Categorieën
poëzie

kruipend broedsel

Hij stamde af van Kiyo-mori, van wie men zei dat hij een kind was van de 50e Daïri [keizer], Koan-mou-ten-o [Kanmu tennō]; maar dat is een vergissing: want zijn vader was de 72e Daïri, Ziro-kava-no-fowo [Shirakawa (no) hōō], die overleed in de 1e maand van het 3e jaar Nin-fe [Ninpei/Ninpyō 仁平] (1153). Zirokava had hem [Kiyomori] gekregen bij een van zijn concubines, die hij schonk aan Fada-mori [Taira no Tadamori], terwijl zij nog zwanger was [van Shirakawa]. Enige tijd na de geboorte van Kiyo-mori, toen die nog op handen en voeten rondkroop, bracht Fada-mori hem naar de Daïri om hem te tonen en sprak toen deze versregels:

            I moga kao

            Fofo dono ni koso

            Nari ni kiri.

‘Wat moet er worden van de kruipende vrucht van een concubine?’

Zirokava antwoordde hem ter plekke met deze andere versregels:

            Fada-mori torite

            Yashi na-i ni ze yo.

Fada-mori, adopteer hem en zorg voor hem.’

Il descendoit de Kiyo-mori, qu’on disoit issu du 50e Daïri, Koan-mou-ten-o ; mais c’est une erreur : car son père étoit le 72e DaïriZiro-kava-no-fowo, qui mourut le 1er mois de la 3e année Nin-fe (1153). Zirokava l’avoit eu d’une de ces concubines, dont il fit présent à Fada-mori, lorsqu’elle étoit encore enceinte. Quelque temps après la naissance de Kiyo-mori, et lorsqu’il rampoit encore sure les pieds et les mains, Fada-mori le porta au Daïri pour le lui montrer et lui dit ces vers :
            I moga kao
            Fofo dono ni koso
            Nari ni kiri.
« Que doit devenir le fruit rampant d’une concubine ? »
Zirokava répondit sur-le-champ par ces autres vers :
            Fada-mori torite
            Yashi na-i ni ze yo.
« Fada-mori, adoptez-le, et prenez soin de lui. »

Isaac Titsingh, Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns, red. Jean Pierre Abel Rémusat (Parijs: A. Nepveu, 1820), p. 14-15. ‘Koan-mou-ten-o’ is de vorst Kanmu (Kanmu tennō 桓武天皇, 737-806). De ‘Dharmavorst’ Shirakawa (Shirakawa hōō 白河法王, 1053 -1129) was een invloedrijke ‘teruggetreden vorst’ (in 院); in 1153 was hij overigens al vierentwintig jaar dood. Taira no Tadamori 平忠盛 (1096-1153) was de vader van Taira no Kiyomori 平清盛 (1118-1181), een van Japans belangrijkste machtspolitici in de late twaalfde eeuw. Inderdaad is er de legende (die zelfs op zijn Japanse Wikipedia-pagina wordt herhaald) dat Kiyomori een bastaardzoon van Shirakawa zou zijn.

Ik vermoed dat dit de allereerste keer is dat een Nederlander melding maakt van het Japanse fenomeen ‘kettingvers’ (renga 連歌). Deze passage komt uit een postuum uitgegeven, Franstalig boek van Isaac Titsingh (1745-1812), die drie keer opperhoofd (directeur) was van de Nederlandse handelsvestiging op het kunstmatige eilandje Dejima in de haven van Nagasaki.

In zijn eind vorig jaar verschenen monsteroverzicht van het Japanse kettingvers (slechts 1102 pagina’s), stelt Mack Horton dat deze regels in de Engelse vertaling uit 1822 van Titsinghs boek tot de oudste Engelse vertalingen van Japanse poëzie behoren. [Horton 2025, p. 37, 852 (noot 45).] Frank Lequin stelt dat Titsingh de eerste Europeaan was die die Japanse ‘haiku’ (lees: traditionele poëzie) vertaalde. [Lequin 2002, p. 207.]

Vier jaar geleden schreef ik hier: ‘Bij mijn weten zijn De Vissers vertalingen in de voetnoot op p. 22 van zijn Oud en nieuw Japan (1913) de vroegste Nederlandse vertalingen van waka die direct uit de brontaal zijn gemaakt.’ Puur naar de letter leek me dat nog steeds zo, omdat de Nederlandse versie uit 1824-1825 van Titsinghs boek een vertaling is naar de Engelse vertaling van het Franse origineel en Titsinghs Franse vertaling daarin—dus drie keer verwijderd van het Japans. Hoe dan ook hebben we met Titsingh echt te maken met een Nederlander die begin negentiende eeuw met een (Franse) vertaling komt van Japanse poëzie — al blijft onduidelijk in welke mate hij het Japanse origineel echt goed lezen kon.

Titsingh was een zeer succesvolle werknemer van de VOC, de handelsorganisatie en staat-binnen-de-staat waarin hij uiteindelijk opklom tot een van de hoogste posities. Behalve een benoeming als gouverneur van de VOC-handelspost in Chinsura, Bengalen, en een diplomatieke missie naar de Qianlong-keizer van China in 1795, bracht Titsingh in totaal zo’n 35 maanden door in Japan, verdeeld over drie benoemingen als opperhoofd van de VOC-factorij op Dejima (1779-1780, 1781-1783 en 1784), waarbij hij in 1780 en 1782 de toen nog jaarlijkse hofreis naar Edo meemaakte. In 1794 werd hij gepolst voor de post van Gouverneur-Generaal in Batavia, de hoogste bestuurspost in Azië die de VOC te vergeven had. Titsingh weigerde, omdat hij naar Europa terug wilde om zijn levenswerk te voltooien: een veel omvattende studie van Japan. In Europa belandde hij uiteindelijk in 1801 in Parijs en had daar vanaf 1806 een eigen woning, waar hij in februari 1812 zou overlijden. [Boxer 1950; Lequin 2002; Screech 2006.]

Titsingh schreef zijn boek na terugkeer in Europa in 1796. De aanname is dat hij zijn veelomvattende studie van geschiedenis en verschillende cultuuraspecten van Japan in het Nederlands schreef. Een Nederlandstalig manuscript, in Titsinghs eigen handschrift (autograaf) ligt in de Koninklijke Bibliotheek, dat daar in 1938 door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen is gedeponeerd. [Lequin 2002, p. 209.]

Omdat rond 1810 een Nederlandstalige uitgave niet te realiseren leek, werkte Titsingh zijn tekst om naar het Frans. Ook deze Franse tekst verscheen niet tijdens zijn leven. Het was pas acht jaar na Titsinghs overlijden in Parijs dat het tot een Franstalige uitgave kwam. Die uitgave verscheen in 1820 onder redactie van de Franse sinoloog Jean Pierre Abel Rémusat (1788-1832) — mogelijk met hulp van zijn Duitse collega Julius Klaproth (1783-1835), die wél (tot op zekere hoogte) Japans kon lezen in 1815 in Parijs was komen wonen. De Franse uitgave betrof een groot deel —dat wil zeggen: twee van de drie door Titsingh beoogde delen— van het manuscript, en kreeg als titel Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns. Die Franse versie was succesvol genoeg om naar het Engels te vertalen en verscheen in 1822 in Londen onder de titel Illustrations of Japan. Deze Engelse vertaling werd weer de basis voor een tweedelige Nederlandse vertaling die als Bijzonderheden over Japan in Den Haag in 1824 en 1825 werd uitgegeven. [Lequin 2002, p. 213; Screech 2006, p. 2-3.]

In 2006 publiceerde Timon Screech een opgeschoonde bloemlezing van de Engelse vertaling uit 1822: Secret Memoirs of the Shoguns.

De passage in kwestie in de Nederlandse vertaling uit 1825 van Titsinghs boek, naar de Engelse vertaling die weer gebaseerd is op de Franse uitgave. Titsingh, Bijzonderheden over Japan, tweede deel, p. 17. Universiteitsbibliotheken Leiden, Bijzondere Collecties (355 E 16).

                                    *   *   *   *   *

Strikt gesproken hebben we in deze passage in Titsinghs boek te maken met een vroege vorm van het kettingvers die bekend staat als ‘kort kettingvers’ (tanrenga 短連歌). Verreweg de meeste waka uit de klassieke hofperiode, en ook wel daarna, laten zich in tweeën delen, waarbij het ritme dan bestaat 5-7-5 en vervolgens 7-7 morae (soms ook: 5-7 / 5-7-7). Vandaar dat poëtica’s wel spreken van een eerste (kami no ku 上の句) en een tweede versdeel (shimo no ku 下の句). Die twee versdelen hebben doorgaans een verschillende functie: observatie en reactie daarop bijvoorbeeld (of juist omgekeerd), of contrast en verwarring. Al vroeg opende dat de ogen van Japanners voor de mogelijkheid om samen één waka te maken waarbij elke dichter slechts een versdeel voor eigen rekening nam en zo dus een heel korte ‘ketting’ van slechts twee schakels ontstond.

De locus classicus van het (korte) kettingvers is de ontmoeting, vermeld in de vroeg-achtste-eeuwse Aantekeningen van oude zaken (Kojiki 記事記, 712), op de berg Tsukuba tussen de mythische held Yamato Takeru 倭建命 en een oude man die samen in een vraag-en-antwoord-constructie een sedōka (5-7-7-5-7-7 morae) creëren.

Vanaf de vroege twaalfde eeuw zie je dat twee hovelingen steeds vaker de twee versdelen gebruiken om samen één waka te maken als een meer reguliere vorm van dichterlijke conversatie. Dat is het moment dat tanrenga een zichtbaar onderdeel van poëziepraktijk wordt dat zich later zal ontwikkelen tot het middeleeuwse kettingvers—dat wel honderd schakels kennen kan.

                                    *   *   *   *   *

Helemaal waanzinnig vind ik dat Titsingh hier gebruik maakt van een verhaal dat teruggaat op een middeleeuwse tekst, Het verhaal van het Huis van Taira (Heike monogatari 平家物語). Ruwweg halverwege dat epos wordt stilgestaan bij de theorie dat Taira no Kiyomori 平清盛 (1118-1181), de pater familias van het tijdens zijn leven oppermachtige ‘Huis van Taira’, eigenlijk de zoon van een keizer was en er dus vorstelijk bloed door zijn aderen stroomde. Dat verklaarde dan waarom Kiyomori zo succesvol kon zijn; hij kreeg duwtjes in zijn rug van zijn biologische vader.

In deze theorie was Kiyomori’s moeder, ‘Vrouwe Gion’, een geliefde van de teruggetreden vorst Shirakawa 白河院 (1053-1129), die haar bezwangerde. Een van Shirakawa’s lijfwachten, Taira no Tadamori 平忠盛 (1096-1153), bewees hem een grote dienst en als dank schonk de teruggetreden vorst hem de zwangere Vrouwe Gion. Als het kind een meisje zou zijn, dan zou Shirakawa haar als dochter erkennen, maar als het een jongetje bleek, dan moest Tadamori hem als zijn eigen zoon opvoeden. Zoals de Heike monogatari meldt, ‘toen baarde zij een jongetje’ (sunawachi nan o umeri すなはちなんをうめり). [SNKBZ 45, p. 462.]

[Tadamori] probeerde [Shirakawa] hiervan [d.w.z. de geboorte van Kiyomori] op de hoogte te stellen, maar daartoe deed zich nooit een gelegenheid voor. Toen ging de Teruggetreden Vorst Shirakawa op pelgrimage naar Kumano en in de plaats Itogasaka in de provincie Kii liet hij zijn draagstoel neerzetten om daar enige tijd een rustpauze te nemen. In een bosje daar groeiden veel broedbolletjes van zoete aardappelen; Tadamori plukte er wat van, legde dat in zijn mouw, ging op audiëntie bij de vorst en sprak:

            dit aardappelbroed

            kan inmiddels al kruipen

                        zo groot werd het al

imo ga ko wa / hau hodo ni koso / narinikere

De Teruggetreden Vorst begreep hem meteen en vulde zijn gedicht aan met:

            pluk het maar, Tadamori,

                        en koester het als leeftocht

tada moritorite / yashinai ni seyo

このことそうもんせんとうかがひけれども、しかるべき便びんもなかりけるに、ある時しらかはゐんくまかうなりけるが、くにいとがさかといふ所に、おん輿こしかきすゑさせしばらく御きうそくありけり。やぶにぬかのいくらもありけるを、忠盛そでにもりいれてぜんへ参り、
  いもが子ははふ程にこそなりにけれ
と申したりければ、院やがて御心得あッて、
  ただもりとりてやしなひにせよ
とぞつけさせましましける。

Heike monogatari, boek 6 (sectie 10, ‘Gion nyōgo’ 祇園女御 [‘Vrouwe Gion’]). [SNKBZ 45, p. 463.] Voor een variante vertaling, zie: Jos Vos, vert., De val van de Taira (Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2022), p. 343-344.

Titsingh levert in zijn versie een klein meesterstuk af, wat mij betreft. In de transcriptie is hier en daar wat fout gegaan (‘Fofo dono’ in plaats van hau hodo, ‘Fadamori’ voor Tadamori) en de woordafbrekingen zijn curieus, maar Titsinghs vertaling is helemaal correct (zo behoudt hij ‘kruipend’, Fr. rampant, voor hau 這ふ).

De Franse vertaling van dit korte kettingvers is, nemen we aan, van Titsingh zelf, naar zijn onuitgegeven Nederlandse Urtext. [Lequin 2002, p. 209, 215.] Er heeft in de achterhoede van de weinigen die zich met Titsingh bezig hebben gehouden een discussie gewoed over de vraag in welke mate hij het Japans (en klassiek Chinees) beheerste. Timon Screech is het meest uitgesproken in zijn twijfel aan Titsinghs vermogen in zo korte tijd op dat niveau Japans geleerd te hebben. Titsingh zelf lijkt beweerd te hebben dat hij in twee jaar Japans geleerd had [Screech 2006, p. 3, 220 (noot 10).] en Japanse kennissen van hem waren onder de indruk van in ieder geval de ijver waarmee hij Japans leerde. [Boxer 1950, p. 146-147.] 

Zeer waarschijnlijk lijkt me dat Titsingh flink hulp gehad heeft bij het vertalen, zeker bij deze gedichten. De transcriptiefouten (‘fofo dono’ betekent niks, bijvoorbeeld, en is sowieso a far cry van hau hodo) suggereren een beperkte kennis van het Japans. Dat doet verder niets af aan de wonderbaarlijkheid van zijn tekst.

Het een-tweetje tussen Shirakawa en Tadamori hangt van woordspel aan elkaar. Tadamori gebruikt de broedbolletjes van de wilde, zoete aardappelen (Eng. yams, Jp. nukago ぬか子, var. 零余子 [modern Jp. mukago]), waarin het woord voor ‘kind’ verstopt zit (ko ), als beeldspraak voor het kind dat Shirakawa verwekt heeft bij Vrouwe Gion. Daarbij laat hij in het midden wiens kind dit is, omdat de frase imo ga ko (‘aardappelbroed’*) ook nog begrepen kan worden als ‘mijn zusters kind’ (妹が子). Op zijn beurt koppelt Shirakawa ‘plukken’ (moru, mori-) aan Tadamori’s naam en geeft impliciet aan dat, door de jonge Kiyomori te adopteren, Tadamori mag rekenen op zijn blijvende steun (yashinai 養ひ, ‘leeftocht’).

*) Jos Vos (2022) en Royall Tyler [vert. The Tale of the Heike (New York/Londen; Viking/Penguin, 2012), p. 337-338.] kozen beiden voor respectievelijk ‘spruit’ en ‘[sweet] sprout’, wat gegeven de plantaardige associatie een mooie vertaaloplossing is.

                                    *   *   *   *   *

Afgelopen week zag ik kans om de Bijzondere Collecties van de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag te bezoeken. 

(We —of alleen ik— zijn al zo ver afgegleden, dat elke keer dat ik onderzoek doe, het voelt als spijbelen, terwijl het toch echt in mijn taakomschrijving staat. Ik werd er voortdurend gebeld vanwege Dingen in de Wereld, zodat ik tussen het lezen van manuscripten door me in de zwarte ‘bel-cel’ in de KB moest opsluiten voor overleggen.)

De reden voor dat bezoek was dat ik bij Frank Lequin in zijn Titsingh-biografie uit 2002 gelezen had dat er in de KB een autograaf van Titsingh ligt van diens manuscript dat na zijn dood bewerkt zou worden tot Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns. De KB bezit zelfs twee versies van dat manuscript; het tweede manuscript is een kopie van de eerste, waarschijnlijk gemaakt met oog op publicatie. 

Dat tweede manuscript is een net afschrift (duidelijk in andere hand dan die van Titsingh) van Titsinghs manuscript, getiteld Nipon-O-day-itje-ran of Verslag van de Regeering der Dayris van Japan (signatuur KA.147: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’). Dit manuscript bevat een aantal landkaarten in kleur en een tekening van de uitbarsting van de vulkaan Asama in 1783. [Voor een reproductie van die laatste, zie Lequin 2002, p. 69, afb. 22.]

Mij ging het natuurlijk vooral om het manuscript dat eigenhandig door Titsingh is geschreven. Het is getiteld Tydrekening der Japanners en Chinesen (signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’), en heeft als vroegste datering 1807. 

(Op losse vellen zijn er aantekeningen in het manuscript gestopt van Titsingh met onder meer afschriften van brieven uit 1809 en 1810, en rapportages van latere lezers uit 1812, 1832 en 1833. Het geheel zit een map met opschrift ‘Mr. I. Titsingh over Japan’. De map is mogelijk bewerkt met arsenicum‚ blijkbaar niet ongebruikelijk rond 1800, zodat een mens die met medische handschoenen hanteren moet. Ik had dat nog niet eerder meegemaakt.)

Het was voor mij een ontroerend moment de bewuste passage in Titsinghs handschrift te zien. In bruin geworden inkt op papier stond daar toch echt dat korte kettingvers van Shirakawa en Tadamori, met een Nederlandse vertaling. Ik moest duidelijk mijn opmerking van vier jaar geleden herzien: in 1807 of mogelijk zelfs wat eerder —en dan ongetwijfeld op basis van aantekeningen uit de jaren ’80 van de achttiende eeuw— schreef een Nederlander een Nederlandse vertaling op van een Japanse gedicht, uit de brontaal. Die mijlpaal kon zo ruim een eeuw eerder gelegd worden. Niet De Visser in 1913 maar Titsingh in mogelijk al 1782 of 1783 en in elk geval in 1807 produceerde de eerste vertaling direct uit het Japans van flarden poëzie.

De passage in het manuscript is als volgt. Er zitten een paar verschillen met de Franse vertaling.

[…] hy was een nazaat van Kiyo Mori, die men wil dat van den 50sten Dayri Kwanmoe-ten-O afstamde, doch ten onregten, wijl hij een zoon was van den 72sten Dayri Zirokava-no-Fowo. Zijn schoonvader Tada Mori, in de 1ste maand van het 3de jaar der nengo Nin-fe (1153) overleden, stamde van KwanmoetenO af: Zirokava-no-Fowo gaf een zijner byvrouwen aan Tada Mori, zij was toen zwanger, en beviel van Kiyo Mori: Tada Mori bragt hem toen hij nog op handen en voeten kroop by den Dayri om hem zijn Vader te doen zien, aan wien hy in het volgende vaers vroeg

                        Imo ga ka O

                        Fo fo dono ni ko so

                        na ri, ni ki ri

            Wat moet vande kruipende vrucht van een byvrouw worden?

Zirokawa antwoorde terstond met de slotregels

                        Tada Mori torite

                        Ja si na i ze jo

            Tada Mori neem hem aan, en breng hem groot.

Isaac Titsingh, Tydrekening der Japanners en Chinesen (manuscript, 1807), p. 414-415. Bijzondere Collecties, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag (signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’).

Je kan zeggen: klein bier, maar het valt op dat de informatie in Titsinghs manuscript historisch correct is en dat er in de Franse vertaling (1820) een aantal fouten is geslopen, die vervolgens consciëntieus zijn doorgegeven aan de Engelse (1822) en Nederlandse (1824-1825) vertalingen. Het is bij Titsingh niet de vorst Shirakawa die in 1153 sterft, maar Taira no Tadamori: dat klopt. Dat de Taira-tak waarin Tadamori geboren werd ‘afstamde’ van de vorst Kanmu klopt ook. Dat Titsingh dat benadrukt lijkt voort te komen uit een poging tot verklaring: dat mensen dachten dat ook Kiyomori van Kanmu afstamde was dan omdat ze er ‘ten onregte’ van uitgingen dat Tadamori de biologische vader van Kiyomori was. (Er waren verschillende ‘clans’ die hun afstamming terugvoerden op de zoon van een vorst die de zoon in kwestie had ‘gedegradeerd’ tot gewone hoofse sterveling. Die daad werd gesymboliseerd door het schenken van een clannaam. ‘Taira’ is zo een naam; ‘Minamoto’ is een ander.) Ook transcribeert hij de naam van Tadamori correct; ik meen tenminste in zijn handschrift echt een ‘T’ te zien staan en geen ‘S’.

Interessant is dat Titsingh de Japanse term ‘nengo’ (nengō 年号) gebruikt. Nengō, of ‘periodenamen’ (meer letterlijk ‘jaarnamen’) waren in Oost-Azië de gebruikelijke manier om tijd te ordenen. Japan gebruikt de nengō nog steeds, maar sinds 1868 lopen die parallel met de regeerperiode van een keizer. (Zo leven we nu in het achtste jaar van de Reiwa-periode.) In premoderne en vroegmoderne perioden hadden regeerperioden en periodenamen niets met elkaar te maken. Ninpyō of Ninpei (‘Ninfe’) is de periodenaam voor het tijdvak 1151-1153. Titsingh was lichtelijk geobsedeerd door Japanse tijdbalken, heb ik het idee, dus heel verrassend is dit detail nu ook weer niet.

                                    *   *   *   *   *

In een volgende blogpost hoop ik terug te komen op Titsinghs interesse in Japanse poëzie. Zijn boek is gelardeerd met geciteerde waka en bevat zelfs een kort opstel over het onderwerp. Dat wist ik op zich wel (een en ander is ook opgenomen in Timon Screechs Engelse editie van 2006), maar nu pas besef ik dat Titsinghs Nederlandse origineel onder handbereik ligt. We hoeven niet meer te speculeren wat zijn vroege vertalingen hadden kunnen zijn, maar we kunnen het nalezen, in zijn eigen handschrift.

                                    *   *   *   *   *

Ik las:

  • C.R. Boxer, Jan Compagnie in Japan, 1600-1850 (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1950). [M.n. hoofdstuk 7, p. 135-172: ‘Isaac Titsingh, 1745-1812’.]
  • Heike monogatari 平家物語, ed. Ichiko Teiji 市古貞次, Shinpen nihon koten bungaku zenshū (SNKBZ) 44-45 (Tokyo: Shōgakukan, 1994).
  • H. Mack Horton, Linked Verse in Japan: History, Commentary, Performance (New York: Columbia University Press, 2025).
  • F. Lequin, Isaac Titsingh (1745-1812), een passie voor Japan: leven en werk van de grondlegger van de Europese Japanologie (Alphen aan den Rijn: Canaletto/Repro-Holland, 2002).
  • Timon Screech, red., Secret Memoirs of the Shoguns: Isaac Titsingh and Japan, 1779-1822 (Londen/New York: Routledge, 2006).
  • Isaac Titsingh, Tydrekening der Japanners en Chinesen (manuscript, 1807). Bijzondere Collecties, Koninklijk Bibliotheek, Den Haag; signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’.
  • Isaac Titsingh, Mémoires et anecdotes sur la dynastie régnante des Djogouns, red. Jean Pierre Abel Rémusat (Parijs: A. Nepveu, 1820).
  • Isaac Titsingh, Illustrations of Japan, vert. Frederick Shoberl (Londen: R. Ackermann, 1822).
  • Isaac Titsingh, Bijzonderheden over Japan, tweede deel, vert. uit het Engels (Den Haag: Weduwe Johannes Allart, 1825).

De afbeeldingen boven aan de blogpost tonen respectievelijk: [Links:] delen van pagina’s 414 en 415 in Titsinghs manuscript Tydrekening der Japanners en Chinesen (gedateerd 1807). Bron: Bijzondere Collecties, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag (signatuur KA.146: Titsingh, ‘Werken over Japan en China’). [Rechts:] ‘Een afbeelding van een rokende Hollander’ (Orandajin tabako o suu zu 和蘭おらんだじん食煙たばこをす), toegeschreven aan Araki Jogen 荒木如元 (1765-1824), met als bijschrift ‘Een zwarte slaafgemaakte staat naast hem met een zilveren dienblad met daarop een asbak en een tondeldoos’ (meshitsukai no kurobō ginban ni haifuki to hi-ire to o nosete katawara ni tateri 奴隷めしつかひのくろぼうぎんぼん唾壷はひふきいれとをのせかたはらにたてり). Vermoedelijk eind achttiende eeuw. Slaafgemaakten zijn vrij onzichtbaar in de VOC-archieven, behalve bij verkoop of vermoede overtreding, maar Japanners waren zeer geïnteresseerd in de tot dienst gedwongen Aziatische jongens (want dat waren ze meestal) die de Nederlanders naar Dejima meebrachten. Isaac Titsingh zal er in zijn tijd in Japan allicht zo hebben uitgezien als de man links. Bron: Boxer, Charles Ralph, ‘“The Mandarin at Chinsura”: Isaac Titsingh in Bengal, 1785-1792’, Koninklijke Vereeniging Indisch Instituut: Mededeling No. LXXXIV, Afdeling Volkenkunde, No. 32 (1949), p. 3-28 (afbeelding tegenover p. 3).

Categorieën
poëzie

het mysterie van de mensenziel

            Drie gedichten over angstaanjagende dingen:

   物歌三首

hoog in de hemel

in het veld van Sasara

            steppegras snijden

gras snijden in het grasmaaiveld

            stijgt plots een kwartel op

ame naru ya / sasara no ono ni / chigaya kari / kaya karibaka ni / uzura o tatsu mo

天尓有哉神楽良能小野尓茅草苅々々婆可尓鶉乎立毛

het diepe achterland

waarover de vorst heerst die

            in zijn gelakte boot

zijn okergelakte boot

            de poort der goden passeert

okitsukuni / ushihaku kimi ga / nuriyakata / ninuri no yakata / kami ga to wataru

奥國領君之柒屋形黄柒乃屋形神之門渡

‘Het diepe achterland’ (okitsukuni) is hoogstwaarschijnlijk een verwijzing naar het dodenrijk (de Gele Bronnen, yomi 黄泉) dat zich aan de andere kant van de zee bevinden zou.

als mensenziel

            helblauw ben jij geworden

helemaal alleen

ontmoet op een regennacht

            ervaar ik weer jouw uitvaart

hitodama no / sao naru kimi ga / tada hitori / aerishi amayo no / haburi zo omou

人魂乃佐青有公之但独相有之雨夜乃葉非左思所念

Over de juiste lezing van de laatste ‘regel’ (in achtste-eeuws schrift weergegeven als: 葉非左思所念) bestaat grote onduidelijkheid en onder schriftgeleerden flinke onenigheid. Vier in tekstedities genoemde mogelijkheden zijn: haburi o zo omou, hae to so omou, haburi shi omooyu en hahisa shi omooyu. Die onduidelijkheid geeft ook aan dat we niet echt weten wat er met die woorden bedoeld wordt: ‘This poem cannot be completely understood because of mysterious word (or words) papïsasi [hahisa shi] on line five.’ (Alexander Vovin, Man’yōshū Book 16 [Leiden: Brill, 2021], p. 186.) Mijn vertaling is dus maar één van de mogelijkheden. Ik had natuurlijk kunnen kiezen voor de op zich eerlijke non-oplossingen in de moderne tekstedities van uitgevers Shōgakukan (SNKBZ 9, 1996, p. 142) en Iwanami Shoten (SNKBT 4, 2003, p. 70): respectievelijk ‘葉非左が思われる’ (‘ik moet denken aan 葉非左’) en ‘葉非左思所念’ — beide dus zonder zelfs maar een transcriptie te geven, en SNKBT zonder ook maar iets te doen met ‘denken’ of ‘voelen’ (omouomooyu 所念). Zij zijn niet de enige tekstedities die het woord laten voor wat het is. Wel kunnen we gokken wat die woorden zouden kunnen betekenen. Ik wil begrijpelijkheid suggereren en grijp hier daarom terug op Sasaki Nobutsuna’s 佐佐木信綱 (1872-1963) Hyōshaku Man’yōshū 評釈万葉集 6 (Tokyo: Dainihon Insatsu, 1953; deel 6 van Sasaki’s Verzameld werk 佐佐木信綱全集), p. 155. Edwin Cranston (The Gem-Glistening Cup [Stanford: Stanford University Press, 1993], p. 763) deed hetzelfde, zie ik.

Man’yōshū boek 16, nos. 3909-3911 (var. 3887-3889).

Op de linkerpagina: een ‘mensenziel’ (hitodama). De illustratie komt uit Konjaku gazu zoku hyakki 今昔画図続百鬼 (‘Vervolg op De geïllustreerde honderd monsters van vroeger en nu’, 1779) van Toriyama Sekien 鳥山石燕 (1712-1788). Collectie Kyushu University Library. Te zien is een hitodama de in vorm van een wolk die vermoedelijk uit de mond van een overledene ontsnapt. De begeleidende tekst is:
 
Mensenziel. Botten en vlees keren terug naar de aarde, en iets als de ziel zal zeker heengaan. Mensen die dit zien moeten heel snel de zoom van hun kleding vastbinden en de riten ter nagedachtenis van de gestorvenen uitvoeren.’
 
  ひとだま
こつにくつちに返し、こんの如きはゆかざることなし。みる人速に下がへのつまをむすびて招魂の法を行ふべし。

Dit zijn de laatste drie gedichten van boek 16 van de achtste-eeuwse bloemlezing van Japanse poëzie (waka), de Man’yōshū 万葉集 (Verzameling voor een tienduizend generaties). 

Drie gedichten ‘over angstaanjagende dingen’ of ‘over bang zijn voor dingen’ (osoroshiki mono, var. mono ni osoru ). Misschien zou het beter zijn om te zeggen: drie gedichten ‘over schrikken’. Het eerste gedicht draait, zo lijkt het, om de schrik die je hebben kan bij een plots uit het hoge gras of riet opstijgende vogel. Maar dan wordt het allemaal een stuk ontzagwekkender, want de twee daaropvolgende gedichten gaan over de dood.

Het mythische veld van Sasara (sasara no ono) bevindt zich niet op aarde, maar in de hemel (ame naru = ame ni aru). Dat roept de vraag op waar we de dichter moeten plaatsen. Is het wel een mens die hier spreekt?

De okergeel gelakte boot (of misschien zelfs een ‘woonboot’; yakata 屋形 is een boot met een dak) is van een vorst die heerst over ‘het diepe achterland’ (okitsukuni) oftewel het dodenrijk, dat zich aan de andere kant van de zee bevinden moet. Een omineuze boot dus, die dan ook nog eens langs een poort van godheden (kami no to 神之門) vaart. Het gedicht benoemt de aanblik van krachten en werelden waarmee niet te spotten valt en die een mens het liefst op afstand houden zou.

Het is een bevreemdende maar ook fascinerende sequentie, van schrik voor iets onverwachts naar ontzag voor iets onbeheersbaars. Het derde gedicht maakt de confrontatie met —of in ieder geval verwijzing naar— de dood concreet en nabij. Dat kimi ( of ) kan verschillende dingen betekenen. De kimi in het tweede gedicht is zonder twijfel een zelfstandig naamwoord: een ‘vorst’, de koning van het dodenrijk. De kimi in het laatste gedicht daarentegen lijken we te moeten begrijpen als een persoonlijk voornaamwoord: een ‘u’ of een ‘jij’.

De eenzame dichter heeft ’s nachts in de regen een ontmoeting met de ‘mensenziel’ (hitodama 人魂) van iemand die hij persoonlijk gekend heeft. Die ziel doet zich voor als iets helblauws (sao naru 佐青有). De Pavlov-reactie —van mij althans— is te denken aan de blauwige vuurbollen die door Japans duister zweven en de zielen van overledenen zijn (een categorie verschijningen die nogal eens overlapt met de spookachtige ‘vossenvuren’, Jp. kitsunebi 狐火, Eng. fox fires). Alleen is het zo dat ik niet weet of die visualisering veel ouder is dan de vroegmoderne periode (1600-1868) en dus inderdaad al in de zevende of achtste eeuw bestond.

Zo komen we bij die raadselachtige laatste regel van het laatste gedicht van dit deel van de Man’yōshū: 葉非左思所念. Zo raadselachtig is die dat moderne tekstedities de neiging hebben er niks mee te doen en die zes schrifttekens maar zo te laten staan. Toch kunnen we wel iets ervan aftasten. De laatste twee karakters 所念 suggereren toch heel sterk een vorm van het werkwoord omou 念ふ (of 思ふ, var. omooyu 思ほゆ), ‘denken’ of ‘voelen’ (en ‘wensen’, ‘twijfelen’, enz.: het is een multi-inzetbaar werkwoord). Het is dus niet zo raar om aan te nemen dat deze ontmoeting met die herkende, geïdentificeerde (‘jij’!) blauwige ‘mensenziel’ gedachten of herinneringen oproept aan 葉非左. (Dat vierde karakter is waarschijnlijk een partikel dat nadruk geeft: shi of so of zo.) Het is waar dat niemand dat woord 葉非左 heeft weten thuis te brengen. Aannames doen kan natuurlijk wel. Vandaar dat sommige tekstbezorgers ervoor kiezen de drie schrifttekens te lezen als haburi , ‘uitvaart’ of begrafenis. Hoe je van iets als hahisa (Oud-Japans: papïsa; wat tenminste een verklaarbare lezing is) naar hahuri/haburi springen kan, begrijp ik niet. Maar een filoloog in het nauw maakt rare sprongen, blijkbaar.

Boven verwees ik al naar tekstedities die 葉非左 laten voor wat het is. Ook twee andere tekstedities thuis in de kast laten het woord onaangeraakt:

  • Nakanishi Susumu 中西進, Man’yōshū zen’yakuchū 万葉集全訳注 deel 4 (Tokyo: Kōdansha, 1983, 201934), p. 62.
  • Itō Haku 伊藤博, Man’yōshū 万葉集 deel 2 (Tokyo: Kadokawa Shoten, 1985, 19873), p. 217.

[Voor Leidse filologen:] J.L. Pierson Jr. haalt ergens een variante notatie van die laatste regel vandaan. Hij geeft: […] 雨夜葉 / 非左思久所念, wat hij glost als ama-yo va / visasiku omovoyu! (MJ amayo wa / hisashiku omooyu). Dat vertaalt hij dan als ‘I must long think of it’ (want hisashiku begrijpt hij dan uiteraard als ‘gedurende lange tijd’ o.i.d.). Dat ha (OJ pa) 葉 vat hij dus op als topic-partikel dat bij ameyo (‘regennacht’) hoort en niet als eerste deel van een nieuw woord. Voor deze interpolatie van [hisashi-]ku 久 vertrouwt hij op ‘Keitśû’ — dat zal een verwijzing zijn naar Keichū’s 契沖 (1640-1701) Man’yō daishōki 万葉代匠記 uit 1688. Pierson noemt wel variante lezingen als hisashi to zo omou, maar verwerpt die dus.

  • J.L. Pierson Jr., The Manyôsú Book XVI (Leiden: E.J. Brill, 1963), p. 143-144.

De drie gedichten bouwen naar een intrigerend ritme toe: niet ‘hink-stap-sprong’ maar ‘stap-sprong-hink’.

                                    *  *  *

Het derde gedicht is dus eigenlijk onvertaalbaar omdat we niet begrijpen wat er staat. Bij deze vijf andere oplossingen die al net zo misleidend zijn als de mijne, door ofwel weg te laten ofwel te verzinnen.

            .

1000 Poems from the Manyōshū: The Complete Nippon Gakujutsu Shinkokai Translation (Mineola: Dover Publications, 2005; oorspronkelijk The Manyoshu: One Thousand Poems Selected and Translated from the Japanese [Tokyo: Iwanami Shoten], 1940), p. 314 (no. 1000):

            A fearful thing

I remember ever so long

That rainy night, when all alone

I met you with your face ghastly pale

Like a spectral fire.

Met een noot: ‘Hitodama, here rendered as “spectral fire,” is a luminous manifestation in the form of a ball of phosphorescent fire. It is supposed to emanate from a dead body.’

                                    *

J.L. Pierson Jr., The Manyôsú Book XVI (Leiden: E.J. Brill, 1963), p. 143 (de cijfers slaan op de regels van het origineel):

(1/2) A human soul’s green-bluish being, (3) only alone, (4/5) to meet on a rainy night, I must long think of it.

Het lijkt me goed om te benadrukken dat Piersons vertaling een plaats heeft in wat in essentie een historisch-taalkundige studie is, geen literair project.

                                    *

H.H. Honda, The Manyoshu: A New and Complete Translation (Tokyo: Hokuseido Press, 1967), p. 287:

            3 songs on frightening things

                        Author unknown […]

When on a dreary rainy night

Will-o’-the-wisps’ appalling sight

Appears to me, in fright

Do I await the morning light.

Tja, rijm…

                                    *

Edwin A. Cranston, A Waka Anthology, Volume One: The Gem-Glistening Cup (Stanford: Stanford University Press, 1993), p. 763:

Three poems on frightening things […]

            .

            Pale blue phantom

In the rainy night, you came,

            And all above

You met me; the memory

Lingers of that burial.

                                    *

Maria Chiara Migliore, Man’yōshū: Raccolta delle diecimilia foglie. Libro XVI: Poesie che hanno una storia e poesie varie (Rome: Carocci, 2019), p. 119:

A lungo ricorderò

la notte di poggia

in cui mi siete apparso

fantasma esangue e solitario.

Met de aantekening (p. 134, noot 103): ‘Non è possibile interpretare l’ultimo verso della poesia.’

Scène uit een zeer recente hervertelling door vertaler en dichter Jeffrey Angles van het verhaal van ‘Hōichi zonder oren’ (‘Japan’s most famous ghost story’), waarin een blinde biwa-zanger omsingeld is door de ‘mensenzielen’ (hitodama) van de gesneuvelde Taira-krijgers.

Ik werd op het spoor van deze gedichtenreeks gezet door een vraag van Mineke Schipper in het kader van haar lopende onderzoek. Dank daarvoor.

De afbeelding bovenaan deze blogpost toont een scène uit de film Kwaidan (1964) van Kobayashi Masaki, in het verhaal ‘Hōichi zonder oren’ over een een blinde biwa hōshi die nietsvermoedend optreedt voor de zielen van de gesneuvelde leden van het huis van Taira, hier te zien als hitodama.

Categorieën
poëzie

trappel-trappel

dans dans jij slakje

en als je dan niet dansen wil

dan laat ik je schoppen door een veulen of een kalfje

en je helemaal vertrappelen

en als je dan echt heel mooi dansen zal

dan laat ik je zelfs spelen in mijn bloementuin

mae mae katatsuburi / mawanu mono naraba / muma no ko ya ushi no ko no kuesaseten / fumiwaraseten / makoto ni utsukushiku mautaraba / hana no sono made asobasen

舞へ舞へ蝸牛かたつぶり 舞はぬものならば むまの子や牛の子に蹴ゑさせてん 踏みらせてん まことに美しく舞うたらば はなそのまで遊ばせん

Ryōjin hishō 408.

Een vrolijk liedje ‘in de moderne stijl’ uit de twaalfde-eeuwse Geheime aantekeningen over het stof op de dakspanten (Ryōjin hishō 梁塵秘抄).

De filoloog in mij zit me in de weg, te trouw aan de brontekst. Dat denk ik dan als ik de prachtige, vrolijke vertaling zie van Yasuhiko Moriguchi en David Jenkins:

Dance               dance

            dance               dance

Little                 little

            snail                  snail

            .

If you don’t

                        dance dance,

                        little snail,

I will give you to a horsey,

            to a horsey

                        or a moo-cow,

and they’ll stomp you with their feet

                        (stomp-stomp! splat-splat!).

            .

                        But,

            .

            if you dance

                        pretty-pretty,

I will take you to a garden,

            and you’ll play and play

                        all day.

Yasuhiko Moriguchi en David Jenkins, The dance of the dust on the rafters: Selections from Ryojin-hisho (Seattle: Broken Moon Press, 1990), p. 89.

Zo kan het natuurlijk ook.

De foto toont een reuzenslak die als huisdier gehouden wordt.

Categorieën
poëzie

mijn hoofd een gatenkaas

            pruthoofd
            .
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
m’n hoofd is prut!
            .

  頭腐
            
.
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ
頭が腐っているのじゃよ

Kūge: Machida Machizō shishū 供花:町田町蔵詩集 (Tokyo: Shichōsha, 1992), p. 107-108.

Een gedicht van Machida Kō 町田康 (1962), hier nog onder zijn artiestennaam Machida Machizō 町田町蔵. Destijds lid van de punkband INU, schreef Machida teksten die zowel songtekst als gedicht konden zijn.

Later werd Machida heel respectabel als romanschrijver en docent aan een universiteit.

Vrij letterlijk kun je de zin atama ga kusatte iru no ja yo vertalen als ‘mijn (het) hoofd verrot!’. Het is geen normale Japanse uitdrukking, maar ook geen onbegrijpelijke. Ze suggereert dat iemand niet meer in staat is te denken.

De titel ‘tōfu頭腐 (let. ‘hoofdrot’), klinkt natuurlijk precies als de eetwaar (de Japanse, lichtere variant van tahoe). De schrijfwijze lijkt er ook enorm op: 豆腐. In de titel van Machida’s gedicht is ‘boon’ ( ) vervangen door ‘hoofd’ ( ).

Daardoor kwam bij mij de associatie op met zuivel. Het productieproces van tōfu heeft namelijk wel iets weg van het maken van kaas. In het Nederlands ken je de uitdrukking ‘gatenkaas’ om een defect brein te omschrijven dat de ene gedachte niet meer kan koppelen aan de andere. Uiteindelijk koos ik toch voor ‘prut’, mede ingeven door het Engelse ‘my brain is mush(y)’. De substantie won het van het productieproces.

Voor mij momenteel een wel enigszins herkenbare toestand, die alles te maken heeft met de huidige catastrofale bezuinigingen op hoger onderwijs.

De afbeelding toont tekeningen voor het stripverhaal Bravo les Brothers (1965) van André Franquin (1924-1997). Bron: Bravo les Brothers par André Franquin, commenté par José-Louis Bocquet et Serge Honorez (Dupuis, 2011, 20122), p. 47.

Categorieën
poëzie

kipnuggetdag

‘deze currysmaak

            is geweldig’, heb je gezegd

                        en dat is waarom

vandaag tot Kipnugget-

            dag verklaard zal worden

‘karē-aji ga / ii ne’ to kimi ga / itta kara / kyō wa kara-age / kinenbi to suru

「カレー味がいいね」と君が言ったから今日はからあげ記念日とする
Links: de eerste uitgave van de tanka-bundel Saladedag (Sarada kinenbi サラダ記念日) uit 1987, met een fotoportret van de 24-jarige Tawara Machi. Rechts: een fotoportret van Tawara in dezelfde pose uit 2022, door Uemura Akihiko 上村明彦.

De tanka-dichter Tawara Machi 俵万智 (1962) debuteerde in 1987 met de tanka-bundel Saladedag (Sarada kinenbi サラダ記念日, 1987) en verkocht daarvan dat jaar ruim twee miljoen exemplaren (een getal dat het jaar daarop zou oplopen tot 2,8 miljoen). Zulke verkoopcijfers voor een dichtbundel, en dan nog een waarin uitsluitend de klassieke tanka-vorm gehanteerd werd, waren nog nooit vertoond.

Ik kwam een klein jaar later in Tokyo studeren. Op de onderzoeksafdeling Nationale Literatuur van die achtenswaardige universiteit werd wat besmuikt gereageerd op dit succes. Dat had er alles mee te maken dat Tawara het tanka-genre hanteerde als een vehikel van een jonge vrouw die heel nadrukkelijk in het ‘nu’ van de jaren ’80 leefde, onder andere door voortdurend woorden te gebruiken die helemaal niet hoorden bij het klassieke tanka-repertoire:

‘hou je goed, hè’ —

in dat ene hoekje

            van de McDonald’s

is dat de allerlaatste brief

            die ik jou schrijven zal

‘genki de ne’ / makudonarudo no / katasumi ni / saigo no tegami o / kakiagete ori

「元気でね」マクドナルドの片隅に愛語の手紙を書きあげており

Tawara Machi, Sarada kinenbi (pocketeditie, 199931), p. 158.

Dát, en het verkoopsucces, natuurlijk. Het paste helemaal in de schattigheidscultus die in die jaren in Japan opkwam (inmiddels is het Japanse kawaii redelijk ingeburgerd in de wereld) en waarmee de geleerden niet goed raad wisten. ‘Da’s geen literatuur’, bromde een hoogleraar die met haar in de media zou optreden. Het lezerspubliek zat er niet mee. Tawara’s tanka werden geprezen als ‘fris’ (shinsen 新鮮), ‘jeugdig’ (wakawakashii 若々しい) en ‘onopgesmukt’ (tanjun 単純), vol ‘puurheid’ (pyua-sa ピュアさ) en —alweer— ‘frisheid’ (furesshu-sa フレッシュさ): niet toevallig termen die met die schattigheidscultus geassocieerd werden.

Er volgden heel snel vertalingen: twee naar het Engels, en zowaar ook een naar het Nederlands, door Willy Vande Walle, destijds hoogleraar Japanstudies aan de universiteit van Leuven, en de Vlaamse haiku-dichter Bart Mesotten.

De debuutbundel ontleende zijn titel aan een tanka die, zoals zoveel van de tanka in de bundel, over verliefdheid gaat. De dichter heeft een maaltijd bereid voor het object van haar liefde. Die zegt spontaan dat hij het lekker vindt. Dat moment moet voor de eeuwigheid bewaard door prompt van die dag een officiële herinneringsdag (kinenbi 記念日) te maken:

‘dit smaakt echt

            geweldig’, heb je gezegd 

                        en dat is waarom

de zesde van de julimaand

            Saladedag moet zijn

‘kono aji ga / ii ne’ to kimi ga / itta kara / shichigatsu muika wa / sarada kinenbi

「この味がいいね」と君が言ったから七月六日はサラダ記念日

Tawara Machi, Sarada kinenbi (pocketeditie, 199931), p. 127.

Een aantal jaren later onthulde Tawara in een essaybundel Tanka lezen (Tanka o yomu 短歌をよむ, 1993) dat dit gedicht oorspronkelijk anders was. Een eerdere versie was die die bovenaan deze blogpost vertaald staat. Dat was ook al een herschreven versie. De eerste luidde:

de currysmaak

            van de kipnugget vind je

                        heerlijk, zei je

op deze herinneringsdag

            de zesde van de julimaand

karē-aji no / kara-age kimi ga / oishii to / itta kinenbi / shichigatsu muika

カレー味のからあげ君がおいしいと言った記念日六月七日

Gaandeweg begon Tawara groter belang te hechten aan een frisse ‘s’-klank (‘sarada’, ‘shichigatsu’) en eindigde met de versie die de bundel, de titel zou geven die tot een begrip uitgroeide. 

Zulke overwegingen tonen dat Tawara al vroeg heel bewust met de tanka-vorm experimenteerde. Na haar debuutsucces groeide ze uit tot een gerespecteerde, nog steeds actieve tanka-dichter.

Hier zal ik bekennen dat ik van die eerdere versies geen weet had tot ik afgelopen week een manga (strip) las over een jongeman die een antiquariaat drijft. De serie Boeken zat, kan ze wel verkopen (Hon nara uru hodo 本なら売るほど) van Kojima Ao 児島青 is misschien een stripvariant op romans als Morisaki’s boekwinkel (Morisaki shoten no hibi 森崎書店の日々; vert. Jacques Westerhoven, Meulenhoff, 2024) uit 2010. Het kabbelt allemaal lekker voort, vol ingetogen weemoed en bescheiden problemen die zonder al te veel diepgang tot veilige eindes gebracht worden.

Hoe het ook zij, in een hoofdstuk dat naar mijn smaak wél aanleiding geeft tot overpeinzingen, komt op de openingspagina een vrouw van achter in de vijftig de tweedehandsboekwinkel binnen om boeken te verkopen. Typisch voor het ‘uitleggerige’ soort manga krijgt de striplezer een mini-cursus in ‘Wat te doen als handelaar in oude boeken die net zijn binnengebracht’: selecteren voor verkoop, afstoffen met speciale kwast, schoonvegen, potloodaantekeningen uitgummen, en allerhande ongerechtigheden met olie losweken. Een volgende stap is het boek doorbladeren op zaken die de eigenaar erin heeft achtergelaten om die te verwijderen. Zo haalt de jongeman uit een boek van de inmiddels weer vertrokken vrouw een boodschappenlijstje (‘Dat is nog maar het begin’).

Dan stuit hij op een oorspronkelijk blanco bladzijde met een tekst in meisjeshandschrift. Wat ik heel leuk vind is dat dat een vrij getrouwe weergave is van het ‘schattige’ handschrift zoals dat in de jaren ’80 van de vorige eeuw opkwam en aan de basis stond van de schattigheidscultus. Je kan half een datum zien: 8 mei 1985.

Lees ook eens: Laura Miller, ‘Subversief schrift en nieuwe schrifttekens in Japanse meisjescultuur’, in: Hello Kitty en Gothic Lolita’s: Oorsprong en invloed van schattigheidscultuur uit Japan, red. Ivo Smits en Katarzyna Cwiertka (Leiden: Leiden University Press, 2012).

De jonge antiquaar ziet dat het dagboekfragment in een dichtbundel staat die in de jaren ’80 een bestseller was. Eenmaal volwassen was de vrouw duidelijk vergeten dat ze ooit als schoolmeisje haar ontboezemingen aan de dichtbundel had toevertrouwd. Uit privacyoverwegingen haalt hij de bewuste pagina door de shredder. (Hij doet dat met de cliché-frase ‘Het is de genade van de krijger om zich in stilte ervan te ontdoen.’)

Tawara’s debuutbundel uit 1987 duikt achtendertig jaar later op in een strip als de dichtbundel Kipnuggetdag (Kara-age kinenbi からあげ記念日). Kojima Ao 児島青, Hon nara uru hodo 本なら売るほど, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025), p. 42.

Die ‘bestseller’-dichtbundel van vier decennia geleden heet Kipnuggetdag (Kara-age kinenbi からあげ記念日). Dat is natuurlijk een leuke knipoog naar lezers die Tawara’s bundel kennen —en dat zijn er vandaag de dag meer dan je misschien zou denken na al die tijd— maar dan óók weten dat de ‘salade’ ooit een kipnugget was.

Dit is overigens het enige boek waarnaar in deze manga verwezen wordt met een dergelijk verwijsspel. Alle andere boeken die erin voorbij komen bestaan echt.

Mijn persoonlijke overpeinzingen hadden meer te maken met het verglijden van de tijd en je jeugd die eindigt als vergeten ontboezemingen die in de shredder belanden. Piëteit is mooi, natuurlijk, maar je ontkomt moeilijk aan de gedachte: alles is as in de wind.

Gelezen:

  • Kojima Ao 児島青Hon nara uru hodo 本なら売るほど, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025).
  • Tawara Machi 俵万智Sarada kinenbi サラダ記念日 (Kawade Shobō Shinsha, 1987; pocketeditie, 1989, 199931).
  • Tawara Machi, Eigo taiyakuban Sarada kinenbi 英語対訳版サラダ記念日 [tweetalige editie, Japans-Engels], vert. Jack Stamm (Kawade Shobō Shinsha, 1988; pocketeditie, 1989, 19949).
  • Tawara Machi, De dag van het slaatje, vertaald door Willy Vande Walle en Bart Mesotten (Lannoo, 1989).
  • Machi Tawara, Salad Anniversary, vert. Juliet Winter Carpenter (Tokyo: Kodansha International, 1990).

De illustratie komt uit de strip Hon nara uru hodo 本なら売るほど [‘Boeken zat, kan ze wel verkopen’] van Kojima Ao 児島青, deel 1 (Tokyo: Kadokawa, 2025), p. 42.

Categorieën
poëzie

dove vogels

            Hoe Chinezen een kettingvers maakten

Toen men ergens een boeddhistisch ritueel hield, kwamen twee Chinezen luisteren. Ze zagen hoe een gong gegoten was in een patroon met in het midden een lotus met acht bladeren en aan weerszijden daarvan een pauw. De ene Chinees zei:

            de wereld verzaakt en toch nog geven om bloesems

mi o sutete hana o oshimu omoi 捨身惜花思

waarop de ander instemmend knikte en zei:

            al sla je op de gong, er zijn vogels die niet opvliegen

utedomo tatazaru tori ari 打不立有鳥

Mensen hoorden dit maar begrepen niet wat het betekende. Eén iemand dacht er rustig over na, koppelde de regels en besefte dat het een kettingvers was [en dichtte]:

            de wereld verzaakt

                        en toch geef je nog om bloesems

                                    daarop lijkt het

            al sla je op de gong, ze vliegen niet op

                        zulke vogels zijn er ook

mi o sutete / hana o oshi to ya / omouran / utedomo tatanu / tori mo arikeri

Zo liet hij zien dat hij het begrepen had. Dat had hij heel knap aan elkaar gekoppeld.

            .

  唐人連歌の事
ある所に仏事しけるに、唐人二人きたりて聴聞しけるが、けいに八葉の蓮を中にて、孔雀の左右にたちたるを文もんに鋳つけたりけるを見て、一人の唐人、「捨テテ思」といひけるを、今一人きゝてうちうなづきて、「打テドモ鳥」といひけり。きく人その心をしらず。ある人のどかにあむじつらねければ、連歌にてはべりけり。
  身をすてゝ花ををしとやおもふらんうてどもたゝぬ鳥もありけり
かくおもひえてけり。わりなくぞおもひつらねける。

Kokon chomonjū 5, no. 153. [NKBT 84, p. 147.] Een kei (Ch. qìng) 磬 is een gong die bestaat uit een dunne steenplaat of —zoals in dit geval— een dunne metalen plaat en wordt vaak gebruikt in boeddhistische rituelen.  ‘De wereld verzaken’ is mijn vertaling voor mi wo sutsu身, uitdrukking die ook kan slaan op het ondergaan van de boeddhistische tonsuur en dus monnik worden (een equivalent van ‘het huis verlaten’, shukke 出家). De twee versregels spelen met twee (niet heel originele) tegenstellingen: iemand die monnik wordt en dus onthecht zou moeten zijn kan toch niet voorkomen geroerd te zijn door de aanblik van bloemen, en je ontdekt pas dat vogels kunst zijn wanneer ze niet reageren op hard geluid.

Een bronzen gong van het kei (Ch. qing)-type, in de vorm van een vlinder, uit 1001. Belangrijk Cultuurbezit 重要文化財, collectie Tokyo National Museum. Foto Wikipedia.

Een van de vele anekdotes over poëzie in de dertiende-eeuwse Verzameling van bekende zaken van vroeger en nu (Kokon chomonjū 古今著聞集, 1254).

Dat er Chinezen in klassiek Japan rondliepen klopt. Er kwamen met enige regelmaat vanaf het Aziatische vasteland kooplui aangevaren en in noord-Kyushu was zelfs een heuse ‘Chinatown’ (tōbō 唐房). Zulke Chinezen zullen allicht ook wel eens Japanse tempeldiensten hebben bijgewoond. We hebben verschillende —ook literaire— sporen van hun interacties met mensen in Japan. Dat ging dan eigenlijk altijd via zogenaamde penseelgesprekken (hitsudan 筆談), conversaties op papier. Nu neem ik aan dat er ook Japanners rondliepen die als tolk konden optreden (en Chinezen die een mondje Japans spraken), maar ironisch genoeg we hebben vooralsnog geen enkele aanwijzing dat zulke individuen dan ook nog eens zelf schreven.

Toch is dit een fantasieverhaal. Dat iedereen met een beetje opvoeding zich aan de lopende band in poëzie uitdrukte is minder onwaarschijnlijk dan het op het eerste gezicht lijkt. Het fantasieaspect zit hem met name in de gedachte dat een Japanner de Chinese bezoekers kon verstaan én hun woorden als poëzie kon herkennen én een vertaling in waka-vorm kon geven. Die combinatie ligt niet bepaald voor de hand. Geletterde Japanners lazen wel Sinitische teksten, maar Chinees spreken deden zij niet. Dan zwijg ik nog over het enorme verschil, ook toen al, tussen het gesproken Chinees en het literair Sinitisch.

De anekdote verbeeldt Japan als een kosmopolitische wereld waarin buitenlanders vanzelfsprekend onderdeel van de sociale ruimte zijn en taalbarrières in de poëzie uiteindelijk via het gesproken woord overbrugbaar zijn. ‘I speak fluent Greek / and not just with the living’ schrijft Wislawa Szymborska in haar ‘In Praise of Dreams’ (maar dan in het Pools, natuurlijk). [Wislawa Szymborska, View with a Grain of Sand: Selected Poems, vert. Stanislaw Baranczak en Clare Cavanagh (London: Faber and Faber, 1996), p. 87.] De taal van dromen, dat lijkt me geen gekke typering.

De manier waarop de tekst van Verzameling van bekende zaken van vroeger en nu de anekdote presenteert veegt het taalprobleem een beetje weg, omdat het de Chinese zinnetjes (die versregels blijken te zijn) presenteert in vertaling. Dat was —en is— voor Japanners de normale manier om een Sinitische tekst tot zich te nemen: het ‘lezen met glossen’ (kundoku 訓読) maakt van een zin in het literair Sinitisch een Japanse zin door de woordvolgorde aan te passen aan de Japanse grammatica, door grammaticale partikels in te voegen en door werkwoorden te verbuigen. Omdat het gezamenlijke gecomponeerd couplet van de twee Chinezen dus al in een Japanse vertaling aan de lezer wordt aangeboden, lijkt de waka van die ene meertalige toehoorder niet zo bijzonder: dát gedicht wordt dan in feite een herhaling van zetten.

Daarom is het maar goed dat de anonieme commentator hardop zegt het dat het best knap was — ook al kan je in je dromen alles.

De afbeelding is een still uit het introfilmpje van de studio Rank Films (dit is de versie uit 1948). De gong was van papier-maché; het geluid werd later toegevoegd en kwam van een Chinese gong.

Categorieën
poëzie

een sukkel van een heer

            Een gedicht dat Vrouwe Ishikawa stuurde aan Ōtomo no Tanushi (dat was de tweede zoon van Heer Ōtomo ; zijn moeder heette Kose no Asomi):

een galante heer

            hoorde ik dat je zou zijn

maar je gaf geen sjoege

            stuurde me terug naar huis

sukkelig galante heer

miyabio to / ware wa kikeru o / yado kasazu / ware o kaeseri / oso no miyabio

Ōtomo no Tanushi’s roepnaam was Chūrō [‘Tweede Zoon’]. Zijn gestalte was elegant en zijn verfijning buitengewoon. Er was niemand die hem zag of hoorde die geen zucht van bewondering slaakte. Toendertijd was er ene Vrouwe Ishikawa. Zij vatte het verlangen op om met hem samen te leven en was bedroefd door hoe moeilijk het was alleen te moeten zijn. Zij wilde hem een brief sturen, maar vond geen betrouwbare boodschapper. Zodoende bedacht ze de list om zich voor te doen als arme oude vrouw en met een pot onder de arm ging zij naar zijn slaapvertrek. Ze kuchte en klopte op de deur en zei: ‘Ik ben uw arme buurvrouw aan de oostkant en ik ben gekomen om wat vuur.’ In het donker kon Chūrō haar in haar vermomming niet herkennen. Het was allemaal nogal onverwacht en haar plannetje mislukte. Hij gaf haar het vuur zoals ze had gevraagd en stuurde haar vervolgens weer naar huis. Nadat het licht geworden was geneerde de Vrouwe zich voor haar beschamend plannetje en was ze ook verontwaardigd dat haar hartenwens niet uitgekomen was. Daarom maakte zij dit gedicht en stuurde het hem als daad van spot.

  石川女郎贈大伴宿禰田主歌一首 即佐保大納言大伴卿之第二子、母曰巨勢朝臣也
遊士跡吾者聞流乎屋戸不借吾乎還利於曽能風流士
  〘左注:〙大伴田主字曰仲郎。容姿佳艶風流秀絶。見人聞者靡不歎息也。時有石川女郎。自成雙栖之感、恒悲獨守之難、意欲寄書未逢良信。爰作方便而似賎嫗己提堝子而到寝側、哽音蹢足叩戸諮曰、東隣貧女、将取火来矣。於是仲郎暗裏非識冒隠之形。慮外不堪拘接之計。任念取火、就跡帰去也。明後、女郎既恥自媒之可愧、復恨心契之弗果。因作斯歌以贈謔戯焉。

Man’yōshū 2-126. Een meer letterlijke vertaling van de derde regel van het gedicht is: ‘je verleende me geen onderdak’.

De foto toont Gin Tokiko 銀とき子 (‘een doodgewone huisvrouw die in de Nara-periode leeft’ 奈良時代に生きるごく普通の主婦, aldus haar account op X) in achtste-eeuws hofkostuum.

Een spotgedicht uit het begin van de achtste eeuw. Van Vrouwe Ishikawa (Ishikawa no iratsume 石川女郎) weten we verder niks; het kan ook nog eens heel goed dat er meer vrouwen waren met die naam. De man aan wie zij haar gedicht richtte was de zoon van hoveling en dichter Ōtomo no Yasumaro 大伴安麻呂 (?-714) en de jongere broer van de dichter en krijger Ōtomo no Tabito 大伴旅人 (665-731). Ook Tanushi’s moeder, Vrouwe Kose, was een dichter. De Ōtomo komen veel voor in het tweede boek van de achtste-eeuwse Man’yōshū 万葉集 (‘Verzameling voor tienduizend generaties’), de oudst bewaard gebleven verzameling van Japanstalige poëzie.

Zo op het oog ziet de tekst eruit als Chinees, maar dat is het niet. Het gedicht zelf is geschreven in het Japans, in een oud notatiesysteem om Japanse lettergepen (eigenlijk: morae) weer te geven met niet-gecursiveerde karakters (het zgn. man’yōgana 万葉仮名 of ‘Man’yōshū-schrift’). De proza-inleiding en de noot (let. de ‘noot ter linkerzijde [van de tekst]’, sachū 左注) daarentegen zijn geschreven in het Sinitisch, dat wel een vorm van klassiek Chinees is.

De clou van het gedicht draait om de betekenis van oso 於曽, wat ‘bot (van een lemmet)’ () betekent, met als gerelateerde betekenis ‘traag (van begrip)’ (). Dat laatste is wat we nodig hebben: iemand die oso is, is een sukkel. En dan dat miyabio, een ‘man’ (o) met miyabi. Over die laatste term zijn bibliotheken volgeschreven, omdat het een kernbegrip is in de Japanse cultuurgeschiedenis. De betekenis ervan verschuift wat door de eeuwen heen, maar er is bijna altijd een verband met hofcultuur: ‘hoofsheid’ of ‘hoofse elegantie’ werkt vaak goed. Het woord heeft ook nogal eens de implicatie dat iemand snel het initiatief neemt om een romantische relatie te beginnen. Dat in de Sinitische noot sprake is van fūryū (Ch. fēngliú) 風流 (hier vertaald als ‘verfijning’), wat kan slaan op ‘elegantie’ maar ook op ‘seks’, én dat diezelfde schriftnotatie gebruikt wordt in het gedicht (miyabio 風流士) suggereert dat Vrouwe Ishikawa van Tanushi had verwacht dat hij wat sneller haar avances zou doorzien en daarnaar handelen zou.

Op dit moment ben ik bezig mijn kantoor uit te ruimen vanwege een gedwongen interne verhuizing. (In een andere context uiten collegas en ik onze frustratie over het feit dat Nederlandse universiteiten geregeerd worden door de Afdeling Vastgoed die gebouwen ontwerpt die nadrukkelijk niet bedoeld zijn voor de gebruikers ervan.) Tijdens die operatie stuitte ik op een vergeten blaadje papier van 35 jaar geleden met een eerdere vertaling van me van dit gedicht van Vrouwe Ishikawa. Die ziet er zo uit:

            Een gedicht dat Vrouwe Ishikawa aan Ōtomo no Tanushi zond.

Een galante heer was je,

had ik gehoord,

maar je biedt me geen gastvrijheid!

Je stuurt me naar huis!

Hufter van een heer.

Een vertaling van het gedicht van Vrouwe Ishikawa op basis van de pocketeditie uit 1985 (redactie Itō Haku 伊藤博) van de Kadokawa-uitgave van de Man’yōshu. Vrouwe Sakanoue (Sakanoue no iratsume 坂上女郎) in het genealogisch overzichtje was de echtgenote van Ōtomo no Tanushi en zelf ook dichter maar niet de auteur van het gedicht hier. Met enige schroom plaats ik hier mijn eigen handgeschreven aantekeningen uit 1989. Zie het als een historisch document. In dat jaar had ik nog geen computer; mijn eerste desktop (een Apple Classic II) kocht ik zo’n drie jaar later, toen ik een eind op weg was met mijn promotietraject. (Mijn afstudeerscriptie typte ik van handgeschreven vellen over op een desktopcomputer van een vriend en dispuutsgenoot in zijn studentenkamer terwijl hij op een lab bezig was het DNA van komkommers in kaart te brengen en ik hem daar voortdurend opbelde om weer uitleg te krijgen over de finesses van de Wordperfect-software.) Mijn punt: bijna de helft van mijn leven leefde ik analoog. Inmiddels speel ik met ChatGPT-4. Ik voel me Metusalem, alsof ik in één bestaan van rotstekeningen naar CGI ben gesprongen, en dus van Cro-magnonmens (of —iets minder lang geleden— middeleeuwse monnik) naar cyborg evolueerde. Ik word daar niet per se vrolijk van.

Ik val nog steeds voor de alliteratie van de laatste regel. Maar ja, het klopt niet. ‘Hufter(ig)’ is een heel slechte interpretatie van oso (zie boven), maar vooral is daarbij het probleem: die vertaling suggereert dat de man manipuleert, terwijl de pointe van het gedicht is dat hij een bord voor zijn kop heeft.

Tanushi schreef een gedicht terug (Man’yōshū 2-127), waarin hij probeerde te suggereren dat zijn reactie juist een mooi voorbeeld van hoofse elegantie was. Het is niet echt overtuigend.

De foto toont de tekst van Vrouwe Ishikawa’s gedicht in een elfde-eeuws manuscript (met correcties uit 1184; zgn. Genryaku kōhon man’yōshū 元暦校本万葉集). Collectie Tokyo National Museum. Deze manuscriptversie van de volledige Man’yōshū is niet alleen een Nationale Schat (kokuhō 国宝), maar geeft ook inzicht in hoe de achtste-eeuwse tekst in de elfde eeuw gelezen werd. Het oude notatiesysteem om met niet-gecursiveerde karakters lettergepen weer te geven (het zgn. man’yōgana 万葉仮名 of ‘Man’yōshū-schrift’) was al niet meer goed ontcijferbaar in de laat-klassieke periode. Vandaar dat de tekst in man’yōgana links ervan gevolgd wordt door een transcriptie in het veel simpeler ogende en zonder meer eenduidiger hiragana-schrift, dat in de loop van de negende eeuw ontwikkeld was. Te zien is dat de lezing van de achtste-eeuwse orthografie afwijkt van de tegenwoordige interpretatie ervan: het openingswoord 遊士 van Vrouwe Ishikawa’s gedicht worden hier gelezen als asobio あそびを in plaats van miyabio; en het laatste woord 風流士 wordt gelezen als tawareo たはれを (in plaats van alweer miyabio). Elfde-eeuwse lezers gaven dus verschillende interpretaties aan de verschillende schrijfwijzen van wat in feite een en hetzelfde woord is. De lezing voor is telkens o (‘man’); asobi is hier de glosse voor (‘zich vermaken’; het anachronistische ’playboy’ voor 遊士 komt gevaarlijk in zicht), en taware (de renyōkei van een verkorte vorm van tawaburu, ‘iets voor de grap doen’) voor 風流 (met als Sino-Japanse lezing fūryū [Ch. fēngliú], ‘elegantie’ maar ook ‘seks’). Er bestaat onderzoek dat veel waarde hecht aan implicaties van variante schrijfwijzen in man’yōgana, vanuit de overtuiging dat achtste-eeuwse dichters een subtiel spel speelden met dubbele betekenissen.

Categorieën
poëzie

mooie foutjes

            [Situatie onbekend:]

                                                [Dichter onbekend]

het zaadje was er

            dus zelfs op rotsen kon de pijnboom

                        blijven groeien

als ik maar blijf beminnen

            zou ik je dan nooit gaan zien?

tane shi areba / iwa ni mo matsu wa / oinikeri / koi o shi koiba / awazarame ya mo

  [題しらず]         [読人しらず]
たねしあればいはにもまつひにけり恋をしこひばはざらめやも

Kokin wakashū 11 (‘Liefde 1’)-512.

Toen ik een qua genre wat lastig te duiden boek las omdat het (ook) over Arthur Waley ging, kwam ik dit gedicht tegen, weergegeven in zijn eigen handschrift. Waleys Engels is, als immer, elegant:

If only a seed shall fall,

Even among the waterless stones

A tree will grow.

If you love and I love

Can it be we shall never meet?

                                    10th century

Arthur Waley (1889-1966), de legendarische Britse vertaler uit het klassiek Chinees en klassiek Japans, veroverde vanuit zijn werkplek in het British Museum in 1918 Londen en de rest van de wereld met zijn A Hundred and Seventy Chinese Poems. Vele vertalingen zouden volgen. Net binnen de rand van de avant-garde-Bloomsbury-kring opererend creëerde hij een Engelse variant van klassieke Oost-Aziatische literatuur die perfect aansloot bij het modernistische gevoel van het interbellum.

Vermoedelijk publiceerde Waley deze vertaling voor het eerst in 1929, in een essay over ‘de originaliteit van de Japanse beschaving’. In zijn bundel waka-vertalingen staat ze in elk geval nog niet.

  • Arthur Waley, Japanese Poetry: The ‘Uta (Oxford: Clarendon Press, 1919; meerdere herdrukken.)
Kokin wakashū no. 512 in de vertaling van Arthur Waley, op p. 769 van zijn ‘The Originality of Japanese Civilization’, Pacific Affairs 2: 12 (1929), p. 767-773. Het ‘but’ in de eerste regel hier is een ‘only’ in het manuscript geworden.

Dan de koude douche. We hebben weer eens te maken met een ‘misvertaling’, die juist door een foutieve interpretatie ontroerende poëzie oplevert.

Om te beginnen is er in het eerste deel van het gedicht geen sprake van een conditionalis (‘als A nou maar gebeurt, dan zal ook B gebeuren’). In het tweede deel van het gedicht is geen sprake van wederkerige liefde, maar alleen van een volgehouden liefde van één kant (namelijk van de dichter). Dat is dan ook nog eens een liefde die door het object van die liefde niet eens opgemerkt wordt. Dat laatste durf ik te beweren, omdat het gedicht is opgenomen in het eerste van vijf boeken (of: hoofdstukken) gewijd aan liefdespoëzie in De verzameling van Japanse gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū, 914). Gegeven de culturele grammatica van hoofse romantiek, zijn die gedichten uit het vroege stadium van de liefde per definitie een voorbeeld van ‘liefde van één kant’ (kata-omoi 片思い).

(Ogen sluiten, want hier komt enige morfologische analyse van het klassiek Japans. Er staat een grammaticaal partikel ba na de izenkei [-basis] van het werkwoord ari あり [‘er zijn’; het werkwoord behoort tot de zgn. ra-hen ラ行変格活用-verbuigingscategorie en de izenkei is dus are]. Dat is géén conditionalis, maar drukt uit: ‘eerst gebeurt A en dan gebeurt B, en er is een verband tussen die twee zaken’; de standaardoplossing is dat te vertalen met ‘omdat’ of ‘toen’/‘wanneer’. Dus tane shi areba betekent letterlijk iets als ‘omdat er een zaadje is’. Het partikel shi  geeft nadruk. Een variante grammaticale constructie zie je terug in het tweede deel: het partikel ba komt nu achter een mizenkei, dit keer van het werkwoord kou 恋ふ [dat tot de zgn  kami nidan 上二段活用-verbuigingscategorie behoort, dus de mizenkei ervan is koi恋ひ; de izenkei zou koure– zijn]. Dat eerste koi is hier geen werkwoordsvorm maar een zelfstandig naamwoord, ‘liefde’; dat het gevolgd wordt door het partikel o , dat een lijdend voorwerp aangeeft, is daarvoor al een aanwijzing. De constructie mizenkei+ba drukt wél een conditionalis uit. Koi o shi koiba laat zich dan letterlijk vertalen als ‘als ik de liefde bemin, dan …’ — of een klein beetje vrijer: ‘als ik maar heel erg liefheb, dan …’. We zien een redelijk subtiel grammaticaal spel van de dichter dat de ‘wetmatigheid’ van het zaadje dat tot een pijnboom uitgroeit als premisse neemt voor een hypothese over de liefde. Daarbij gebruikt de dichter twee keer de combinatie emfatisch partikel shi met het partikel ba, alleen de tweede keer dus net anders.)

Helaas! Er staat in het origineel dus wat anders dan in Waleys vertaling. Niks wederkerigheid.

Een open vraag is of Waley de waka niet goed begreep of simpelweg niet heel erg geïnteresseerd was in zo’n filologische reality check. Ook in zijn meesterlijke vertaling van Het verhaal van Genji (1925-19233) veroorloofde hij zich nogal wat vrijheden.

In zijn boek met waka-vertalingen uit 1919 doet Waley nogal luchtig doet over de grammatica van het klassiek Japans (met een uitspraak die wel ‘the understatement of the century’ genoemd is):

Japanese poetry can only be rightly enjoyed in the original. And since the classical language has an easy grammar and limited vocabulary, a few months should suffice for the mastering of it. [Waley, Japanese Poetry: The ‘Uta’, p. 8.]

Het is al met al simpelweg een voorbeeld van verkeerd lezen, vermoed ik: Waley zal de shi in koi o shi 恋をし opgevat hebben als de ren’yōkei-vorm van het werkwoord su (‘doen’) en die frase dus als ‘[ik] beoefen de liefde’ oftewel ‘ik bemin’.

We kennen Waleys vertaling van dit gedicht in zijn eigen handschrift door een reproductie ervan in de memoires (zo noem ik het boek maar) van zijn echtgenote Alison Waley (geboren Alison Grant, 1901-2001). Het fetisjisme van iets dat in de buurt komt van Huizinga’s historische sensatie speelt al snel mee wanneer het oog aan zo’n afbeelding van een handschrift blijft haken: de suggestie dat je zo direct contact hebt met iets bezields.

Alison Waleys boek A Half of Two Lives uit 1982 is een koortsdroom van 326 pagina’s, of zoals een recensent het destijds noemde ‘een soort waanzinnig, prachtig gedicht’ [‘a kind of mad, splendid poem’; Humphrey Carpenter, ‘Becoming Mrs. Arthur Waley’, The New York Times 24 april 1983.]. Het is een verslag van het leven van de auteur en vooral haar relatie met Arthur Waley daarin. Een en ander wordt aan de lezer praktisch volledig in termen van indrukken en emoties gepresenteerd; de droogstoppel die op zoek is naar ‘harde data’ zal er gedesoriënteerd van raken — en wát er aan concrete informatie in staat, blijkt mogelijk niet altijd te kloppen. Alison ontmoette Waley in 1929, en de twee begonnen –naar haar zeggen— vrij snel een verhouding die noodgedwongen een knipperlichtrelatie werd. De Belangrijke Vrouw in Waleys leven was decennialang de imposante, fascinerende maar ook moeilijke Beryl De Zoete (1879-1962), die tot aan haar dood Alison op afstand van Waley probeerde te houden en daarin meestal slaagde. Ook na De Zoetes dood wilde Waley niet met Alison trouwen; pas toen duidelijk werd dat hij aan de kanker zou sterven stemde hij kort voor zijn overlijden in met een huwelijk met haar. Dat de legendarische vertaler en bijna-kluizenaar bij zijn dood een wettige echtgenote bleek te hebben was voor velen een verrassing.

Waley gebruikte vertalingen van Japanse waka als liefdesbriefjes, die hij op de fiets bij Alison bezorgde. Het is verleidelijk te denken dat het hier bovenaan afgebeelde briefje uit hetzelfde jaar van publicatie én van hun eerste ontmoeting stamt. In stijl met haar boek geeft zij geen enkele informatie over het handschrift.

De misvertaling die van het gedicht een wederkerige liefde maakt is natuurlijk ideaal voor de verhouding van Arthur en Alison Waley. Het handschrift, zo zorgvuldig door haar bewaard en voorin in haar memoires afgedrukt, is een tastbaar tribuut aan de intensiteit van hun verborgen liefde.

Een lelijk duiveltje in mij houdt ook rekening met de mogelijkheid dat Arthur Waley bewust misleidend vertaalde: in dat scenario wist hij prima dat het gedicht ging over een nog onbeantwoorde liefde. Dan echoot de waka eerder Alisons eenzijdige maar als zodanig niet besefte emotie: een wortel die pas drie-en-een-half decennium later opgegeten zou worden.

Ik las ook:

  • Hirakawa Sukehiro 平川祐弘Āsā Ueirī: ‘Genji monogatari’ no hon’yakusha アーサー・ウェイリー:『源氏物語』の翻訳者 [‘Arthur Waley: de vertaler van Het verhaal van Genji’] (Tokyo: Hakusuisha, 2008). (M.n. hoofdstuk 8.)

De afbeelding toont Kokin wakashū no. 512 in de vertaling van Arthur Waley, in zijn eigen handschrift. Reproductie in: Alison Waley, A Half of Two Lives (London: Weidenfeld and Nicolson, 1982), p. 1. (Het handschrift staat ook gereproduceerd in Hirakawa, Āsā Ueirī [2008], p. 18.)

Categorieën
poëzie

talloze treden

ontelbaar zijn

            van de trap naar mijn hart

                        al die treden

daarvan twee of misschien drie

            heeft hij er beklommen

kazu shiranu / ware no kokoro no / kizahashi wo / hata futatsu mitsu / kare ya noborishi

かずしらぬわれのこころのきざはしをはたふたかれのぼりし

Shundeishū 春泥集 (1911), p. 6.

Het heeft me wat moeite gekost de brontekst van deze tanka van Yosano Akiko 与謝野晶子 (1878-1942) te achterhalen. Dat verraste me eigenlijk, omdat in westerse appreciatie van traditionele vormen van moderne Japanse poëzie dit toch een vrij bekend gedicht van haar is. 

In Japan daarentegen lijkt het gedicht vrij onbekend en al zeker niet populair. Internet-zoektochten leveren nauwelijks ‘hits’ op. Het is ook niet opgenomen in een gezaghebbende bloemlezing van Yosano Akiko’s tanka. 

Dan bedoel ik de bekende pocketuitgave in de reeks Japanse moderne klassieken, op basis van Yosano’s eigen selectie: Yosano Akiko kashū 与謝野晶子歌集 [‘Tanka van Yosano Akiko’] (Tokyo: Iwanami Shoten [pocket ‘groen’-38-1], 1985). Yosano maakte deze selectie van 2963 (met later nog eens honderd extra) tanka voor uitgeverij Iwanami in 1938.

Yosano Akiko nam de tanka op in haar negende bundel, Lentesneeuwbrij (Shundeishū 春泥集, 1911). Het gedicht bevat een gecomprimeerde beeldspraak, omdat je je heel even afvraagt wát er ontelbaar of ‘talloos’ (kazu shiranu) is: het aantal trappen (kizahashi) of de treden van die ene trap? Het laatste zal bedoeld zijn, al slaat dat woord kizahashi eigenlijk op de trap als geheel (het woord voor trede is dan , maar is niet zo poëtisch). Mooi is dat Yosano niet alleen het beeld oproept van een man die te weinig moeite lijkt te doen om de dichter voor zich te winnen, maar dat er ook iets van besef gesuggereerd wordt dat de dichter niet zo makkelijk te winnen is.

Shundei 春泥 is letterlijk ‘lentemodder’, maar slaat op de prut die ontstaat wanneer de sneeuw aan het begin van de lente begint te smelten.

In 1987 koos Henri Kerlen de eerste helft van dit gedicht als titel voor zijn bundel vertalingen van Yosano’s tanka: Akiko Yosano, De talloze treden naar mijn hart (Soest: Kairos, 1987). Ik denk dat ik daar Yosano’s tanka voor het eerst tegenkwam. Kerlens versie dateert nog van vóór hij overstapte op een streng handhaven van een 5-7-lettergrepenschema voor zijn vertalingen:

Van de talloze

treden naar

mijn hart

is hij er misschien

maar twee, drie opgegaan.

Akiko Yosano, De talloze treden naar mijn hart. Tanka, vertaald door Henri Kerlen (Soest: Kairos, 1987), p. 58.

Kerlens vertaling leest zonder meer soepeler dan de mijne hierboven. Ik word wat geplaagd door een al te strak vasthouden aan mijn eigen ongeschreven vertaalregels. Eén ervan is dat ik als het even kan de Japanse volgorde van ‘regels’ wil handhaven en daarmee de oorspronkelijke beeldsequentie. De ‘punchline’ van Yosano Akiko’s tanka is namelijk wie de moeite niet nam, niet zozeer het beperkte aantal stappen. Dat ‘hij’ (kare) het is ontdekt de lezer pas op het allerlaatst.

Ik ken een nog oudere Nederlandse vertaling van dit gedicht, door Jef Last (1898-1972). Last leidde een avontuurlijk bestaan en heeft op latere leeftijd aan de universiteit van Hamburg Chinees en Japans gestudeerd. Toch is van zijn vertalingen (onder meer een roman en toneelteksten van Mishima Yukio 三島由紀夫 [1925-1970]) onduidelijk in hoeverre hij in de eerste plaats uit de brontaal vertaalde of toch wel erg leunde op bestaande vertalingen. De versie van Last speelt wel met meerdere trappen:

Van de vele trappen

Die tot mijn hart leiden

Klom hij ten hoogste

Twee tot drie treden.

Jef Last, red. en vert., vloog een bloesem terug naar zijn tak (Den Haag: L.C. Boucher, 1960), p. 23.

De bron voor Last lijkt me een destijds belangrijke bloemlezing van moderne Japanse literatuur te zijn geweest. Modern Japanese Literature, onder redactie van de gezaghebbende Donald Keene, verscheen in 1956 en bestreek de periode vanaf 1868 — toen de meest recente negentig jaar dus. Die bloemlezing bevat welgeteld twee gedichten van Yosano Akiko, vertaald door Shio Sakanishi. Eén ervan is:

Of the numberless steps

   Up to my heart,

He climbed perhaps

   Only two or three.

Vert. Shio Sakanishi, in: Donald Keene, red., Modern Japanese Literature, from 1868 to Present Day (New York: Grove Press, 1956), p. 207. Deze bloemlezing geeft de tekst van Yosano’s tanka in transcriptie, maar niet de Japanse schrijfwijze, laat staan een bron.

En die vertaling doet weer erg denken aan de oudste vertaling van Yosano’s tanka die ik ken, uit 1927, dus zestien jaar nadat Yosano haar gedicht publiceerde:

There are numberless steps

Up to my heart.

He climbed perhaps two or three.

Glenn Hughes en Yozan T. Iwasaki, Three women Poets of Modern Japan: A Book of Translation (Seattle: University of Washington Book Store, 1927).

Anekdotisch bewijs is het, maar het lijkt erop dat we hier weer eens te maken hebben met een voorbeeld van hoe het Westen elementen selecteert als belangrijke ingang tot ‘Japan’ die vooral ons aanspreken maar die in het land zelf bijna onzichtbaar zijn.

De afbeelding toont, van links naar rechts, de frontispice door Nakazawa Hiromitsu 中沢弘光 (1874-1964) en pagina 6 van Yosano Akiko’s bundel Lentesneeuwbrij (Shundeishū 春泥集, 1911). Collectie National Institute for Japanese Literature, Tokyo.

Categorieën
poëzie

getrouwd met de kunst

            trouwen

            .

toen de poëzie me zag

bleef ze maar roepen ‘trouw me trouw me’

achteraf gezien wilde ik destijds

zo ontzettend graag trouwen

anders gezegd

wanneer je door de regen doorweekt raakt

wanneer je door de wind omver bent geblazen

wanneer je dood wil — zo zijn er in deze wereld heel veel situaties

wanneer ik me in zo’n situatie bevond

kon ik dat ‘trouwen’ maar niet vergeten

altijd liep de poëzie me dartel

werkelijk overal waar ik was achterna

en riep ‘trouw me trouw me’

uiteindelijk ben ik dan maar getrouwd

de poëzie roept nu helemaal niks meer

tegenwoordig is er iets anders dan de poëzie

af en toe schraapt het wat van mijn hart af

om dan achter de ladekast te hurken en

‘geld!

geld!’, te jammeren

            .

 結婚
            
.
詩は僕を見ると
結婚結婚と鳴きつづけた
おもうにその頃の僕ときたら
はなはだしく結婚したくなっていた
言わば
雨に濡れた場合
風に吹かれた場合
死にたくなった場合などとこの世にいろいろの場合があったにしても
そこに自分がいる場合には
結婚のことを忘れることが出来なかった
詩はいつもはつらつと
僕のいる所至る所につきまとって来て
結婚結婚と鳴いていた
僕はとうとう結婚してしまったが
詩はとんと鳴かなくなった
いまでは詩とはちがった物がいて
時々僕の胸をかきむしっては
箪笥の陰にしゃがんだりして
おかねが
おかねがと泣き出すんだ

Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (red. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 87-89.

Dit is een van de iets bekendere gedichten van Yamanokuchi Baku 山之口獏 (1903-1963). De folk-zanger Takada Wataru 高田渡 (1949-2005) heeft Yamanokuchi’s gedicht ‘trouwen’ in 1973 op muziek gezet, waarbij hij Yamanokuchi’s ‘poëzie’ (shi ) consequent zingt als ‘lied’ (uta ).

Ik kwam een goede 45 jaar oude Nederlandse vertaling van dit gedicht tegen, door Wouter Noordewier (1935-2016). Ik ken deze vertaler niet, al doen er enkele merkwaardige verhalen over hem de ronde. Spaans leek hij wel te kennen, maar Japans zeker niet. In 1978 kwam van zijn hand een bundel vertalingen van klassieke Japanse poëzie uit, Loop niet over deze sneeuw!. Deze gedichten vertaalde Noordewier vanuit bestaande vertalingen in (naar ik aanneem) Europese talen. Curieus genoeg sluit de bundel af met drie gedichten die je met de beste wil van de wereld geen klassieke Japanse poëzie kan noemen, omdat ze voorbeelden zijn van vrij vers (een aan het einde van de negentiende eeuw geïmporteerde dichtvorm in Japan) uit de twintigste eeuw. Het allerlaatste gedicht in Loop niet over deze sneeuw! is dit gedicht van Yamanokuchi:

YAMANOKUCHI BAKU     1903

            .

Wordt als anarchist beschouwd.

            .

Toen de poëzie me zag

Riep ze uit: ‘Laten we trouwen!’

Erover nadenkend erkende ik

mijn ongeduld te trouwen.

Kijk

            .

Er bestaan verschillende graden van zijn:

Nàt zijn van de regen,

Omgegooid worden door de wind,

Dood willen gaan.

In ieder geval, in mijn toestand

Liet het idee van het huwelijk me niet los.

            .

De poëzie, vol energie,

Volgde me overal waar ik ging;

Al schreeuwend: ‘Laten we trouwen, laten we trouwen’.

Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie

Krabt af en toe aan mijn hart

Of verschuilt zich achter mijn bureau

En begint te schreeuwen: ‘Geld! Geld!’

Wouter Noordewier, Loop niet over deze sneeuw! Keur van Japanse klassieke poëzie (Amsterdam: Bert Bakker, 1978), p. 86.

Ik gok erop dat Noordewier zijn versie baseerde op een Engelse vertaling van Yamanokuchi’s gedicht dat in mei 1956 verscheen in een Japans themanummer van het tijdschrift Poetry: A Magazine of Verse, een uitgave van The Modern Poetry Association die al sinds 1912 bestaat. Die Engelse vertaling was er vroeg bij, want Yamanokuchi nam dit gedicht pas twee jaar later op in een bundel van hem. De Japanse dichter en vertaler Satō Satoru 佐藤覚 (1923-?) moet het origineel tegen zijn gekomen in een tijdschrift. Diens vertaling in Poetry luidt:

MARRIAGE

            .

Whenever poetry saw me

It cried out, “Marriage, marriage.”

Thinking back, I see that I was

Most eager to marry.

In other words,

There are various states in this world:

The state of getting soaked in the rain,

The state of being blown by the wind,

Or the state of wishing to die; however,

In my state

I could not put marriage out of my mind.

Poetry, full of vigor,

Stuck to me wherever I went,

Crying, “Marriage, marriage.”

Finally I married. Poetry

Stopped crying words altogether.

Now something other than poetry

Scratches at my heart from time to time

Or crouches behind the bureau,

Starting to cry, “Money, money.”

Vertaling Satoru Sato, in: Poetry: A Magazine of Verse 88: 2 (mei 1956), p. 67.

Niet alleen laat Noordewier de titel van het gedicht en twee hele regels weg en suggereert hij coupletten die zijn bron niet heeft, maar hij vertaalt een cruciale ontkenning niet. ‘Eindelijk trouwde ik, maar de poëzie / Krabt af en toe aan mijn hart / Of verschuilt zich achter mijnbureau’ schrijft Noordewier, waar het Engels heeft: ‘Now something other than poetry / Scratches at my heart from time to time / Or crouches behind the bureau.’ Dat laatste spoort met het origineel van Yamanokuchi. Dus niet ‘de poëzie’, maar ‘iets anders dan de poëzie’.

Twee keer het gedicht ‘trouwen’ van Yamanokuchi Baku. Links: vertaald door Satoru Sato (1956). Rechts: vertaald door Wouter Noordewier (1978).

Je kunt natuurlijk volstaan met de vaststelling dag Noordewier slordig vertaalde. Niettemin viel ik in eerste instantie juist voor iets dat je achteraf misschien een creatieve vergissing mag noemen. Noordewiers versie roept bij mij het beeld op van een verzuurd huwelijk tussen de dichter en de poëzie, van een relatie tussen kunst en kunstenaar die geplaagd wordt doordat zijn kunst de commerciële kant op wil. De poëzie verwerd tot een partner die wil dat er centjes verdiend worden en geen romantische gevoelens meer oproept.

Dat is niet, of niet helemaal, wat Yamanokuchi schrijft. In de relatie van de dichter wordt de plaats van de poëzie ingenomen door iets anders. Een vraag is wie de dichter hier nu trouwt.

Eind 1937 trouwde Yamanokuchi met Yasuda Shizue 安田静江 (1905-1995), die hij pas twee maanden eerder had leren kennen via de dichter Kaneko Mitsuharu 金子光晴 (1895-1975) en diens vrouw, de schrijfster Mori Michiyo 森三千代 (1901-1977). Dat wijst er inderdaad wel op dat hij ‘destijds / zo ontzettend graag trouwen’ wilde. Biografische schetsen van Yamanokuchi koppelen dat gearrangeerde huwelijk aan een gedicht dat Yamanokuchi in 1936 publiceerde:

            huwelijksadvertentie

            .

ik wil zo snel mogelijk trouwen

als ik nou maar trouw

dan zal ik dubbel-intensief willen leven

zo zal ik een boeiende man zijn, dat geloof ik

een boeiende man met een boeiend leven

iemand die mij als echtgenoot zou willen hebben

is er ergens zo’n vrouw die met mij romantisch wil wezen?

kom dan alsjeblieft meteen, jij vrouw

als een onzichtbare wind die zichtbaar wordt

weet ik niet welke vrouw jij zijn zal

maar op jou

wacht ik vol ongeduld

            .

 求婚の広告
            
.
一日もはやく私は結婚したいのです
結婚さえすれば
私は人一倍生きていたくなるでしょう
かように私は面白い男であるとう私はおもうのです
面白い男と面白く暮したくなって
私をおっとにしたくなって
せんちめんたるになっている女はそこらにいませんか
さっさと来て呉れませんか女よ
見えもしない風を見ているかのように
どの女があなたであるかは知らないが
あなたを
私は待ち侘びているのです

Yamanokuchi Baku shishū 山之口獏詩集 (ed. Takara Ben 高良勉, Iwanami Shoten, 2016), p. 72-73.

Yamanokuchi is vaak ‘een dichter van het lompenproletariaat’ (runpen no shijin ルンペン詩人) genoemd, vanwege zijn gebalanceer op de rand van de bestaanszekerheid. Kort na zijn huwelijk verloor Yamanokuchi zijn toch al slecht betaalde baan als colporteur van medicijnen. Shizue, dochter van een schoolhoofd, ging een leven van bittere armoe tegemoet. Dat lezers de ‘poëzie’ in Yamanokuchi’s gedicht interpreteerden als Shizue die haar partner aan het hoofd zeurt en hem daarmee van zijn roeping afhoudt is dan misschien niet zo verwonderlijk, maar het is maar de vraag of dat terecht is.

Waarom wilde de dichter zo graag trouwen? Hij trouwde een idee, zo lijkt het, niet een individu. Moest zijn vrouw een muze worden? Dan nog was het niet de muze maar de poëzie zelf die veranderde. Of is het toch: de poëzie kreeg gestalte in de muze die op haar beurt weer veranderde in een echt mens van vlees en bloed dat zich afvroeg hoe ze het gezin (er was in 1944 een dochter geboren) in leven gingen houden?

[Een voetnoot] Ik heb even zitten vlassen op wie nu het onderwerp is van dat ‘roepen’ (Jp. naku 鳴く) in de tweede regel. Het Japans doet vrij weinig aan het expliciteren van grammaticale onderwerpen. Je zou de regel op zich dus ook kunnen vertalen als: ‘bleef ik maar roepen “trouw me trouw me”’. Daarmee verandert de dynamiek van het gedicht nogal, maar in het licht van de twee daaropvolgende regels is het niet onmogelijk. Toch kies ook ik ervoor ‘de poëzie’ als het niet genoemde grammaticale onderwerp te zien. Dat is dan vanwege de dertiende en de vijftiende regel: het ligt heel erg voor de hand dat het elke keer de poëzie is die roept. ‘Jammeren’ in de laatste regel is mijn vertaling voor het homofone nakidasu 泣き出す (let. ‘in huilen uitbarsten).

De foto toont Yamanokuchi Baku en zijn vrouw Shizue, ergens in de periode maart-juli 1963, toen Yamanokuchi met maagkanker in het ziekenhuis lag waar hij op 16 juli zou sterven. Collectie Naha City Museum of History 那覇市歴史博物館 (waar Shizue abusievelijk als ‘Shizuko’ 静子 wordt geïdentificeerd).