paardenbloem paardenbloem, op het zandstrand opent de lente haar ogen
tanpopo tanpopo sunahama ni haru ga me o hiraku
たんぽぽたんぽぽ砂浜に春が目を開く
Ogiwara Seisensui, 1916. Opgenomen in de tweede bundel van de Sōun-groep, Levensboom (Seimei no ki 生命の木, 1918).
In een onbewaakt moment gingen oude fotoalbums open en werd ik geconfronteerd met de foto bovenaan deze blogpost. Het is een van de tegels in wat destijds de Toho Walk of Fame genoemd werd, in Hibiya, Tokyo — uiteraard een schaamteloze fusie van Hollywood’s Walk of Fame en de handafdrukken van filmsterren bij het Chinese Theater aan Hollywood Boulevard. Die Tokioose variant bestond uit een lange rij van zulke metalen tegels van overwegend Japanse filmacteurs en enkele niet-Japanners (Tom Cruise zat er ook tussen, bijvoorbeeld). De aanleiding ervoor was de opening in 1987 van winkelcentrum Hibiya Chanter 日比谷シャンテ; een jaar later zag ik de tegels voor het eerst. Vlakbij was een fontein waarvan de waterstralen elk half uur een dans op muziek van Tsjaikovski uitvoerden; het was allemaal kort vóór Japans economische zeepbel barstte. Alle tegels zijn al in 2018 verplaatst naar een muur in een ondergrondse gang van het nabij gelegen winkelcentrum Tokyo Midtown Hibiya 東京ミッドタウン日比谷 en het geheel heet nu ‘The Star Gallery’ ザ・スター・ギャラリー.
Vierendertig jaar geleden lagen de tegels dus nog te blaken in een waterig winterzonnetje. Hier gaat het om de handafdruk en handtekening van actrice Miyamoto Nobuko 宮本信子 (1945). Anders dan andere acteurs schreef Miyamoto ook nog eens een gedicht naast haar handafdruk.
Destijds herkende ik de tekst niet, maar nu bij het terugzien van de foto wel: het is een ‘vrije vorm’-haiku van Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976).
Miyamoto Nobuko (m) in de film Tanpopo タンポポ (1985), met Watanabe Ken (l) en Miyazaki Tsutomu (r).
Miyamoto Nobuko is in het Westen doorgebroken met de film Tampopo uit 1985, een meesterlijke en hilarische raamvertelling, geregisseerd door haar echtgenoot Itami Jūzō 伊丹十三 (1933-1997). De film is hét hoogtepunt in Itami’s filmoeuvre aan satirisch maatschappijcommentaar. De film is in essentie plotloos — dat wil zeggen, er is wel een plot, maar die is eigenlijk volstrekt irrelevant en dient vooral om eindeloos veel zijpaden in te slaan die allemaal op de een of andere manier commentaar leveren op de consumptiemaatschappij. In een van die verhaallijnen speelt Miyamoto de eigenaresse van een ramentent op de rand van het faillissement.
De filmposter hangt bij de deur van mijn kantoor, om me op te beuren in tijden van humeurigheid over de staat van hoger onderwijs.
De naam van Miyamoto’s personage is tanpopo, het Japanse woord voor paardenbloem. De filmtitel schrijft het woord in katakana, een van de twee Japanse lettergreepschriften, dat tegenwoordig vooral gebruikt wordt als een equivalent van ons cursiefschrift: het trekt aandacht en kan zo een woord nadruk geven of gebruikt worden om buitenlandse woorden en namen weer te geven. Dat zal verklaren waarom Miyamoto in haar tegel in de Walk of Fame het woord ook in katakana schreef, terwijl Ogiwara het een eeuw geleden in het reguliere hiragana-lettergreepschrift weergaf.
Ogiwara’s haiku schijnt voort te komen uit een jeugdherinnering—vandaar die kinderlijke herhaling van het woord tanpopo. Hij zag ooit een paardenbloem groeien op het strand en die onwaarschijnlijke combinatie van zand en bloem bleef hem bij. Zo wordt Miyamoto’s tegel voor mij een spiegelpaleis van herinneringen aan herinneringen aan dingen die er niet meer zijn.
De foto toont een tegel met handafdruk en handtekening van actrice Miyamoto Nobuko 宮本信子 (1945). Hibiya (Yūraku-chō), Tokyo, winter-voorjaar 1992. Foto Nicole Roepers.
Shūi wakashū 7-382. In de categorie ‘Namen van dingen’ (mono no na 物名): gedichten waarin een woord of naam verstopt zit. In de woorden ‘dat beren me zouden opeten’ (kuma no kurawamu koto) zit ook de naam ‘Berenpakhuis’ (Kuma-no-kura). Ga’en (data onbekend, actief eind tiende eeuw) was een geestelijke uit de Fujiwara-clan.
Afgelopen vrijdag werd bekend gemaakt dat het woord (of: karakter) voor het jaar 2025 ‘beer’ (kuma 熊) is.
Het karakter van het jaar wordt op basis van een enquête vastgesteld door de Japanse Stichting Bekwaamheidstest Karakters (Nihon Kanji Nōryoku Kentei Kyōkai 日本漢字能力検定協会; Eng. Japan Kanji Aptitude Testing Foundation). ‘Beer’ kreeg 12.3% van de publieksstemmen.
Japanse beren zoeken steeds vaker de bewoonde wereld op en botsen daar met mensen. 2025 vormt een droevig record: begin deze maand stond de teller op 217 door een berenaanval gewonde mensen en nog eens dertien aanvallen die voor de mens dodelijk afliepen. Verreweg de meeste aanvallen (ruwweg twee-derde) deden zich in noordoost-Japan voor.
Japan kent een grote berenpopulatie (schattingen houden het op 54.000), die in nog geen vijftien jaar verveelvoudigd is doordat klimaatverandering de laatste decennia voor meer voedsel heeft gezorgd (15.000 beren in 2012!). Wel waren er dit jaar aanzienlijk minder noten en bessen te vinden in de bossen en dat lijkt een reden te zijn dat meer beren voedsel gaan zoeken bij de mensen, zeker nu ze een vetlaag moeten opbouwen voor hun winterslaap. Er zijn voorbeelden van beren die supermarkten hebben overvallen.
In de klassieke poëzie komen beren nauwelijks voor; meer dan een handjevol voorbeelden ken ik niet. Als ze al in beeld komen is dat doorgaans in een woordspel of als een retorische bijvoeglijke bepaling. Dat begint al in de achtste eeuw:
wilde beren
leven op die berg zegt men
op de Shihase
ook al word ik ondervraagd
jouw naam zal ik niet noemen
arakuma no / sumu to iu yama no / shihaseyama / semete tou to mo / naga na wa noraji
荒熊之住云山之師歯迫山責而雖問汝名者不告
Man’yōshū 11-2704 (var. 2696). Die beren zitten hier vooral als versiering (of inleidende stoplap, jo 序) bij de naam van de berg. Die berg zit er weer vooral in vanwege het ‘se’ in Shihase, omdat het als binnenrijm werkt met ‘ondervragen’ (semete tou). De aanname van commentatoren is dat dit een gedicht door een vrouw is en dat zij door haar moeder gevraagd wordt naar de identiteit van haar geheime liefde. Voor één keer kan ik H.H. Honda’s rijm wel hebben:
Glad I will bear the blame
For hiding my love’s name.
H.H. Honda, The Manyoshu: A New and Complete Translation (Tokyo: Hokuseido Press, 1967), p. 206.
in Shinano
ligt het woeste veld van Suga
waar beren eten
die zo ontzagwekkend zijn als
de natheid van mijn mouwen
shinano naru / suga no arano ni / hamu kuma no / osoroshiki made / nururu sode kana
しなのなる須賀の荒野にはむくまのおそろしきまでぬるる袖かな
Sanboku kikashū 1011, door Minamoto no Toshiyori 源俊頼 (1055?-1129). In hofpoëzie zijn de dichters mouwen altijd nat van tranen. Een en al hyperbool, deze waka.
De enige uitzondering —in de zin dat beren wél echt het onderwerp zijn— lijkt deze waka te zijn:
aan mensen niet gewend
zijn in het woeste veld van Suga
de wilde beren
die van een jachtpijlpunt
geen weet lijken te hebben
hito narenu / suga no arano no / arakuma wa / karu ya no saki mo / shirazugao naru
人なれぬ須賀の荒野のあらくまはかるやのさきもしらずがほなる
Fuboku wakashū 19-12933, door Fujiwara no Tomoie 藤原知家 (1182-1258).
Pas in de twintigste eeuw, zo lijkt het, kom je poëzie tegen die verankerd is in eigen ervaringen met beer en berg. Wandelaars die de bergen ingaan waar beren zijn wordt altijd geadviseerd minstens een belletje of fluitje mee te nemen om die beren te waarschuwen en zo op afstand te houden.
Op één na kwam ik deze voorbeelden tegen als anonieme verzen.
mijn beren mijdend
belletje klinkt helder
als ik het pad beklim
in de diepgroene zomer
gevuld met mijn druppels zweet
kuma-yoke no / rin o narashite / noboru michi / midori koki natsu / ase no shizuku
熊避けの鈴を鳴らして登る道緑濃き夏汗の滴
een beren mijdend
belletje weerklinkt helder
een bergwandeling
kuma-yoke no / rin ga hibikase / yama-aruki
熊避けの鈴が響かせ山歩き
berenpoep
weet sporen van paddenstoelen
helpen verspreiden
de kringloop van het woud
is voelbaar op het herfstpad
kuma no kuso / kinoko no hōshi / hakobu yaku / mori no junkan / kanjiru akimichi
熊の糞きのこの胞子運ぶ役森の循環感じる秋道
van een berenklauw
bleven de sporen achter
in de boombast
aan het ecosysteem van een woud
denk ik op deze wandelroute
kuma no tsume / ato no nokoreru / juhi mite / mori no seitaikei / omou sanpomichi
熊の爪跡の残れる樹皮見て森の生態系想う散歩道
‘beren gesignaleerd’
een waarschuwing in het dorp
bij een zomers graf
kuma shutsubotsu / mura no keihō / natsu no haka
熊出没村の警報夏の暮
En toch:
iemand vertelt over een beer
’t is niet mooi, maar het maakt me blij
kuma no deta hanashi warui kedo yukai
熊の出た話わるいけど愉快
Deze laatste is een vrije haiku van Uda Kiyoko 宇多喜代子. Een intrigerende prosodie. Ik ben geneigd te lezen: 8-8 morae.
De foto toont Mori Seihan 森清範 (1940), abt van de Kiyomizudera, Kyoto, die het karakter voor ‘beer’ (kuma 熊) schrijft. 12 december 2025.
1940. Hitotoki no kōbō: Fujiki Kiyoko zenkushū ひとときの光芒:藤木清子全句集, red. Uda Kiyoko 宇多喜代子 (Tokyo: Chūsekisha, 2012), p. 104. Eerlijkheid gebiedt dat je misschien ook (of beter) kan vertalen, dus niet als herinnering aan een ooit geziene film maar als emotie bij het zien van een oude film:
een in film gezien
fragment van een vroeger ooit
zo fris schitterend
Een haiku van Fujiki Kiyoko 藤木清子 (data onbekend, actief 1931-1940). Zij hoorde bij een groep die nadrukkelijk moderne haiku wilde schrijven, zonder seizoenswoorden bijvoorbeeld, met alle ruimte voor emotie in plaats van observatie.
Mijn eerste bioscoopervaring had ik toen ik zo’n negen jaar oud was. Mijn moeder zei verbaasd: ‘Ben jij nog nooit in de bioscoop geweest?’ (Dat verbaasde mij weer, want je eigen ouders zouden toch weet moeten hebben van dat soort dingen, leek me.) Daar moest wat aan gedaan worden, besloot ze en nam me mee naar een vertoning van de spektakelfilm Ben-Hur (1959). Zoals bij vermoedelijk iedereen die die film voor het eerst ziet, is de bloedstollende paardenrace van ruim een kwartier in Technicolor en cinemascope in mijn netvlies gebrand. Nu nog, een halve eeuw later.
In 1956 besloot de Motion Picture Producers Association of Japan (MPPA, Jp. Eiga Seisakusha Renmei 日本映画製作者連盟; destijds nog Nihon Eiga Rengōkai 日本映画連合会) om 1 december uit te roepen tot ‘Dag van de film’ (Eiga no hi 映画の日). Nu is Japan een land waar elke belangengroep wel heel enthousiast een eigen ‘Dag’ uitgeroepen heeft en blijft uitroepen, maar het is een mooie aanleiding om stil te staan bij de combinatie cinema en poëzie.
Onchi Kōshirō 恩地孝四郎 (1891-1955), In de Hōgakuza (1929). Voormalige collectie Nihon no hanga, Amsterdam. De Hōgakuza 邦楽座 ging open in 1925 in Yūraku-chō, Tokyo, en was een bioscoop van de Shōchiku-studio waar voornamelijk westerse films werden vertoond.
Zeker in het begin van de twintigste eeuw was de bioscoop, samen met het café, bij uitstek een locus van moderniteit en het is niet zo verwonderlijk dat in vrij vers moderne dichters een verwevenheid ervoeren met de wereld van cinema (zoals Shimura Eiji 詩村映二, 1900-1960) of fascinatie hadden voor filmactrices (zoals Nakahara Chūya 中原中也, 1907-1937).
Ook haiku kon zich lenen voor dat moderne levensgevoel. Zoals deze ‘vrije haiku’ van Kuribayashi Issekiro 栗林一石路 (1894-1961):
te koop staat de bioscoop die neonlicht ademt in roodblauwgroengeel
urareru eigakan no neon ikizuku aka-ao-midori-ki
売られる映画館のネオン息づく赤青緑黄
Alledaagser, door Oikawa Tei 及川貞 (1899-1993):
een Sovjet-film
gezien om daarna verse
selderij te kopen
soren eiga / mite shinsen na / serori kau
ソ連映画見て新鮮なセロリ買ふ
De selderij was al even modern en licht-exotisch als films uit de Mosfilm-studio’s. Al was die groente al in vroegmodern Japan niet onbekend, het op grote schaal eten ervan is een twintigste-eeuws fenomeen.
Of vervreemdend, misschien melancholisch zelfs, door dichter van vrij vers en haiku Itami Kimiko 伊丹公子 (1925-2014):
de meeuwen komen
kijken naar de kaap waarop
een bioscoop staat
umineko ga / mi ni kuru misaki no / eigakan
海猫が観にくる岬の映画館
De umineko (let. ‘zeekat’) is de Japanse meeuw (Eng. black-tailed gull, Larus crassirostris).
De afbeelding toont een still uit de christelijke spektakelfilm Ben-Hur (1959), geregisseerd door William Wyler.
Dit is de kortste haiku (in moderne stijl) die ik ken. Hij is van Ōhashi Ragoku 大橋裸木 (1890-1933), een leerling van Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976), die experimentele haiku voorstond.
Kort als het gedicht is, zo lastig is het te duiden. Laten we er maar van uitgaan dat de dichter ziek is en zijn gezicht naar de zon richt. Je kan ook vertalen:
ziekend naar zon
Links: een foto van Ōhashi Ragoku. Rechts: Ragoku’s haiku voorbij een tempelklok staat een ontdooiende boom er slank tsurigane yori shimodoke no ki ga hossori 釣鐘より霜どけの木がほっそり in zijn eigen kalligrafie. Beide collectie Museum Aoyama Uta no Ie, Iga 伊賀市ミュージアム青山讃頌舎.
Nog twee van Ragoku’s haiku:
kikkergekwaak bij volle maan
kawazu no koe no mangetsu
蛙の声の満月
een winterse vlinder uit het zicht verloren in de zon
fuyu no chō o miushinatta hi no naka
冬の蝶を見失った陽の中
De tekening is een schets van een door ziekte vermagerde Ōhashi Ragoku.
Er was een irritante afleiding en in de marge van de brief waarmee ik iemands uitnodigingafzei (juni):
hé koekoek, luister
ik zit op het gemak en
ben even bezig
hototogisu / kawaya nakaba ni / idekanetari
障る事ありて或人の招飲を辞したる手紙のはしに 六月 時鳥厠半ば出かねたり
Juni 1907. Sōseki zenshū 23 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1957), p. 175. Een kawaya 厠 is een ouderwetse (pardon: ‘traditionele’) WC, die als apart gebouwtje iets buiten het huis geplaatst is; wat we vroeger een ‘gemak’ noemden. In zijn essay Lof der schaduw (In’ei raisan 陰翳礼讃, 1933) spendeert Tanizaki Jun’ichirō een paar pagina’s aan een ode aan deze poepdoos. Idekanetari 出かねたり laat zich meer letterlijk vertalen als ‘het lukt me niet om naar buiten te gaan’. In theorie zou je dit werkwoord ook als dekanetari kunnen lezen en dan zou je dus netjes vijf morae hebben, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat Sōseki in de context van een haiku het klassieke werkwoord izu 出づ zou loslaten.
Op 11 juni 1907 kreeg romanauteur Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) een uitnodiging van premier Saionji Kinmochi 西園寺公望 (1849-1940) om aan te zitten bij een diner (‘avondkleding niet vereist’) om het idee ‘nationale literatuur’ te bespreken. Saionji was het jaar daarvoor begonnen met zijn salon ‘Bijeenkomsten in het geruis van de regen’ (Usei no Kai 雨声会). Ook andere vooraanstaande schrijvers waren uitgenodigd. Sōseki was juist hard aan het werk aan zijn roman Klaprozen (Gubijinsō 虞美人草, 1907). Dit is het afwimpelend bedankje dat hij aan zijn formele afzegging toevoegde.
Als een dichter een koekoek (hototogisu) roepen hoort, wordt die geacht daaraan gehoor te geven door poëzie te produceren. Alleen zit de dichter nu even op de buiten-WC, dus hij heeft wat anders aan zijn hoofd.
Een plattere vertaling zou zijn: ‘Hé vogel, ik heb er schijt aan’.
Ik kwam deze haiku voor het eerst tegen in:
John Nathan, Sōseki: Modern Japan’s Greatest Novelist (New York: Columbia University Press, 2018), p. 146.
De foto van een ijsvogel laat weinig aan de verbeelding over, lijkt me.
met het geluid van water kwam ik naar het dorp afgedaald
mizuoto to issho ni sato e orite kita
水音といつしよに里へ下りて来た
zwijgend trek ik de strosandalen van vandaag aan
damatte kyō no waraji haku
だまって今日の草鞋穿く
koude wolken razen voort
samui kumo ga isogu
寒い雲がいそぐ
een vlinder van achter me naar voren fladderend
chōchō ura kara omote e hirahira
てふてふうらからおもてへひらひら
ook vandaag kwam er de hele dag niemand – vuurvliegjes
kyō mo ichinichi dare mo konakatta hōtaru
けふもいちにち誰も来なかったほうたる
een mooie weg naar een mooi gebouw; het is een crematorium
yoi michi ga yoi tatemono e, yakiba desu
よい道がよい建物へ、焼場です
Taneda Santōka 種田山頭火 (1882-1940) is vermoedelijk de bekendste vertegenwoordiger van de ‘vrije haiku’ (jiyūritsu haiku 自由律俳句), een herinterpretatie van de haiku-vorm die in gang gezet werd door Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976) met zijn tijdschrift Sōun 層雲 (Stratuswolken). Seisensui wilde af van het versteende 5-7-5-schema en de verplichte seizoenswoorden en vond dat er in de poëzie meer gebruik gemaakt moest worden van spreektaal. Twee belangrijke leerlingen van Seisensui waren Santōka en Ozaki Hōsai 尾崎放哉 (1885-1926).
Het wijdverbreide beeld van Santōka (zijn wat raadselachtige dichtersnaam betekent ‘bergtopvuur’) is dat van de rondzwervende bedelmonnik in een moderniserend Japan. Dat is ook wel terecht, maar zijn bestaan als dakloze Zen-monnik begon pas op zijn 42e. Daarvóór leidde hij een leven als getrouwd man en, achtereenvolgens, sakebrouwer, boekhandelaar en, inmiddels gescheiden, cement-laborant, bibliothecaris, en gemeenteklerk — allemaal beroepen waarin hij spectaculair mislukte, mede doordat hij een flink drankprobleem ontwikkeld had. Zijn drankzucht was er ook min of meer de directe oorzaak van dat hij in 1923 in een Zen-klooster terecht kwam, waar hij een jaar later zijn wijding ontving en begon aan het zwerversbestaan dat hij tot zijn dood in 1940 zou volhouden.
Ik gebruikte wat vermoedelijk de eerste Japanstalige bundel van moderne poëzie is die ik ooit cadeau kreeg:
geen andere plek dan op de grond gelegd zijn de kinderen waarop vliegen komen zwermen
subenashi chi ni okeba ko ni muragaru hae
すべなし地に置けば子にむらがる蠅
in zijn doodsuur met een twijgje in de mond: da’s zoet hoor, echt suikerriet joh
imiwa ki no eda o kuchi ni umaka to bai sato kibinai
臨終木の枝を口にうまかとばいさときびない
Matsuo laat zijn kind Kyushu-dialect spreken: umaka (Standaard-Japans: amai), bai (geeft nadruk; SJ: yo よ), sato (SJ satō), kibinai (SJ rippa da).
● Mijn oudste zoon stierf in een schuilkelder (hij zat in de eerste klas van de middelbare school)
een brandende zon, in zijn doodsuur ga ik op zoek naar water voor mijn kind
enten, ko no imiwa no mizu o sagashi ni yuku
●長男ついに壕中に死す(中学1年) 炎天、子のいまわの水をさがしにゆく
Een kō 壕 is in principe een flinke greppel (hori), maar Matsuo heeft het vermoedelijk eerder over een schuilkelder (hinankō 避難壕).
tot bij zijn moeder kruipt-ie en glimlacht en blaast zijn laatste adem uit
haha no soba made hōte dete warōte koto kirete
母のそばまではうてでてわろうてこときれて
op deze wereld nog een laatste nacht naast zijn moeder waarin het maanlicht zijn gezicht aanraakt
kono yo no hitoyo o haha no soba no tsuki ga sashite iru kao
● 11 augustus: ik zorg zelf voor het hout om onze kinderen te cremeren
een libelle landt even op drie lijkjes – broertjes zusjes
tonbō tomarasete mitsu no nakigara ga kyōdai
●11日 みずから木を組みて子を焼く とんぼうとまらせて三つなきがらがきょうだい
● 15 augustus: ik cremeerde mijn vrouw, de keizer verklaarde het einde van de oorlog
niets meer en alles kwijt in mijn handen vier bommendoodcertificaten
nani mo ka mo naku shita te ni yonmai no bakushi shōmei
●15日 妻を焼く、終戦の詔下る なにもかもなくした手に四まいの爆死証明
uit het zomergras richt ik me op en neem de fakkel over waarmee ik mijn vrouw verbrand
natsukusa mi o okoshite wa tsuma o yaku hi o tsugu
夏草身をおこしては妻を焼く火を継ぐ
De uitdrukking hi o tsugu 火を継ぐ (let. ‘het vuur erven’) wordt gebruikt om te zeggen dat je iemands erfenis voortzet.
de verklaring van overgave, ze vat nu vlam met het vuur dat mijn vrouw verzengt
kōfuku no mikotonori, tsuma o yaku hi ima zo sakaritsu
降伏ののみことのり、妻をやく火いまぞ熾りつ
Op de dag af tachtig jaar geleden, 9 augustus 1945, werd vanuit de Amerikaanse bommenwerper Bockscar de atoombom Fat Man afgeworpen boven Nagasaki. Drie dagen eerder was een eerste atoombom op Hiroshima gegooid. Tegen het einde van het jaar had de atoombom op Nagasaki tussen de 60.000 en 80.000 duizend doden geëist. Op 15 augustus gaf Japan zich over.
Al was Fat Man een zwaardere bom dan Little Boy, de atoombom op Hiroshima, het aantal slachtoffers was in Hiroshima groter (ca. twee keer zoveel voor 1945) omdat Nagasaki in een vallei ligt, waardoor de uitwerking van de bom een minder groot bereik had.
Het narratief van de atoombom op Nagasaki richt zich, net als bij Hiroshima, bijna volledig op Japanse burgerslachtoffers. Toch waren dat niet de enige slachtoffers. Als een gevolg van Japans steeds verder uitdijende oorlog in Azië waren er onder meer zo’n 150 Nederlandse krijgsgevangenen ondergebracht in Nagasaki. Negen van hen kwamen om door de bom. (Als student heb ik in de rol van lokale tolk voor een documentaireploeg van NHK eind jaren ’80 een aantal van de overlevenden mogen helpen interviewen, waaronder Charles Burki.)
‘Wij bergen onze zwaargewonde commandant, luitenant Aalders.’ Nederlandse krijgsgevangenen tussen de ruïnes van Nagasaki, 9 augustus. Latere tekening door Charles Burki. In: Charles Burki, Achter de kawat als Japanse krijgsgevangene (Franeker: Uitg. T. Wever, 1979).
Tot nu is Japan het enige land waartegen zulke wapens zijn ingezet. De vernietigingskracht van de bommen op Hiroshima en Nagasaki is kinderspel vergeleken bij het destructieve vermogen van de huidige kernwapens. En al ging vorig jaar de Nobelprijs voor de Vrede naar een organisatie van overlevenden van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki die zich inzet voor een kernwapenvrije wereld, toch lijkt ook in Japan de weerstand tegen kernwapens af te nemen.
De ingang van het Atoombommuseum in Nagasaki, 24 maart 2023. De toegang is gemarkeerd met een uit één vel papier gevouwen slinger van origami-kraanvogels, in 2010 gemaakt en geschonken door de Friese papierkunstenaar Mana Ori (kunstenaarsnaam van Marten Sale Brouwer, 1969).
Bijna tweeënenhalf jaar geleden bezocht ik het Atoombommuseum van Nagasaki (Nagasaki Genbaku Shiryōkan 長崎原爆資料館). In de sectie ‘ooggetuigenverslagen’ was ruimte gemaakt voor een selectie van haiku door Matsuo Atsuyuki 松尾あつゆき (1904-1983). Bij deze een vertaling van een deel daarvan.
Matsuo was een leraar Engels in Nagasaki die bij de ontploffing zijn vrouw en drie van zijn vier kinderen verloor. In 1972 publiceerde hij in eigen beheer de bundel Atoombom-haiku (Genbaku kushō 原爆句抄), die daarna met uitbreidingen nog een aantal maal herdrukt zou worden. De haiku in het Atoombommuseum komen uit deze bundel.
In zijn studententijd aan de Hogeschool (later: Universiteit) van Nagasaki raakte Matsuo geïntrigeerd door de zogenaamde ‘vrije haiku’ (jiyūritsu haiku 自由律俳句)-beweging. Deze was in gang gezet door Ogiwara Seisensui 荻原井泉水 (1884-1976), een belangrijk vernieuwer van de haiku-vorm. Met zijn tijdschrift Sōun 層雲 (‘Stratuswolken’) als spreekbuis stond hij een nieuwe stroming in de haiku-poëzie voor. Hij wilde af van het versteende 5-7-5-schema en de verplichte seizoenswoorden (kigo) en vond dat er in de poëzie meer gebruik gemaakt moest worden van spreektaal. Twee belangrijke leerlingen van Seisensui waren Taneda Santōka en Ozaki Hōsai. Matsuo Atsuyuki werd zelf ook een leerling van Ogiwara en lid van de Sōun-haikugroep.
In 1945 begon Matsuo de vrije haikuvorm in te zetten voor rauwe rouwpoëzie.
Links: Japanse kinderen in een schuilkelder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Rechts: Nagasaki na de bom.
Omdat toeval niet bestaat, stond deze week in de New York Times een essay over de vraag hoe we in de huidige tijd —waarin weer gedreigd wordt kernwapens in te zetten— dankzij de kunsten een indringender besef kunnen krijgen van nucleaire vernietiging.
Jason Farago, ‘Hiroshima and the End We Refuse to Imagine’, New York Times 3 augustus 2025.
Daarin werden meerdere haiku van Matsuo aangehaald als argument. Bij deze nog twee als toegift:
wind, ik steek de brand in mijn kinderen en dan in een sigaret
kaze, kora ni hi o tsukete tabako ippon
かぜ、子らに火をつけてたばこ一本
ach nog maar zeven maanden telde haar leven en als bloemblaadjes zijn haar botjes
aware nanakagetsu no inochi no hanabira no yō na hone kana
あわれ七ヶ月の命の花びらのような骨かな
De afbeelding toont een still uit de animatiefilm When the Wind Blows (1986) van Jimmy Murakami, gebaseerd op de gelijknamige strip uit 1982 door Raymond Briggs.
Het Dubbel-Zeven-feest (tanabata 七夕, let. ‘de avond van de zevende’) is een jaarlijks terugkerend moment op de rituele kalender en viert verlangen. In de zonnekalender is dat op 7 juli. Een legende die al uit het oude China stamt identificeert twee sterren van wat hier sinds de negentiende eeuw bekend staat als de Zomerdriehoek als twee hemelse geliefden. Het zijn het Weefstertje (orihime of tanabata, var. shokujo 織女; Wega: de helderste ster in het sterrenbeeld Lier [Lyra]) en het Herdersjongetje (genkyū 牽牛; Altair: de helderste ster in het sterrenbeeld Arend [Aquila]), die van elkaar gescheiden worden door de Melkweg. In oost-Azië staat de Melkweg bekend als de Hemelrivier (Jp. ama-no-gawa 天の川). Eenmaal per jaar, op de avond van de zevende dag van de zevende maand kan het Herdersjongentje die rivier van sterren oversteken om bij zijn geliefde Werversmeisje te zijn.
Alleen als het bewolkt is, of als het regent, kunnen Weefstertje en Herdersjongentje elkaar niet ontmoeten. Akimoto’s haiku roept daarom weemoedig, onvervuld verlangen op.
Een gebroken inktstaaf maakt het lastig om inkt te maken (je wrijft de inktstaaf op een inktsteen met een beetje water, maar daarvoor moet je de staaf wel kunnen vasthouden). Haiku schrijven wordt dan ook ingewikkeld.
Uit Moriyama’s haikubundel Schimmel (Kabi 黴, 1937). Ik zondig hier erg tegen mijn vuistregels voor het vertalen van haiku en tanka, maar iets veel beters lukt me even niet.
Een haiku van Morikawa Gyōsui 森川暁水 (1901-1976) uit 1932. Op de droge, witte pasta die zijn vrouw gebruikt staat witte schimmel. Die schimmel maakt dit een zomergedicht.
Als eerstejaars student moest ik het Japanse woord voor schimmel leren: kabi. Ik begreep niet waarom dit zo’n belangrijk woord was, dat we dit al aan het begin van het studietraject moesten kennen. Totdat ik voor het eerst in Tokyo ging wonen.
Ik had al twee zomers in Japan doorgebracht, als reisleider van fietstochten, maar nu woonde ik dan echt in Japan, met kleren in de kast van mijn appartementje. Die zomer had ik een afspraak met mijn hoogleraar van de universiteit waaraan ik toen studeerde. Enigszins gespannen was ik wel, want de man was beroemd en dus voor mij nogal ongenaakbaar en hij kwam maar tot mijn navel, een combinatie die mijn interacties met hem altijd wat ongemakkelijk maakte, maar ik had dringend een aanbeveling van hem nodig voor een beursaanvraag. Ik trok uit mijn kast mijn enige nette, donkerblauwe jasje dat daar al ruim een maand niks hing te doen, deed een das om en spoedde me naar de metro.
Sommigen gedijen erin, maar voor iemand als ik zijn Japanse zomers ‘suboptimaal’, om een voormalige Britse collega te citeren. Het is dan heel warm (temperaturen van boven de 30 graden Celsius) en de vochtigheidsgraad is hoog. Het is een beetje alsof je permanent in de sauna woont. Ik had geen airconditioning. Ik herinner me levendig hoe ik elke ochtend uit de douche stapte en me kon blijven afdrogen, omdat tegen de tijd dat ik het badwater had afgeveegd ik al heftig aan het zweten was. Als ik (dit was vóór email) met mijn vulpen brieven schreef, liep —echt!— de inkt van mijn tekst uit door het zweet dat van mijn schrijfhand druppelde; het was als een cynische parodie op de scène uit Casablanca, maar dan nog vóór de lezer het epistel in de hand had.
Ilsa’s briefje aan Rick in Casablanca (1942).
Zo’n klimaat is het paradijs voor schimmels.
Het was pas in de metro op weg naar mijn afspraak, dat ik merkte dat de schouders van mijn jasje niet donkerblauw maar wit waren. Toen drong eindelijk tot me door dat kabi een realiteit van de Japanse zomer is.
Met plukken desintegrerend WC-papier probeerde ik in de toiletten van het metrostation bij de universiteit de ergste ongerechtigheden weg te poetsen. Doorweekt van zweet en WC-wastafelwater diende ik me aan bij de hooggeleerde heer, die vermoedelijk zijn ideeën over het bevreemdend gedrag van Hollanders weer eens bevestigd zag. Mijn aanbeveling kreeg ik (hij was aardig), maar de beurs uiteindelijk niet.
(Tegenwoordig heb je praktisch overal airconditioners en zijn er natuurlijk vochtvreters voorhanden om in de klerenkasten te leggen.)
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij technologieën zoals cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of uw toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door uw Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een website of over verschillende websites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.