Auteur: penseelvanwind

  • warenhuis

    warenhuis

                Geschreven naar aanleiding van de Shirokiya-catalogus

    Kooplui verbergen hun schatten niet langer uit het zicht,

    maar als klatergoud stallen zij hun honderd waren uit.

    Rijk brokaat, zo schitterend, vormt hoge stapels;

    de hele hoofdstad parkeert haar rijtuigen hier.

    Daarbij verkopen ze ook nog schilderijen,

    vol rood en groen dat licht uitstraalt.

    Hun makers zijn allen zeer getalenteerd,

    hun roem wordt wijd en zijd verkondigd.

    Op elk canvas iets dat de wereld zeldzaam vindt;

    waarom dat dan vermengen met het aardse slijk?

    Ontroerd moet ik zuchten maar ook lachen:

    ik lach om mezelf, want ben niet meer van deze tijd.

    Rijkdom en aanzien is wat de wereld wenst,

    geen mens die moeite met misleiding heeft.

    Heb je geld, dan kun je in status zwelgen;

    zonder centen is juist minachting je deel.

    Zijn het alleen de schilders die we berispen moeten

    omdat zij zich niet hielden aan honger op de Westerberg?

    Vermenging met het vulgaire is niet wat ik betreur,

    maar nobel streven: hol dat nou toch niet uit!

    Een essentiële geest vloeit van het schildersdoek:

    bevuil die nou niet met gesjacher van de markt!

                .

    「白木画帖」題辞。大賈不深蔵、衒耀列百貨。錦繍粲成堆、傾都此息駕。乃復粥画図、丹青光相射。作者皆良工、声誉遠迩播。紙紙世所珍、何意混塵堁。感之嗟又嗤、嗤我与時左。富貴挙世求、無人忌巧詐。有銭擅顕栄、無銭遇嫚罵。豈独責画師、不守西山餓。混俗非所嫌、志尚莫磨挫。元気溢素縑、不受市井涴。

    De Shirokiya was een warenhuis met een galerie (zie onder). ‘Catalogus’ is in deze context mijn vertaling voor gachō 画帖, een album waarin (reproducties van) tekeningen of schilderingen bijeengebracht zijn. Na de val van het Chinese Shang-rijk in ca. 1046 v.Chr. trokken Boyi 伯夷 and Shuqi 叔齊 zich terug op de Westerberg en weigerden uit trouw aan hun oude idealen het graan van de nieuwe Zhou-dynastie te eten.

    Op 30 januari jl. promoveerde Jurriaan van der Meer in Leiden terecht cum laude op zijn proefschrift ‘Tracing Shumi: Politics and Aesthetics in Modern Japanese Literary Discourse and Fiction’. Het is een prachtige analyse van dat kwikzilverachtige begrip ‘smaak’ (shumi 趣味) zoals dat rond 1900 gebruikt werd om artistieke inhoud te geven aan het moderniseringsproces. Het derde hoofdstuk is een magistrale studie van de relatie tussen de schrijver Mori Ōgai 森鴎外 (1862-1922) en het warenhuis Mitsukoshi. Ōgai schreef enkele korte verhalen voor het tijdschrift dat het warenhuis uitgaf en waarin reclame voor eigentijdse producten gekoppeld werd aan statusverhogend literair talent. Warenhuizen in westerse stijl waren rond de eeuwwisseling een nieuw fenomeen, waar de koopwaar op zicht lag. Daarvóór, in de winkels van vroegmodern Japan, moest je de winkelier nog vertellen wat voor product je wilde, waarna die zelf uit de opslag (‘uit het zicht’) een selectie van waren haalde waaruit je dan kon kiezen. Om hun rol als paleizen waar moderniteit concrete vorm kreeg te onderstrepen, organiseerden de warenhuizen —zoals ze dat nog steeds doen— ook tentoonstellingen in een kunstgalerie die zij ook in huis hadden.

    Ōgai’s verhalen voor het tijdschrift Mitsukoshi tonen een wat ambigue houding ten opzichte van ‘smaak’ zoals het warenhuis die graag voor zich zag: niet meteen afwijzend maar ook niet blind voor de misschien wat dubieuze kanten ervan. Ōgai schreef zijn hele leven naast verhalen en romans ook Sinitische poëzie. In juni 1918 schreef hij dit gedicht naar aanleiding van een tentoonstelling van schilderijen in westerse stijl van Koito Gentarō 小絲源太郎 (1887-1978). Die tentoonstelling vond plaats in de galerie van een concurrent van de Mitsukoshi, het warenhuis Shirokiya 白木屋. Net als de Mitsukoshi, die zich in de wijk Nihonbashi aan de overkant van de straat bevond, had de Shirokiya wortels in een grote winkel in vroegmodern Japan (samen met Daimaru golden deze als de drie grote warenwinkels van vroegmodern Japan). De catalogus uit de titel van het gedicht is de catalogus van de tentoonstelling.

    Grappig is dat Ōgai zich in dit gedicht toont als een oude zeur die de vercommercialisering van kunst alleen maar verafschuwt. Van der Meers proefschrift laat mooi zien dat hij dus ook een andere kant kende.

    Een uitgebreide analyse en Engelse vertaling van Ōgai’s gedicht is te vinden in:

    • John Timothy Wixted, ‘Mori Ōgai, “The Grouch”: A Kanshi (Sino-Japanese Poem) about Paintings for Sale in a Modern Department Store’, Asiatische Studien / Études Asiatiques 71: 2 (2017), p. 627-634.

    Voor meer over Mori Ōgai en warenhuizen, lees:

    • Jurriaan van der Meer, ‘A Sign of Good Taste: Mori Ōgai, Mitsukoshi and the Concept of Shumi’, Humanities 11: 6, no. 131 (2022).

    De foto door Ogawa Kazumasa 小川一真 (1860-1929), in zijn Blikken op Tokyo (Tōkyō fūkei 東京風景) uit 1911, toont de begane grond van de Nihonbashi-vestiging van het warenhuis Shirokiya. Collectie National Diet Library, Tokyo.

  • van honderd dichters één gedicht [7]

    van honderd dichters één gedicht [7]

    [061]   Ise no Tayū 伊勢大輔 (actief begin elfde eeuw):

    een fraai vroeger

                kent de hoofdstad Nara waar

                            achtlagige kersen

    vandaag wel negenlagig

                schitteren aan dit hof

    inishie no / nara no miyako no / yaezakura / kyō kokonoe ni / nioinuru kana

    Zoals al eens eerder gemeld, is ‘kokonoe’ 九重 een ‘spilwoord’ (kakekotoba: een woord met dubbele betekenis) dat zowel ‘negenlagig’ of ‘veellagig’ betekent (bijvoorbeeld van kleding of een bloem) als een ander woord is voor ‘paleis’. Ise no Tayū schreef dit gedicht toen haar opgedragen werd namens haar vorstin een bedankje te schrijven voor een geschenk van kersenbloesems uit Nara 奈良 (destijds meer officieel: Heijō-kyō 平城京), een stad die in de achtste eeuw de hoofdstad was geweest. Murasaki Shikibu (gedicht no. 57), in dienst bij dezelfde vorstin, had zich aan deze opdracht onttrokken zodat Ise no Tayū, die nog niet zo lang aan het hof diende, de klus moest klaren.

    [062]   Sei Shōnagon 清少納言 (ca. 966-ca. 1017):

    diep in de nacht pas

                en de haan zijn vals gekraai

                            klinkt bedrieglijk echt

    toch zal op de Ontmoetingsheuvel heus

                de wachtpost jou niet langs laten

    yo o komete / tori no sorane wa / hakaru tomo / yo ni ausaka no / seki wa yurusaji

    Sei Shōnagon was de achterkleindochter van Kiyowara no Fukayabu (gedicht no. 36) en de dochter van Kiyowara no Motosuke (no. 42). Zij is ook de auteur van het wonderlijke en betoverende Hoofdkussenboek (Makura no sōshi 枕草子; kopen en lezen, alstublieft). Daarin lezen we de context voor dit gedicht, in sectie 129 (of, afhankelijk van de manuscriptversie, 130):

    Yukinari, de secretaris-opzichter, kwam ooit naar de kantoren van Harer Majesteits Huishouden en bleef met ons praten tot diep in de nacht.

                ‘Tegen het uur van de Os [tussen twee en vier uur ’s nachts] moet ik terug naar Zijne Majesteit,’ zei hij toen hij vertrok, ‘want morgen is het een dag van Keizerlijke Onthouding.’

                De dag nadien stuurde hij ons een bericht op diverse vellen officieel papier uit het bureau van de kamerheren. Het was erg uitvoerig en boog [sic; =bood, ?] een schitterende aanblik.

                ‘Ik kan onze ontmoeting van gisteravond maar niet van me afzetten,’ schreef hij. ‘Ik had wel tot het ochtendgloren met jullie willen praten, maar het kraaien van de haan heeft me verjaagd.’

                Bij wijze van antwoord schreef ik hem: ‘Die haan van u, in het midden van de nacht, was dat soms de haan van heer Menchang?’

                ‘Volgens de legende opende Menchangs haan de barrière van de Han-vallei, zodat zijn drieduizend aanhangers op het nippertje konden ontsnappen, maar in mijn geval ging het om de barrière van Ausaka[‘Ontmoetingsheuvel’],’ luidde Yukinari’s repliek.

                Daarop zond ik hem dit vers:

                Neem anderen maar in het ootje

                met vals gekraai

                in het holst van de nacht –

                de wachtpost van Ausaka

                kun je niet innemen.

    ‘Want die wordt streng bewaakt!’

    Sei Shōnagon, Het hoofdkussenboek, vert. Jos Vos (Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2018), p. 181-182. Vos vertaalt het gedicht wat anders dan ik. Toen in het antieke China heer Menchang met zijn gezelschap midden in de nacht wilde vluchten uit het rijk van de Qin imiteerde iemand een haan, zodat de grenswachters dachten dat het al ochtend was en de grenspoorten openden. Het is Jos Vos die met de briljante oplossing ‘vals gekraai’ kwam voor sorane 空音 (‘imitatie-geluid’). In deze context geeft die vertaling een mooie ‘steek-onder-water’-associatie; ik leen dat hier graag van hem. Van zichzelf vond Sei Shōnagon, beweerde ze tenminste, dat zij geen goede dichter was. Toch is dit gedicht heel ad rem; daarom nam ze het ook op in naar boek, natuurlijk. Het traject van gevatte reacties: Sei: die van jou was een nep-haan > Yukinari: nee, geen oude Chinezen maar Japanse geliefden! > Sei: die wannabe-minnaar kan het wel vergeten.

    [063]   Directeur voor het Linker Stadsdeel Michimasa 左京大夫道雅 (992-1054):

    nu slechts nog dit:

    ik zal je moeten opgeven

                dat bericht, meer niet,

    niet via een ander maar zelf

                wil ik je kunnen zeggen

    ima wa tada / omoitaenamu / to bakari o / hito-zute narade / iu yoshi mogana

    Fujiwara no Michimasa 藤原道雅 was de kleinzoon van Takashina no Kishi 高階貴子 (var. Takako; gedicht no. 54). Michimasa zou dit geschreven hebben toen het hof hem verbood nog langer de Hogepriesteres van de Ise-schrijn te zien, met wie hij een niet toegestane verhouding had.

    [064]   Boventallig Middelste Raadsheer Sadayori 権中納言定頼 (995-1045):

    bleek breekt de dag aan

    de riviermist boven de Uji

                dunt in flarden uit

    en langzaam openbaren zich

                de visnetstaken op het wad

    asaborake / uji no kawagiri / taedae ni / araware-wataru / seze no ajirogi

    Fujiwara no Sadayori 藤原定頼 was een zoon van Kintō (gedicht no. 55). Zijn gedicht is geschreven in de winter.

    [065]   Sagami 相模 (ca. 999-na 1051):

    bitter-verdrietig

    niet meer te drogen mouwen

                heb ik aan en toch

    zal het mijn door liefde verrotte

                reputatie zijn waarvan ik spijt krijg

    urami-wabi / hosanu sode ni / aru mono o / koi ni kuchinamu / na koso oshikere

    Ik schreef het al vaker: in de hoofse poëzie zijn mouwen altijd nat van tranen.

    [066]   De Voormalig Aartsbisschop Gyōson 前大僧正行尊 (1055-1135):

    dat wij aan elkaar

                maar vol warmte blijven denken

                            jij bergkersbloesem

    buiten jouw bloesems is er

                niemand die weet hoe ik me voel

    morotomo ni / aware to omoe / yamazakura / hana yori hoka ni / shiru hito mo nashi

    [067]   De Suō Kamenierster 周防内侍 (actief rond 1100):

    in een lentenacht

                gedroomd, zo kortstondig lag

                            mijn hoofd op jouw mouw

    dat dat arm aan zin zal blijken

                voor mijn reputatie berouw ik

    haru no yo no / yume bakari naru / tamakura ni / kai naku tatamu / na koso oshikere

    Woordspel: tamakura (‘iemands mouw als kussen’) wordt gekoppeld aan het ‘spilwoord’ (kakekotoba: een woord met dubbele betekenis) kaina (‘een arm’)/kai naku (‘zinloos’; hier wat flauw vertaald als ‘arm aan zin’). Iets als ‘op jouw mouw mijn / arm aan zin zal blijken / voor mijn reputatie’ komt misschien meer in de buurt van de schakel-ervaring van het origineel, maar doet voor mijn gevoel in het Nederlands wel heel geforceerd aan.

    [068]   De Teruggetreden Vorst Sanjō 三条院 (976-1017):

    een diepe intentie

                is het niet maar mocht in dit tranendal

                            ik langer verwijlen

    dan zal ik liefdevol terugdenken

                aan de maan in deze nacht

    kokoro ni mo / arade ukiyo ni / nagaraeba / koishikarubeki / yowa no tsuki kana

    Gedicht toen hij ziek was en besloot troonsafstand te doen.

    [069]   De priester Nōin 能因法師 (988-?):

    een storm raast

                over de berg Mimuro

                            waar herfstbladeren

    op de Tatsuta-rivier

                een brokaten weefwerk vormen

    arashi fuku / mimuro no yama no / momijiba wa / tatsutagawa no / nishiki narikeri

    Net als de berg de Mimuro was de rivier de Tatsuta (zie no. 17), die langs de voet ervan stroomt, een plek die beroemd was om de herfstkleuren daar.

    [070]   De priester Ryōzen 良選法師 (actief 1036-1068):

    uit eenzaamheid

                ga ik mijn hut uit naar buiten

                            en staar de verte in:

    overal is het dezelfde

                avondschemer in de herfst

    sabishisa ni / yado o tachi-idete / nagamureba / izuku mo onaji / aki no yūgure

    Nummers 61 t/m 70 van Van honderd dichters één gedicht (Hyakunin isshu 百人一首).

    Over de fotos: De alleroudste volledige vertaling naar een Europese taal van Van honderd dichters één gedicht is die van de Britse advocaat (én voormalig scheepsarts) Frederick Victor Dickens (1838-1915), die in 1866 zijn Hyak Nin Is’Shiu, or, Stanzas by a Century of Poets, Being Japanese Lyrical Odes uitbracht. Typerend voor zijn tijd is dat hij ervoor koos om de waka in voor westerlingen herkenbare en altijd rijmende dichtvormen te gieten. De afbeelding toont (links) de uitbundige omslag van Dickins’ vertaling en (rechtsboven) zijn vertaling in de vorm van een kwatrijn met a-b-a-b-rijmschema van gedicht no. 69 van Nōin. Leuk vind ik dat Dickins kiest voor een a-a-kreupelrijm voor gevorderden: hij laat het Engelse ‘lustily’ rijmen op het Japanse ‘momiji’ (‘herfstbladeren’). Dit is het exemplaar in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Leiden (cat.no. 863 F 7), dat heeft toebehoord aan ’s werelds eerste hoogleraar Japans, Johann Joseph Hoffmann (1805-1878). Uit het etiket (rechtsonder) van een Leidse boekhandelaar blijkt dat je een boek ‘op zicht’ kon hebben voordat je besloot het al dan niet te kopen. In 1868, dus binnen twee jaar na verschijnen, was de vraagprijs ƒ 6,85 (volgens IISG met een koopkracht van € 69,29 vandaag de dag). Met Hollandse zure zuinigheid noteerde de Duitser Hoffmann ernaast dat hij het boek een jaar later bij de Leidse uitgever en boekhandelaar Brill voor de helft van de prijs (ƒ 3,25 = € 35) had kunnen kopen. Desondanks ben ik blij dat hij het hoe dan ook aanschafte.

  • vuurrood

    vuurrood

    De eerwaarde Ten’in kwam langs; ik bood hem een kom sake aan, en we hadden een heel interessant gesprek. Over een gedicht van Kokan, ‘In de wierrookbrander een dieprood smeulend vuur’:

                Bij het ochtendlicht — — (‘eer ik de Boeddha’? Hier kon hij zich twee karakters niet meer herinneren) bezoek ik de Volmaakt Verlichte;

                Heel vreemd is dat in de wierrookbrander een vuur dieprood smeult.

                Het lijkt me dat toen jonge acolieten voorbereidingen getroffen hadden

                zij mogelijk één enkel blad vallen lieten uit een vaas met esdoorns.

    zei hij: ‘Dit gedicht is uitzonderlijk goed. Wat Kokan’s [poëzie] aangaat: zelfs een monnik die driehonderd jaar geleden uit China hierheen kwam had zoiets niet gekund.’

    天隠和尚入来、勧一盞、清談尤有興、
     一虎関詩 香炉中有火紅 
      凌晨— —礼仏歟、二字忘却之由被示詣円通、恠底炉中宿火紅。将謂童行装點了。何知一葉落瓶楓
       此詩絶妙、惣而虎関三百年来唐僧猶以如此之人不可有之云々

    Sanetaka-kō ki 実隆公記, achttiende dag van de twaalfde maand van het vijfde jaar van de Meiō 明応-periode (21 januari 1497).

    Op 21 januari 1497 had de machtige hoveling en waka-dichter Sanjōnishi Sanetaka 三条西実隆 (1455-1537) de Zen-monnik Ten’in Ryūtaku 天隠龍澤 (1422-1500) op bezoek. Met wat drank bij de hand spraken ze over poëzie, waarbij de bejaarde monnik uit zijn hoofd een ruim anderhalve eeuw oud Sinitisch gedicht citeerde van de toen al Heel Erg Dode Zen-monnik Kokan Shiren 虎關師錬 (1278-1346).

    In Kokan Shiren’s verzamelbundel Saihokushū staat het gedicht een beetje anders dan Ryūtaku zich herinnerde:

                Gefascineerd

    Bij het ochtendlicht bezoek ik de tempelhal en eer de Volmaakt Verlichte;

    bevreemd zie ik in de wierrookbrander een vuur dieprood smeulen.

    Wat ik denk is dit: toen jonge acolieten voorbereidingen troffen

    lieten zij mogelijk één enkel blad vallen uit een vaas vol esdoorns.

    漫興。凌晨詣殿礼円通。怪見香炉宿火紅。謂是童行装著早。何知一葉墜瓶楓。

    Gozan bungaku zenshū deel 1, red. Kamimura Kankō (Kyoto: Shibunkaku, 1973), p. 105.

    De oude monnik noemt Shiren’s gedicht ‘uitzonderlijk goed’ (zetsumyō 絶妙). Hij lijkt vooral gegrepen te zijn door het beeld van het dieprood van een ‘verborgen’ of smeulend vuur (shukuka of shukka 宿火) dat zich in de wierrookbrander ophoudt. En dan blijkt alles gezichtsbedrog. Geen vuur maar een vuurrode esdoorn (kaede ).

    De foto toont een esdoorn in een Leidse tuin, herfst 2015.

  • getrouwd met de kunst

    getrouwd met de kunst

                trouwen

                .

    toen de poëzie me zag

    bleef ze maar roepen ‘trouw me trouw me’

    achteraf gezien wilde ik destijds

    zo ontzettend graag trouwen

    anders gezegd

    wanneer je door de regen doorweekt raakt

    wanneer je door de wind omver bent geblazen

    wanneer je dood wil — zo zijn er in deze wereld heel veel situaties

    wanneer ik me in zo’n situatie bevond

    kon ik dat ‘trouwen’ maar niet vergeten

    altijd liep de poëzie me dartel

    werkelijk overal waar ik was achterna

    en riep ‘trouw me trouw me’

    uiteindelijk ben ik dan maar getrouwd

    de poëzie roept nu helemaal niks meer

    tegenwoordig is er iets anders dan de poëzie

    af en toe schraapt het wat van mijn hart af

    om dan achter de ladekast te hurken en

    ‘geld!

    geld!’, te jammeren

                .

     結婚
                
    .
    詩は僕を見ると
    結婚結婚と鳴きつづけた
    おもうにその頃の僕ときたら
    はなはだしく結婚したくなっていた
    言わば
    雨に濡れた場合
    風に吹かれた場合
    死にたくなった場合などとこの世にいろいろの場合があったにしても
    そこに自分がいる場合には
    結婚のことを忘れることが出来なかった
    詩はいつもはつらつと
    僕のいる所至る所につきまとって来て
    結婚結婚と鳴いていた
    僕はとうとう結婚してしまったが
    詩はとんと鳴かなくなった
    いまでは詩とはちがった物がいて
    時々僕の胸をかきむしっては
    箪笥の陰にしゃがんだりして
    おかねが
    おかねがと泣き出すんだ

    Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (red. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 87-89.

    Dit is een van de iets bekendere gedichten van Yamanokuchi Baku 山之口獏 (1903-1963). De folk-zanger Takada Wataru 高田渡 (1949-2005) heeft Yamanokuchi’s gedicht ‘trouwen’ in 1973 op muziek gezet, waarbij hij Yamanokuchi’s ‘poëzie’ (shi ) consequent zingt als ‘lied’ (uta ).

    Ik kwam een goede 45 jaar oude Nederlandse vertaling van dit gedicht tegen, door Wouter Noordewier (1935-2016). Ik ken deze vertaler niet, al doen er enkele merkwaardige verhalen over hem de ronde. Spaans leek hij wel te kennen, maar Japans zeker niet. In 1978 kwam van zijn hand een bundel vertalingen van klassieke Japanse poëzie uit, Loop niet over deze sneeuw!. Deze gedichten vertaalde Noordewier vanuit bestaande vertalingen in (naar ik aanneem) Europese talen. Curieus genoeg sluit de bundel af met drie gedichten die je met de beste wil van de wereld geen klassieke Japanse poëzie kan noemen, omdat ze voorbeelden zijn van vrij vers (een aan het einde van de negentiende eeuw geïmporteerde dichtvorm in Japan) uit de twintigste eeuw. Het allerlaatste gedicht in Loop niet over deze sneeuw! is dit gedicht van Yamanokuchi:

    YAMANOKUCHI BAKU     1903

                .

    Wordt als anarchist beschouwd.

                .

    Toen de poëzie me zag

    Riep ze uit: ‘Laten we trouwen!’

    Erover nadenkend erkende ik

    mijn ongeduld te trouwen.

    Kijk

                .

    Er bestaan verschillende graden van zijn:

    Nàt zijn van de regen,

    Omgegooid worden door de wind,

    Dood willen gaan.

    In ieder geval, in mijn toestand

    Liet het idee van het huwelijk me niet los.

                .

    De poëzie, vol energie,

    Volgde me overal waar ik ging;

    Al schreeuwend: ‘Laten we trouwen, laten we trouwen’.

    Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie

    Krabt af en toe aan mijn hart

    Of verschuilt zich achter mijn bureau

    En begint te schreeuwen: ‘Geld! Geld!’

    Wouter Noordewier, Loop niet over deze sneeuw! Keur van Japanse klassieke poëzie (Amsterdam: Bert Bakker, 1978), p. 86.

    Ik gok erop dat Noordewier zijn versie baseerde op een Engelse vertaling van Yamanokuchi’s gedicht dat in mei 1956 verscheen in een Japans themanummer van het tijdschrift Poetry: A Magazine of Verse, een uitgave van The Modern Poetry Association die al sinds 1912 bestaat. Die Engelse vertaling was er vroeg bij, want Yamanokuchi nam dit gedicht pas twee jaar later op in een bundel van hem. De Japanse dichter en vertaler Satō Satoru 佐藤覚 (1923-?) moet het origineel tegen zijn gekomen in een tijdschrift. Diens vertaling in Poetry luidt:

    MARRIAGE

                .

    Whenever poetry saw me

    It cried out, “Marriage, marriage.”

    Thinking back, I see that I was

    Most eager to marry.

    In other words,

    There are various states in this world:

    The state of getting soaked in the rain,

    The state of being blown by the wind,

    Or the state of wishing to die; however,

    In my state

    I could not put marriage out of my mind.

    Poetry, full of vigor,

    Stuck to me wherever I went,

    Crying, “Marriage, marriage.”

    Finally I married. Poetry

    Stopped crying words altogether.

    Now something other than poetry

    Scratches at my heart from time to time

    Or crouches behind the bureau,

    Starting to cry, “Money, money.”

    Vertaling Satoru Sato, in: Poetry: A Magazine of Verse 88: 2 (mei 1956), p. 67.

    Niet alleen laat Noordewier de titel van het gedicht en twee hele regels weg en suggereert hij coupletten die zijn bron niet heeft, maar hij vertaalt een cruciale ontkenning niet. ‘Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie / Krabt af en toe aan mijn hart / Of verschuilt zich achter mijnbureau’ schrijft Noordewier, waar het Engels heeft: ‘Now something other than poetry / Scratches at my heart from time to time / Or crouches behind the bureau.’ Dat laatste spoort met het origineel van Yamanokuchi. Dus niet ‘de poëzie’, maar ‘iets anders dan de poëzie’.

    Twee keer het gedicht ‘trouwen’ van Yamanokuchi Baku. Links: vertaald door Satoru Sato (1956). Rechts: vertaald door Wouter Noordewier (1978).

    Je kunt natuurlijk volstaan met de vaststelling dag Noordewier slordig vertaalde. Niettemin viel ik in eerste instantie juist voor iets dat je achteraf misschien een creatieve vergissing mag noemen. Noordewiers versie roept bij mij het beeld op van een verzuurd huwelijk tussen de dichter en de poëzie, van een relatie tussen kunst en kunstenaar die geplaagd wordt doordat zijn kunst de commerciële kant op wil. De poëzie verwerd tot een partner die wil dat er centjes verdiend worden en geen romantische gevoelens meer oproept.

    Dat is niet, of niet helemaal, wat Yamanokuchi schrijft. In de relatie van de dichter wordt de plaats van de poëzie ingenomen door iets anders. Een vraag is wie de dichter hier nu trouwt.

    Eind 1937 trouwde Yamanokuchi met Yasuda Shizue 安田静江 (1905-1995), die hij pas twee maanden eerder had leren kennen via de dichter Kaneko Mitsuharu 金子光晴 (1895-1975) en diens vrouw, de schrijfster Mori Michiyo 森三千代 (1901-1977). Dat wijst er inderdaad wel op dat hij ‘destijds / zo ontzettend graag trouwen’ wilde. Biografische schetsen van Yamanokuchi koppelen dat gearrangeerde huwelijk aan een gedicht dat Yamanokuchi in 1936 publiceerde:

                huwelijksadvertentie

                .

    ik wil zo snel mogelijk trouwen

    als ik nou maar trouw

    dan zal ik dubbel-intensief willen leven

    zo zal ik een boeiende man zijn, dat geloof ik

    een boeiende man met een boeiend leven

    iemand die mij als echtgenoot zou willen hebben

    is er ergens zo’n vrouw die met mij romantisch wil wezen?

    kom dan alsjeblieft meteen, jij vrouw

    als een onzichtbare wind die zichtbaar wordt

    weet ik niet welke vrouw jij zijn zal

    maar op jou

    wacht ik vol ongeduld

                .

     求婚の広告
                
    .
    一日もはやく私は結婚したいのです
    結婚さえすれば
    私は人一倍生きていたくなるでしょう
    かように私は面白い男であるとう私はおもうのです
    面白い男と面白く暮したくなって
    私をおっとにしたくなって
    せんちめんたるになっている女はそこらにいませんか
    さっさと来て呉れませんか女よ
    見えもしない風を見ているかのように
    どの女があなたであるかは知らないが
    あなたを
    私は待ち侘びているのです

    Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (ed. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 72-73.

    Yamanokuchi is vaak ‘een dichter van het lompenproletariaat’ (runpen no shijin ルンペン詩人) genoemd, vanwege zijn gebalanceer op de rand van de bestaanszekerheid. Kort na zijn huwelijk verloor Yamanokuchi zijn toch al slecht betaalde baan als colporteur van medicijnen. Shizue, dochter van een schoolhoofd, ging een leven van bittere armoe tegemoet. Dat lezers de ‘poëzie’ in Yamanokuchi’s gedicht interpreteerden als Shizue die haar partner aan het hoofd zeurt en hem daarmee van zijn roeping afhoudt is dan misschien niet zo verwonderlijk, maar het is maar de vraag of dat terecht is.

    Waarom wilde de dichter zo graag trouwen? Hij trouwde een idee, zo lijkt het, niet een individu. Moest zijn vrouw een muze worden? Dan nog was het niet de muze maar de poëzie zelf die veranderde. Of is het toch: de poëzie kreeg gestalte in de muze die op haar beurt weer veranderde in een echt mens van vlees en bloed dat zich afvroeg hoe ze het gezin (er was in 1944 een dochter geboren) in leven gingen houden?

    [Een voetnoot] Ik heb even zitten vlassen op wie nu het onderwerp is van dat ‘roepen’ (Jp. naku 鳴く) in de tweede regel. Het Japans doet vrij weinig aan het expliciteren van grammaticale onderwerpen. Je zou de regel op zich dus ook kunnen vertalen als: ‘bleef ik maar roepen “trouw me trouw me”’. Daarmee verandert de dynamiek van het gedicht nogal, maar in het licht van de twee daaropvolgende regels is het niet onmogelijk. Toch kies ook ik ervoor ‘de poëzie’ als het niet genoemde grammaticale onderwerp te zien. Dat is dan vanwege de dertiende en de vijftiende regel: het ligt heel erg voor de hand dat het elke keer de poëzie is die roept. ‘Jammeren’ in de laatste regel is mijn vertaling voor het homofone nakidasu 泣き出す (let. ‘in huilen uitbarsten).

    De foto toont Yamanokuchi Baku en zijn vrouw Shizue, ergens in de periode maart-juli 1963, toen Yamanokuchi met maagkanker in het ziekenhuis lag waar hij op 16 juli zou sterven. Collectie Naha City Museum of History 那覇市歴史博物館 (waar Shizue abusievelijk als ‘Shizuko’ 静子 wordt geïdentificeerd).

  • eenvoudig geluk

    eenvoudig geluk

                romance

                .

    het geluk dat ik zoek is eenvoudig

    als een eenmalig opkomend getij

    de kalme hitte van een zomermiddag te openen

    en bij jou te zijn

    nee dat is het niet dat is niet echt

    het geluk dat ik zoek is eenvoudig

    de kalme hitte van een zomermiddag die vanzelf

    zich opnieuw en opnieuw opent

    en aan het einde van dat openen kan ik niet langer

    me wat dan ook van jou herinneren

    toch is er op dat moment een steen die baadt in de zon

    omdat een steen heter dan het geheugen is en geteld kan worden

    het geluk dat ik zoek is eenvoudig

    ver rechtsboven opkomende en verdwijnende natuurlijke getallen

    is dat een agaat?     ja iets als een agaat

    een geritsel van hemelbladeren laat zich voelen

    een voorgevoel dat dat geritsel fladderen gaat

    het geluk dat ik zoek is eenvoudig

    omdat op dat moment op mijn gehoorbeentje een bloemknop ontspruit

    op mijn gehoorbeentje ontspruit een bloemknop

                .

     ロマンス
                
    .
    ぼくがもとめる幸福は簡単だ
    一度かぎりの潮のように
    午後のおだやかな暑熱をひらき
    きみとともにあること
    そうではないそうですらない
    ぼくがもとめる幸福は簡単だ
    午後のおだやかな暑熱がおのずから
    繰り返し繰り返しひらかれてあること
    そのひらかれの果てでぼくがもう
    きみについてさえ何も思い出せないとき
    それでもそのとき陽の浴びている石があること
    石は記憶よりも暑いし数えられるから
    ぼくがもとめる幸福は簡単だ
    浮かんでは消えてゆく自然数の
    はるか右上に瑪瑙? そう瑪瑙のような
    空の葉の硬いさわさわが感じられ
    そもさわさわがなおも翻りそうな予感のなか
    ぼくがもとめる幸福は簡単だ
    なぜならそのとき砧骨にも蕾が発生して
    砧骨にも蕾が発生して

    Een gedicht van Nomura Kiwao 野村喜和夫 (1951).

    Ik vermoed dat we ‘romance’ (Jp. romansu) hier moeten opvatten als ‘een aandoenlijk lied’. Een beetje zoals bij Paul Verlaine (1844–1896) en diens Romances sans paroles (‘Liederen zonder woorden’, 1874), die Nomura kent (hij vertaalde Verlaines poëzie). 

    De foto toont het strand bij Wassenaarseslag, mei 2023. Foto Nicole Roepers.

  • van honderd dichters één gedicht [6]

    van honderd dichters één gedicht [6]

    [051]   Heer Fujiwara no Sanekata 藤原実方朝臣 (ca. 955-994):

    ‘zoveel hou ik van jou’ kan ik zelfs

                niet zeggen, zodat Ibuki’s

                            moxa-bijvoetkruid

    net als jij niet weten zal

                hoe ik van verlangen brand

    kaku to dani / e ya wa ibuki no / sashimogusa / sa shimo shiraji na / moyuru omoi o

    Eerste liefde op afstand. Dit gedicht moet het vooral hebben van lastig te vertalen woordspel. In ‘Ibuki’ (de naam van een berg) zit ook ‘zeggen’ (ifu 言ふ) verstopt. In ‘moxa-bijvoetkruid’ (sashimogusa) zit het woord ‘bijvoetkruid’ (mogusa), dat op de huid gebrand wordt voor een moxa-behandeling, en daarmee te associëren is met ‘branden’ (moyu). De openingswoorden zijn krachtiger dan mijn omslachtige vertaling omdat ik me gedwongen voel een en ander uit te spellen; er staat meer letterlijk: ‘“zoveel”: zelfs dat [kan ik niet zeggen]’ (kaku to dani [e ya wa iu]). De herhaling van dat ‘sashimo’ is dan weer niet iets waarover poëtica’s per se enthousiast werden.

    [052]   Heer Fujiwara no Michinobu 藤原道信朝臣 (972-994):

    omdat het licht werd

                zal het ook weer donker worden

                            dat weet ik heus wel

    en toch blijft het onuitstaanbaar

                dat kil-bleke ochtendlicht

    akenureba / kururu mono to wa / shirinagara / nao urameshiki / asaborake kana

    Dit is een zogenaamd ‘ochtend-erna-briefje’ (kinuginu no fumi 後朝の文), waarin de man betreurt dat hij ’s ochtends bij het eerste licht zijn heimelijke liefde verlaten moet om niet gesnapt te worden.

    [053]   De moeder van de Kapitein ter Rechterzijde Michitsuna 右大将道綱母 (ca. 937-ca. 995):

    al zuchtend

                alleen te moeten slapen

                            tot de nacht licht wordt

    hoe lang dat wel duren kan

                daarvan heb jij geen besef

    nagekitsutsu / hitori nuru yo no / akuru ma wa / ika ni hisashiki / mono to ka shiru

    De inleiding bij dit gedicht in Shūi wakashū (‘Verzameling van bijeengesprokkelde gedichten’, ca. 1005-1007; no. 14-912) stelt dat dit gedicht haar antwoord is op een opmerking van haar echtgenoot Fujiwara no Kane’ie 藤原兼家 (929-990) — waarbij het relevant is te weten dat in hogere kringen man en vrouw vaak in verschillende huizen woonden: ‘Toen de Lekenmonnik-Regent bij haar langskwam was men traag in het openen van de poort, zodat hij zei: “Ik werd moe van het veel te lange wachten”’ 入道摂政まかりたりけるに、かどゝそれば、ちわづらひぬとれて侍ければ. Zo bezien contrasteert de dichter haar lange wachten op hem met het relatief korte wachten van haar echtgenoot. We kennen dit gedicht ook uit een autobiografische tekst van deze vrouw: haar Trilhaartje-memoires (of Spinrag-memoires, Kagerō nikki 蜻蛉日記, ca. 974). In die context krijgt het gedicht een heel andere nuance. Haar echtgenoot brengt de meeste nachten door bij een nieuwe geliefde:

    Twee of drie dagen later, vlak voor zonsopgang, werd er op mijn poort gebonsd. Ik verwachtte wel dat het Kaneie zou zijn, maar voelde me te slecht om te laten opendoen. Toen verdween hij maar weer in de richting van het huis van die andere vrouw. De volgende ochtend bleef ik niet bij de pakken zitten en dichtte: […]’

    Vertaling Jos Vos, Eeuwige reizigers (Amsterdam: De Arbeiderspers, 2008), p. 132. Vos vertaalde de titel als ‘Het herfstdradendagboek’, in lijn met de Engelse vertalingen van Arthur Waley en Edward Seidensticker (die het woord ‘gossamer’ gebruiken). Het woord kagerō uit de titel kan zowel slaan op een libelle lijkende ‘eendagsvlieg’ (蜻蛉・蜉蝣) als op het trillen van hete lucht vlak boven de grond (陽炎). Hoe dan ook drukt het woord ‘onbestendigheid’, ‘vergankelijkheid’ uit.

    [054]   De moeder van de Boventallige Minister 儀同三司母 (?-996):

    ‘ik zal je nooit vergeten’ —

    op die toekomst van jouw woorden

                is het moeilijk wachten

    dat daarom vandaag het einde

                van mijn leven maar mag zijn!

    wasureji no / yukusue made wa / katakereba / kyō o kagiri no / inochi to mogana

    De uitleg is dat de dichter nú gelukkig is met haar echtgenoot, maar niet op de toekomst vertrouwen durft. Takashina no Kishi 高階貴子 (var. Takako), de moeder van een hoge minister én van een keizerin, had de voor een vrouw uitzonderlijke reputatie een bedreven dichter van Sinitische poëzie te zijn.

    [055]   Groot-Raadsheer Kintō 大納言公任 (966-1041):

    watervalgeklater

                verstomde, al lang geleden

                            is dat nu, en toch

    kwam de naam ervan tot ons

                en wordt nog steeds gehoord!

    taki no oto wa / taete hisashiku / narinuredo / na koso nagarete / nao kikoekere

    [056]   Izumi Shikibu 和泉式部 (ca. 976?-ca. 1030?):

    ik zal er niet meer zijn

    in deze wereld voor de volgende

                als herinnering

    nu nog één enkele keer

                jou te mogen ontmoeten!

    arazaramu / kono yo no hoka no / omoide ni / ima hitotabi no / au koto mogana

    Geschreven op haar ziekbed. Voor Izumi heb ik een zwak, zeker sinds ik in wat een vorig leven lijkt haar memoires (dan wel vie romancéé) vertaalde: Izumi Shikibu, Jouw koude hart zwijgt. Memoires (Uitg. Contact, 1995).

    [057]   Murasaki Shikibu 紫式部 (ca. 978?-na 1019):

    geheel toevallig

                zag ik haar, of niet? — dat was

                            niet vast te stellen

    en zo verdween tussen wolken

                de maan diep in de nacht

    meguri-aite / mishi ya sore to mo / wakanu ma ni / kumogakurenishi / yowa no tsuki kana

    [058]   Daini no Sanmi 大弐三位 (begin elfde eeuw):

    bij de Arima

    over Ina’s veld van bamboegras

                blaast de wind

    heel zachtjes, en zo is het: jou

                kan ik maar niet vergeten 

    arimayama / ina no sasahara / kaze fukeba / ide soyo hito o / wasure ya wa suru

    [059]   Akazome Emon 赤染衛門 (eerste helft elfde eeuw):

    zonder aarzelen

                had ik gaan willen slapen

                            maar de nacht lengde 

    totdat ze onderging

                heb ik naar de maan gekeken

    yasurawade / nenamashi mono o / sayo fukete / katabuku made no / tsuki o mishi kana

    Akazome Emon is ook de auteur van de Vertelling van bloei en pracht (Eiga monogatari 栄花物語) over de successen van het Fujiwara-Regentenhuis. 

    [060]   Kamenierster Koshikibu 小式部内侍 (?-1025):

    de Ōe-berg

    en de weg naar Ikuno

                zijn heel ver weg

    een brief of voetstap zag ik niet

                uit Ama-no-hashidate

    ōeyama / ikuno no michi no / tōkereba / mada fumi mo mizu / ama no hashidate

    Koshikibu was de dochter van Izumi Shikibu (no 56). Zij was nog geen dertig toen zij stierf. Ama-no-hashidate, in wat destijds de provincie Tango was, ligt aan de Japanse Zee. In Kin’yō wakashū (‘Verzameling van gouden bladeren’, 1127; no. 9-550) heeft dit gedicht als proza-inleiding: ‘Gedicht toen er in de hoofdstad een dichtwedstrijd gehouden werd in de periode dat [haar moeder] Izumi Shikibu [haar echtgenoot] Yasumasa gevolgd was naar de provincie Tango [waar hij tot gouverneur benoemd was] en Kamenierster Koshikibu gekozen was als een van de [deelnemende] dichters, waarop Middelste Raadsheer Sadayori naar haar vertrekken in het paleis kwam en haar plaagde: “Hoe gaat het met je gedichten? Heb je iemand naar Tango gestuurd [om door je moeder een gedicht voor je te laten maken]? Is die soms nog niet teruggekomen? Je zal wel in de rats zitten!” en zij hem tegenhield toen hij weer opstond om weg te gaan [met de woorden:]’ 和泉式部保昌にして丹後国にはべりけるころみやこに歌合のありけるに、小式部内侍うたよみにとられて侍りけるを、中納言定頼つぼねのかたにまうて、歌はいかゞせさせ(たまふ)、丹後へ人はつかはしけんや、使つかひ[いまだ]まうずや、いかに心もとなくおぼすらん、などたはぶれてけるをきとゞめてよめる.

    Daini no Sanmi als ‘OL’ (office lady) die op kantoor haar ex probeert te vergeten, in lang vervlogen tijden: links hoor je een faxapparaat (‘piii’ ピー). Illustraties door Nakada Yumiko 中田由見子 in Manga Hyakunin isshu マンガ百人一首 (Tokyo: Heibonsha, 1986).

    Nummers 51 t/m 60 van Van honderd dichters één gedicht (Hyakunin isshu 百人一首).

    Dat het vertalen van deze reeks zo lang duurt heeft óók te maken met een lelijke karaktertrek van me: ik ben snel afgeleid. Ik troost me met de gedachte dat de ervaring er met tussenpozen stukken van te lezen ook wel iets prikkelends kan hebben.

    Het is een mysterieuze bloemlezing, deze Van honderd dichters één gedicht. Dat vindt niet alleen ik: er bestaat inmiddels een bibliotheek vol met pogingen de structuur en interne logica ervan te begrijpen. En waarom staan er vaak vrij matige gedichten tussen? Nu ja, de samensteller, Fujiwara no Teika 藤原定家 (1162-1241), kon in 1235 of daaromtrent ook niet voorzien dat dit gebaar voor een bekende van hem in later eeuwen zo’n beroemde reeks zou worden.

    Hoe dan ook, met Nieuwjaar is het in Japan gebruikelijk om het aan Memory verwante kaartspel dat op deze reeks is gebaseerd te spelen. Een goede reden om deze tien gedichten te presenteren.

    De afbeelding toont zogenaamde amo-karuta あも歌留多 (‘rijstkoek-dichtersspeelkaarten’) met Ise no Taiyu 伊勢大輔 en haar gedicht (no. 61). Deze wafelzoetigheden (monaka 最中) op basis van zoete azukibonen zijn een specialiteit van het bedrijf Kanō Shōjuan 叶匠壽庵. Foto gemaakt op 29 september 2023, bij een bezoek aan Ishiyamadera. De vrouw die me ze verkocht bleek twintig jaar lang in Scheveningen gewoond te hebben.

  • wit

    wit

    Ook zei [Shun’e]: ‘Dan is er het gedicht van heer Masafusa:

                als witte wolken

                            komen zij me voor: een teken

                                        dat in schoon Yoshino

                op Yoshino’s bergen

                            de bomen vol in bloei staan

    shirakumo to / miyuru ni shirushi / miyoshino no / yoshino no yama no / hanazakari kamo

    Dit ervaar ik als de essentie van goede poëzie. Het bevat geen nadrukkelijk briljante uitdrukkingen, en ook geen opgesmukte fraseringen; het is een mooie, heldere koppeling van woorden, het is verheven en groots. Je kunt het vergelijken met hoe de kleur wit geen schakeringen kent maar toch de fraaiste van alle kleuren is. Het allerindrukwekkendst van alle dingen is pretentieloosheid en niksigheid. Deze stijl lijkt makkelijk maar is juist heel moeilijk. Als je er ook maar één woord naast zit, dan wordt het een kreupel gedicht. Als je geen meesterschap bereikt hebt, is zoiets niet te dichten.

    (いはく)、「匡房卿歌に、
     しら雲と見ゆるにしるしみよし野のよし野の山の花ざかりかも
    是こそはよき歌の本とはおぼえ侍れ。させる秀句もなく、かざれる詞もなけれど、姿すがたうるはしく清げにいひくだして、(たけ)たけくと(ほ)しろき也。たとへば、白き色の異なる匂ひもなけれど、諸の色に優るがごとし。万の事きはまりてかしこきは、あはくすさまじきなり。此体はやすきやうにてきはめてかたし。一文字もたがひなば怪しのこしれに成りぬべし。いかにもさかひいたらずしてよみ出でがたきさまなり。」

    Mumyōshō 69. [NKBT 65, p. 89.] De dichter-monnik Shun’e 俊恵 (1113-1191) was de poëzieleraar vam Kamo no Chōmei 鴨長明 (1155-1216), en wordt vaak aangehaald in diens Naamloze aantekeningen (Mumyōshō 無名抄, ca. 1212). De geciteerde waka is van Ōe no Masafusa 大江匡房 (1041-1111).

                Wit (haku)

    In de duistere nacht is het als lopen over de maan op aarde;

    mensen stappen juist op een hemel vol met witte wolken.

                                        Het dicht op ‘wit’ door Xie Guan

    闇夜猶行名月地。人間却踏白雲天。  白賦 謝観

    Het beeld is dat van grond die wit is in het maanlicht. Meigetsu 名月 is de oogstmaan, de vollemaan in de herfst. Een persoonlijk commentaar op de Sinitische en Japanse recitatieven (Wakan rōeishū shichū 倭漢朗詠集私注, 1161) schrijft het Dicht op ‘wit’ (Haku fu, Ch. Bái fù 白賦), waaruit dit en het volgende couplet komen, toe aan de negende-eeuwse Xiè Guàn 謝観. Van zijn gedicht zijn alleen in Japan coupletfragmenten overgeleverd, in Sinitische en Japanse recitatieven (Wakan rōeishū 和漢朗詠集, begin elfde eeuw) en Nieuwe selectie van recitatieven (Shinsen rōeishū 新撰朗詠集, begin twaalfde eeuw). Dit couplet komt in de meeste Wakan rōeishū-handschriften niet voor.

    De vorst van de Qin zuchtte van verbazing: de kraaienkoppen op dag van Yan’s Dan’s terugkeer;

    De keizer van de Han treurde uit deernis: de kraanvogelveren toen Su Wu thuiskwam.

                                        Het dicht op ‘wit’

    秦皇驚歎 燕丹之去日烏頭。漢帝傷嗟 蘇武之來時鶴髮。  白賦

                                        Het dicht op ‘wit’

    Prins Dān 丹 van de staat Yān 燕 was een gijzelaar van de keizer van de Qin-dynastie (221-206 v.Chr. — die van het terracottaleger), die zei dat hij pas vrij zou komen wanneer kraaien witte koppen kregen en paarden horens hadden. Na Dan’s jammerklacht voltrok zich dit wonder. Sū Wŭ 蘇武 (ca. 140-60 v.Chr.) werd als gezant van de Chinese Vroege Han-dynastie (206 v.Chr.-8 na Chr.) negentien jaar lang gegijzeld door de stammen van het noordelijke Xiōngnú 匈奴-rijk; toen hij kon terugkeren naar China waren zijn haren al net zo wit geworden als de veren van een kraanvogel.

    De Melkweg schittert helder en kleurt de herfsthemel wit,

    en dan zien we in de boomgaard bolletjes van witte dauw.

                                        Shitagō

    銀河澄朗素秋天。又見林園白露円。  順

    Samen met de hierop volgende drie coupletten vormt dit één Sinitisch normgedicht van acht regels, door Minamoto no Shitagō 源順 (911-983). Een persoonlijk commentaar op de Sinitische en Japanse recitatieven spelt uit dat het thema van Shitagō’s gedicht ‘wit’ is (Haku shi 白詩).

    Mao Bao’s schildpad keerde onder koude golven huiswaarts;

    Wang Hong’s boodschapper stond voor de najaarsbloesems.

    毛宝亀帰寒浪底。王弘使立晚花前。

    De Chinese militair Máo Băo 毛宝 (?-339) kocht een jonge witte schildpad die hij weer vrijliet en die hem later redde. De staatsman Wáng Hóng 王弘 (379-432) gaf met een in het wit gestoken boodschapper wijn cadeau mee voor de dichter Táo Yuānmíng 陶淵明 (365-427).

    Tussen het riet aan de oever neemt de maankleur toe met het getij;

    op de toppen van de Pamir verbindt de huid van wolken zich met sneeuw.

    蘆州月色随潮満。葱嶺雲膚与雪連。

    Berijpte kraanvogels, meeuwen in het zand: hoe lieflijk allemaal;

    ik haat slechts hoe grijswit met de jaren mijn haar geworden is.

                                        Met bovenstaande vormt dit de vier berijmde coupletten van een gedicht.

    霜鶴沙鷗皆可愛。唯嫌年鬢漸皤然。  已上四韻

    al te wit

    werd je dit jaar nog witter

    in het maanlicht

                de sneeuw opzij te vegen

                            om pruimenbloesems te plukken

    shirashirashi / shiraketaru toshi / tsukikage ni / yuki kakiwakete / mume no hana oru

    しらしらしゝらけたるとし月光に雪かきわけて梅の花をる

    De categorie ‘Wit’ (haku 白) in Sinitische en Japanse recitatieven (Wakan rōeishū 和漢朗詠集, begin elfde eeuw), nos. 798-803. Dit zijn de laatste fragmenten in deze bloemlezing, samengesteld door Fujiwara no Kintō 藤原公任 (966-1041), van wiens hand ook het allerlaatste gedicht hier is.

    De foto toont iemand die kijkt naar Compositie van 2 lijnen (1931) van Piet Mondriaan, in Stedelijk Museum in Amsterdam en is een uitsnede uit een foto uit 1987 door Roland Gerrits.

  • sneeuwdons

    sneeuwdons

                Een gedicht van Heer Ōtomo no Yakamochi:

    lichte sneeuwdons

                is in de tuin neergevallen

                            in de koude nacht

    moet zonder jouw arm als kussen

                ik alleen de nacht doorbrengen?

    awayuki no / niwa no furishiku / samuki yo o / tamakura makazu / hitori ka mo nemu 

     大友宿禰家持歌一首
    沫雪乃庭尓零敷寒夜乎手枕不纒一香聞将宿

    Ōtomo no Yakamochi 大伴家持 (ca. 718-785). Man’yōshū 8-1663 (var. 1667). Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat tamakura 手枕 niet expliciet ‘jouw arm als kussen’ betekent maar ‘een arm [van een ander] als kussen’: misschien zwelgt de dichter vooral in het alleen zijn, meer dan dat hij verlangen naar een specifieke geliefde uitdrukt — dat kan, maar ik hou het toch maar op dat laatste.

    De afbeelding toont het schilderij Drie jonge vrouwen in de sneeuw van George Hendrik Breitner (1857-1923).

  • erbij schrijven

    erbij schrijven

    Hoe zij over ‘grasrijke vlakten’ (De Aantekeningen van de smalle stroom [1510-1514]: ‘Dit is het gedicht van een stukje terug’) gesproken had bleef aan hem knagen;

                .

               (De morgenster-aantekeningen [1530]: ‘Een gedicht van Genji:’)

                nog nooit kende ik

                            dit gevoel dat ik nu heb

                bij dageraad

                            zijn de sporen van de maan

                                        in de hemel uit het zicht geraakt

    yo ni shiranu / kokochi koso sure / ariake no / tsuki no yukue o / sora ni magaete

                .

    schreef hij erbij (d.w.z. hij schreef het erbij op de waaier die zij hem als aandenken had gegeven) en hield hem bij zich.

                .

    nog nooit kende ik’   De Aantekeningen van een smalle stroom [1510-1514]: ‘Zelfs binnen het corpus gedichten in de Genji is dit uitmuntend. Vooral de [eerste] vijf lettergrepen zijn fantastisch. In de [De naklanken van] Bloesems en vogels staat er van alles over. De beschouwingen daarin zijn fascinerend.’ etc. De naklanken van bloesems en vogels [1472]: ‘Het gedicht van de Yoshimizu-bisschop “bij dageraad / zijn de sporen van de maan / vast in mijn blikveld // de klok van een tempel in het veld / laat zich dan juist horen” is gebaseerd op dit gedicht. Men moet dichten op basis van zowel het proza als de gedichten in de Genji. Ook Heer Shunzei heeft gezegd dat een dichter die de Genji niet gelezen heeft te betreuren is. Ook heeft hij gezegd dat [de gedichten in] het hoofdstuk ‘Het kersenbloesembanket’ buitengewoon subliem en aantrekkelijk zijn.’ De Mengjin-aantekeningen [1575]: ‘“nog nooit kende ik” wil zeggen: kan het niet bevatten.’

    【孟】さきの歌也
    「草の原をば」といひしさまのみ、心にかかりたまへば、
     【孟】源歌
      世にしらぬこゝちこそすれ有明の月の行末を空にまがへて
    かの形見の扇に書付け給へる也
    とかきつけ給て置給へり。
                
    .
     世にしらぬ 源氏の中にも秀逸也。五文字殊更妙也云云。花鳥にさまざま有。其評面白し。吉水僧正ノ歌ニ「有明の月の行衛をながめてぞ野寺の鐘はきくべかちける」此歌を取てよみたまへる也。源氏をば詞をも歌をもとりてよむべき事也。俊成卿も源氏みざらん歌よみは、無念の事と云へり、又花のえんの巻は、ことにすぐれて艶なる巻とものたまへり。世にしらぬとは、世に分別なきとなり。

    Genji monogatari kogetsushō (1673), ‘Hana no en’. Er wordt hier geciteerd uit vier middeleeuwse commentaren op Het verhaal van Genji (begin elfde eeuw). In chronologische volgorde: Kachō yosei 花鳥余情 (‘De naklanken van bloesems en vogels’, 1472), Sairyūshō 細流抄 ( ‘Aantekeningen van een smalle stroom’, 1510-1514), Myōjōshō 明星抄 (‘De morgenster-aantekeningen’, 1530) en Mōshinshō 孟津抄 ( ‘De Mengjin-aantekeningen’, 1575; Mèngjīn 孟津 in de huidige provincie Henan, China, zou de plaats zijn die toegang bood tot de Melkweg). De Yoshimizu-bisschop (yoshimizu sōjō 吉水僧正) is de monnik-dichter Jien 慈円 (1155-1225), de toenmalige hoogste geestelijke van de Tendai-school van het esoterisch boeddhisme; zijn hier geciteerde gedicht is Shinkokin wakashū 16-1519 (ariake no / tsuki no yukue o / nagamete zo / nodera no kane wa / kikubekarikeru). De maan gaat ’s ochtends bij de klank van de ochtendklok onder in het westen, waar zich het paradijs van de boeddha Amithābha bevindt, zodat Jien’s gedicht een weerslag van zijn meditatie suggereert (waar Genji’s gedicht een gedachte aan een mysterieuze geliefde uitdrukt); sowieso is de maan een meditatieobject. Als scheidsrechter bij De dichtwedstrijd in zeshonderd ronden (ca.1194) formuleerde Fujiwara no Shunzei 藤原俊成 (1114-1204) deze befaamd geworden dicta.

    Het hierboven vertaalde commentaar bij dit gedicht (waarvan hier ook de eerste woorden te zien zijn) in het hoofdstuk ‘Het kersenbloesmbanket’ in Het verhaal van Genji, in de uitgave uit 1673 van Kogetsushō. Collectie Bibliotheek van de Waseda-universiteit.

    Dit geeft een inkijkje in hoe zeventiende-eeuwse lezers geconfronteerd werden met de tekst van Het verhaal van Genji (Genji monogatari 源氏物語; ‘de Genji’). Dit vroeg-elfde-eeuwse epos over het emotionele en psychologische wel en vooral wee van edelen aan het klassieke hof was geschreven in de taal van datzelfde hof. Daarmee, en ook door de gewoonte van de auteur Murasaki Shikibu om meestal niet expliciet duidelijk te maken wie nu iets zegt of denkt, maakte Het verhaal van Genji in later eeuwen tot een notoir lastig te ontcijferen tekst. 

    In 1673 publiceerde de dichter Kitamura Kigin 北村季吟 (1624-1705) zijn De maan boven het meer-aantekeningen bij Het verhaal van Genji (Genji monogatari kogetsushō 源氏物語湖月抄), waarmee Murasaki Shkibu’s tekst plots aanzienlijk toegankelijker werd voor iedereen die zich die zestigdelige uitgave kon veroorloven.

    Kigin vernoemde zijn teksteditie naar de legende dat Murasaki Shikibu zich had teruggetrokken in Ishiyamadera 石山寺, een tempel aan het Biwa-meer ten oosten van Kyoto, en daar, terwijl zij ’s nachts de maan boven het water zag, begon aan het hoofdstuk ‘Suma’, dat zij als eerste van Het verhaal van Genji schreef.

    De vorm waarin Kigin zijn uitgave aan lezers presenteerde was vernieuwend en in feite de manier waarop nog steeds hedendaagse tekstedities van klassieke literatuur in Japan worden vormgegeven. Hij gaf de brontekst met bij lastige passages relatief korte glossen en bovenaan de pagina uitgebreide toelichting op allerlei passages in de brontekst. Die noten boven aan de pagina beginnen telkens met de eerste woorden van het stuk tekst in kwestie te citeren.

    Wat inhoud betreft was Kigin’s uitgave juist weer heel conservatief. Geheel in lijn met eeuwenoude commentaartradities stapelde hij citaten uit middeleeuwse commentaren op elkaar zonder daar verder een eigen toelichting bij te geven. Af en toe citeert Kigin uit wat zijn eigen aantekeningen moeten zijn van de lessen over Het verhaal van Genji die hij bij zijn leraar Mikata Joan 箕形如庵 volgde.

    Het gedicht schrijft Genji, naar wie het epos is vernoemd, na een nacht te hebben doorgebracht met een jonge vrouw die lezers Oborozukiyo (zij van ‘de nacht met een omfloerste maan’) zouden gaan noemen. Toen hij haar vroeg op de volgende ochtend verliet wisselden zij waaiers met elkaar uit, als teken van genegenheid. Toch weet hij niet precies wie zij is; toen hij haar gevraagd had naar haar naam, antwoordde ze dat ze niet geloofde dat hij echt in haar was geïnteresseerd en ook, mocht zij eenmaal dood zijn, niet naar haar zou komen zoeken op ‘grasrijke vlakten’ (kusa no hara, d.w.z. begraafplaats). De maan waarvan Genji het spoor kwijtraakt is de jonge vrouw ‘van de omfloerste maan’. Dat de middeleeuwse commentaren eigenlijk niet zonder hulp van een leraar gelezen konden worden en dus eerder aantekeningen zijn dan een zelfstandig betoog, wordt goed duidelijk door de noten die Kigin geeft: de lezer moet het gedicht van Genji mooi vinden (vooral ‘de [eerste] vijf lettergrepen’), maar krijgt niet uitgelegd waarom.

    Dit keer kwam ik niet toe aan iets origineels. Dit zijn collegeaantekeningen voor een werkgroep waarin ik met studenten het bewuste hoofdstuk van de Genji én De maan boven het meer-aantekeningen lees.

    Links: portret van Kitamura Kigin, redacteur-auteur van De maan boven het meer-aantekeningen. Bron: Wikipedia. Midden: de openingspagina uit het populaire fictieverhaal Wraak! Een vriend in de vroege winterregen (Katakiuchi shigure no tomo 敵討時雨友, vermoedelijk uit 1802; tekst van Nansenshō Somahito 南仙笑楚満人 [1749-1807], illustratie door Utagawa Toyohiro 歌川豊広 [1774-1829]), waarop een jonge ongehuwde vrouw te zien is die linksachter in de alkoof van haar eenvoudige huis een kist heeft staan met daarin de volledige Kogetsushō (herkenbaar aan het etiket ‘De complete Maan boven het meer-aantekeningen’ [kogetsu zen 湖月 全]). Dat én de koto (een chic instrument) waarop zij oefent wijzen op een wens tot sociale mobiliteit. Tragisch genoeg zal zij om de schulden van haar vader af te betalen verkocht worden aan een bordeel. Rechts: de volledige set van De maan boven het meer-aantekeningen bij Het verhaal van Genji (19e-eeuwse herdruk) in de Van Gulik-collectie, Universiteitsbibliotheek Leiden; signatuur SINOL. Gulik E 502.

    De afbeelding toont een deel van het ‘Zelfportret met eigen lofschrift van Motoori Norinaga in zijn vierenveertigste jaar’ (Motoori Norinaga yonjūyon-sai jiga jisan zō 本居宣長四十四歳自画自賛像, 1773). Collectie Museum of Motoori Norinaga 本居宣長記念館, Matsuzaka. Motoori Norinaga 本居宣長 (1730-1801) was een briljant filoloog en tekstcriticus die eind achttiende eeuw tot een verfrissende interpretatie van Het verhaal van Genji kwam.

  • maak je maar geen illusies

    maak je maar geen illusies

    als ik de tunnel

                uitkom, dan zijn de bergen

                            oranje gekleurd

    de toekomst is een erg mooi

                gezichtsbedrog geschonken

    suidō o / izureba yama no / akane shite / mirai akaruki / sakkaku motasu

    隧道をいづれば山の茜して未来明るき錯覚持たす

    De Japanse meekrap (akane 茜, ‘roodwortel’; Rubia argyi) heeft oranje wortels; vandaar dat ze ook voor die kleur staat. Als seizoenwoord is de akane verbonden met de herfst.

    Een tanka van Saitō Fumi 斎藤史 (1909-2002) uit 1969, opgenomen in haar bundel Allesrood (Hitakurenai ひたくれなゐ, 1976).

    De dichter speelt met de uitdrukking ‘een mooie toekomst’ (akaru[k]i mirai, let. ‘een heldere toekomst’; het Engelse ‘bright future’ zit daar mooi dicht op), maar draait die om door ‘helder’ bijvoeglijk te maken bij ‘illusie’ (of ‘gezichtsbedrog’, sakkaku). Een mooie toekomst is een illusie. Oranje wordt onheilspellend.

    De afbeelding toont San Francisco tijdens de Californische bosbranden van september 2020. Foto Brittany Hosea-Small. Bron: Al Jazeera.