Categorieën
poëzie

dat gat waar een kind hoort te zijn

            Dromend van Amaro

Sinds Amaro stierf kan ik ’s nachts niet slapen;

en als ik slaap, zie ik hem door tranen in een droom.

Vorige zomer was hij wel drie voet hoog;

deze lente zou hij zeven zijn geworden.

IJverig was hij en wilde weten hoe een goede zoon te zijn;

hij las zijn boeken en kon de ‘De keizerlijke hoofdstad’ reciteren.

            Als eerste las hij Binwang’s ‘Een oud thema’.

Dat het medicijn je pijn verdreef duurde slechts tien dagen;

toen nam de wind je ziel naar de Negen Bronnen mee.

Sindsdien haat ik de goden, haat ik ook de Boeddhas;

beter was het als er nooit een aarde of een hemel was geweest.

Vaak staar ik naar mijn beide knieën en lach een holle lach;

en rouw ook om jouw broertje in zijn vers gedolven graf.

            Na Amaro stierf ook zijn jongere broertje.

Laozi zegt: ook al heb je de parel, je zal om de oester treuren;

Zhuangzi wist: al houd je nog hun hulzen, je huilt om de cicaden.

Onverdraaglijk is hoe je zusjes jouw naam lopen te roepen;

niet om aan te zien is jouw moeders verdriet om je verscheiden.

Eerst dacht ik dat de onrust in mijn maag minder was;

waarom is dan plots die pijn weer opgelaaid?

Zijn moerbeiboog boven de deur, zijn kreupelhouten pijlen;

zijn stelten bij het hek, zijn rijzweepje van wingerd.

In de tuin de bloemen uit de zaadjes die we plantten uit plezier;

op de muur de woordjes die hij leerde schrijven.

Elke keer dat ik me zijn stem of lach herinner, is hij hier weer terug;

maar de ijdele hoop hem echt te zien eindigt in verdoving.

Voordat je bij Sumeru bent zal je miljoenen keren zijn verdwaald;

vóór je wedergeboorte zullen eerst drieduizend werelden verduisteren.

Geloofd zij de bodhisattva van meedogendheid:

bescherm mijn kind, zet hem op de grote lotus!

夢阿満。阿満亡来夜不眠。偶眠夢遇涕漣漣。身長去夏餘三尺。歯立今春可七年。従事請知人子道。読書諳誦帝京篇。初読賓王古意篇。薬治沈痛纔旬日。風引遊魂是九泉。爾後怨神兼怨仏。当初無地又無天。看吾両膝多嘲弄。悼汝同胞共葬鮮。阿満已後、小弟次夭。莱誕含珠悲老蚌。荘周委蛻泣寒蝉。那堪小妹呼名覓。難忍阿嬢滅性憐。始謂微微腸暫続。何因急急痛如煎。桑弧戸上加蓬矢。竹馬籬頭著葛鞭。庭駐戯栽花旧種。壁残学点字傍辺。毎思言笑雖如在。希見起居惣惘然。到処須弥迷百億。生時世界暗三千。南無観自在菩薩。擁護吾児坐大蓮。

Sugawara no Michizane 菅原道真 (845-903) is de enige Japanse dichter die het letterlijk tot goddelijke status heeft geschopt. Vandaag de dag wordt hij in zo’n veertienduizend tempels door het hele land aanbeden als Tenjin 天神, ‘de hemelgod’, een godheid die vooral van pas komt bij toelatingsexamens voor universiteiten en middelbare scholen.

Geschreven in de eerste helft van de jaren 880; Geschriften van het Sugawara-huis (Kanke bunsō) 2:117. De twee ingelaste opmerkingen (zgn. ‘eigen noten’, Jp. jichū 自注) zijn van de dichter zelf. Luo Binwang 駱賓王 (ca. 619-684?) was een dichter uit de vroege Tang-dynastie. Zijn lange gedicht ‘De keizerlijke hoofdstad’ (Ch. Dijing pian, Jp. Teikyō hen 帝京篇) werd in Heian-Japan (794-1185) gebruikt als oefentekst voor jonge jongens die Chinees begonnen te leren. 

Welk gedicht Michizane bedoelt met ‘Binwang’s ‘Een oud thema’ [Ch. Guyi pian, Jp. Ko’i hen 古意篇]’ is onduidelijk. Een tekst met die naam is van de hand van Binwang niet bekend; wel kennen we een ‘Chang’an: een oud thema’ (Chang’an guyi 長安古意) van Binwang’s tijdgenoot Lu Zhaolin 盧照鄰 (ca. 630-ca.685), dat ook over de keizerlijke hoofdstad gaat. De grand old man van Sinitische studieën in het klassieke Japan Kawaguchi Hisao (1910-1993) suggereert dat het mogelijk een alternatieve naam voor Binwang’s autobiografische gedicht ‘Lang geleden’ (Chouxi pian 疇昔篇) betreft. Bewijs daarvoor is er niet echt.

De Negen Bronnen (kyūsen 九泉) of Gele Bronnen (kōsen, ook wel yomi, 黄泉) bevinden zich in het dodenrijk. Regels 13 en 14 vormen een filosofisch couplet met obscure verwijzingen naar daoïstische denkers. De strekking ervan is de veranderlijkheid en vergankelijkheid van het bestaan.

wind en rook

Zoals ik uitleg, is de naam van dit blog ontleend aan een dichtregel van een zevende-eeuwse dichter. Ik las die regels voor het eerst, als student, dankzij dr. Burchard J. Mansvelt Beck. Burchard was een goede drie decennia, tot zijn pensioen in 2004, verbonden aan het Sinologisch Instituut van de Universiteit Leiden. Begin deze week was daar het intens verdrietige nieuws van zijn overlijden, 31 oktober jl., aan de gevolgen van corona. 

Aardig en geduldig, én intelligent en kritisch was hij; dat is een vrij bijzondere combinatie. Een docent met aandacht. Ik mocht hem later ook altijd lastig vallen met voor mij problematische passages in Sinitische gedichten; zijn commentaar kwam altijd, in inkt in verschillende kleuren, op de achterkant van ongebruikte collegedictaten (pas later zou ik het belang voor historici en literatuurwetenschappers leren inzien van documenten die we alleen kennen vanwege shihai 紙背, ‘de achterkant van het papier’).

Dat Burchard breed geïnteresseerd was blijkt onder andere uit het feit dat hij het was die me op een Japanse dichter wees die in het ‘Sinitisch’ schreef; dit was een tijd waarin Sinologen die teksten van niet-Chinezen wilden lezen een beetje met de nek werden aangekeken.

Ik herinner me hoe het bleek dat we allebei met schaatsen naar college kwamen (het waren twee opeenvolgende jaren met een Elfstedentocht). Legendarisch was zijn regulier debriefen van studenten die net teruggekeerd waren uit de Volksrepubliek China: hij stelde dan met een zekere tevredenheid vast dat de Volksrepubliek nog steeds een verschrikkelijke plek was en hij er nog altijd verstandig aan deed geen enkele behoefte te hebben daarheen af te reizen. Daarmee benaderde hij voor mij de mythische status van Arthur Waley: ook zo’n legendarische lezer van oude teksten die het huidige China niet nodig had om het oude China te kennen.

Vrijdag 6 november is zijn afscheid. Deze is voor jou, Burchard:

de man die ik graag zag

            is in rook opgegaan

sinds gisternacht

ken ik die naam maar al te goed:

            Zoutketelbaai

mishi hito no / keburi ni narishi / yūbe yori / na zo mutsumashiki / shiogama no ura

Zoutketelbaai (Shiogama-no-ura, in de provincie Mutsu, in noordoost-Japan) was een zgn. poëtisch plaatsnaam (utamakura) die geassocieerd werd met ‘desolate’ ([ura]sabishi) gevoelens, onder meer omdat er zout gewonnen werd en de rook van dat werk vergeleken werd met de rook van crematies. In de Nieuwe verzameling van gedichten van vroeger en nu (Shinkokin wakashū, ca. 1205, no. 8:820) heeft dit gedicht van Murasaki Shikibu 紫式部 (ca. 973-1014) als inleidende noot: ‘Toen zij treurde om de broosheid van deze wereld, zag zij een schildering waarop befaamde plaatsen in de provincie Mutsu stonden afgebeeld.’

De kalligrafie —het karakter voor ‘wind’— is van Kūkai 空海 (774-835), een Japanner die veel geleerd heeft in China.

scène uit een huwelijk

Hoe de perzik bedorven raakt en Itō haar dierlijke energie terugvindt

[…]

            Omdat niemand haar eruit wilde halen, bleef de perzik als een zichtbare herinnering aan onze woordenstrijd vastzitten in het vlees van mijn man. 

            Ik heb je altijd gesteund, ik heb je kinderen altijd gesteund, ik heb je altijd in je werk gesteund, ik heb je altijd met je ouders gesteund, ben ik dan een beest dat je moet uitroeien of ben ik dan een man die je gesteund heeft en verzorgde en die je moet liefhebben?

            zei mijn man in een mail (bellen deden we niet meer, dat was niet productief).

            Ik heb je altijd gesteund, ik heb je kinderen altijd gesteund, ik heb je altijd in je werk gesteund, ik heb je altijd met je ouders gesteund, en dan geloof je me niet, werd me door mijn man in een mail gezegd. Als ik er eens eerlijk over nadacht, was dat waar. Ik had hem niet geloofd, deze tien jaar, niks.

            Dat is waar, antwoordde ik. Net zoals je zegt, ik geloof het niet, jou niet, en als je het zo stelt dan heb ik het in zekere zin de hele tijd niet geloofd, jou niet. Ik schreef een oprecht antwoord, maar op het moment dat mijn man mijn mail opende, kon ik over de server horen hoe hij kreunde en de rotte perzik dieper vast kwam te zitten.

            Het gezinsgeluk brak in duizend stukken.

            De vrouw is agressief, onoprecht, schaamteloos, gevoelloos, gelooft haar man niet, houdt zelfs niet van hem, is zelfs geen mens.

            De man beukte op het toetsenbord. Hij beukte. Hij beukte. Hij beukte, de man, en hij werkte een lijst scheldwoorden af.

            Op zulke momenten worden de zinnen van mijn man net zo verfijnd als die van Jane Austen en geeft hij alle ruimte aan die sarcastische toon waarop Engelsen het patent hebben en die natuurlijk vaak in zijn alledaagse conversatie doorklinkt waardoor mensen een enorme hekel aan hem krijgen, Engelse humor begrijpen Amerikanen nu eenmaal niet, zuchtte hij en wendde zich af, maar eerlijk gezegd, als je het over begrijpen hebt, dan begrijpen ook Japanners er helemaal niks van. En dat kreeg ik over me heen in een gigantische woordenbrij, ik die in de Engelstalige wereld leef als analfabeet. Het kostte me uren om zijn mails te doorgronden.

            Ik heb je altijd gesteund, ik heb je kinderen altijd gesteund, ik heb je altijd in je werk gesteund, ik heb je altijd met je ouders gesteund, en ik zeg het je nog eens: ik heb je altijd gesteund, ik heb je kinderen altijd gesteund, ik heb je altijd in je werk gesteund, ik heb je altijd met je ouders gesteund, uit eigen vrije wil heb ik emotionele stress en loneliness voor je doorstaan en dan nog blijft in mijn dij die perzik vastzitten, blijft die pijn doen.

            schreef mijn man.

            Ik begrijp je.

            schreef ik. Maar je bent zo aggressive, zo negative, en het is toch onmogelijk, dat jij honderd procent gelijk hebt en ik honderd procent ongelijk, is het niet net als in het Japanse spreekwoord, een in het nauw gedreven muis bijt wel eens een kat, en daarbij hoor je het in een ruzie tussen man en vrouw niet te hebben over wat het allemaal gekost heeft.

            Lees goed, lees toch eens goed, ik heb het helemaal niet over geld gehad.

            schreef mijn man.

            Op zulke momenten begint zijn perzikwond zo’n pijn te doen alsof ze net was toegebracht.

            Ik heb je altijd gesteund, ik heb je kinderen altijd gesteund, ik heb je altijd in je werk gesteund, ik heb je altijd met je ouders gesteund, en ik zeg het je nog eens: ik heb je altijd gesteund, ik heb je altijd, zo beukte mijn man, gegrepen door blinde woede, op het toetsenbord en verzond het bericht het aan mij.

            Compromis, zeg je, maar een voorwaarde voor een compromis is dat twee mensen allebei van iets afzien, waar zie jij dan vanaf? ben je zelfs wel van plan van iets af te zien?

            Jij noemt mij aggressivenegative? Ik ben een man die in zijn werk iets tot stand heeft gebracht dat niemand anders is gelukt, noem jij dat negative? kán je zoiets zeggen?

            Jij voelt je minderwaardig wanneer je ons huis verlaat,

            jij voelt je minderwaardig wanneer je werkt,

            jij voelt je minderwaardig wanneer je mij laat zitten,

            jij voelt je bij alles minderwaardig IK HEB HET ERMEE GEHAD DAT JIJ JE MINDERWAARDIG VOELT,

            dat laatste dus helemaal met hoofdletters, zodat hij het uitschreeuwde.

投げつけた桃は腐り、伊藤は獣心を取り戻す事

     […]
 だれもあえて取りのけようとはしていないものですから、桃は、こも応酬の目に見える記念品として夫の肉の中にめり込んだままになっておりました。
 おれはおまえをサポートしてきた、おれはおまえの子どもたちをサポートしてきた、おれはおまえの仕事をサポートしてきた、おれはおまえが親の世話をするのをサポートしてきた、おれはおまえにとって退治するべき怪物なのか、それともおまえををサポートしケアする愛すべき男なのか。
 と夫がメールでいいました(もはや電話でしゃべるのはあまりに不毛でやめました)。
 おれはおまえをサポートしてきた、おれはおまえの子どもたちをサポートしてきた、おれはおまえの仕事をサポートしてきた、おれはおまえが親の世話をするのをサポートしてきた、それなのにおまえはおれを信じていないじゃないか、と夫にメールでいわれまして。ふとすなおに思い返してみたら、ほんとだった。信じてなかったんです、この十年、なにも。
 ほんとだ、とわたしは返信しました。あなたのいうとおり、わたしは信じてない、あなたを、そういえばある意味では、ずっと信じてこなかった、あなたを。わたしは正直にそう返信しましたが、それを夫がひらいたとたん、夫がうめき、腐った桃がさらにめりめりとめり込むのがサーバー越しに聞こえました。
 家庭の幸福は微塵に砕けた。
 妻は獰猛で不実で破廉恥で感情も無く、夫を信じてもいない、愛してすらいない、人間ですらない。
 夫はキイボードをたたきのめしました。たたきのめしました。たたきのめしました。たたきのめしまして、夫は、ののしりの言葉をかきつらねました。
     […]

Itō Hiromi 伊藤比呂美 (1955) is als sinds haar debuut in 1978 een van de oorspronkelijkste stemmen in de hedendaagse Japanse poëzie. De ervaringen van vrouwen zijn zeker een belangrijk thema in haar gedichten (ze is wel een feministisch dichter genoemd), maar minstens zozeer draait haar poëzie om taal: de bedwelmende werking ervan (haar voordrachten van eigen werk zijn zonder meer magisch), of de ontoereikendheid van het opereren in een tweede taal. Itō is altijd gefascineerd geweest door de functie van de sjamaan, en in haar poëzie omarmde zij die rol regelmatig. De laatste decennia schrijft Itō steeds meer proza. In 1997 verhuisde ze naar Californië om daar te gaan wonen met haar nieuwe echtgenoot, de Britse kunstenaar Harold Cohen (1928-2016). Sindsdien verblijft zij afwisselend in de VS en Kumamoto, Japan. In 2010 trad Itō op op Poetry International.

Dit is een fragment uit een veel langer autobiografisch stuk, dat ik toch geneigd ben een prozagedicht te noemen, uit Itō’s bundel Togenuki: Shin Sugamo Jizō engi とげ抜き:新巣鴨地蔵縁起 (Splinters uittrekken, 2007). De perzik is onderdeel van Itō’s gebruik in deze tekst van Kafkas Die Verwandlung.

[augustus 2022] Inmiddels heeft Jeffrey Angles Itō’s boek, dat je inderdaad ook als een ‘roman’ kan zien, vertaald (en daarmee twee prijzen gewonnen); aan het eind van dit jaar komt zijn vertaling uit bij Stone Bridge Press.

(Ik geef hier alleen het eerste deel van de vertaalde passage in het origineel. Ik experimenteer nog met hoe ver ik wil gaan in het verstrekken van de oorspronkelijke teksten wanneer die erg lang zijn.)

labyrint

            Draadvrouw 

Talmend bij de kleine ingang       van het labyrint, of van de wereld

kijkt de vrouw op haar handen neer

naar de vertakte paden die in de schemer van haar handen wegwaaieren 

            .

Toen haar ogen naar haar vingertoppen afdwaalden

deed de vrouw een ontdekking

Vingerafdrukken!     een analogie met het labyrint

            .

Ze plukt de spelden uit de plooien waarin de schaduw is gevouwen

en met het ontrafelen van haar vingerafdrukken

wordt de vrouw een levende spoel 

            .

— Neemt deze draad, o vreemdeling

            Wanneer u uit uzelf zult treden

            zal zij u een getrouwe gids blijken 

            .

— Gaat u voort langs de kromming in de horens van de stier

            Buigt de trotse blik     naar binnen naar binnen

            met de stappen van de maskerdans

            .

— Die stappen zijn in cadans met de goddelijke wil

            Op het eiland is de stier goddelijk gekleurd

            en langs zijn dikke horens buigt de tijd

            .

De bloedbevlekte draad wordt helemaal gevierd

Al haar vingerafdrukken verdwijnen

zodat de vrouw een waarachtig alibi verkrijgt

            .

De horizon wordt opgebroken

en opgerold tot het middelpunt van een slakkenhuis

en spat weer op, keert om, keert donker

            .

Het gebulder van de wentelzee

bereikt het einde van het parelmoer gekleurde binnenoor

weer een labyrint van de vrouw dat doorzichtig begint te worden 

            .

In het sacrum, waar de tijd het meest overschaduwd is, ziet de man

hoe de omgeslagen boot een altaar wordt en opgesierd

(Degene die hiervoor geslacht werd is zeker niet de stierman)

            .

— De boot herkent u wel

            De boot die u naar dit eiland bracht 

            dan wel de doodskist van mijn ziel

            .

De pijn stopt     het bloeden stopt

de vrouw ziet     hoe voor het grandioze ochtendgloren

de wereld, de dans beëindigd, haar masker optilt

            .

 系の女
           
.
迷宮あるいは世界の 小さな入口にたたずんで
女は眼を伏せて掌を見る
手の中で暮れてゆく先細りの岐れ道を…‥
            
.
指さきへ眼をさまよわせたとき
女は遂に発見する
指紋! 迷宮と相似なるものの
            
.
影を畳んだ襞から留め針をぬきとり
指紋を端からほどきながら
女は活きた糸巻となる
            
.
——この糸をお持ちなさい異国のお方よ
 これがあなた自身から脱け出すときの
 たしかなしるべとなりましょう
            
.
——牡牛の角の湾曲にそって進みなさい
 誇らかな視線をたわめ 内へ内へと
 仮面をつけた舞踏の足どりで
            
.
——そのあゆみは真意に適うでしょう
 島では牡牛は神の色をしていて
 太い角の曲る方へと時間が曲っているのです
           
.
血みどろの糸は残らずほどかれ繰り出された
すべての指紋を失い尽くして
女は純粋なとなる
           
 .
水平線はめくれあがって
巻貝の中心に巻きこまれ
またしぶきあげて反転し暗転し…‥
           
 .
螺旋の海のとどろきが
透きとおりはじめた女のもうひとつの迷路
真珠母いろの内耳の奥へとつたわってくる
            
.
そして時間のもっとも翳深い内陣で男は見る
転覆した舟が 祭壇となってしょうごんされているのを
(その前で屠られるものはたしかにあの牛人ではなかった)
            
.
——舟には見おぼえがおありでしょう
 この島にあなたを運んできた舟
 あるいはわたしの魂の柩
           
 .
痛みがとまり 出血がとまり
女は見る 大いなる朝焼を前にして
舞踏の刻を終えた世界が重い仮面をもちあげるのを

Ooit schreef de dichter en criticus Ōoka Makoto (1931-2017) dat het ‘in modern Japan soms een ramp is om een “intellectuele dichter” genoemd te worden’. Dat is zeker waar voor vrouwelijke dichters, die door de Japanse maatschappij van oudsher liever gezien worden als schrijvers van bekentenissen die alleen uit de meest persoonlijke, niet-intellectuele ervaringen voortkomen.’ Ōoka schreef deze woorden als inleiding bij het werk van Tada Chimako 多田智満子 (1930-2003), die steevast aangeduid wordt als ‘Japans meest intellectuele dichter’. Zij was inderdaad ‘intellectueel’: hoogleraar, essayist en dichter; ook is zij in Japan bekend als vertaalster van onder meer Marguerite Yourcenar en Antonin Artaud. Sommige van haar gedichten tonen een opvallende voorkeur toont een cultuurgeschiedenis die een westerse lezer zeer vertrouwd zal aandoen. ‘Draadvrouw’, bijvoorbeeld, roept onmiddellijk associaties op met de Griekse mythologie, in het bijzonder met Ariadne en de Minotaurus.

In oktober 2000 kon ik Tada ontmoeten, toen Poetry International een speciale sessie rondom vier Japanse dichters organiseerde. Deze vertaling verscheen eerder in De Gids 163: 10 (2000).

Heel irritant is dat WordPress geen witregels wil herkennen en die simpelweg niet toont. Het origineel is opgedeeld in strofen van telkens drie regels. Ik smokkel nu met verborgen punten.

schitterend papier, blinkende sneeuw

ochtendzon betast

            de hoge piek waarop

                        sneeuw helder blinkt:

tot bovenaan reikt ze niet,

            de riviermist bij de Fuji

asahi sasu / takane no miyuki / sora harete / tachi mo oyobanu / fuji no kawakiri

朝日さす高ねの/み雪空晴れて/立もをよはぬ/ふしの河霧

Fujiwara no Ietaka 藤原家隆 (1158-1237) was een gerespecteerde dichter in de vroege dertiende eeuw, al staat hij achteraf gezien wat in de schaduw van zijn tijdgenoot Fujiwara no Teika (1162-1241; geen familie). In Vervolg op de latere verzameling van gedichten in het Japans (Shokugosen wakashū, 1251) heeft dit gedicht als inleidende noot (kotobagaki): ‘Toen we [elk] dertig gedichten schreven in het huis van de Saionji-lekepriester en voormalig Grootminister [= Saionji Kintsune 西園寺公経 (1171-1244)]; een herfstgedicht’. Met andere woorden, de sneeuw in het gedicht is de vroege sneeuw op de top van de Fuji, terwijl de herfstmist (kiri, in kawakiri) aan de voet van de berg het gedicht nog nadrukkelijk in het gevraagde seizoen houdt.

De kalligrafie is van prins Toshihito, Hachijō no Miya, 八条宮智仁親王 (1579-1629), zelf een getalenteerd dichter die ook renga (kettingvers) beoefende. Hij werd als jong kind in 1584 de adoptiefzoon van dictator Toyotomi Hideyoshi en aangewezen als diens toekomstige opvolger. Toen Hideyoshi vijf jaar later toch eigen zoon kreeg, werd Toshihito weer opzijgeschoven. Als goedmakertje kreeg hij een stuk land bij Kyoto, waarop hij de Katsura-villa zou bouwen. Daarom staat hij ook wel bekend als ‘de eerste prins van het Katsura-paleis’ (Katsura no Miya 桂宮).

Dat ‘Hachijō no Miya’ zou je kunnen vertalen als ‘de prins [of: het paleis] van de Achtste Avenue’, maar het is een titel, een beetje zoals de zoon van Britse kroonprins ‘de hertog van Cambridge’ heet, die uiteindelijk als een familienaam ging fungeren. 

De kalligrafie gaat hier een zelfverzekerde interactie aan met een cartouche van gekleurd en bewerkt papier (shikishi) dat een bijna verblindend effect heeft. Dit cartouche is in het bezit van een Japanse collega, prof. Sasaki Takahiro (Shibundō-instituut, Keio-universiteit). Veel dank aan hem dat ik dit hier mag uploaden.

Ook iemand die geen cursiefschrift (kuzushiji) leest, kan zien dat het gedicht in vier verticale regels over de bladspiegel is verdeeld. Het ‘kalligrafisch metrum’ houdt dus geen enkele rekening met het 5-7-5-7-7-ritme van de waka. Dat is normaal in kalligrafie en een argument om het idee dat waka uit vijf ‘regels’ bestaan niet al te serieus te nemen.

Ietakas’s gedicht leidde in 1278 tot een eerbetoon door dharmaprins Shōjo 性助法親王 (1247-1282):

de regen klaart op:

in de hemel een hoge piek

            die daar onthuld wordt —

alleen de bergvoet beklimt zij,

            de riviermist bij de Fuji

ame haruru / takane wa sora ni / arawarete / yamamoto noboru / fuji no kawakiri

Impliciet vergelijkt Shōjo zich met de riviermist (kawakiri) en Ietaka met de hoge piek (takane). 

Een ‘dharmaprins’ (hosshinnō 法親王) is een prins die een priesterlijke wijding heeft ontvangen. Dit gebeurde doorgaans al op jonge leeftijd met prinsen die voorbestemd waren voor een carrière binnen boeddhistische instituten. Shōjo ging al op zijn zesde in de Ninnaji-tempel in Kyoto wonen; op zijn tiende werd hij gewijd.

de weduwe huilde niet

‘de weduwe

huilde niet’ — hé, verslaggever,

            ga je dat weer schrijven?

mibōjin / nakanu to kisha yo / mata kaku ka

未亡人泣かぬと記者よまた書くか

Sasaki Tatsumi 佐々木巽 (1880-1938) was haiku-dichter en legerarts. Deze cynische haiku uit 1937 (aanleiding: militair komt het sneuvelen van een echtgenoot melden) is in feite een openlijke anti-oorlogsverklaring.

Categorieën
poëzie

een prinses, een Sinitisch gedicht

            Een lentedag bij het bergverblijf

Doodstil is dit afgelegen verblijf, achter beboste bergen,

waar uw feeëriek karos eens aankwam bij de vijverrand.

Deze eenzame woudzanger proeft de lentezegen;

verkilde valleibloemen zien de stralen van de zon.

Het gemurmel van de bron klonk als een echo van de eerste donder;

De tinten van de bergen rezen verfrist op na avondregen.

Eens te meer besef ik weer uw goedertieren:

een leven lang zal ik dankzeggen aan het blauwe firmament.

春日山荘。寂寂幽荘山樹裏。仙輿一降一池塘。棲林孤鳥識春沢。隠澗寒花見日光。泉声近報初雷響。山色高晴暮雨行。此従更知恩顧渥。生涯何以答穹蒼。

Prinses Uchiko 有智子内親王 (807-847), de achtste dochter van Keizer Saga, werd in haar vierde levensjaar aangewezen als allereerste Sai’in, de Vorstelijke Hogepriesteres van de Kamo-schrijn net ten noorden van de kort daarvoor aangelegde hoofdstad Kyoto. In 831 werd zij ernstig ziek en trad terug uit haar ambt. Uchiko is een van de weinige vrouwen in de Japanse geschiedenis van wie we Sinitische poëzie kennen; tien van haar gedichten zijn bewaard gebleven in Keikokushū. ‘Een lentedag bij het bergverblijf’ is waarschijnlijk haar bekendste gedicht, geschreven naar aanleiding van een statiebezoek van haar vader aan de geïsoleerde Kamo-schrijn, in de lente van 823. Uchiko was toen in haar zeventiende jaar.

In de vertaling heb ik met opzet archaïserend Nederlands gebruikt. Het is een poging de overdaad aan nogal gedragen uitdrukkingen weer geven (bijv. sen’yo 仙輿, let. iets als ‘een draagkoets zoals de onsterfelijken die hebben’); dat past overigens allemaal in een situatie waarin een vorst overdadig bedankt moet worden voor het feit dat hij de moeite neemt langs te komen. De vorst is een ‘zoon des hemels’; vandaar dank aan de plek waar hij vandaan komt, in de laatste regel.

moeder ligt op sterven

dichterbij kom ik

zij kijkt me oplettend aan

            en zegt me

iets zegt ze me,

            omdat ik haar kind ben

yorisoeru / ware o mamorite / iitamau / nani ka iitamau / ware wa ko nareba

bijna dood is ze,

            mijn moeder, als ik bij haar lig —

                        en in die stilte

kikkers in verre velden

            die weerklinken in de hemel

shi ni chikaki / haha ni soine no / shinshin to / tōda no kawazu / ten ni kikoyuru

bijna dood is ze,

            mijn moeder, en vlakbij haar ogen

vertel ik haar:

            de akelei

                        staat in bloei

shi ni chikaki / haha ga me ni yori / odamaki no / hana sakitari to / iinikeru kana

bijna dood is ze,

            mijn moeder, en haar voorhoofd

wrijf ik almaar

            terwijl mijn tranen vloeien

                        en ik er heel erg ben

shi ni chikaki / haha ga hitai o / sasuritsutsu / namida nagarete / itarikeru kana

ach, mijn moeder

            die op sterven ligt

ach, mijn moeder

            die mij gebaard heeft, mijn moeder

                        met haar hangende borsten

waga haha yo / shinitamaiyuku / waga haha yo / ware o umashi chi / taraishi haha yo

zij leven nog wel,

            mensen die samenkomen

om mijn moeder

            te zien sterven,

                        te gaan sterven

inochi aru / hito atsumarite / waga haha no / inochi shiyuku o / mitari shiyuku o

wakend over het vuur

            wordt de nacht steeds dieper:

mijn jongere broer

            zingt over dit leven

                        een lied — droevig is het

hi o morite / sayo fukenureba / otōto wa / utsushi-mi no uta / utau kanashiku

in de bergkloof

            is de zon al helemaal

                        ondergegaan:

nu de geur van warm water

            die intenser door komt dringen

yama kai ni / hi wa toppuri to / kuretareba / ima wa yu no ka no / fukakarishi kamo

Saitō Mokichi 斎藤茂吉 (1882-1953) was een psychiater en tanka-dichter met meer dan 14.000 gedichten op zijn naam. Hij vervulde voor de Tweede Wereldoorlog een centrale rol bij de publicatie van het tanka-tijdschrift Araragi (‘Slangenlook’, dat tot december 1997 bleef bestaan), dat was opgericht door zijn tanka-leraar Itō Sachio (1864-1913), die weer een leerling was van Masaoka Shiki. Als er al een te duiden ‘erfenis’ van Shiki bestaat, dan mag Mokichi gelden als de voornaamste erfgenaam ervan. Deze gedichten komen uit een lange reeks tanka getiteld ‘Moeder ligt op sterven’ (Shinitamau haha) in Mokichi’s debuutbundel Rood licht (Shakkō, 1913), voorgepubliceerd in Araragi.

Deze reeks kwam ik onvoorbereid tegen toen mijn eigen moeder op sterven lag; het tweede gedicht las ik voor op haar afscheid.

Categorieën
Geen categorie

drie wilgen

Drie wilgen die op elkaar geënt zijn.

[3]            Buson:

wilg verliest blad

helder water droogt op, stenen

            her en der

yanagi chiri / shimizu kare ishi / tokorodokoro

Yosa Buson 与謝蕪村 (1716-1784) geldt als de herontdekker van de poëzie van Matsuo Bashō (zie hieronder) toen die in vergetelheid was geraakt in de achttiende eeuw. Overigens schreef Buson ook Sinitische verzen (wat we dan vaak ‘in klassiek Chinees’ noemen). Hier verenigt Buson die twee aspecten: hij speelt met een wilg met een lange stamboom, waarvan een tak door Bashō is gecreëerd, én met de schrijfwijze van dit haikai-vers. Die is vrij bijzonder; het is volledig met karakters geschreven: 柳散清水涸石処々. Schrift en beeldgebruik echoën een Sinitisch gedicht.

[2]            Bashō:

een heel veld

            ingezaaid, toen pas ging ik weg

bij die wilg

ta ichimai / uete tachisaru / yanagi kana

Veel van de beroemde haikai-verzen van Matsuo Bashō 松尾芭蕉 (1644-1694) zijn het resultaat van reizen door Japan. Bashō was een groot bewonderaar van de twaalfde-eeuwse dichter Saigyō, ook zo’n reiziger; hij heeft zichzelf wel een tweederangs ‘honden-Saigyō’ (inu saigyō) genoemd. Ook dit gedicht komt uit een reisverslag (De smalle weg naar het achterland) en speelt met een wilg in een van Saigyō’s gedichten.

[1]            Saigyō:

langs de weg

een stroompje helder water

            in de schaduw van een wilg

eventjes maar, dacht ik,

            en bleef toch langer stilstaan

michinobe ni / shimizu nagaruru / yanagikage / shibashi tote koso / tachidomaritsure

Saigyō 西行 (1118-1190) was een krijger die al vrij jong zijn gezin verliet en een reizende monnik werd. Veel van zijn poëzie weerspiegelt de lange reizen die hij door Japan maakte. Dit is een zomergedicht. Saigyō’s wilg trok zijn sporen in de literatuur, en dook onder meer op in het middeleeuwse -stuk De priester en de wilg (Yugyō yanagi 遊行柳), dat ook een inspiratiebron voor Buson was.

boeken lezen (no. 6)

            Boeken lezen (6)

De oostelijke heuvels weelderig begroeid:

de avondzon geeft hen een paarse gloed.

Op de Kamo geen rimpeling meer;

om ons heen dansen witte flonkeringen.

Onze eenden weten dat de dag voorbij is;

ze snateren elkaar toe: naar huis, jij!

Ook ik leg mijn boeken weg,

vraag mijn vrouw de sake aan te breken.

Verse riviervis: precies goed om te grillen;

bamboescheuten: we groeven ze zelf uit.

Ik ga zitten onder de oostelijke dakrand

en proost de heuvels even toe.

読書八首(其六)。東山何藹藹。夕陽発紫色。鴨水収微瀾。縈回展白玉。鳧鷖知日暮。相喚帰汝宿。吾亦収吾書。戒婦開尊醁。河鮮自可烹。竹筍自可斸。就吾東軒下。一杯聊相属。

Rai San’yō 頼山陽 (1780-1832) was de zoon van een samurai-geleerde in dienst van het Hiroshima-domein. Anders dan zijn vader besloot hij zich volledig aan de literatuur en geschiedenis te wijden: op zijn negentiende verbrak hij de banden met zijn domein, werd daarmee een rōnin (een ‘golf-man’: samurai zonder heer) — nadat zijn vader hem, zo wil het verhaal, eerst drie jaar in zijn kamer opsloot om hem die schande te besparen. Uiteindelijk vestigde San’yō zich in Kyoto, waar hij onder meer zijn Een onofficiële geschiedenis van Japan (Nihon gaishi, 1829) voltooide. Dit is het zesde gedicht uit een reeks van acht, getiteld ‘Boeken lezen’.

In 1822 bouwde San’yō een huis aan de westoever van de Kamo-rivier, bij Higashiyama (‘Oostelijke heuvels’), Kyoto, met uitzicht op de bergen aan de oostkant van de stad. Bamboescheuten zijn borrelhapjes.