Categorieën
poëzie

liefdesverdriet, een voetnoot

Toen hij onbedoeld een relatie kreeg met een vrouw die in de westvleugel van het paleis van de keizerin aan de Vijfde Avenue woonde, raakte zij kort na de tiende van de maand ergens buiten zicht. Hoewel hij hoorde waar ze nu was, kon hij haar geen bericht sturen en in de daaropvolgende lente, toen de pruimenbloesems op hun mooist waren, op een nacht met de fraaiste maan, ging hij naar die westelijke vleugel, verlangend naar het voorgaande jaar, waar hij op de plankenvloer ging liggen totdat de maan onderging en dichtte:

                                                            Heer Ariwara no Narihira

is dit dan niet die maan?

is deze lente dan soms niet 

            die lente van weleer?

alleen dit ik, zo lijkt, is echt

            diezelfde ik als van destijds

tsuki ya aranu / haru ya mukashi no / haru naranu / waga mi hitotsu wa / moto no mi ni shite

            […] 

Waardering: Omdat er ‘kort na de tiende van de maand’ staat, ga ik ervan uit dat het nu [in het gedicht] kort na de tiende van de tweede maand is, een nacht met de fraaiste maan. Ach! bloesems vullen de hemel, de maan verlicht de aarde: de aanblik van de lente is als altijd. Iemand vol wanhoop en met een gebroken hart die zich daarmee geconfronteerd ziet, wat voor melancholie moet hij voelen? Om op zo’n manier te lenen van natuurschoon en de onveranderlijke fenomenen ervan te contrasteren met de veranderlijkheid van de eigen situatie is een gebruikelijke kunstgreep van dichters; het is van dezelfde strekking als het gedicht van Zhao Gu:

            Alleen bestijg ik de riviertoren, mijn gedachten zwerven weg;

            de maneschijn is als het water, het water gaat over in de hemel.

            Zij die met mij de maan bewonderde: waar is zij heen gegaan?

            het landschap is helemaal hetzelfde en lijkt precies als toen.

  五条のきさいの宮の西のたいに住みける人に、ほいにはあらで物いひわたりけるを、月のとをかあまりになむ、ほかへ隠れにける。あり所は聞きけれど、え物もいはで、又の年の春、梅の花ざかりに、月のおもしろかりける夜、こぞを恋ひて、かの西の対にいきて、月のかたぶくまで、あばらなる板敷にふせりて、よめる
     在原業平朝臣
月やあらぬ春や昔の春ならぬわが身ひとつはもとの身にして
 
  <中略>
 
評 詞書に「月の十日あまりに」とあるので思ふと、今はその翌年の二月頃の十日あまりで、月の最も面白い夜頃である。あはれ花天月地、春色は依然としてゐる。失意失恋の身でこれに対すると、その感愴はどんなものか。かく自然の景物を借り来って、その不変の現象を境遇上の変化に対照させたことは、感哀を永からしめる詞家の慣手段で、趙蝦の詩に、
 独上リテ江楼思渺然タリ、月光如水々連、同ジクリテビル人何処、風景依稀トシテタリ去年
と作ったのも同一軌である。<後略>

Kokin wakashū, boek 15 (‘Liefde 5’) [no. 747]. Kaneko, Kokin wakashū hyōshaku (1927), p. 753, 754. Kaneko citeert een versie van Kokin wakashū waarin niet ‘kort na de tiende van de eerste maand’ (mutsuki no tōka amari ni 月のとをあまりに) staat, maar de maand ongespecificeerd blijft. Nu is er wel sprake van de Japanse pruim maar die kon ook bloeien in de tweede maand van de maankalender (ruwweg maart); Kaneko gaat er blijkbaar vanuit dat de brontekst de tweede maand bedoelt. ‘Bloesems vullen de hemel, de maan verlicht de aarde’ (katen getchi 花天月地, let. ‘bloesem-hemel en maan-aarde’) is een compacte uitdrukking die de pracht van de lente weergeeft. Kaneko vergist zich en geeft ‘Zhào Xiā’ 趙蝦 in plaats van ‘Zhào Gŭ’ 趙嘏 (een verschrijving: xiā 蝦 betekent ‘garnaal’; hier heb ik dat in vertaling stilzwijgend gecorrigeerd). De grammatica van Kaneko’s commentaar is modern, maar de spelling ervan is nog ouderwets (ahare, wiru, enz.). Hier heb ik de oude vormen van kanji aangepast aan moderne vormen (dus 変 in plaats van 變, enz.). Shika 詞家 (‘woordkunstenaar’, ‘dichter’) intrigeerde me; de betekenis ervan is duidelijk, maar woordenboeken zeggen dat het woord niet bestaat.

Een tijd geleden kreeg ik een antiquarisch boek cadeau van de kleindochter van een oud-militair die in 1919 in Leiden Japans begon te studeren en in 1921 naar Tokyo verhuisde om daar als diplomaat bijna de rest van zijn leven te blijven. Naast zijn reguliere werk bestudeerde en vertaalde deze J.B. Snellen (1893-1940) ook Japanse literatuur. 

Die familie is —bijzonder!— er een waarvan meerdere generaties in Leiden Japans (en Chinees) studeerden. Lees hier een interview met een moeder en dochter (tevens kleindochter en achterkleindochter).

Het boek in kwestie is de ééndelige ‘nieuwe editie voor de Showa-periode’ (shōwa shinpan 昭和新版; 1121 pagina’s) uit 1927 van Commentaar op De verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū hyōshaku 古今和歌集評釈). (De Shōwa-periode begon in 1925.) Op het schutblad noteerde Snellen vermoedelijk de datum waarop hij het boek aanschafte: 30 december 1937.

Het boek bevat ook het merkje van de boekhandel waar Snellen zijn exemplaar gekocht moet hebben: de Kitazawa Bookstore (Kitazawa Shoten 北澤書店), in de befaamde boekhandelwijk Jinbōchō in Tokyo. Opgericht in 1902 en gespecialiseerd in vooral Engelstalige boeken, bestaat dit antiquariaat nog steeds. Omdat toeval niet bestaat heb ik deze zomer een afstudeerscriptie van een van onze studenten mogen lezen over de verschuivingen in de manier waarop antiquariaten in Jinbōchō zichzelf aan hun publiek presenteren. Leidend daarbij is het idee van ‘Instagrammability’. Veel aandacht was er voor de Instagram-strategieën van de huidige, vierde generatie eigenaar van precies dit antiquariaat, Kitazawa Rika, om het publiek te verleiden met antiquarische boeken als esthetisch object.

Snellens geannoteerde editie van de eerste vorstelijke verzameling van Japanse poëzie is het werk van Kaneko Moto’omi 金子元臣 (1868-1944), een leerling van tanka-dichter en literatuurhistoricus Ochiai Naobumi 落合直文 (1861-1903) en zoon van een samurai in directe dienst van de shōgun die hoogleraar werd aan de Keiō Universiteit in Tokyo. Kaneko’s Commentaar verscheen voor het eerst, in vijf delen, in de jaren 1901-1908 en is dus de neerslag van Kaneko’s studie en noeste arbeid uit het einde van de negentiende eeuw.

Ik was, en ben nog steeds, zeer verguld met dit genereuze geschenk, dat ik ervaar als een tastbare band met een Nederlandse vakgenoot die een kleine eeuw geleden deels dezelfde teksten als ik bestudeerde.

De term die ik als ‘commentaar’ vertaal is in het Japans een samengesteld woord, hyōshaku 評釈, waarbij de eerste component (hyō) een waardeoordeel (‘evaluatie’, ‘waardering’) impliceert en de tweede (shaku) een ‘uitleg’ aangeeft. Concreet houdt dat in dat Kaneko per brontekst van oude gedicht eerst een woordverklaring geeft (de ‘uitleg’) en een vrije vertaling naar het Japans van rond 1900, om vervolgens in een mini-essay (de ‘waardering’) de lezer een handreiking te doen voor hoe die het gedicht tot zich kan laten spreken.

Hier vertaalde ik het eerste deel van Kaneko’s ‘waardering’ voor gedicht 747 uit De verzameling van gedichten van vroeger en nu. In een vorige blogpost ging ik al in op dit gedicht en op middeleeuwse en vroegmoderne visualisaties ervan. 

Interessant is dat Kaneko in zijn commentaar zo nadrukkelijk een parallel trekt met Chinese poëzie, terwijl de Kokin wakashū juist symbool staat voor ‘Japansheid’ in de dichtkunst. Dat hij de universele en dus herkenbare emotie van de negende-eeuwse Ariwara no Narihira benadrukt kan ik alleen maar toejuichen. Dat hij een Chinese tijdgenoot van Narihira als retorisch voorbeeld gebruikt lijkt me tekenend voor zijn training: Kaneko was een Meiji-geleerde, opgeleid in een tijdperk waarin kennis van Sinitische literatuur nog hoog in het vaandel stond. 

De Chinese dichter die Kaneko aanhaalt als illustratie van de universaliteit van Narihira’s emoties is de negende-eeuwse Zhào Gŭ 趙嘏 (ca. 806-ca. 854). Dat is niet bepaald de meest beroemde dichter uit de Tang-periode, maar zijn kwatrijn ‘In een toren aan de rivier schrijf ik mijn gevoelens op’ (Jiāng lóu shū găn 江楼書感) is bekend genoeg om geciteerd te worden op zijn Japanse Wikipedia-pagina.

Zhao Gu’s kwatrijn met Japanse samenvatting in Selectie van gedichten uit de Tang in eigen schrift uitgelegd (Edo: Sūzanbō, 1782), deel 4, boek 7. Collectie Waseda University Library.

Bewijzen kan ik het niet, maar het zou me niks verbazen als Kaneko zijn inspiratie voor deze vergelijking haalde uit Selectie van gedichten uit de Tang (Tangshīxuăn, Jp. Tōshisen 唐詩選). Deze bloemlezing van Sinitische poëzie uit de Chinese Tang-dynastie (618-907), in zeven delen, is in de zestiende eeuw gemaakt door de Chinese Lĭ Pānlóng 李攀竜 (1514-1570). Praktisch aan het eind van zijn Selectie plaatste Li het kwatrijn van Zhao Gu.

Er bestaan verschillende vroegmoderne Japanse commentaren op deze Chinese bloemlezing. Eén ervan is Selectie van gedichten uit de Tang in eigen schrift uitgelegd (Tōshisen kokujikai 唐詩選国字解, postuum gedrukt in 1782). Dit was het werk van de confucianistische geleerde, dichter van Sinitische verzen en schilder Hattori Nankaku 服部南郭 (1683-1759). Toch maakt de uitleg daarin van de derde regel niet erg duidelijk waarom Zhao Gu’s kwatrijn zo mooi zou aansluiten bij Narihira’s waka. De Japanse commentator vat Zhao’s laatste couplet volgt samen:

Vorig jaar kwamen ze allemaal samen boven in deze toren en bewonderden de maan en vermaakten zich met elkaar, maar waar zijn die vrienden dit jaar heen gegaan? Geen is er gebleven, maar het landschap dat ‘helemaal hetzelfde’ doet zich op de een of ander manier vagelijk voor en is niet anders dan vorig jaar, maar de mens is nu eenmaal een vergankelijk iets — dat gevoel roept het op.

去年、この楼上にともども来て、月を配び、楽しんだが、いんは今年はどこへ行ったか一人もないが、風景は「依稀」とどうやらほのかに見たやうで、去年に相変らぬが、人といふものは、さだめないものぢゃと、感を起したるなり。

Hattori Nankaku 服部南郭, Tōshisen kokujikai 唐詩選国字解, red. Hino Tatsuo 日野龍夫, deel 3 (Tokyo: Heibonsha, 1982), p. 277. De commentator lijkt wat van zijn stuk gebracht door yīxī (Jp. iki to shite) 依稀 dat niet alleen ‘helemaal hetzelfde’ kan betekenen maar ook ‘vagelijk’, ‘vervaagd’ — maar Zhao Gu bedoelt hier toch echt het eerste. 

Wie ook dit commentaar levert (Hino Tatsuo gelooft niet dat dat Hattori Nanaku was [p. 278]) geeft als antwoord op de vraag met wie de dichter een jaar eerder de toren aan de rivier beklom: dat waren zijn (mannelijke) vrienden (zhīyīn, Jp. chi’in 知音). Dat is toch andere koek dan je nu onbereikbaar geworden Grote Liefde. De lezer die dit nog een beetje volgt herinnert zich hopelijk dat ik die derde regel vertaalde met ‘Zij die met mij de maan bewonderde’ 同来翫月人 — niet ‘bewonderden’. Met andere woorden: geen meervoud (die ‘vrienden’), maar een vrouwelijk enkelvoud. Zó moet rond 1900 ook Kaneko Moto’omi die regel hebben opgevat, anders is de analogie met de waka van Narihira zo niet zoek dan toch zwak.

Zhao Gu’s kwatrijn in Selectie van gedichten uit de Tang met handzame geschiedenissen (Tōshisen shōko 唐詩選掌故, 1776). Bezorger Chiba Unkaku 千葉芸閣 citeert bij wijze van commentaar een droevige liefdesgeschiedenis uit het leven van de dichter, met verwijzing naar de [Táng] cáizĭ zhuàn [唐]才子伝 (zie onder). Collectie Waseda University Library.

Een variante interpretatie wordt gesuggereerd door Chiba Unkaku 千葉芸閣 (1727-1792) , ook al een confucianistische geleerde, die met zijn Selectie van gedichten uit de Tang met handzame geschiedenissen (Tōshisen shōko 唐詩選掌故, 1776) een min of meer contemporain alternatief commentaar op dezelfde zestiende-eeuwse selectie van Tang-poëzie verzorgde. Dat deed Unkaku door fragmenten van relevante oude bronnen te geven als een vorm van indirecte duiding bij een gedicht. Hij schijnt dat aangevuld te hebben in zijn Selectie van gedichten uit de Tang toegelicht en uitgelegd (Tōshisen kōshaku 唐詩選講釈, door Unkaku gedicteerd rond 1790; postuum uitgegeven in 1813). Bij Zhao Gun’s kwatrijn citeert Unkaku een Chinese anekdote over Zhao Gun die een ander licht werpt op die derde regel.

Die anekdote kennen we ook uit een monsterverzameling in 81 delen van biografische weetjes over Tang-dichters, de twaalfde-eeuwse Annalen van de poëzie van de Tang-dynastie (Tángshī jìshì 唐詩紀事) door Jì Yŏugōng 計有功 (actief 1121-1161). Daarin staat over Zhao Gu onder meer vermeld:

Gu woonde ooit in het westen van Zhejiang, waar een mooie courtisane was die op hem verliefd werd; toen hij opging voor zijn hoofdstedelijke examens werd door haar moeder verhinderd dat hij haar meenam, dus vertrok hij zonder haar. Toen de gouverneur van Zhejiang naar Helin ging voor het Geestenfeest zag hij deze courtisane en maakte haar tot zijn bezit. Het jaar daarop slaagde Gu voor zijn examens en daarom schreef hij dit kwatrijn:

            Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren;

            net als op het Zonterras verdween zij in de wolken.

            Ooit hoorde ik hetzelfde vertellen over Shazahli;

            vandaag behoort mijn frisse schone Uwe Excellentie toe.

De gouverneur werd hier onrustig van en stuurde haar via een tussenpersoon [naar Gu] terug. Toen Gu door de grenspost kwam ontmoette hij haar bij de halteplaats Hengshui; daar omarmde de concubine Gu, jammerde en stierf. Vervolgens werd zij begraven aan Hengshui’s noordoever.

嘏嘗家於浙西、有美姫惑之、洎計偕、以其母所阻、遂不携去。会中元為鶴林之游、浙帥窺其姫、遂奄有之。明年、嘏及第、因以一絶箴之曰:「寂寞堂前日又曛、陽台去作不帰雲。当時聞説沙吒利、今日青娥屬使君。」浙帥不自安、遣一介帰之。嘏方出関、逢於橫水駅、姫抱嘏慟哭而卒、遂葬於橫水之陽。

Tangshi shiji, boek 56, passage 100. Ik vat 姫 hier op in de specifieke betekenis van concubine van een hooggeplaatst iemand (Jp. mekake 妾 of sokushitsu 側室). Het Geestenfeest (het Zhongyuan 中元-festival) wordt gevierd op de vijftiende dag van de zevende maand. Het Zonterras (yángtái 陽台) was gebouwd door de vorst van de staat Chŭ 楚 (ca. 1115-223 v.C.), en is een beeld voor een vrouwenlichaam vanwege een associatie met het verhaal dat die vorst op zijn terras bezocht werd door een fee die één nacht met hem doorbracht. (Zie ook Ikkyū’s gedicht ‘Het schaamdeel van een mooie vrouw heeft de geur van een narcis’). De verwijzing naar Shāzāhlì 沙吒利 moet slaan op een vergelijkbaar verhaal.

Het zou dan na deze dramatische dood van zijn geliefde concubine zijn dat Zhao Gu opnieuw de toren aan de rivier besteeg en daar zijn gedicht schreef.

(De anekdote staat ook in het zevende boek van Biografieën van getalenteerde meesters uit de Tang [Táng cáizĭ zhuàn 唐才子伝] uit 1304 en en dat is waaruit Unkaku citeert in zijn Handzame geschiedenissen. Unkaku geeft een licht geredigeerd citaat; zo laat hij het kwatrijn ‘Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren’, dat Xin wel geeft, weg.)

Het biografische lemma voor Zhao Gu in Biografieën van getalenteerde meesters uit de Tang (Táng cáizĭ zhuàn 唐才子伝, 1304), boek zeven, met de lange anekdote over zijn ongelukkige liefde, inclusief het kwatrijn ‘Verlaten voor de hal gaat de dag weer schemeren’. Japanse uitgave van de Táng cáizĭ zhuàn (Kyoto: Uemura Jirōemon, 1647). Collectie Waseda University Library.

                                    *  *  *

Hèhè, dan zijn we nu eindelijk aanbeland bij de koppeling tussen Narihira’s Japanse gedicht en Zhao Gu’s kwatrijn. Chiba Unkaku is degene die in de achttiende eeuw zijn lezers aanraadt om het kwatrijn te lezen in het licht van het droevige verhaal van Gu en zijn geliefde concubine die, als in een negentiende-eeuwse stuiverroman, dood neerzijgt na eindelijk weer verenigd te zijn met de man van wie zij houdt. Zij is die grote afwezige daar boven in de toren aan de rivier. Dan moet je inderdaad lezen:

Zij die met mij de maan bewonderde: waar is zij heen gegaan?

het landschap is helemaal hetzelfde en lijkt precies als toen.

同来翫月人何処、風景依稀似去年。

En dan begrijp je dat, inderdaad, de situatie van Zhao Gu en Ariwara no Narihira dezelfde is: treuren om een onherroepelijk verloren Grote Liefde op een plek waar zij een jaar eerder nog samen waren.

Onveranderlijk natuurschoon gecontrasteerd met de veranderlijkheid van het mensenleven. Ja, dat ‘is een gebruikelijke kunstgreep van dichters’, maar dat is omdat het werkt. 

                                    *  *  *

Kaneko Moto’omi’s Commentaar is een goeie honderdtwintig jaar geleden uitgegeven als vroegmodern Japans boek met traditionele bindmethode, in vijf delen. Toch blijkt het een best modern boek in zijn combinatie van én een voor de leek toegankelijke teksteditie te willen maken van Japanse oudste vorstelijke waka-bloemlezing én de emotionele waardering van de gedichten daarin te vertalen wil naar een universeler zeggingskracht. De verzameling van oude en nieuwe gedichten is zo niet alleen een literair erfgoed van een Japanse traditie maar ook Literatuur die resoneert met poëzie uit andere culturen.

Niet zo vreemd was het dus dat in 1927 de uitgever nog steeds een markt zag voor Kaneko’s teksteditie en dan in een nieuw, westers jasje waarop een kikker en een vogel (de ontwerper maakte een gebaar naar het voorwoord van de bloemlezing waarin die dieren worden genoemd). 

Dat de Nederlandse Snellen het in 1937 op zijn bureau in Tokyo had liggen doet op de een of andere manier goed.

Een anonieme ingezonden brief, ‘Van Inheemse zijde’, dus vermoedelijk door een Indonesiër naar aanleiding van het overlijden van J.B. Snellen. Soerabaijasch handelsblad, 30 juli 1940. Bron: delpher. Snellen moet een aardige man geweest zijn.

(Tja, ik dacht een kort stukje te schrijven ter ere van Snellens exemplaar van Kaneko’s teksteditie, maar ben toch weer eens afgedaald in het konijnenhol der filologen. Dit soort vrijetijdsbesteding geeft vooral bevrediging —anderen timmeren een konijnenhok— en hopelijk ook wat inzicht in hoe sommige verhalen levend gehouden worden.)

De foto toont het exemplaar van J.B. Snellen van Kaneko Moto’omi’s commentaar op De verzameling van gedichten van vroeger en nu (1927-editie).

Categorieën
poëzie

armoe

            Het lied van arm en dom

Ben je arm, dan word je dom—hoe gaat dat in de wereld?

eten of juist niet te eten hebben is je dagelijkse kostje.

Had je dan niet gehoord: elk vonnis in de hel wordt door je geld bepaald;

ook met hard werken blijft de armoe gast aan tafel.

貧鈍行。為貧為鈍奈世何、食也不食吾口過。君不聞 地獄沙汰金次第、于挊追付貧乏多。

Uno, Nihon no kanshi (2017), p. 458. De stoplap kimi kikazu ya 君不聞 (‘Had je dan niet gehoord’ — ik moet altijd denken aan Vergilius mirabile dictu) waarmee de derde regel begint wordt hier gebruikt als uitroep die de twee coupletten van elkaar scheidt en maakt zo die regel langer. Volgens Uno Naoto gebruikt Ōta Nanpo 挊 in de betekenis van kasegu (稼ぐ), ‘hard werken’, ‘geld verdienen’ (de Shinsen kanwa jiten 新選漢和辞典 geeft dat inderdaad als een specifiek Japanse lezing van het karakter, die blijkbaar geïnspireerd is door het homoniem kase 桛, ‘kluwen’, ‘streng’, ‘spoel’, ‘klos’). Dat ligt hier wel voor de hand, gegeven het spreekwoord kasegu ni oitsuku binbō nashi 稼ぐに追いつく貧乏無し, ‘met hard werken blijft de armoe weg’.

Kyōka-dichter Ōta Nanpo 大田南畝 (1749-1823) schreef ook Sinitische verzen, onder de naam ‘Meester NogMaar HalfWakker’ (Neboke-sensei 寝惚先生). Voor zijn ‘maffe verzen’ (kyōshi 狂詩) hanteerde hij eigenlijk dezelfde houding als in zijn kyōka 狂歌.

Ook vroegmoderne Japanners waren zich soms bewust van intersectionaliteit.

De afbeelding door Will Eisner is de openingsplaat van zijn verhaal ‘Money Money’, een avontuur van zijn (anti)held The Spirit, van 23 november 1947.

Categorieën
poëzie

snakken naar een vleugje herfst

Bij stromend water met een vleugje herfst bieden vele rotsen koelte;

in een bos als zonnescherm is het zelfs in de Zesde maand nog koud.

銜秋水上千巌冷、礙日林間六月寒。

Shinsen rōeishū 154, sectie ‘zomer’, categorie ‘genieten van de koelte’ (dōryō 納涼). Tachibana no Naomoto 橘直幹 (tiende eeuw), uit een gedicht ‘De hitte ontvluchten’ (hisho 避暑).

Het was nog steeds heel warm in Nederland.

De afbeelding toont een detail van de prent ‘De Amida-waterval in het achterland van het Kiso-circuit’ (Kisoji no oku Amida-ga-taki 木曽路ノ奥 阿彌陀ヶ瀧) door Katsushika Hokusai 葛飾北斎 (1760-1849), ca. 1832. Collectie Metropolitan Museum of Art, New York.

Categorieën
poëzie

de wijde hemel

            [Zonder titel]

Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme

en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.

In die wijde hemel wolken die niet bewegen,

heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.

[無題]。仰臥人如啞、黙然見大空。大空雲不動、終日杳相同。

29 september 1910. Sōseki zenshū 18 (2018), p. 246.  Sōseki wil dat we yō to shite 杳 opvatten als ‘veraf’; in Omoidasu koto nado (p. 52) leest hij het karakter ook als haruka ni はるかに.

Romanauteur Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) spuugde op 24 augustus 1910 bijna een liter bloed op en verloor het bewustzijn. Zijn vrouw Kyōko naast hem zat onder; haar kimono werd van kraag tot middel volledig roodgekleurd. [Nathan 2018,p. 186, naar Kyōko’s memoires.]

Het echtpaar verbleef sinds 6 augustus in een Japanse variant van een spa: een onsen (hete bron) in Shuzenji, op het Izu-schiereiland. Sōseki was daar in de ryokan Kikuya 菊屋 om te herstellen van opname in het ziekenhuis vanwege een ernstige maagzweer. 

De Kikuya, een ryokan (traditionele herberg) van zo’n vier eeuwen oud, bestaat nog steeds. Intrigerend genoeg wordt Sōseki’s verschrikkelijk verlopen verblijf daar er uitgebreid gememoreerd.

De Sōseki-mythologie wil dat de schrijver een half uur lang geen hartslag had; dat is natuurlijk onwaarschijnlijk, omdat hij weer bijkwam. Toegesnelde artsen dienden hem zestien kamferinjecties toe. Een afschuwelijke toestand was het hoe dan ook wel en het moment staat onder Sōseki-adepten bekend als ‘de Shuzenji-ellende’ (shuzenji no taikan 修善寺の大患). De oorzaak was opnieuw een opspelende maagzweer. Dit was een chronische kwaal van Sōseki; hij zou er in 1916 uiteindelijk aan overlijden.

De ‘Shuzenji-ellende’ werkte als ontstopper voor Sōseki’s geblokkeerde dichtader. Na zo’n tien jaar waarin hij geen Sinitische poëzie geschreven had, begon hij weer kanshi te noteren—meestal in zijn dagboek. Daar komen we ook voor het eerst dit kwatrijn tegen. Sōseki was inmiddels opnieuw naar het ziekenhuis verhuisd.

29 september (donderdag)

            .

            Op mijn rug lig ik daar als een doofstomme / en zwijgend staar ik naar de wijde hemel.

            In die wijde hemel wolken die niet bewegen, / heel de dag ver weg, precies zoals ik me voel.

            .

Ook gisteren me geschoren. Op aanraden van de vrouw. Dat ik eerst een stuk onder mijn kin had overgeslagen leek ze vervelend te vinden.

            .

            terug naar de hoofdstad

                        die dag komt steeds dichterbij

            gele chrysanten

kyō ni kaeru / hi mo chikazuite / kigiku kana

            .

’s Avonds een zachtgekookt ei gegeten.

 九月二十九日〔木〕
◯ 仰臥人如啞  黙然見大空
  大空雲不動  終日杳相同
◯昨日も髪剃。細君の注意による。始めは顎の下を剃り落した時は残り惜さうなりき
◯ 京に帰る日も近付いて黄菊哉
◯晩に玉子の煮りたるを食ふ

Dagboek, 29 september 1910. Sōseki zenshū 25 (1957), p. 208. Saikun 細君 (‘de vrouw’) was een vrij gebruikelijke, informele term onder Meiji-literaten om naar hun echtgenote te verwijzen. ‘De hoofdstad’ (kyō 京) is Tokyo, waar Sōseki woonde.

(Als we heel streng zijn: het eerste Sinitische gedicht waarmee Sōseki weer aan een dichtfase begon dateert al van 31 juli 1910, de laatste dag van het ziekenhuisverblijf vanwege een eerdere maagzweer. Het eerstvolgende gedicht is in Shuzenji geschreven, op 20 september; dan blijft hij een goede maand lang intensief dichten.)

De ‘Shuzenji-ellende’ leidde ook tot een serie mini-essays onder de titel Wat ik me herinner (Omoidasu koto nado 思ひ出す事など) die hij in 1910 en 1911 als feuilleton publiceerde in het dagblad Asahi shinbun. Daarin beschrijft hij, halverwege een overpeinzing over Dostojevski, hoe hij in zijn ziekenhuisbed tot innerlijke rust probeerde te komen.

Het kostte me grote moeite om lang met iemand te praten. Ik herinner me hoe luchtgolven die stemmen werden en zo in mijn oren echoden tot aan mijn hart reikten en dat mijn stabiele gemoedstoestand er volledig door verstoord werd. Het oude spreekwoord ‘zwijgen is goud’ kwam bij me op en ik lag alleen maar op mijn rug bij te komen. Godzijdank kon ik tussen de luifel van mijn kamer en het dak van de tweede verdieping tegenover me de blauwe hemel zien. Het was het seizoen waarin die hemel door herfstdauw schoongewassen en geleidelijk steeds hoger werd. Ik maakte van het staren naar deze hemel mijn dagtaak. Deze wijde hemel, waarin niets gebeurde en waarin niets was, boog haar serene schaduw naar me toe weerspiegelde zich volledig in mijn hart. Zo gebeurde er ook in mijn hart niets en was er daar niets. Twee transparante dingen sloten perfect op elkaar aan. Wat er zo in mij restte was een stemming die ik moet omschrijven als oneindig.

 余は当時十分と続けて人と話をするわずらはしさを感じた。声となって耳に響く空気の波が心につたはって、平らかな気分をことさらにざわつかせるやうに覚えた。口を閉ぢてがねなりといふ古い言葉を思い出して、ただ仰向あおむけに寝てゐた。ありがたい事にへやひさしと、向うの三階の屋根の間に、青い空が見えた。其空が秋の露に洗はれつゝ次第に高くなる時節であった。余は黙って此空を見詰めるのを日課のようにした。何事もない、又何物もない此大空は、其静かな影を傾むけてとご〴〵く余の心に映じた。そうして余の心にも何事もなかった、又何物もなかった。透明な二つのものがぴたりと合った。合って自分に残るのは、へうべうとでも形容してよい気分であった。

Omoidasu koto nado (1957), hoofdstuk 20, p. 51.

Sōseki eindigt het hoofstuk met zijn kwatrijn. Dat was dan ook de eerste keer dat lezers, in de krant, het gedicht onder ogen kregen.

Van Sōseki’s kwatrijn bestaan tenminste twee Franse vertalingen:

Renversé sur le dos

Je suis comme un muet

Silencieux je regarde

L’immensité du ciel

Les nuages sont immobiles

Le jour passe

Rien se passe

Vert. Elisabeth Suetsugu. Sôseki, Choses dont je me souviens (2005), p. 115.

Sans titre

29 septembre 1910 [à Shuzenji]

            .

Étendu dans ce lit et devenue muet,

Je n’ai plus rien a dire en regardant le ciel.

Le ciel, ou pas un nuage ne se déplace

Tout le jour, immensement, s’accorde avec moi.

Vert. Alain-Louis Colas. Natsume Sôseki, Poèmes, p. 103.

De eerste bevalt me beter.

Bij Sōseki leidde stress tot maagzweren én tot poëzie.

Ik gebruikte:

  • Nakamura Hiroshi 中村宏, Sōseki kanshi no sekai 漱石漢詩の世界 [‘De wereld van Sōseki’s Sinitische poëzie’] (Tokyo: Dai’ichi Shobō, 1983).
  • John Nathan, Sōseki: Modern Japan’s Greatest Novelist (New York: Columbia University Press, 2018). [Hoofdstuk 13, ‘Crisis at Shuzenji’, p. 181-198.]
  • Omoidasu koto nado 思ひ出す事など [‘Wat ik me herinner’], in: Sōseki zenshū 漱石全集 [‘Sōseki’s verzameld werk’] 17: Shōhin (3) 小品 (下) [‘Korte stukken’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957). [Hoofdstuk 20, p. 50-52.]
  • Teihon Sōseki zenshū 定本漱石全集 18: Kanshibun 漢詩文 [‘Sinitische poëzie en proza’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2018).
  • Sōseki zenshū 漱石全集 25: Nikki oyobi danpen (2) 日記断片 (中) [‘Dagboeken en fragmenten’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957).
  • Sôseki, Choses dont je me souviens, vert. Elisabeth Suetsugu (Arles: Éditions Philippe Piquier, 2000; pocketeditie 2005). [Hoofdstuk 20, p. 111-115.]
  • Natsume Sôseki, Poèmes, vert. Alain-Louis Colas ([Parijs:] Le bruit de temps, 2016).

De foto toont wolken boven Leiden, 16 mei 2026.

Categorieën
poëzie

traag verloopt de dag

            Een lentedag, in de velden

Een middagmaal, warm geurend, kan de honger stillen;

aan de akker warm ik mijn rug, traag verloopt de dag.

De kinderen willen naast de grijsaard geen dutje doen:

bij de groenten en bij de bloemen vangen ze vlinders.

春日田園。午餉温香恰療飢、田頭曝背日遅遅。童孫不肯従翁睡、野菜花辺捉蝶児。

Een pastorale uit 1815 van Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832).

De afbeelding toont Le déjeuner (De lunch, 1873-1874) van Claude Monet. Collectie Musée d’Orsay, Parijs.

Categorieën
poëzie

boeken lezen (no. 1)

            Boeken lezen (1)

Mijn haren zijn nog niet grijs geworden;

toch deed ik al vroeg mijn kapinsigne af.

Al lukt het me nog niet in een woud te wonen,

sloot ik mijn deuren diep tussen ’s werelds gewoel.

’t Is niet dat ik geen vriendschap aanhou,

maar etiquette blijkt me niet goed af te gaan.

Converseren en lachen: het mag vrolijk lijken,

maar roddel dringt zich steeds weer op.

Ben ik trouw aan mezelf, dan bruuskeer ik iemand;

hou ik de schone schijn op, dan bleef ik beter stom.

Het beste is terug te keren naar mijn boeken;

daarin is tenminste iemand die mijn hart begrijpt.

 
読書八首(其一)。吾髪猶未白、早已擲華簪。未能住林壑、杜門紅塵深。豈無友朋締、俯仰非所任。言笑雖云楽、謗譏動侵尋。率意時触諱、飾情亦等瘖。不如還読書、有人獲我心。

SNKBT 66, p. 300-301. Voor de filologen: ‘een kapinsigne [let. fraaie haarspeld] weggooien of afdoen’ (kashin o nageutsu 擲華簪) is een ambtenarenbaan opzeggen (de haarspeld is een aan de kap bevestigd insigne van het ambt). Kōjin 紅塵 (let. ‘het scharlaken stof’) is een beeldspraak voor het wereldse leven in de grote stad. Fugyō 俯仰 (let. ‘[op de juiste momenten] vol eerbied neerliggen en vol eerbied opkijken’) is sociaal wenselijk gedrag vertonen. Shokki 触諱 (‘bruuskeren’ of ‘iemand tegen de haren in strijken’) is letterlijk het uitspreken van de ‘taboenaam’ (imina 諱, persoonsnaam voor privésituaties, dan wel de manier om postuum naar iemand te verwijzen) van een hogergeplaatst persoon; dat is een ongepaste lichtzinnigheid.

Dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) schreef een reeks van acht Sinitische gedichten op het thema ‘boeken lezen’ (dokusho 読書); eerder vertaalde ik nummers 3 en 6. Dit is dus nummer 1.

Wat er voor de buitenstaander te zien is van de ‘Purperbergen-en-klaarwater-stek’ (Sanshi-suimeisho 山紫水明処) in Kyoto, 21 oktober 2024.

In oktober 2024 vervulde ik een oude wens. Ik kon toen eindelijk naar binnen in de ‘Purperbergen-en-klaarwater-stek’ (Sanshi-suimeisho 山紫水明処) in Kyoto. Dat is de naam die Rai San’yō gaf aan zijn studeer- en ontvangstvertrek. Het bestaat nog steeds en zijn nazaten wonen in het huis ernaast, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is.

Duur was het niet om het huisje te bezoeken (de toegangsprijs was ¥700, op dat moment omgerekend €4,30), maar gedoe kostte het des te meer. In de stijl van veel plekken-voor-kenners in Japan is er voor de Sanshi-suimeisho wel een (archaïsch aandoende) website maar zijn er geen contactgegevens anders dan een postadres. Daarheen kan je, uiterlijk twee maanden vóór aankomst in Kyoto, een verzoek sturen waarin je twee data mag noemen waarop jij graag een bezoek zou afleggen. Je stuurt met dat verzoek een gefrankeerde briefkaart of envelop mee; daarmee krijg je dan vroeg of laat antwoord. Dat antwoord kan zijn dat die twee data niet uitkomen.

Eenmaal aangekomen werd ik hartelijk ontvangen door een nazate van Rai San’yō die de hele tijd de indruk maakte dat ze al die San’yō-adepten weliswaar gepast vleiend maar ook lichtelijk vermakelijk vond. Ik vroeg haar onder meer of er vaak mensen voor de Sanshi-suimeisho kwamen, omdat de aanmeldprocedure wat omslachtig is. Ik was al de veertiende bezoeker die maand, meldde ze. Het is altijd ontnuchterend te ontdekken dat, zodra je denkt dat je een bijzondere gek bent om een bepaalde moeite te doen, te ontdekken dat je in een wachtrij staat (‘Pick a number, son’). Een heel gezonde ervaring.

Hoe dan ook, die oktobermiddag zat ik dan op de tatami-matten in de ruimte waar San’yō (nemen we dan aan) zijn gedichtenreeks ‘Boeken lezen’ schreef — en ook die boeken las waarover hij het in de gedichten heeft. Beter nog: waar hij de sake dronk en de borrelhapjes verorberde waarvoor het boekenlezen de aanleiding was.

(Ik maakte uiteraard veel foto’s, maar heb op verzoek van de familie beloofd geen ervan openbaar te maken.)

De afbeelding toont het schilderij Henk de Court Onderwater [1877-1905] op zijn ziekbed (1904 of 1905), door Gerrit Willem van Blaaderen (1873-1935).

Categorieën
poëzie

nieuwe lente, oud lijf

Het voorjaar arriveert onzichtbaar: hoe kun je dat bespeuren?

Ouderdom achtervolgt het lijf: moeilijk laat hij zich vermijden.

春無跡至争尋得、老趁身来亦避難。

Shinsen rōeishū 4; categorie ‘het begin van de lente’ (risshun 立春). Met ‘onzichtbaar’ vertaal ik ato naku 無跡, let. ‘zonder [voet]sporen’. Het beeld is dat de lente geen fysieke gestalte heeft en dus ook geen voetsporen kan achterlaten.

Een couplet van Fujiwara no Atsushige 藤原篤茂 (actief 947-973). De dichter speelt nadrukkelijk met tegenstellingen: van de lente weet je dat die komt, ook al bespeur je er niet meteen een ‘voetafdruk’ of ‘restant’ (ato ) van. Waar de dichter dus vruchteloos ‘jaagt’ op het voorjaar, jaagt de oude dag vrij succesvol achter de dichter aan.

4 februari markeert dit jaar volgens de maankalender in Japan ‘het begin van de lente’ (risshun 立春).

De foto is een still uit de film Under the Blossoming Cherry Trees (Sakura no mori no mankai no shita 桜の森の満開の下, 1975) van Shinoda Masahiro 篠田正浩 (1931-2025) naar het gelijknamige spookverhaal uit 1947 van Sakaguchi Ango 坂口安吾 (1906-1955).

Categorieën
poëzie

de vorst van Frankrijk

            Het lied van de vorst van Frankrijk

De vorst van Frankrijk

Vanwaar kwam deze vorst? Van over de westelijke oceaan.

Vol essentie van de generaal-in-’t-zwerk, in zijn ogen groene glans,

begiftigde de hemel hem met strategieën, gegoten tot zijn kern.

Heel Europa verslond hij en verlegde zijn grenzen naar de oost;

en zwoer dat hij de Kunlun zou maken tot centrum van zijn rijk.

IJdele handen in zijn land smeedde hij tot legertroepen om;

soldaten zonder vrouw of kind werden woeste vechtersbazen.

Een kort lemmet aan het geweer en de langere als lans;

na geweren stormen lansen aan, samen gaan ze in de aanval op.

Overal drong iedereen naar voren, bloed kleurde de aarde zwart;

alleen restte het grote Rusland nog, dat weerstand bieden bleef.

Sluipmoordenaars stuurde men met dolken op hun borst verstopt;

de vorst, zich wel van hen bewust, liet toe dat zij hem omcirkelden.

‘Als je me neer kan steken, steek dan maar, maar sterven kan ik niet;

waarom komt jullie heerser niet eerlijk met banieren en met trommels?’

Hij zond zijn maarschalken het veld in met troepen in al hun macht;

hun rode banieren verduisterden de hemel, de zon verloor haar licht.

Met vijf veldslagen nam hij het land in—zijn overmacht schudde alles op;

de Russen waren als vissen die tranen lieten in een dodelijke kookpot.

Toen, heel onverwacht,

bedekte enorme sneeuwval al het land, wel tien voet diep of meer;

van de vorst zijn paarden vielen er achtduizend bevroren neer.

aanvoerroutes raakten doorgesneden zonder hoop op elk herstel;

een blokje paardenvlees vormde het enige dagelijks rantsoen.

De vorst verklaarde: ‘De hemel zal Frankrijk niet komen redden;

als het mijn volk helpt, waarom zou ik mij niet overgeven?’

Alleen reed hij de vijand ter overgave tegemoet, geen die hem doden durfde;

verbannen werd hij naar Amerika, [Europa’s] vorsten en volkeren waren blij.

            .

In het Ouderaarde-Tijger-jaar [1818] reisde ik naar Nagasaki

en ontmoette een barbarenarts die me er alles van vertelde.

Zelf diende hij met de troepen, verzorgde hun oorlogswonden

en at paardenvlees om niet te sterven—wat hij maar niet vergeten kan.

Hoorde je dan niet:

welke staat kan onmatigheid als van een wolf negeren?

Moedige mannen sluiten die uit en waarderen waakzaamheid.

Zag je dan niet:

ramp en fortuin zijn als draden die niet voor eeuwig zijn;

verspil soldaten, besmeur krijgshaftigheid: telkens krijg je dan een ramp.

Juist nu zagen de vijf continenten af van hun misdadigheid;

hoe kon men weten van zulke moordpartijen in die westelijke wildernis?

Ik schreef dit gedicht om die mirakels te noteren en na te laten aan mijn thuis;

nog steeds ervaar ik die moordlust die zomaar oprispt uit mijn dichterstas.

            .

仏郎王歌。仏郎王、王起何処大西洋。太白鍾精眼碧光、天付韜略鋳其腸。蚕食欧邏東拓疆、誓以崑崙為中央。国内游手收編行、兵無妻子武趪趪。縮梃為銃伸為槍、銃退鎗進互撞搪。所向無前血玄黃、独有鄂羅相頡頏。潛遣諜賊懷剣鋩、王覚故与之翱翔。能刺刺我不能亡、汝主何不旗鼓当。遣客親督陣堂堂、絨旗蔽天日無芒。五戦及国我武揚、鄂羅如魚泣釜湯。何料、大雪平地一丈強、王馬八千凍且僵。運路梗塞不可望、馬肉方寸日充糧。王曰天不右仏郎、我活吾衆降何妨。単騎降敵不敢戕、放之阿墨君臣慶。戊寅歳吾遊碕陽、遭逢蛮医聞其詳。自言在陣療金創、食馬免死今不忘。君不見、何国蔑有貪如狼、勇夫重閉貴預防。又不見、禍福如繩何可常、窮兵黷武每自殃。方今五洲休奪攘、何知殺運被西荒、作詩記異伝故郷、猶覚殺気逬奚囊。

In: Edo shijin senshū 江戸詩人選集 8, red. Iritani Sensuke 入谷仙介 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1990), p. 34-44. ‘De generaal-in-’t-zwerk’ is mijn wat omslachtige vertaling voor Taihaku 太白, de planeet Venus, die in Oost-Azië geassocieerd wordt met militaire zaken (zo wordt de godheid Taihakujin 太白神 voorgesteld als generaal, als manifestatie van Venus’ energie of essentie [sei 精]). Paul Rouzer koos voor de bewuste maar wel elegante misvertaling ‘Mars’, waarvoor veel te zeggen valt. De Kunlun (Jp. konron 崑崙) is een mythische berg in Chinese legenden, gelegen in het verre westen.

Het gedicht van Rai San’yō in Naporeon den 那波列翁伝 (1857), een bewerking van Het leven van Buonaparte (1801) door Joannes van der Linden (1756-1835). Collectie bibliotheek Waseda Universiteit.

Als etappe op een lange reis in 1818 door het eiland Kyushu bezocht de dichter en historicus Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) Nagasaki. Hij kwam daar aan op de 23e dag van de vijfde maand [26 juni] en verliet de stad weer precies drie (Japanse) maanden later, op de 23e van de achtste maand [23 september 1818]. Waarom San’yō naar Nagasaki trok is niet helemaal duidelijk, maar de stad was waarschijnlijk onder meer aantrekkelijk voor hem omdat er geletterde Chinezen woonden. Hij zou er ook daadwerkelijk bezoeken afleggen aan en gedichten uitwisselen met onder meer de arts Yáng Xītíng (Jp. Yō Seitei) 楊西亭 en de koopman en kalligraaf Lù Pĭnsān 陸品三 (Jp. Riku Hinsan). Nagasaki was zonder meer de meest internationale stad die vroegmodern Japan te bieden had, dankzij de Chinese en Nederlandse handelsposten daar maar ook doordat Chinese Zen-monniken zich er gevestigd hadden. Daarnaast was er een permanente stroom van Japanse bezoekers van elders uit het land. In 1817 telde de stad 1.654 reizigers, op een stadsbevolking van ongeveer dertigduizend. [Iwashita 1999, p. 70.]

Omdat San’yō zich in het handelsseizoen nog in Nagasaki bevond, maakt hij de aankomst van Nederlandse handelsschepen mee die vier maanden in de baai van Nagasaki voor anker zouden blijven liggen. Ook daarover zou hij een lang gedicht schrijven.

In Nagasaki ontmoette San’yō ook tenminste één Nederlander, aan wie we indirect het hier vertaalde gedicht over Napoleon Bonaparte (1769-1821) te danken hebben.

San’yō zelf beschrijft hoe de arts op de Nederlandse handelspost Dejima in de baai van Nagasaki hem vertelde over Napoleon, die op dat moment in ballingschap op St. Helena leefde. Die arts zal Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) geweest zijn. [Ibi 2024, p. 40.] Toen San’yō in Nagasaki aankwam, was Hagen net een week terug van zijn hofreis naar Edo.

In het verslag van de hofreis van 1818, van Nagasaki naar Edo (Tokyo) en weer terug, tussen 13 februari en 19 juni ondernomen door Jan Cock Blomhoff (1779-1853), opperhoofd van de Nederlandse factorij, scriba Hendrik Gerard Engelen en chirurgijn Gerrit Leendert Hagen, wordt Hagen vermeld als ‘Chirurgijn van de 3e Classe’; mogelijk daarom komt hij in secundaire literatuur nogal eens —abusievelijk, lijkt me— voor als ‘Claas Hagen’, c.q. Kurasse Hāhen クラッセ・ハーヘン). Aantekeningen op de Reize Na-en-Van -Jedo- in Japan. Digitale Collectie Universiteitsbibliotheek Leiden (BPL 3651).

Voor ‘Claas Hagen’, zie:

  • Iwashita 1999, p. 69.
  • François Lachaud, ‘Quand le Japon découvrait Napoléon: vies et images de l’Empereur de la fin du shogunat à Meiji’, in D’un Empire, l’autre: Premières rencontres entre la France et le Japon au XIXe siècle, red. François Lachaud en Martin Nogueira Ramos (Parijs: École française d’Extrême-Orient, 2021), p. 113-168.
  • Wolfgang Michel, ‘Trading-post chiefs, medical staff, other employees and slaves at the VOC trading-posts Hirado and Dejima’, database uit 1995 (laatste update oktober 2025).
Eerste pagina uit Aantekeningen op de Reize Na-en-Van -Jedo- in Japan (1818), met in de vierde regel vermelding van Gerrit Leendert Hagen (1797-1834). Digitale Collectie Universiteitsbibliotheken Leiden (BPL 3651).
Het Nederlandse gezantschap op audiëntie bij de shōgun in Edo Edo (orandajin hairei no zu 和蘭人拝礼図), in 1818 of 1822. Expliciet genoemd wordt het opperhoofd (kapitan) Jan Cock Blomhoff (1779-1853) ) かぴたんやんこっくぶろむほふ, die beide keren het gezantschap leidde. Hopelijk is het een afbeelding van het gezantschap van 1818, toen de 21-jarige Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) Cock Blomhoff op die hofreis vergezelde, en is hij dus een van de twee andere mannen op de afbeelding. (In 1822 was hij alweer vertrokken uit Japan en was  zijn plaats ingenomen door de arts Nicolaas Tullingh.) Veel maakt het niet uit, omdat alle drie als uit een sjabloon zijn weergegeven zonder werkelijk individuele kenmerken (op een variante afbeelding, waarop je de drie Nederlanders op kousenvoeten door het shogunaal kasteel ziet lopen, hebben zij zelfs volledig identieke gezichten). Collectie Tokyo National Museum. (Zie ook: Anne Sey, Deshima. Het dagelijks leven op de Nederlandse handelspost in Japan [Zutphen: Walburg Pers, 2025], p. 105.) Op een door Matsuda Kiyoshi in 2019 in Nederland ontdekte tekening door de hollandoloog Katsuragawa Hoken 桂川甫賢 (1797-1844) zien we de drie Nederlanders tijdens de hofreis van 1822 in hun vaste herberg in Edo in ontspannen gezelschap van Japanse hollandologen, de Nagasakiya. Daarin lijken de drie nog steeds nogal op elkaar maar is er in ieder geval nog de suggestie van individuele trekken — maar interessant genoeg zijn alle drie zonder snor of sik afgebeeld; als dat portretelement dan tenminste realistisch is, zou de afbeelding hier dan toch kunnen slaan op de hofreis van 1818? Matsuda Kiyoshi 松田清, ‘Katsuragawa Hoken hitsu Nagasakiya enkai no zu ni tsuite’ 桂川甫賢筆長崎屋宴会図について, Kanda Gaikokugo Daigaku Nihon kenkyū kiyō 神田外語大学日本研究所紀要 12 (2020), p. 234-170.

San’yō meldt dat Hagen een veteraan was van Napoleons Russische veldtocht en, geloof ik dan graag, intocht in Moskou in 1812. Hoe het gesprek tussen de twee verliep weten we niet. Ik neem aan dat er een tolk Nederlands (oranda tsūji オランダ通詞) bij aanwezig was, al was het maar omdat zulke interacties tussen Nederlanders en Japanse bezoekers op Dejima op last van de autoriteiten gemonitord moesten worden.

Het is allemaal speculatie, maar een mens gaat toch fantaseren over de levensloop van deze Hollandse arts. Met Napoleontische troepen —was hij, geboren in de Bataafse Republiek, aanhanger van Frans revolutionair gedachtengoed?— meegetrokken naar Rusland en daar de rampzalige terugtocht van 1812 moeten meemaken door een landschap waar de Russen een tactiek van verschroeide aarde hadden toegepast en het in oktober al verschrikkelijk was begonnen te sneeuwen, om dan in 1817 aan de andere kant van de wereld in het verre Japan terecht komen: het leest als een zeer avontuurlijk leven. 

[4 januari 2026] Utrechtenaar Gerrit Leendert Hagen (1797-1834)  was natuurlijk behoorlijk jong toen hij in 1817 op Dejima aankwam, nl. twintig. Zijn avontuur met het Napoleontische leger beleefde hij op zijn vijftiende. (Ik krijg flitsen in mijn geestesoog van een jonge Fabrice [Fabrizio] del Dongo in Stendhals La chartreuse de Parme [vert. Theo Kars: De kartuize van Parma]: Hagens fictieve leeftijdsgenoot —namelijk ook geboren in 1797— die op zijn achttiende alle moeite doet om met Napoleons troepen de slag bij Waterloo mee te kunnen maken). Je vraagt je af wat zijn medische kwalificaties waren: hooguit basale vaardigheden als chirurgijn (op zijn twintigste was hij tenslotte nog maar ‘chirurgijn 3e klasse’)? In december 1819 verlaat Hagen Dejima weer, [Matsuda 2020, p. 198-197.] na er ruim twee jaar te hebben doorgebracht. In 1824 is hij —misschien alweer jaren— terug in Nederland en trouwt dan in Utrecht met de 17-jarige Henrica Lammertze (ook: Lammertse, aka Hendrina Lammers, 1807-1856), met wie hij vier kinderen zal krijgen vóór hij daar op zijn 37e overlijdt.

Registratie in de stamboeken en pensioenregisters van het leger in Oost-Indië van Gerrit Leendert Hagen, als chirurgijn 3e klasse aangesteld op 24 oktober 1814 (als hij 17 is), dus twee jaar na zijn Napoleontische avontuur in Rusland. Na terugkeer uit Japan wordt hij in 1820, 23 jaar oud, bevorderd tot chirurgijn 2e klasse, bij de Huzaren. Nationaal Archief, Stamboeken Bronbeek (archief 2.10.50, inventaris­nr. 1), folio 111.
Berichtgevingen van het huwelijk en het overlijden van Gerrit Leendert Hagen (1797-1834) in de Opregte Haarlemsche Courant van respectievelijk 9 oktober 1824 (p. 2) en 11 november 1834 (p. 2).

Als arts (nu ja: als chirurgijn) kende Hagen —niet zo verwonderlijk— Japanse intellectuelen. Zo moet hij contact hebben gehad met Matsura Seizan 松浦静山 (1760-1841), de heer (daimyō) van het eiland Hirado, niet al te ver van Nagasaki, die naar hem verwijst in zijn Nachtelijke gesprekken (Kasshi yawa 甲子夜話, 1821). [Koga Jūjirō 古賀十二郎, Seiyō ijutsu denraishi 西洋医術伝来史 (Nisshin Sho’in, 1942), p. 365.] Sowieso is het een klein wonder dat Rai San’yō niet al eerder in Nagasaki dacht neer te strijken op zijn reis. In dat geval waren hij en Hagen elkaar mogelijk misgelopen en had San’yō nooit over Napoleon gehoord.

Een Napoleontische ruiter in besneeuwd Rusland in 1812. Het openingspanel van ‘Een paard in de winter’ (‘Un cheval en hiver’, 1970) door Jacques Tardi. In: Tardi, Het Gedrocht en de Guillotine (Amsterdam: Drukwerk, 1980), p. 3.

Pikant is natuurlijk dat de Nederlanders tot een jaar vóór de ontmoeting tussen San’yō en Hagen de Japanse overheid volledig in het duister hadden gelaten over Napoleons veroveringen in Europa. Hendrik Doeff (1777-1835), noodgedwongen langdurig ‘opperhoofd’ (directeur) van de Nederlandse handelspost op Dejima, hoorde in 1807 van de Franse bezetting van Nederland door Napoleontische troepen in 1806. Hij hield daarover zijn mond bij de jaarlijkse debriefing van de Nederlandse leiding door Japanse autoriteiten in Nagasaki voor hun informatiebulletin over de toestand in de wereld (de zogenaamde fūsetsugaki 風説書, let. ‘geruchtenrapportage’) bestemd voor de hoogste autoriteiten in Edo. Ook de Britse invasie en bezetting van Java in 1811, een direct gevolg van de inlijving van Nederland in het nieuwe Franse keizerrijk in 1810, zou Doeff nooit melden. Het uitblijven tussen 1809 en 1817 van Nederlandse schepen uit Batavia legde hij sluw uit als resultaat van Hollands ongenoegen over de handelsopstelling door Japan.

Kortom, in zijn gesprek met de Nederlandse arts in zomer 1818 leerde San’yō voor Japanners geheel nieuwe informatie over zeer recente, dramatische gebeurtenissen in Europa. Het lijkt er zelfs op dat San’yō’s gedicht de allereerst vermelding van Napoleon in een Japanse context is. [Iwashita 1999, p. 77.]

In een ongepubliceerde paper heeft Paul Rouzer erop gewezen dat San’yō mogelijk als literair model ‘de eerste keizer van China’ op het oog had: Qin Shihuang 秦始皇 (let. ‘Eerste keizer van de Qin’, 259?-210 v.Chr.), heerser van de Qin-dynastie die met grof geweld het toenmalige China voor het eerst in de geschiedenis onder één heerschappij wist te verenigen. In Europa is hij waarschijnlijk het meest bekend van het terracotta-leger dat zijn mausoleum bewaakt. De ambivalentie van San’yō’s gedicht die Napoleons hoogmoed afweegt tegen zijn moed op het slagveld doet denken aan de balanceeract van Chinese commentaren op Shihuang als enerzijds hoogmoedig (slecht, dus) en anderzijds noodzakelijk voor de vereniging van ‘China’. 

Het ’verslinden’ (zoals een zijderups de blaadjes van een moerbei opvreet; sanshoku 蚕食, regel 5) werd al in de Optekeningen van de hofhistoriograaf (Shiji 史記) geassocieerd met de machtshonger van Qin Shihuang die naburige staten opslokte. Zo verwijst regel 7 naar de door Napoleon ingevoerde nieuwe praktijk van dienstplicht, wat een echo kent in Qin’s afgedwongen corvée voor leger en publieke werken. Zoals aanslagen op Napoleon beraamd werden (althans volgens San’yō; die informatie lijkt niet historisch te zijn), zo kende het oude China verhalen over aanslagen op Qin Shi Huang.

Er zijn aanwijzingen dat zo’n tien jaar later jongemannen in Japan gefascineerd waren door San’yō’s gedicht. [Iwashita 1999, p. 77-79.] In een Japanse bewerking van een naar het Nederlands vertaalde levensschets van Napoleon, Naporeon den 那波列翁伝 (‘Een biografie van Napoleon’, 1857), is San’yō’s ‘Lied van de vorst van Frankrijk’ ter inleiding opgenomen. De arts en hollandoloog Koseki San’ei 小関三英 (1787-1839) had, vóórdat hij zelfmoord pleegde naar aanleiding van een politieke campagne gericht tegen wetenschappers en intellectuelen die zich met ‘Hollandse’ kennis bezighielden (de zgn. ‘aanklacht tegen de studenten van barbarenwetenschappen’ of bansha no goku 蛮社の獄 van 1839), Het leven van Buonaparte (1801) vertaald. Dat boek was weer een vertaling uit het Frans door de jurist Joannes van der Linden (1756-1835). 

Die biografie met daarin San’yō’s gedicht staat symbool voor een (bescheiden) interesse in de figuur van Napoleon in de laatste drie decennia van het shogunaal bewind in vroegmodern Japan (1600-1868). Zo schreef de hollandoloog Ōtsuki Bankei 大槻磐渓 (1801-1878) in 1841 twaalf ‘liederen’ (Jp. shi, Ch. ) over ‘de vorst van Frankrijk’. De vierde ervan is:

            [Een lied over de vorst van Frankrijk]

Zijn halve leven heerste zijn majesteit over heel het Westen;

in de geschiedenisboeken baadt hij voor eeuwig in zijn glorie.

Sinds zijn faam en roem hem brachten tot het keizerschap

is er niemand die hem minder acht dan de Grote Alexander.

[仏蘭王詞] 半生威武遍西洋、青史長留赫赫光。一自功名帰太帝、無人艷説歴山王。

Uno, Nihon no kanshi (2017), p. 574; Ibi, Edo kanshi sen 2 (2021), p. 320-322. Bankei 大槻磐渓 (1801-1878) was de tweede zoon van de befaamde Ōtsuki Gentaku 大槻玄沢 (1757-1827) en een leerling van Sugita Genpaku 杉田玄白 (1733-1817), ook al zo’n beroemde hollandoloog.

Waarschijnlijk is het ook die biografie geweest die aanleiding gaf tot een 32-regelig Sinitisch gedicht door hollandoloog en politiek activist Sakuma Shōzan 佐久間象山 (1811-1864), ‘Op een afbeelding van Napoleon’ (Naporeon zō ni dai-su 那波利翁ナポレオン). Dat begint zo —wel toepasselijk voor het moment—:

Welk land of tijdperk zou geen helden kennen?

Vanzelfsprekend dus dat ik Napoleon bewonder.

De laatste tijd sloot ik me op en las zijn levensschets;

opgeslokt besefte ik niet dat het jaar ten einde liep.

何国何代無英雄、平生欽慕波利翁。邇来杜門読遺伝、怱怱不知年歳窮。

In: Edo kanshisen 江戸漢詩選 4: Shishi 志士, red. Sakata Shin 坂田新 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1995), p. 127-133.

De rest is misschien iets voor een andere keer.

Ik gebruikte verder vooral:

  • Iwashita Tetsunori 岩下哲典, Edo no naporeon densetsu: seiyō eiyūden wa dō yomareta ka 江戸のナポレオン伝説:西洋英雄伝わどう読まれたか [‘Napoleon-legenden in vroegmodern Japan’] (Tokyo: Chūō Kōronsha, 1999).
  • Ibi Takashi 揖斐高, Rai San’yō: shikon to shigan 頼山陽:詩魂と史眼 [‘Rai San’yō: dichterlijke ziel en historisch oog’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2024).

De afbeelding toont (r) titelpagina en (l) frontispice van Naporeon den 那波列翁伝, deel 1 (‘Een biografie van Napoleon’, 1857), een postuum uitgegeven bewerking door de arts en hollandoloog Koseki San’ei 小関三英 (1787-1839) van Het leven van Buonaparte (1801) dat Joannes van der Linden (1756-1835) uit het Frans vertaalde. Collectie bibliotheek Waseda Universiteit.

Categorieën
poëzie

iets ingewikkelds

            Boeken lezen op een winteravond

Sneeuw omarmt het huis en bomen werpen diepe schaduwen;

de windgong hangt bewegingloos, de avond wordt stiller, stiller.

Rustig ruim ik de boekenzooi op en denk aan iets ingewikkelds;

in een blauwe vlam als een enkele rijstaar het hart van de Ouden.

冬夜読書。雪擁山堂樹影深、憺鈴不動夜沈沈。閑収乱帙思疑義、一穂青灯万古心。

In Kōyō sekiyō sonja shi (kōhen) 黄葉夕陽村舎詩 後編 (‘Gedichten uit Huize Herfstblad in de Avondzon’, derde deel, 1823). [SNKBT 66, p. 103.] Het ‘huis’ is een ‘huis in de bergen’ (sandō 山堂), wat de suggestie van een retraite versterkt; dat aspect vertaal ik nu niet. Ik zocht iets beter lopends dan ‘rondslingerende boeken’ voor ranchitsu 乱帙, maar deze oplossing is misschien weer net te vlot voor Chazan. De langgerekte blauwe vlam is die van de lamp, waarbij de boeken gelezen worden.

In de roman Een schip bouwen (Fune o amu 舟を編む, 2016) uit 2011 van Miura Shion 三浦しをん (1976) figureert dit kwatrijn van Kan Chazan 菅茶山 (var. Sazan, 1748-1827) in —geloof het of niet— een liefdesbrief. 

Sowieso wordt in die roman nogal eens verwezen naar Chazan’s Sinitische poëzie. Uiteraard door nerdy jongemannen.

Kan Chazan was een groot kenner van antiek Chinees gedachten- en cultuurgoed (een zogenaamde jugakusha 儒学者, een ‘confucianistische geleerde’, zeggen we dan meestal), Rond 1781 opende hij in zijn geboorteplaats Kannabe 神辺, het tegenwoordige Fukuyama in de prefectuur Hiroshima, een academie, waar Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) nog een tijd als door hem als hoofddocent, c.q. academiedirecteur (tokō 都講), in dienst werd genomen.

Het leukst aan dit kwatrijn uit 1811 is wat mij betreft het feitelijke onderwerp ervan: ‘iets ingewikkelds’. Het Japans (of het literair Sinitisch, zo je wil) heeft gigi (Ch. yíyì 疑義), letterlijk iets als ‘een betekenis waarover getwijfeld wordt’ — een woord dat in Mandarijn en modern Japans vaak begrepen wordt als ‘twijfel’. In de context van Chazan’s gedicht gaat het over de interpretatie van wat er in die rondslingerende boeken staat: teksten over Wijzen (zgn. seiken 聖賢) uit een ver verleden (banko 万古).

Maar je mag dit natuurlijk ook op iets algemeners betrekken: al die dingen waarvan je niet zeker weet wat je ermee moet.

De afbeelding toont Kan Chazan’s kwatrijn zoals dat figureert in de anime-serie Een schip bouwen (Fune o amu 舟を編む, 2016) naar de gelijknamige roman van Miura Shion 三浦しをん (1976) uit 2011.

Categorieën
poëzie

avonduitzicht

            Vier gedichten over ‘de hut van diepe slaap bij een verborgen vijver’, nummer één: ‘Avonduitzicht’

Wolken keren terug naar bergen, vogels keren terug naar hun nest;

dit landschap verdient het om het volledig naar waarde te schatten.

Faam en fortuin voeren de mensen dronken, veel meer nog dan de sake;

in dit mensenleven besefte ik niet eerder hoe de avondzon ten onder gaat.

隠池打睡庵四首 其一 晩眺。雲帰山牟鳥帰棲、風景悉皆堪品題。名利酔人濃於酒、百年不覚夕陽低。

Unno, Nihon no kanshi (2017), p. 146. ‘De hut van diepe slaap bij een verborgen vijver’ (In no ike dasui’an 隠池打睡庵) was de naam van de kluizenaarshut die Dokuan had in Chikuzen (huidige prefectuur Fukuoka) in het noorden van het eiland Kyushu. ‘Mensenleven’ vertaalt hyakunen 百年 (let. ‘honderd jaar’), een wat hyperbolische manier om de ideale levensduur aan te duiden.

Een kwatrijn van Dokuan Genkō 独庵玄光 (1603-1698), een Zen-monnik van de Sōtō-school. Dokuan ging acht jaar lang (1650-1658) in Nagasaki in de leer bij de Chinese Zen-monnik Daozhe Chaoyuan 道者超元 (Jp. Dōsha Chōgen, 1602-1662). 

De foto toont een late zon en wolken boven Genève, 3 september 2025.