, The Factory Ship’ and ‘The Absentee Landlord’, vert. Frank Motofuji (Seattle: University of Washington Press, 1973), en Kobayashi Takiji, The Crab Cannery Ship and Other Novels of Struggle, vert. Željko Cipriš (Honolulu: University of Hawai‘i Press, 2013). De eerste Engelse vertaling (Cannery Boat and Other Japanese Short Stories) dateert al van 1933; die was incompleet, omdat tegen die tijd Kobayashi’s novelle in Japan verboden was verklaard en het moeilijk was om aan de volledige tekst te komen. Ook de manga werd vertaald.

De dichter van deze tanka is Yashiro Tōson 矢代東村 (1889-1952), werkzaam als advocaat en onderdeel van de ‘nieuwe tanka’-beweging en van een los verbond van ‘proletarische tanka-dichters’.

Dit is in allerlei opzichten een bijzonder gedicht, allereerst omdat weinigen het als een tanka zullen zien: het doet geen enkele moeite zich aan het traditionele 5-7-5-7-7-ritme te houden én de dichter besluit af te zien van klassiek poëtische taal. Dit is een zogenaamde ‘tanka in de spreektaal’ (kōgoka 口語歌).

Toch is de techniek van observatie en reactie daarop in feite een oeroude in de tanka-poëzie. De eerste woorden van het gedicht komen letterlijk uit een krantenkop van 22 februari 1933. De tanka laat zich lezen als de ervaring van iemand die overvallen wordt door dit bericht: de tweede woordsamenstelling, ‘plotse dood’ (Jap. kyūshi), echoot na in de ervaring van de krantenlezer. De tweede helft is een verbeten en wanhopig oordeel over de politieke toestand waarin Japan zich dan bevindt.

De illustratie komt uit de manga-versie van Kani kōsen door Fujio Gō, een uitgave van het Shirakaba Literatuurmuseum (Shirakaba Bungakukan 白樺文学館) in Abiko, Chiba.

luie haan

            ‘haan’

                        Ei’un

het ochtendgloren

            moet-ie aankondigen,

die huishaan:

maar net als die baas van hem

            ligt-ie nog te tukken

.

            niwatori                        ei’un

akatsuki o / tsugete no yaku o / niwa-tsu-tori / aruji to tomo ni / mada neshitekeri

鶏         叡雲
 
暁をつげての役を
     庭つ鳥
  あるじと共に
   まだ寝して
      けり

Tanka en kalligrafie van Fujimura Ei’un 藤村叡雲 (1848-1917). Ei’un was een monnik in de Shingon-school van het esoterisch boeddhisme, die vooral werkte vanuit de Enju’an 円球庵, een Shingon-tempel in Takatsu, Osaka. Hij studeerde waka-poëzie bij Nakamura Yoshiaki 中村良顕 (1829-1900).

Wat me erg bevalt is dat we hier te maken hebben met een huisdier en zijn baas die allebei moeite hebben met vroeg opstaan.

Deze (mij althans) vrolijk stemmende herinnering aan al te herkenbare tekortkomingen hangt in mijn studeerkamertje. We blijven in gebreke, maar zijn van goede wil.

Categorieën
poëzie

humpf!

‘humpf!’ — dat geluid

            wanneer opeens de wagen stopt:

in de derde druk

            van het Kōjien-woordenboek

                        zoek ik dat toch maar eens op

ku-tto iu / kyūteisha-on / kōjien / dai-sanhan o / tameshihiki ireba

くッと言ふ急停車音広辞苑第三版を試し引き居れば

De Kōjien 広辞苑 (‘De wijde tuin der woorden’) is mogelijk Japans bekendste woordenboek. Oorspronkelijk samengesteld door de taalkundige en cultuurhistoricus Shinmura Izuru 新村出 (1876-1967) is het een combinatie van woordenboek en encyclopedie. Ik ken er geen equivalent van voor een andere taal.

[2 augustus 2021] Ik overdrijf, besef ik. Er is natuurlijk Le Petit Larousse, dat ook een combinatie van woordenboek en encyclopedie is, met een hoop plaatjes (meer dan in Kōjien). Shinmura Izuru’s tweede zoon Takeshi 猛 (1905-1992) was een autoriteit op het gebied van Franse literatuur en taalkunde en werkte (na zijn ontslag uit de gevangenis waar hij als antifascistische activist twee jaar vastzat) vanaf 1940 als redactielid van Kōjien. Het zou zo maar kunnen dat voorbeelden als de Larousse een rol speelden bij het concipiëren van de Kōjien. Er is vast iemand die dat ooit heeft uitgezocht.

[19 januari 2022] Ik lees nu dat Takeshi Izuru’s zoon was, niet zijn broer — en sla mezelf voor het hoofd dat ik geen seconde stil heb gestaan bij respectieve geboortejaren. Konno Shinji 今野真二, ‘Kōjien’ o yomu 『広辞苑』をよむ [De Kōjien lezen] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2019). Konno schrijft wel iets over de wordingsgeschiedenis van het woordenboek (p. 59-85), maar niet heel veel. Takeshi (in 1970) en diens zoon Yasushi 恭 (in 2017) schreven wel elk een heel boek over de lange ontstaans- en bewerkingsgeschiedenis van de Kōjien.

Compact (nog steeds in één band!) en toch werkelijk allesbevattend; het blijft een wonder. In 1935 debuteerde het als Jien 辞苑 (‘De tuin der woorden’); vanaf 1955 kreeg het naslagwerk de naam jien. In 2018 kwam, met de nodige bombarie, de zevende druk uit. De derde druk verscheen in 1983.

Een vraag is wat voor geluid een trein of auto maakt wanneer die plots moet remmen. ‘Humpf!’ is mijn vertaling voor ‘ku-tto’ くッと. Ik vraag me af of dat is wat de dichter in gedachten had (hij had het woord tenslotte nog niet opgezocht, suggereert hij). Kōjien geeft deze onomatopee als ‘onbewust een geluid maken terwijl je probeert een lach te onderdrukken’: lastig. ‘Humpf’ lijkt me een aardige tussenoplossing: en iets van een schok, en iets van een onderdrukte lach.

Een tweede betekenis van ku-tto is iets als ‘helemaal’, als in de zin ‘Ik ben helemaal nat geworden’ — het ‘klets’ van ‘kletsnat’. Zelf met die mooie k-klank kies ik daar nu toch niet voor.

Merkwaardig vind ik dat, in tegenstelling tot andere woordenboeken, Kōjien voor ku-tto niet de betekenis geeft die je zou verwachten: ‘met een krachtige ruk of schok’. Misschien is dat gemis juist onderdeel van Okai’s spel.

Het woordenboek geef die betekenis wél onder het stemhebbende gu-tto ぐッと.

De derde druk van het Kōjien-woordenboek en het bewuste lemma. 

Okai Takashi 岡井隆 (1928-2020), van wie dit gedicht is, is een van de belangrijkste naoorlogse tanka-dichters.

De afbeelding is een still uit de film Een schip samenstellen (aka The Great PassageFune o amu 舟を編む, 2013; regie Ishii Yūya 石井裕也) naar de gelijknamige roman van Miura Shion 三浦しをん (1976) uit 2011. Het is het verhaal van een redactie die belast is met het maken van een woordenboek.

bang achter het masker

ook een samenzijn

laat staan elkaar aanraken

            is echt taboe:

welke proef wil het ons stellen

            dit onbekende virus?

au koto mo / furereru koto sae / imubeshi to / nani o tamesu ya / kono wirusu wa

Het schriftbeeld geeft een curieus contrast tussen klassieke grammatica met oude spelling (kyūkanazukai) en het leenwoord ‘virus’ (wirusu): 逢ふことも触れることさへ忌むべしと何を試すやこのウィルスは. Dat ‘onbekende’ in de laatste regel is mijn toevoeging; een zwaktebod, om toch aan iets meer dan drie Nederlandse lettergepen te komen.

corona-virus:

is het op Babylonische

            verwarring uit

                        of op verdeeldheid, misschien —

vormen van naargeestigheid

korona to wa / ‘baberu no tō’ no / konran to / bundan nozomu ya / sekibaku to shite

Bovenstaande twee tanka zijn van Aoki Harue 青木春枝 (1944), tanka-dichter en vertaler. Zij woonde enkele jaren in (toen nog: West-) Duitsland en in Engeland.

de Halloweenpompoenen

            tonen een opgewekte lach

in deze corona-ramp

            al zijn er mensen

                        bang achter hun masker

obake-kabocha wa / yōki ni warau / korona-ka ni / masuku de obieru / hitobito aredo

Wat me wel bevalt is dat deze tanka zich nogal onttrekt aan de vormverwachting; het metrum is: 8-7-5-8-7. Ik besef nu pas dat er geen standaard Nederlandse vertaling lijkt te bestaan voor de pompoen-versieringen van Halloween (de zgn. jack-o’-lanterns). Dank aan Hans Kloos die deze oplossing aandroeg.

Nakagawa Hiroko 中川宏子 bracht tot nu toe twee tanka-bundels uit: Image (Imāju いまあじゆ, 2007) en De duif in het rechteroor (Migimimi no hato 右耳の鳩, 2011). Twee jaar geleden verzorgde zij de Duitse vertaling van gedichten in de laatste poëziebundel van Okai Takashi 岡井隆 (1928-2020), een van de belangrijkste hedendaagse tanka-dichters (Okai Takashi, ITALY [Itaria] 伊太利亜, vert. Nakagawa Hiroko [Duits] en Hotta Kika 堀田季何 [Engels], 2019).

ooit op een dag

            zullen we om deze tijd lachen

                        dat die dag komt

dat geloof ik vast en zeker

            terwijl ik mijn masker draag

itsu no hi ka / kono jiki warau / hi ga kuru to / shinjite sugosu / masuku shita mama

Een tanka van Toyoshima Hideaki 豊島英明, woonachtig te Yotsukaidō, in de provincie Chiba. 

Ook de coronapandemie baart poëzie. Ik vond een maand of twee terug het recente nummer van de International Tanka Journal (no. 9, 2021) in mijn postvakje op kantoor (waar ik, alweer vanwege corona, niet zo vaak kom). Daarin staan tanka van amateurs en gevestigde dichters. Een aantal van hen keek terug op het afgelopen jaar. Bij deze een kleine selectie.

In Japan ligt het vaccinatie tempo nog steeds erg laag; inmiddels heeft 17% van de bevolking tenminste één prik met het Pfizervaccin gehad.

De afbeelding toont een vrouwelijk waterwezen (een type yōkai 妖怪, een geest of monster), Amabie アマビエ genaamd, dat zich volgens berichten in 1846 in zee bij Kumamoto, zuid-Japan, vertoonde. Zij zei dat in tijden van pandemie mensen veilig zouden blijven wanneer men een tekening van haar maakte en die aan anderen liet zien. Sindsdien bleef zij onzichtbaar, tot ruim een jaar geleden, toen zij werd herontdekt. Het gevolg was een kleine ‘boom’ in Amabie-afbeeldingen en bewerkingen; ook lokale overheden zetten Amabie in in campagnes om lokale bedrijven te steunen.

een vissersboot klom op het dak

een enorme tsunami,

een enorme tsunami,

een enorme zwarte tsunami

            .

slokt noordoost-Japan op

her en der ontvlamt een vuur

ōtsunami, ōtsunami, kuroki ōtsunami     sanriku o nomi tokorodokoro ni hi no moyu

Takano Kimihiko 高野公彦 (1941), in het poëzie-tijdschrift Tanka, juni 2012. Met ‘noordoost-Japan’ geef ik een vrije vertaling van ‘Sanriku’, de aanduiding van een specifiek deel van de noordoostkust.

haar koortsig

kind aait zij over de rug,

            de moeder, en háár rug

wil ik dan weer gaan aaien

            ’s avonds in het opvangcentrum

netsu ideshi / ko mo se nade iru / haha no se o / nade ni yukitashi / yoru no hinanjo ni

niet verbrand is ze

            en is dat daarmee opnieuw

                        een bron van treurnis?

op het dak geklommen is

            een vissersboot die niet beweegt

yakezarishi / koto wa sara naru / kanashimi ka / yane ni noriage / gyosen ugokazu

Kuriki Kyōko 栗木京子 (1954), in Tanka, juni 2012.

ik vond haar nooit

toen ik aan mijn vriendin dacht

            en huilen moest,

was dat pas halverwege 

            de maand april

mitsukaranai / tomo o omotte / naita no wa / yatto shigatsu no / nakagoro datta

Hatakeyama Mika 畠山海香, leerlinge van de Kessennuma Middelbare School, in dagblad Tōkyō shinbun van 26 januari 2012.

Afgelopen donderdag was het precies tien jaar geleden dat een zware aardbeving en tsunami de noordoostkust van Japan trof, op 11 maart 2011. De schade aan vier van de zes kernreactoren in het complex bij Fukushima is nog steeds niet hersteld, en veel van de ruim 150.000 geëvacueerde bewoners uit de omgeving hebben niet kunnen terugkeren. Minstens zo heftig was de vernietiging langs de gehele kust door het vele meters hoge zeewater, waarbij naar schatting zo’n 19.000 mensen omkwamen; velen van hen zijn nooit teruggevonden omdat het water hen mee terug de oceaan in trok (nagasareta, ‘weggedreven’, is daarvoor het woord).

De ramp heeft indertijd veel poëzie opgeleverd. These Things Here and Now: Poetic Responses to the March 11, 2011 Disasters (2016) van Jeffrey Angles biedt daaruit een selectie, van moderne poëzie (gendaishi). Er zijn ook moderne tanka geschreven, door bekende dichters en door amateurs. Deze vier vertaalde ik voor het eerst voor een lezing door Sasaki Yukitsuna (1938) aan de Universiteit Leiden in april 2012.

Op de foto’s twee iconen van de tsunami: de zgn. ‘miracle pine tree’ (kiseki no ippon matsu 奇跡の一本松) van Rikuzentakata en de restanten van het ‘paraatheid bij rampen’-station (bōsai taisaku chōsha 防災対策庁舎) in Minami-Sanriku, genomen bij een tocht in juni 2015. De pijnboom bleef als enige uit een bos van zeventigduizend overeind, al overleefde hij de onderdompeling in het zeewater niet. Het station was in 1995 gebouwd met het oog op tsunami en bood bovenop een vluchtplaats (voor mensen die niet op tijd weg zouden kunnen komen). De ambtenaar die het station op 11 maart 2011 bemande bleef van daaruit de lokale bevolking oproepen te vluchten; zelf overleefde hij de tsunami niet.

Categorieën
poëzie

dat verre Amsterdam

mijn borsten omklem ik

            en het gordijn van het mysterie

                        schop ik stilletjes open

van de bloemen die hier groeien

            is het rood een diepscharlaken

chibusa osae / shinpi no tobari / soto kerinu / koko naru hana no / kurenai zo koki

mijn zachte huid

            warm kloppend met mijn bloed

                        heb ik je nooit zien aanraken

ben je dan niet eenzaam,

jij die me de Weg wil uitleggen?

yawahada no / atsuki chishio ni / fure mo mide / sabishikarazu ya / michi o toku kimi

Gericht aan haar echtgenoot, de dichter Yosano Tekkan (1873-1935), die vrij luidruchtig zijn eigen ‘weg’ van ‘mannelijke’ moderne tanka propageerde. Interpretaties lopen uiteen over de vraag of de ‘weg’ (michi) hier slaat op Tekkan’s poëzieopvattingen of op zijn voorliefde voor traditionele deugdenleer (kyūdōtoku 旧道徳).

de weide in

            en ver naar het zuiden

                        stroomt het water

ach, dat groen van het veld en

            jij die zo goed daarbij past

makiba idete / minami ni hashiru / mizu nagashi / sate mo midori no / no ni fusau kimi

tot een gouden

            heel miniem vogeltje

                        getransformeerd

valt het ginkgo-blad

op een heuvel in de avondzon

konjiki no / chiisaki tori no / katachi shite / ichō chiru nari / yūhi no oka ni

heel sereen

tonen ze hun zwarte ruggen:

            zwemmende walvissen

in de zee bij Kazusa

            onder een maan bij dageraad

ōraka ni / kuroki se o misete / isana yuku / kazusa no umi no / akatsuki zukiyo

vandaag sluit ik me aan

            bij al die vrouwen die

sinds lang geleden

de vergissing maakten

            te denken machteloos te zijn

inishie yu / chikara nashi to shi / ayamachishi / otome no sue ni / kyō ware o oku

uit het oosten 

            kwam de vrouw gereisd

op haar hand 

            worden heel lichtjes 

                        lippen gedrukt

tōhō no / tabi no onna no / te no ue e / kokoroyasuge ni / fureshi kuchibiru

glimlachend

doet ze alsof

            en stort in

een bloem als vrouw

            dat is de klaproos in de zomer

eminagara / azamuku yō ni / kuzureyuku / onna no hana no / natsu no hinageshi

De klaproos (hinageshi) is ook bekend als gubijinsō 虞美人草, geschreven met karakters die zich laten vertalen als ‘bange schoonheidsplant’. 

onze auto

parkeren we in de regen

            bij Nanao op Noto

en even moet ik denken

            aan dat verre Amsterdam

waga kuruma / noto no nanao no / ame ni tate / shibaraku omou / amusuterudamu

Op 5 januari 1931 bezocht Yosano het plaatsje Nanao, op het Noto-schiereiland aan de Japanse Zee. In 1912, op een rondreis door Europa, bracht zij een dag in Amsterdam door.

Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942) kwam in 1901 met een paukenslag de literaire wereld binnen met haar debuutbundel Midaregami みだれ髪 (Verwarde haren), waaruit de eerste drie hier vertaalde gedichten komen. Die titel roept erotische associaties op, en is tekenend voor de volstrekte ongeremdheid waarmee Yosano ruimte opeiste om haar hoogstpersoonlijke ervaringen als individu en als vrouw te uiten in de klassieke tanka-vorm. Een zinnelijke feminist, zou je kunnen zeggen, die uitgroeide tot een belangrijke stem in de moderne poëzie. 

Het beeld toont de omslag van Yosano Akiko’s debuutbundel Midaregami (1901), met een ontwerp van de schilder Fujishima Takeji 藤島武二 (1867-1943). Bron: Wikipedia.