acht keer nieuwjaar

Verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū, 914):

Gedicht op een dag dat de lente in het oude jaar aanbrak

旧年に春立ちける日、よめる

                        Ariwara no Motokata 在原元方 (data onbekend)

            .

in dit jaar nog

            is de lente aangekomen

zal ik dit ene jaar

            het vorige jaar noemen

of het nieuwe jaar noemen

toshi no uchi ni / haru wa kinikeri / hitotose o / kozo to ya iwamu / kotoshi to ya iwan

Een raar jaar waarin het formele begin van de lente nog net in de laatste maand van het oude jaar viel.

Latere verzameling van gedichten (Gosen wakashū, ca. 955):

Toen men op de eerste dag van de eerste maand, in het paleis van de keizerin aan de Tweede Avenue, witte bovenkleding in ontvangst nam

正月一日、二条の后の宮にて、しろきおほうちきをたまはけりて

                        Heer Fujiwara no Toshiyuki 藤原敏行朝臣 (?-901)

            .

voor vallende sneeuw

            een jas met een wit kleed

dragen we van boven

dat de lente is gekomen

            heeft ons allemaal verrast

furu yuki no / mino shirogoromo / uchikitsutsu / haru kinikeri to / odorokarenuru

Het was gebruik voor hooggeplaatste personages om aan het begin van het nieuwe jaar bovenkleding van een formeel gewaad voor hofdames weg te geven. Woordspel met ‘dragen’ (uchi-kitsutsu) en ‘bovenkleding’ (uchiki).

Verzameling van bijeengesprokkelde gedichten (Shūi wakashū, ca. 1007):

Gedicht tijdens een dichtwedstrijd ten huize van Taira no Sadafun

さだふんが家歌合に詠み侍ける

                        Mibu no Tadamine 壬生忠岑 (?-965)

            .

‘de lente breekt aan’

            zijn door alleen die woorden

in fraai Yoshino

            de bergen gehuld in nevel

                        vanochtend misschien te zien

haru tatsu to / iu bakari ni ya / miyoshino no / yama mo kasumite / kesa wa miyuran

Latere verzameling van bijeengesprokkelde gedichten (Goshūi wakashū, 1086):

Gedicht op de eerste dag van de eerste maand

正月一日よみはべりける

                        Koōgimi 小大君 (data onbekend, actief ca. 950-1004)

            .

hoe sliep ik dan in

            en werd vanochtend wakker

                        en benoem ik dit:

gisteren was vorig jaar

vandaag is in het nieuwe jaar

ika ni nete / okuru ashita ni / iu koto zo / kinō o kozo to / kyō o kotoshi to

Verzameling van gouden bladeren (Kin’yō wakashū, ca. 1126):

Toen men ten tijde van de Horikawa-heerschappij om honderd gedichten werd verzocht, gedicht op het thema ‘de lente breekt aan’

堀河院の御時百首歌めしけるに、立春の心をよみける

                        Senior staatssecretaris van het Bureau voor Reparaties [Fujiwara no] Akisue 修理大夫顯季 (1055-1123)

            .

de zacht golvende

            lente is echt gekomen

een bergrivier

            waarlangs ijs tussen rotsen

                        vandaag zal smelten gaan

uchinabiki / haru wa kinikeri / yamagawa no / iwama no kōri / kyō tokuramu

Verzameling van woordbloemen (Shika wakashū, ca. 1151):

Toen men ten tijde van de Horikawa-heerschappij honderd gedichten aanbood, gedicht op het thema ‘de lente breekt aan’

堀河院御時、百首歌たてまつり侍けるに、春立つこゝろをよめる

                        Minister van Financiën [Ōe no] Masafusa 大蔵卿匡房 (1041-1111)

            .

de ijsbedekte

            Karasaki-kaap in Shiga

begint te smelten

            en rimpelingen ontstaan

                        in de aanzwellende lentebries

kōri-ishi / shiga no karasaki / uchitokete / sazanami yosuru / harukaze zo fuku

Verzameling van gedichten voor een duizend jaren (Senzai wakashū, 1183):

Gedicht op de dag dat de lente aanbrak

春立ちける日よみ侍ける

                        Heer Minamoto no Toshiyori 源俊頼朝臣 (1055?-1129)

            .

de lente nadert

            over Ashita’s vlakte

                        die ik bezie

en dan de nevel die vandaag

            op begint te komen

haru no kuru / ashita no hara o / miwataseba / kasumi mo kyō zo / tachihajimekeru

Nieuwe verzameling van gedichten van vroeger en nu (Shinkokin wakashū, 1216):

Gedicht op het thema ‘de lente breekt aan’

春立つ心をよみ侍ける

                        de Regent en Grootminister van Staat 摂政太政大臣 (Fujiwara no Yoshitsune, 1169-1206)

            .

in fraai Yoshino

zijn bergen in nevel gehuld

            en witte sneeuw

                        ligt gevallen in het dorp

                                    waar de lente is gekomen

miyoshino wa / yama mo kasumite / shirayuki no / furinishi sato ni / haru wa kinikeri

Vanaf het begin van de tiende eeuw werden vorstelijke bloemlezingen van Japanstalige poëzie (chokusen wakashū 勅撰和歌集) samengesteld. Dat waren staatsprojecten, bedoeld om belangrijke en passende poëzie bijeen te brengen én om het idee van de staat te steunen door het blote feit dát er poëzie was. Zulke bloemlezingen, waarvan er in totaal een-en-twintig bestaan, werden altijd op dezelfde manier geordend: zij begonnen met de cyclus van de vier seizoenen. Het jaar begon met de lente, zodat de eerste maand van het jaar in de praktijk meestal grotendeels overlapt met februari en eventueel maart. Alle vorstelijke bloemlezingen openen met een gedicht dat het begin van de lente en daarmee het begin van een nieuw jaar markeert.

Bij deze van de eerste acht vorstelijke bloemlezingen telkens het eerste gedicht. In de drie eeuwen die zij beslaan zie je een verschuiving van gekunstelde verwarring naar (schijnbaar) directe natuurobservaties. Dat is in lijn met de veranderende poëziesmaak aan hof.

De afbeelding toont de openingsgedichten van de eerste acht vorstelijke bloemlezingen, in een kalligrafie van keizer Go-Nara 後奈良天皇 (1497-1557). Collectie National Museum of Japanese History.

de kamer wanhoopt nog niet

            terroristen

.

het is een stille kamer.

zonder deur, maar met een raam.

daar komt iedereen door naar binnen.

daar gaat iedereen door naar buiten.

het is een groot raam.

het is een stil raam.

daarbuiten één grote zee van gras.

            .

als de nacht valt

sluipt het slapeloze paar naar binnen

hun vochtige handen grijpen het raamkozijn

(het paar is poedelnaakt)

(insluipers zijn welkom)

(bezitters zijn ongewenst)

Adam en Eva zijn het niet

het paar gaat niet vaak in bad

en ruikt een beetje vettig

ze hebben misschien geen geld

maar de kamer kan het niet schelen

(insluipers zijn schoon)

(omdat ze naakt zijn, hè)

er is niks in de kamer, dus ze kan gerust zijn

als ze door het raam kijkt waardoor ze naar binnen kwamen

zal ze zich zeker fraai opgewonden voelen

            .

vanuit de kamer heb je een goed uitzicht

op een stad in de verte waar ze niet woonde

op de nachtelijke hemel waarin de sterren krioelen

op de droevige, rollende wolvenogen van het paar

op een uitgestrekte zee van gras

            .

de kamer verlangde

naar een poedelnaakt paar

naar ergens heen te gaan

de kamer voelde

(drie muren, dat is te veel)

(één raam, dat is te weinig)

ze was te beschermd geweest

(met elke spijker was dat haar net iets te diep ingeramd)

            .

die zweetgeur, het poedelnaakte paar

gaat zo gemakkelijk naar buiten

één been over het raamkozijn

zo simpel stort je je in de wind

            .

de kamer wanhoopt nog niet

ze vermoedt dat ze naar buiten kan

er is tenslotte een prima raam

            .

het is een groot raam.

het is een stil raam.

 テロリストたち
            
.
静かな部屋です。
扉がなくて、窓があります。
みんなそこから入ってきます。
みんなそこから出ていきます。
大きな窓です。
静かな窓です。
向こうはいちめん、草の海です。
            
.
夜になると
眠れないふたりが忍びこみます
湿った手を窓のさんに掛けて
(ふたりは、はだかんぼです) 
(侵入者は、歓迎です)
(所有者は、お断り)
アダムやイブではありません
あまりお風呂に入らないふたりは
すこし脂っぽいにおいがします
お金がないのかもしれません
でも部屋は構いません
(侵入者は、清潔です)
(はだかんぼですからね)
部屋にも何もないので安心です
入ってきた窓から向こうを見れば
きっときれいな興奮をするでしょう
            
.
部屋からはよく見えます
遠くに、住むことのなかった街
夜空に、ひどく混雑する星々
ふたりのかなしい狼のぐるぐるまなこ
いちめんの草の海
            
.
部屋は憧れているのでした
はだかんぼのふたりにです
どこかを出ていくことにです
部屋は感じていました
(壁が三方、これは多すぎます)
(窓が一つ、これは少なすぎます)
護られすぎているのでした
(まったく釘もすこし刺さりすぎているのです)
            
.
あの汗臭い、はだかんぼのふたりは
あんなにやすやすと出ていきます
ひとあしに窓のさんを跨いで 
あんなに簡単に風に身を投げて
            
.
部屋はまだ絶望していません
出ていくことができるはずです
いい窓がありますから
            
.
大きな窓です。
静かな窓です。

Ōsaki Sayaka 大崎清夏 (1982) geldt als een van de belangrijkere jonge(re) dichters in Japan op dit moment. In 2014 won zij de belangrijke Nakahara Chūya-prijs voor poëzie met haar tweede bundel. Dit gedicht komt uit haar derde bundel, Een nieuwe woning (Atarashii sumika 新しい住みか, 2018).

In 2019 trad zij op op Poetry International. Klik hier om haar dit gedicht te horen en zien voordragen. Ik vind van de gedichten die zij toen voordroeg dit verreweg het sterkste, vanwege een zekere raadselachtigheid (en toch die suggestie van interne logica) en het idee dat een ruimte (de kamer) zelf observeert en ervaart.

Klik hier voor meer van mijn vertalingen van Ōsaki’s werk.

De tekening is Van Nagasaki Kuniko 長崎訓子, in haar There’s many dog shit in your house (2006).

bergen in een kom wijn

            Op een schildering van een dronken Li Bai

In de wolken om de berg Lu valt in dennen niet te klimmen;

tussen perzikbloesems vraag je naar het rijk van onsterfelijken.

In Chang’an aan de andere kant van een kom wijn:

‘dit is een andere wereld, ver van mensen.’

題李白酔図。盧嶽雲松未可攀。桃花何処問仙寰。長安市上一杯裏。別有天地非人間。

Een kwatrijn van Rai San’yō (1780-1832). Het staat nogal stijf van intertekstualiteit, maar mag vooral gelden als een commentaar op een beroemd Chinees gedicht dat de worsteling tussen een opwindend en een contemplatief bestaan centraal stelt.

Li Bai 李白 (701-762) was een beroemde Chinese dichter, berucht om zijn drankgebruik. Een legende wil dat hij verdronk toen hij in dronkenschap de weerspiegeling van de maan op de Yangtze wilde omarmen. Dat onsterfelijken (senjin 仙人) wonen op een plek waar perziken bloeien is al zeker sinds de vierde eeuw een cliché. Chang’an was China’s hoofdstad toen Li Bai leefde. San’yō’s slotregel citeert de slotregel van Li Bai’s gedicht ‘Vraag en antwoord in de bergen’ (of ‘Dialoog in de bergen’, Ch. Shanzhong wenda, Jp. Sanchū mondō 山中問答).

Hier citeer ik de slotregel in de vertaling van Silvia Marijnissen

Portretten van een dronken Li Bai waren een genrestuk; zie bijv. deze ‘Een stomdronken Li Bai’ (ri haku taisui no zu 李白大酔図) uit 1835, door Nakamura Seikei 中村西渓 (1792-1845), in de collectie van het Tsuruga City Museum.

potscherfpoëzie

Woensdag 16 december jl. kwam het nieuws naar buiten dat het opschrift op drie scherven van een schaaltje uit de twaalfde eeuw is geïdentificeerd als deel van een gedicht:

bergen zijn hoog, dus

wonen ze dan tussen wolken

            de kersenbloesems:

geen dag dat ik niet verlang

            er toch eentje te plukken

yama takami / kumoi ni miyuru /sakurabana / kokoro no yukite / oranu hi zo naki

De scherven waren al in 2000 opgegraven op het terrein van het universitair medisch centrum van de Universiteit van Kyoto, maar nu pas zijn wetenschappers eraan toegekomen de tekst te identificeren. De drie scherven behoren tot een en hetzelfde schaaltje, dat een vermoedelijke diameter van zo’n negen centimeter gehad heeft. Aan elkaar gelegd onthullen de scherven de regels: ‘XXen dag / dat ik niet verlXX er toch eentje te plukken’ (‘kokoro no yuki-XX oranu hi zo XX-ki’; de inktsporen op de derde scherf zijn te onleesbaar). 

Dit is vrijwel zeker de tweede helft van een gedicht in de eerste vorstelijke bloemlezing van Japanstalige poëzie, Verzameling van [Japanse] gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū 古今和歌集, voltooid ca. 914, no. 7.358). Daar heeft het als als inleidende noot (kotobagaki): ‘Dit gedicht werd geschreven op een kamerscherm met afbeeldingen van de vier seizoenen dat gebruikt werd toen de Eerste Kamenierster de viering van het veertigste levensjaar van de Kapitein ter Rechterzijde, heer Fujiwara, organiseerde.’

De Eerste Kamenierster (naishi no kami) was Fujiwara no Manshi 藤原満子 (of Michiko, 874-937), het zusje van de kapitein in kwestie, Fujiwara no Sadakuni 藤原貞国 (?-923). Het kamerscherm betreft een zgn. ‘achterscherm’ (ushiro no byōbu) dat achter de hoofdgast werd geplaatst.

In de Verzameling van gedichten van vroeger en nu is dit gedicht anoniem, maar we weten uit andere bronnen dat het geschreven is door de dichter Ōshikōchi no Mitsune 凡河内躬恒 (actief ca. 900-920). Hij was van relatief lage hofrang en één van de samenstellers van deze Verzameling; misschien dat dat een overweging was om hem niet te noemen. 

De ironie is overigens dat deze vondst uniek is omdat dit het eerste gevonden voorbeeld betreft van poëzie op aardewerk uit specifiek de twaalfde eeuw, maar dat we vrij veel oudere voorbeelden kennen, namelijk van beschreven aardewerk dat uit de negende en tiende eeuw stamt. Vaak, zoals hier vermoedelijk, gaat het om drankschaaltjes (sakazuki ).

Foto’s afkomstig uit de Asahi shinbun van 16 december 2020.

Van honderd dichters één gedicht [1]

[001]   Keizer Tenji 天智天皇 (626-671):

op deze noodhut,

            deze hut in het herfstveld,

                        grof gevlochten riet

waardoor mijn mouwen

            van gedruppel doorweekt raken

aki no ta no / kari-o no io no / toma o arami / waga koromode wa / tsuyu ni nuretsutsu

[002]   Keizerin Jitō 持統天皇 (645-702):

de lente ging voorbij 

            en nu lijkt de zomer aangekomen:

moerbei-witte kleding,

            zo heet het, hangt men te luchten

                        op de hemelse berg Kagu

haru sugite / natsu kinikerashi / shirotae no / koromo hosu chō / ama no kaguyama

[003]   Kakinomoto no Hitomaro 柿本人麻呂 (?-708?):

tergend langzaam

            sleept de bergfazant zijn staart

                        slepend achter hem aan —

in de lange, lange nacht

            lig ook ik alleen op bed

ashibiki no / yamadori no o no / shidario no / naganagashi yo o / hitori kamo nemu

Dichterlijke conventie ging ervan uit dat het mannetje van de bergfazant (yamadori) de nacht gescheiden van zijn vrouwtje doorbracht.

[004]   Yamabe no Akahito 山部赤人 (achtste eeuw):

als ik de Tago-baai 

            in kom, zie ik daar voor me

de moerbei-witte

            hoge top van de Fuji

                        waarop de sneeuw blijft vallen

tago no ura ni / uchiidete mireba / shirotae no / fuji no takane ni / yuki wa furitsutsu

[005]   Senior staatssecretaris Sarumaru 猿丸大夫 (data onbekend):

diep in de bergen

            stappend door rode bladeren

een burlend hert

            te horen roepen: dan pas

                        is de herfst heus op zijn droefst

okuyama ni / momiji fumiwake / naku shika no / koe kiku toki zo / aki wa kanashiki

Het wordt betwijfeld dat Sarumaru werkelijk heeft bestaan. Er is niets over hem bekend. Dit gedicht is als ‘anoniem’ opgenomen in de vroeg-tiende-eeuwse Kokin wakashū (4.215).

[006]   Midden-raadsheer Yakamochi 中納言家持 (718?-785):

eksters spanden

            de hemelse brug waarop

                        rijp zich afzette:

als ik de witheid ervan zie,

            hoe diep in de nacht is het dan!

kasasagi no / wataseru hashi ni / oku shimo no / shiroki o mireba / yo zo fukenikeru

In de legende van de Herder (een ster in de sterrenbeeld Arend of Aquila) en het Weefstermeisje (de ster Vega) vormen eksters (kasasagi) met hun vleugels een brug over de Melkweg waarover deze twee hemelse geliefden elkaar eenmaal per jaar kunnen zien. Dat is op het Tanabata-feest, op de zevende dag van de zevende maand. 

[007]   Abe no Nakamaro 阿倍仲麻呂 (701-770):

over dit hemelveld

            staarde ik toen uit en zag

daar in Kasuga

            van achter de berg Mikasa

                        diezelfde maan opklimmen

ama no hara / furisakemireba / kasuga naru / mikasa no yama ni / ideshi tsuki kamo

Abe no Nakamaro vertrok op jonge leeftijd naar China om daar te studeren. Hij kwam in dienst van het Chinese hof en raakte bevriend met beroemde dichters als Li Bai (701-762) en Wang Wei (699-759). Hij zou nooit meer naar Japan terugkeren. Het was gebruikelijk voor leden van gezantschappen naar China om bij het Kasuga-schrijn bij Nara te bidden voor een behouden terugkeer. Dit gedicht zou Nakamaro in China hebben geschreven.

[008]   De priester Kisen 喜撰法師 (negende eeuw):

een simpele hut

            ten zuidoosten van de hoofdstad

dat is hoe ik woon:

            ‘Uji, Moe-van-de-wereld-berg’

                        schijnt men het wel te noemen

waga io wa / miyako no tatsumi / shika zo sumu / yo o ujiyama to / hito wa iu nari

Ook van Kisen is het de vraag of hij werkelijk heeft bestaan. ‘Moe zijn van de wereld’ (yo o u) is een woordspel met de plaatsnaam Uji, ten zuidoosten van Kyoto. In de klassieke periode gold die plek als afgelegen; zie bijvoorbeeld de setting voor de laatste hoofdstukken van Het verhaal van Genji (Genji monogatari).

[009]   Ono no Komachi 小野小町 (eerste helft negende eeuw):

de kleur van bloesems

            is inderdaad verschoten

geheel vruchteloos

            werd ik in deze wereld oud

                        starend naar eindeloze regen

hana no iro wa / utsurinikeri na / itazura ni / waga mi yo ni furu / nagame seshi ma ni

[010]   Semimaru 蝉丸 (data onbekend):

dit is het! ook

            bij gaan én ook bij terugkomst

het scheiden van elkaar:

bekenden en onbekenden

            hebben hun ontmoeting bij de grenspost

kore ya kono / yuku mo kaeru mo / wakarete wa / shiru mo shiranu mo / ōsaka no seki

Van Semimaru is het alweer de vraag of hij werkelijk heeft bestaan. Ōsaka (niet te verwarren met de moderne havenstad) laat zich vertalen als ‘Ontmoetingsheuvel’.

Ergens tussen 1235 en 1240 stelde de dichter en bloemlezer Fujiwara no Teika 藤原定家 (of Sadaie, 1162-1241) twee verzamelingen van honderd oude gedichten samen, waarvan Hyakunin isshu 百人一首 (‘Van honderd dichters één gedicht’) verreweg de bekendste is. (De ander is Hyakunin shūka 百人秀歌, ‘Van honderd dichters een excellent gedicht’.) Al sinds de tiende eeuw maakte men graag lijstjes van ‘beste dichters’ (kasen 歌仙, ‘dichter-onsterfelijken’) en je kunt Teika’s bloemlezing in die traditie zien; alleen is de zijne veel ambitieuzer. Tot dan toe bestonden zulke lijsten, mét een gedicht als voorbeeld, uit zes of zesendertig namen. Teika wilde niet alleen een overzicht geven van de waka-traditie van de zevende eeuw tot zijn tijd, maar speelde ook met de structuur van de bloemlezing als geheel. Zo spiegelen begin en einde elkaar: de eerste twee gedichten zijn van twee keizers, een vader en een dochter, gevolgd door twee hofdichters uit hun tijd die als poëtische giganten golden, en de laatste twee gedichten zijn weer van twee recente keizers, een vader en een zoon, voorafgegaan door twee gedichten van Teika zelf en van een collega-dichter.

In de vroegmoderne periode (1600-1868) werd de bloemlezing populair als kaartspel (karuta) dat vooral met nieuwjaar nog steeds gespeeld wordt. In die vorm doet het enigszins denken aan ‘Memory’: tussen twee teams liggen honderd kaarten met alleen het laatste deel van elk gedicht. De spelleider draagt het eerste deel van een gedicht voor en deelnemers moeten zo snel mogelijk de kaart met het bijpassende deel pakken. Het succes van het kaartspel zal er zeker aan hebben bijgedragen dat Van honderd dichters één gedicht onder Japanners een van de bekendste waka-bloemlezingen is.

Bij deze de eerste tien gedichten van deze bloemlezing.

een gedicht is het, maar moeilijk voor te dragen

bergen in de herfst

stilletjes trekken wolken

            aan het oog voorbij

aki no yama / shizuka ni kumo no / tōrikeri

vlietende herfst:

tot op de veranda reiken de stralen

            van de neergaande zon

yuku aki ya / en ni sashikomu / hi wa naname

de tsunami trok zich terug,

            hoe ontzagwekkend is het dan:

vroege zomerregen

tsunami satte / ato sasumaji ya / samidare

Waarschijnlijk gedicht naar aanleiding van een tsunami ter hoogte van Sanriku, in noordoost-Japan, in juni 1896.

ziek aangekomen,

            en ziek weer weggegaan: ik

de vogelverschrikker

yande kitari / yande saru ware ni / kakashi kana

vraag het de wind:

waar het eerste, denk je,

            vallen de bladeren?

kaze ni kike / izure ka saki ni / chiru ko no ha

herfstwind!

op weg naar de slacht is

            de kont van een koe

akikaze ya / hofurare ni yuku / ushi no shiri

ver van de wereld

komt mijn hart dan tot rust

            een lentedag

yo no tōki / kokoro hima aru / hinaga kana

ook al regent het,

het is bijna niet te zien: op bloemen

            liggen druppels

furu to shimo / mienu ni hana no / shizuku kana

op het grasveld

in respijt van de hitte

            de droom van een hond

shibakusa ya / kagerō hima o / inu no yume

De hiernavolgende gedichten zijn alle in 1904 geschreven, toen Sōseki experimenteerde met deze terloopse dichtvorm die hij zelf ‘poëzie in de haiku-stijl’ (haitaishi 俳体詩) noemde. Hij liep met deze ‘vrije haiku’ vooruit op de groep rondom Ogiwara Seisensui en Ozaki Hōsai.

de sake smaakt me toch bitter vanavond

sake no aji nigaki ka koyoi

een gedicht is het, maar moeilijk voor te dragen

shi naredomo tonaegatashi

hij tilt zijn kont op en stapt op de fiets

shiri o karagete jitensha ni noru

alleen en naakt steek ik het buitenbad aan

hitori hadaka de suefuro o taku

Een suefuro is een buitenbad in de vorm van een open ton waaronder een houtoven zit om het badwater te verwarmen.

hoe lang is de schaduw van een etend hert!

esa o kuu shika no kage no nagasa yo

in je slaap zal je wel niet dichten

suichū nado te shi nakaran

wanneer Li Bai tegen zijn drankzucht vecht

ri haku no yoi o shinobu toki

Li Bai 李白 (701-762) was een beroemde Chinese dichter, berucht om zijn drankgebruik. Een legende wil dat hij verdronk toen hij in dronkenschap de weerspiegeling van de maan op de Yangtze wilde omarmen.

Natsume Sōseki 夏目漱石 (1867-1916) is in de eerste plaats wereldberoemd in Japan als een van de vaders van de moderne roman. Generaties scholieren lazen en lezen zijn Kokoro (Het hart, ook wel De wegen van het hart, 1914). Zijn portret stond twintig jaar lang (1984-2004) op het bankbiljet van duizend yen (zie afbeelding), het biljet dat in de grootste aantallen het vaakst van eigenaar verwisselt. Minder bekend is dat Sōseki ook een verwoed dichter was. Je zou kunnen stellen dat het schrijven van romans voor hem een dure, programmatische plicht was, die hem fysiek en geestelijk uitputte en vrij snel het graf in hielp, en dat de poëzie hem in die worsteling verlichting schonk.

Van Sōseki zijn ruim 2.500 haiku bewaard gebleven. Hij had grote bewondering voor zijn vriend Masaoka Shiki (1867-1902), die vanaf zijn ziekbed bijna eigenhandig de moderne poëzie vormgaf, en vroeg hem vaak om zijn haiku te beoordelen.

Een andere keer zal ik Sinitische poëzie van Sōseki plaatsen; daarvan schreef hij ook een hoop.