Categorieën
poëzie

een sukkel van een heer

            Een gedicht dat Vrouwe Ishikawa stuurde aan Ōtomo no Tanushi (dat was de tweede zoon van Heer Ōtomo ; zijn moeder heette Kose no Asomi):

een galante heer

            hoorde ik dat je zou zijn

maar je gaf geen sjoege

            stuurde me terug naar huis

sukkelig galante heer

miyabio to / ware wa kikeru o / yado kasazu / ware o kaeseri / oso no miyabio

Ōtomo no Tanushi’s roepnaam was Chūrō [‘Tweede Zoon’]. Zijn gestalte was elegant en zijn verfijning buitengewoon. Er was niemand die hem zag of hoorde die geen zucht van bewondering slaakte. Toendertijd was er ene Vrouwe Ishikawa. Zij vatte het verlangen op om met hem samen te leven en was bedroefd door hoe moeilijk het was alleen te moeten zijn. Zij wilde hem een brief sturen, maar vond geen betrouwbare boodschapper. Zodoende bedacht ze de list om zich voor te doen als arme oude vrouw en met een pot onder de arm ging zij naar zijn slaapvertrek. Ze kuchte en klopte op de deur en zei: ‘Ik ben uw arme buurvrouw aan de oostkant en ik ben gekomen om wat vuur.’ In het donker kon Chūrō haar in haar vermomming niet herkennen. Het was allemaal nogal onverwacht en haar plannetje mislukte. Hij gaf haar het vuur zoals ze had gevraagd en stuurde haar vervolgens weer naar huis. Nadat het licht geworden was geneerde de Vrouwe zich voor haar beschamend plannetje en was ze ook verontwaardigd dat haar hartenwens niet uitgekomen was. Daarom maakte zij dit gedicht en stuurde het hem als daad van spot.

  石川女郎贈大伴宿禰田主歌一首 即佐保大納言大伴卿之第二子、母曰巨勢朝臣也
遊士跡吾者聞流乎屋戸不借吾乎還利於曽能風流士
  〘左注:〙大伴田主字曰仲郎。容姿佳艶風流秀絶。見人聞者靡不歎息也。時有石川女郎。自成雙栖之感、恒悲獨守之難、意欲寄書未逢良信。爰作方便而似賎嫗己提堝子而到寝側、哽音蹢足叩戸諮曰、東隣貧女、将取火来矣。於是仲郎暗裏非識冒隠之形。慮外不堪拘接之計。任念取火、就跡帰去也。明後、女郎既恥自媒之可愧、復恨心契之弗果。因作斯歌以贈謔戯焉。

Man’yōshū 2-126. Een meer letterlijke vertaling van de derde regel van het gedicht is: ‘je verleende me geen onderdak’.

De foto toont Gin Tokiko 銀とき子 (‘een doodgewone huisvrouw die in de Nara-periode leeft’ 奈良時代に生きるごく普通の主婦, aldus haar account op X) in achtste-eeuws hofkostuum.

Een spotgedicht uit het begin van de achtste eeuw. Van Vrouwe Ishikawa (Ishikawa no iratsume 石川女郎) weten we verder niks; het kan ook nog eens heel goed dat er meer vrouwen waren met die naam. De man aan wie zij haar gedicht richtte was de zoon van hoveling en dichter Ōtomo no Yasumaro 大伴安麻呂 (?-714) en de jongere broer van de dichter en krijger Ōtomo no Tabito 大伴旅人 (665-731). Ook Tanushi’s moeder, Vrouwe Kose, was een dichter. De Ōtomo komen veel voor in het tweede boek van de achtste-eeuwse Man’yōshū 万葉集 (‘Verzameling voor tienduizend generaties’), de oudst bewaard gebleven verzameling van Japanstalige poëzie.

Zo op het oog ziet de tekst eruit als Chinees, maar dat is het niet. Het gedicht zelf is geschreven in het Japans, in een oud notatiesysteem om Japanse lettergepen (eigenlijk: morae) weer te geven met niet-gecursiveerde karakters (het zgn. man’yōgana 万葉仮名 of ‘Man’yōshū-schrift’). De proza-inleiding en de noot (let. de ‘noot ter linkerzijde [van de tekst]’, sachū 左注) daarentegen zijn geschreven in het Sinitisch, dat wel een vorm van klassiek Chinees is.

De clou van het gedicht draait om de betekenis van oso 於曽, wat ‘bot (van een lemmet)’ () betekent, met als gerelateerde betekenis ‘traag (van begrip)’ (). Dat laatste is wat we nodig hebben: iemand die oso is, is een sukkel. En dan dat miyabio, een ‘man’ (o) met miyabi. Over die laatste term zijn bibliotheken volgeschreven, omdat het een kernbegrip is in de Japanse cultuurgeschiedenis. De betekenis ervan verschuift wat door de eeuwen heen, maar er is bijna altijd een verband met hofcultuur: ‘hoofsheid’ of ‘hoofse elegantie’ werkt vaak goed. Het woord heeft ook nogal eens de implicatie dat iemand snel het initiatief neemt om een romantische relatie te beginnen. Dat in de Sinitische noot sprake is van fūryū (Ch. fēngliú) 風流 (hier vertaald als ‘verfijning’), wat kan slaan op ‘elegantie’ maar ook op ‘seks’, én dat diezelfde schriftnotatie gebruikt wordt in het gedicht (miyabio 風流士) suggereert dat Vrouwe Ishikawa van Tanushi had verwacht dat hij wat sneller haar avances zou doorzien en daarnaar handelen zou.

Op dit moment ben ik bezig mijn kantoor uit te ruimen vanwege een gedwongen interne verhuizing. (In een andere context uiten collegas en ik onze frustratie over het feit dat Nederlandse universiteiten geregeerd worden door de Afdeling Vastgoed die gebouwen ontwerpt die nadrukkelijk niet bedoeld zijn voor de gebruikers ervan.) Tijdens die operatie stuitte ik op een vergeten blaadje papier van 35 jaar geleden met een eerdere vertaling van me van dit gedicht van Vrouwe Ishikawa. Die ziet er zo uit:

            Een gedicht dat Vrouwe Ishikawa aan Ōtomo no Tanushi zond.

Een galante heer was je,

had ik gehoord,

maar je biedt me geen gastvrijheid!

Je stuurt me naar huis!

Hufter van een heer.

Een vertaling van het gedicht van Vrouwe Ishikawa op basis van de pocketeditie uit 1985 (redactie Itō Haku 伊藤博) van de Kadokawa-uitgave van de Man’yōshu. Vrouwe Sakanoue (Sakanoue no iratsume 坂上女郎) in het genealogisch overzichtje was de echtgenote van Ōtomo no Tanushi en zelf ook dichter maar niet de auteur van het gedicht hier. Met enige schroom plaats ik hier mijn eigen handgeschreven aantekeningen uit 1989. Zie het als een historisch document. In dat jaar had ik nog geen computer; mijn eerste desktop (een Apple Classic II) kocht ik zo’n drie jaar later, toen ik een eind op weg was met mijn promotietraject. (Mijn afstudeerscriptie typte ik van handgeschreven vellen over op een desktopcomputer van een vriend en dispuutsgenoot in zijn studentenkamer terwijl hij op een lab bezig was het DNA van komkommers in kaart te brengen en ik hem daar voortdurend opbelde om weer uitleg te krijgen over de finesses van de Wordperfect-software.) Mijn punt: bijna de helft van mijn leven leefde ik analoog. Inmiddels speel ik met ChatGPT-4. Ik voel me Metusalem, alsof ik in één bestaan van rotstekeningen naar CGI ben gesprongen, en dus van Cro-magnonmens (of —iets minder lang geleden— middeleeuwse monnik) naar cyborg evolueerde. Ik word daar niet per se vrolijk van.

Ik val nog steeds voor de alliteratie van de laatste regel. Maar ja, het klopt niet. ‘Hufter(ig)’ is een heel slechte interpretatie van oso (zie boven), maar vooral is daarbij het probleem: die vertaling suggereert dat de man manipuleert, terwijl de pointe van het gedicht is dat hij een bord voor zijn kop heeft.

Tanushi schreef een gedicht terug (Man’yōshū 2-127), waarin hij probeerde te suggereren dat zijn reactie juist een mooi voorbeeld van hoofse elegantie was. Het is niet echt overtuigend.

De foto toont de tekst van Vrouwe Ishikawa’s gedicht in een elfde-eeuws manuscript (met correcties uit 1184; zgn. Genryaku kōhon man’yōshū 元暦校本万葉集). Collectie Tokyo National Museum. Deze manuscriptversie van de volledige Man’yōshū is niet alleen een Nationale Schat (kokuhō 国宝), maar geeft ook inzicht in hoe de achtste-eeuwse tekst in de elfde eeuw gelezen werd. Het oude notatiesysteem om met niet-gecursiveerde karakters lettergepen weer te geven (het zgn. man’yōgana 万葉仮名 of ‘Man’yōshū-schrift’) was al niet meer goed ontcijferbaar in de laat-klassieke periode. Vandaar dat de tekst in man’yōgana links ervan gevolgd wordt door een transcriptie in het veel simpeler ogende en zonder meer eenduidiger hiragana-schrift, dat in de loop van de negende eeuw ontwikkeld was. Te zien is dat de lezing van de achtste-eeuwse orthografie afwijkt van de tegenwoordige interpretatie ervan: het openingswoord 遊士 van Vrouwe Ishikawa’s gedicht worden hier gelezen als asobio あそびを in plaats van miyabio; en het laatste woord 風流士 wordt gelezen als tawareo たはれを (in plaats van alweer miyabio). Elfde-eeuwse lezers gaven dus verschillende interpretaties aan de verschillende schrijfwijzen van wat in feite een en hetzelfde woord is. De lezing voor is telkens o (‘man’); asobi is hier de glosse voor (‘zich vermaken’; het anachronistische ’playboy’ voor 遊士 komt gevaarlijk in zicht), en taware (de renyōkei van een verkorte vorm van tawaburu, ‘iets voor de grap doen’) voor 風流 (met als Sino-Japanse lezing fūryū [Ch. fēngliú], ‘elegantie’ maar ook ‘seks’). Er bestaat onderzoek dat veel waarde hecht aan implicaties van variante schrijfwijzen in man’yōgana, vanuit de overtuiging dat achtste-eeuwse dichters een subtiel spel speelden met dubbele betekenissen.

Categorieën
poëzie

mooie foutjes

            [Situatie onbekend:]

                                                [Dichter onbekend]

het zaadje was er

            dus zelfs op rotsen kon de pijnboom

                        blijven groeien

als ik maar blijf beminnen

            zou ik je dan nooit gaan zien?

tane shi areba / iwa ni mo matsu wa / oinikeri / koi o shi koiba / awazarame ya mo

  [題しらず]         [読人しらず]
たねしあればいはにもまつひにけり恋をしこひばはざらめやも

Kokin wakashū 11 (‘Liefde 1’)-512.

Toen ik een qua genre wat lastig te duiden boek las omdat het (ook) over Arthur Waley ging, kwam ik dit gedicht tegen, weergegeven in zijn eigen handschrift. Waleys Engels is, als immer, elegant:

If only a seed shall fall,

Even among the waterless stones

A tree will grow.

If you love and I love

Can it be we shall never meet?

                                    10th century

Arthur Waley (1889-1966), de legendarische Britse vertaler uit het klassiek Chinees en klassiek Japans, veroverde vanuit zijn werkplek in het British Museum in 1918 Londen en de rest van de wereld met zijn A Hundred and Seventy Chinese Poems. Vele vertalingen zouden volgen. Net binnen de rand van de avant-garde-Bloomsbury-kring opererend creëerde hij een Engelse variant van klassieke Oost-Aziatische literatuur die perfect aansloot bij het modernistische gevoel van het interbellum.

Vermoedelijk publiceerde Waley deze vertaling voor het eerst in 1929, in een essay over ‘de originaliteit van de Japanse beschaving’. In zijn bundel waka-vertalingen staat ze in elk geval nog niet.

  • Arthur Waley, Japanese Poetry: The ‘Uta (Oxford: Clarendon Press, 1919; meerdere herdrukken.)
Kokin wakashū no. 512 in de vertaling van Arthur Waley, op p. 769 van zijn ‘The Originality of Japanese Civilization’, Pacific Affairs 2: 12 (1929), p. 767-773. Het ‘but’ in de eerste regel hier is een ‘only’ in het manuscript geworden.

Dan de koude douche. We hebben weer eens te maken met een ‘misvertaling’, die juist door een foutieve interpretatie ontroerende poëzie oplevert.

Om te beginnen is er in het eerste deel van het gedicht geen sprake van een conditionalis (‘als A nou maar gebeurt, dan zal ook B gebeuren’). In het tweede deel van het gedicht is geen sprake van wederkerige liefde, maar alleen van een volgehouden liefde van één kant (namelijk van de dichter). Dat is dan ook nog eens een liefde die door het object van die liefde niet eens opgemerkt wordt. Dat laatste durf ik te beweren, omdat het gedicht is opgenomen in het eerste van vijf boeken (of: hoofdstukken) gewijd aan liefdespoëzie in De verzameling van Japanse gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū, 914). Gegeven de culturele grammatica van hoofse romantiek, zijn die gedichten uit het vroege stadium van de liefde per definitie een voorbeeld van ‘liefde van één kant’ (kata-omoi 片思い).

(Ogen sluiten, want hier komt enige morfologische analyse van het klassiek Japans. Er staat een grammaticaal partikel ba na de izenkei [-basis] van het werkwoord ari あり [‘er zijn’; het werkwoord behoort tot de zgn. ra-hen ラ行変格活用-verbuigingscategorie en de izenkei is dus are]. Dat is géén conditionalis, maar drukt uit: ‘eerst gebeurt A en dan gebeurt B, en er is een verband tussen die twee zaken’; de standaardoplossing is dat te vertalen met ‘omdat’ of ‘toen’/‘wanneer’. Dus tane shi areba betekent letterlijk iets als ‘omdat er een zaadje is’. Het partikel shi  geeft nadruk. Een variante grammaticale constructie zie je terug in het tweede deel: het partikel ba komt nu achter een mizenkei, dit keer van het werkwoord kou 恋ふ [dat tot de zgn  kami nidan 上二段活用-verbuigingscategorie behoort, dus de mizenkei ervan is koi恋ひ; de izenkei zou koure– zijn]. Dat eerste koi is hier geen werkwoordsvorm maar een zelfstandig naamwoord, ‘liefde’; dat het gevolgd wordt door het partikel o , dat een lijdend voorwerp aangeeft, is daarvoor al een aanwijzing. De constructie mizenkei+ba drukt wél een conditionalis uit. Koi o shi koiba laat zich dan letterlijk vertalen als ‘als ik de liefde bemin, dan …’ — of een klein beetje vrijer: ‘als ik maar heel erg liefheb, dan …’. We zien een redelijk subtiel grammaticaal spel van de dichter dat de ‘wetmatigheid’ van het zaadje dat tot een pijnboom uitgroeit als premisse neemt voor een hypothese over de liefde. Daarbij gebruikt de dichter twee keer de combinatie emfatisch partikel shi met het partikel ba, alleen de tweede keer dus net anders.)

Helaas! Er staat in het origineel dus wat anders dan in Waleys vertaling. Niks wederkerigheid.

Een open vraag is of Waley de waka niet goed begreep of simpelweg niet heel erg geïnteresseerd was in zo’n filologische reality check. Ook in zijn meesterlijke vertaling van Het verhaal van Genji (1925-19233) veroorloofde hij zich nogal wat vrijheden.

In zijn boek met waka-vertalingen uit 1919 doet Waley nogal luchtig doet over de grammatica van het klassiek Japans (met een uitspraak die wel ‘the understatement of the century’ genoemd is):

Japanese poetry can only be rightly enjoyed in the original. And since the classical language has an easy grammar and limited vocabulary, a few months should suffice for the mastering of it. [Waley, Japanese Poetry: The ‘Uta’, p. 8.]

Het is al met al simpelweg een voorbeeld van verkeerd lezen, vermoed ik: Waley zal de shi in koi o shi 恋をし opgevat hebben als de ren’yōkei-vorm van het werkwoord su (‘doen’) en die frase dus als ‘[ik] beoefen de liefde’ oftewel ‘ik bemin’.

We kennen Waleys vertaling van dit gedicht in zijn eigen handschrift door een reproductie ervan in de memoires (zo noem ik het boek maar) van zijn echtgenote Alison Waley (geboren Alison Grant, 1901-2001). Het fetisjisme van iets dat in de buurt komt van Huizinga’s historische sensatie speelt al snel mee wanneer het oog aan zo’n afbeelding van een handschrift blijft haken: de suggestie dat je zo direct contact hebt met iets bezields.

Alison Waleys boek A Half of Two Lives uit 1982 is een koortsdroom van 326 pagina’s, of zoals een recensent het destijds noemde ‘een soort waanzinnig, prachtig gedicht’ [‘a kind of mad, splendid poem’; Humphrey Carpenter, ‘Becoming Mrs. Arthur Waley’, The New York Times 24 april 1983.]. Het is een verslag van het leven van de auteur en vooral haar relatie met Arthur Waley daarin. Een en ander wordt aan de lezer praktisch volledig in termen van indrukken en emoties gepresenteerd; de droogstoppel die op zoek is naar ‘harde data’ zal er gedesoriënteerd van raken — en wát er aan concrete informatie in staat, blijkt mogelijk niet altijd te kloppen. Alison ontmoette Waley in 1929, en de twee begonnen –naar haar zeggen— vrij snel een verhouding die noodgedwongen een knipperlichtrelatie werd. De Belangrijke Vrouw in Waleys leven was decennialang de imposante, fascinerende maar ook moeilijke Beryl De Zoete (1879-1962), die tot aan haar dood Alison op afstand van Waley probeerde te houden en daarin meestal slaagde. Ook na De Zoetes dood wilde Waley niet met Alison trouwen; pas toen duidelijk werd dat hij aan de kanker zou sterven stemde hij kort voor zijn overlijden in met een huwelijk met haar. Dat de legendarische vertaler en bijna-kluizenaar bij zijn dood een wettige echtgenote bleek te hebben was voor velen een verrassing.

Waley gebruikte vertalingen van Japanse waka als liefdesbriefjes, die hij op de fiets bij Alison bezorgde. Het is verleidelijk te denken dat het hier bovenaan afgebeelde briefje uit hetzelfde jaar van publicatie én van hun eerste ontmoeting stamt. In stijl met haar boek geeft zij geen enkele informatie over het handschrift.

De misvertaling die van het gedicht een wederkerige liefde maakt is natuurlijk ideaal voor de verhouding van Arthur en Alison Waley. Het handschrift, zo zorgvuldig door haar bewaard en voorin in haar memoires afgedrukt, is een tastbaar tribuut aan de intensiteit van hun verborgen liefde.

Een lelijk duiveltje in mij houdt ook rekening met de mogelijkheid dat Arthur Waley bewust misleidend vertaalde: in dat scenario wist hij prima dat het gedicht ging over een nog onbeantwoorde liefde. Dan echoot de waka eerder Alisons eenzijdige maar als zodanig niet besefte emotie: een wortel die pas drie-en-een-half decennium later opgegeten zou worden.

Ik las ook:

  • Hirakawa Sukehiro 平川祐弘Āsā Ueirī: ‘Genji monogatari’ no hon’yakusha アーサー・ウェイリー:『源氏物語』の翻訳者 [‘Arthur Waley: de vertaler van Het verhaal van Genji’] (Tokyo: Hakusuisha, 2008). (M.n. hoofdstuk 8.)

De afbeelding toont Kokin wakashū no. 512 in de vertaling van Arthur Waley, in zijn eigen handschrift. Reproductie in: Alison Waley, A Half of Two Lives (London: Weidenfeld and Nicolson, 1982), p. 1. (Het handschrift staat ook gereproduceerd in Hirakawa, Āsā Ueirī [2008], p. 18.)

Categorieën
poëzie

van honderd dichters één gedicht [8]

[071]   Groot-Raadsheer Tsunenobu 大納言経信 (1016-1097):

als de avond valt

            is het bij rijstplanten naast de poort

                        dat hij op bezoek komt:

langs de simpele rieten hut

            is het dat de herfstwind waait

yū sareba / kadota no inaba / otozurete / ashi no maroya ni / akikaze zo fuku

Een gedicht van Minamoto no Tsunenobu 源経信. Letterlijk zijn het ‘de bladeren van de rijstplanten’ (inaba 稲葉) die de wind laat ritselen.

[072]   Kii uit het Huishouden van Prinses Yūshi 祐子内親王家紀伊 (actief begin twaalfde eeuw):

uit verhalen bekend

is het strand van Takashi waar

            vergeefse golven

mij niet verleiden zullen — mijn mouw

            zou zomaar nat kunnen worden!

oto ni kiku / takashi no hama no / adanami wa / kakeji ya sode no / nure mo koso sure

Kii schreef haar gedicht in antwoord op een gedicht van Fujiwara no Toshitada 藤原俊忠 (1073-1123) voor ‘De liefdesbrievenwedstrijd ten tijde van de Teruggetreden Vorst Horikawa’ (Horikawa no in no ōntoki kesōbumi-awase 堀河院御時艶書合) in 1102. Dat is relevante informatie, omdat Kii hier speelt met echo’s van Toshitada’s gedicht waarin ook sprake is van golven. Verder zit er een double entendre in haar gedicht: takashi kan worden uitgelegd als een plaatsnaam én als ‘luid of ‘hoog’. Daarmee creëert zij een schaduwtekst: ‘over jouw reputatie had ik al heel duidelijk verhalen meegekregen; jouw vergeefse woorden zullen mij niet verleiden’.

[073]   De Voormalige Boventallige Middelste Raadsheer Masafusa 前権中納言匡房 (1041-1111):

op Takasago’s

            hoge heuveltop staat de kers

                        in volle bloei

dat op nabije heuvels lentenevel

            toch maar niet opstijgen moge

takasago no / onoe no sakura / sakinikeri / toyama no kasumi / tatazu mo aranan

Een gedicht van Ōe no Masafusa 大江匡房. Lentenevel (kasumi) op nabije bergen (toyama) zou het zicht op de verder gelegen kersenbloesems ontnemen.

[074]   Heer Minamoto no Toshiyori 源俊頼朝臣 (1055?-1129):

al te harteloos

            was zij jou — jij, vanaf Hatsuse

                        neergedaalde storm!

dat zij meedogenloos zou zijn

            is niet waarom ik daar bad…

ukarikeru / hito o hatsue no / yama-oroshi yo / hageshikare to wa / inoranu mono o

Zoon van Tsunenobu (no. 71). Op het thema ‘Ervoor gebeden maar toch onvervulde liefde’ (inoredo awazaru koi 祈れど逢はざる恋). De Kannon-tempel op de berg Hatsuse, in de huidige prefectuur Nara, was befaamd als bedevaartsoord voor hoopvolle minnaars. Een yama-oroshi 山颪 is letterlijk een ‘[van de] berg-afdaler’, een poëtische manier om ‘bergstorm’ te zeggen; de verbinding van dat woord voor zo’n storm met de plaatsnaam Hatsuse 初瀬 was een min of meer vaste constructie.

[075]   Fujiwara no Mototoshi 藤原基俊 (1056-1142):

beloftes vormden

            als dauw op moxa-bijvoetkruid

                        in een vluchtig bestaan

ach! ook dit jaar weer lijkt

            de herfst aan ons voorbij te gaan

chigiri-okishi / sasemoga tsuyu o / inochi nite / aware kotoshi no / aki mo inumeri

De proza-inleiding bij dit gedicht in Senzai wakashū (‘Verzameling van Japanse gedichten voor een duizend jaren’, 1187) 16-1026 (var. 1023) geeft als context: ‘Wanneer bisschop Kōkaku verzocht tot Lector benoemd te worden voor de Vilamakīrti-samenkomsten, werd hij daarvoor elke keer gepasseerd, zodat [zijn vader Mototoshi] diens beklag deed bij De Lekenmonnik van de Tempel van de Dharma-Aard en voormalig Opperminister [Fujiwara no Tadamichi 藤原忠道 (1097-1164)]; hoewel die zei “het veld van Shimeji […]” [d.w.z. vertrouw maar op mij], werd [Kōkaku] het jaar daarop opnieuw gepasseerd en dichtte [Mototoshi dit gedicht] en stuurde het [naar Tadamichi]:’ 律師光覚維摩会の講師の請を(まうし)けるを、度〳〵れにければ、法性寺入道前太政大臣にうらみ申けるを、しめぢのはらのとはべりけれども、又そのとしれにければ、よみつかはしける. De Vilamakīrti-samenkomst in kwestie werd jaarlijks in de tiende maand (dus in de herfst) gehouden in de Kōfuku-ji 興福寺, Tadamichi’s ‘clantempel’ (ujidera 氏寺) in Nara. De woorden ‘het veld van Shimeji’ citeert Tadamichi uit een waka die werd toegeschreven aan de Kannon waarin ‘het moxa-bijvoetkruid op het veld van Shimeji’ (shimeji ga hara no sasemogusa) gekoppeld wordt aan een belofte van deze bodhisattva. Dat Mototoshi’s gedicht direct volgt op dat van Minamoto no Toshiyori (no. 74) is niet zo raar, want het waren tijdgenoten, maar ook pikant, omdat zij elkaars rivalen in de poëzie waren.

[076]   De Lekenmonnik van de Hosshō-ji en voormalig Kanselier en Opperminister 法性寺入道前関白太政大臣 (1097-1164):

de zeevlakte

roei ik op en zie ik erover uit

            dan als hemelse

                        wolken komen zij me voor:

witte golven op open zee

wata no hara / kogi-idete mireba / hisakata no / kumoi ni magau / oki no shiranami

Fujiwara no Tadamichi 藤原忠道.

[077]   De Teruggetreden Vorst Sutoku 崇徳院 (1119-1164):

stroomversnellend

en door een rots afgedamd

            is de rivier

gesplitst maar uiteindelijk

            zullen we elkaar ontmoeten

se o hayami / iwa ni sekaruru / takigawa no / warete mo sue ni / awamu to zo omou

[078]   Minamoto no Kanemasa 源兼昌 (actief eerste decennia twaalfde eeuw):

het eiland Awaji

waarheen de plevieren reizen

            met klinkende roep

hoeveel nachten al wekten die

            de grenswachter van Suma?

awajishima / kayou chidori no / naku koe ni / ikuyo nezamenu / suma no sekimori

Suma ligt tegenover het eiland Awaji.

[079]   Directeur voor het Linker Stadsdeel Akisuke 左京大夫顕輔 (1090-1155):

in de herfstwind

            jagen wolken in slierten

                        waardoor uit een gat

naar buiten lekkend maan-

            licht helder schijnen komt

akikaze ni / tanabiku kumo no / taema yori / more-izuru tsuki no / kage no sayakesa

Fujiwara no Akisuke. In zijn Heroverwegingen bij ‘Van honderd dichters één gedicht’ (Hyakunin isshu kaikanshō 百人一首改観抄, 1692) schrijft de filoloog Keichū 契沖 (1640-1701) naar aanleiding van het werkwoord tanabiku (‘in slierten jagen [of: zich uistrekken]’):

Het is het deinen van dunne wolken. Het zijn geen wolken die een dik dek vormen. Daar waar langsdrijvende wolken door de herfstwind oplossen komt de maan tevoorschijn en dat komt de dichter dan als opvallend nieuw en helder voor. Hij heeft het niet over een maan in een nacht met een volledig opgeklaard hemel, maar dat hij zoiets probeert uit te drukken is interessant.

                                                            Heer Toshiyori

            wolkengroepen:

            zou de maan die somberte

                        weg kunnen vegen?

            elke keer dat het optrekt

                        zal zij helderder schijnen

murakumo ya / tsuki no kuma oba / nogouran / hareyuku tabi ni / terimasaru kana

Biedt dit gedicht niet hetzelfde vergezicht? In een gedicht van Tao Yuanming [365-427] in de Keuze van verfijnde teksten [Wenxuan] staat er: ‘Helder staat de maan tussen de wolken; / schitterend de bloesems te midden van de blâren’. Heeft [Akisuke] dat soms gedicht met dit couplet in gedachten? En dan is er de versregel ‘De maan bevindt zich op een ondiepte tussen drijvende wolken o zo helder’, maar ook waar er in Het verhaal van Genji geschreven staat dat de maan onverwacht tussen de wolken door schijnt — bij allemaal lijkt de strekking ervan op elkaar.

薄雲のなびくなり。あつくおほふ雲にはあらず。秋風にふれて浮雲のとだえる所に、月のもれ出たるが、ひときはあたらしく明らかなるやうにおぼゆるなり。一天晴たる夜の月をいはずして、かゝる所をもとめていふがおかしきなり。
           俊頼朝臣
  村雲や月のくまをばのごふらんはれゆくたびにてりまさるかな
此うたと景気おなじき歟。文選陶淵明詩に明〻タリ雲-間月。灼〻タリ葉中花。此初句を思ひてよまれたる歟。又月浮雲ナリいといふ句、又源氏物語に雲がくれたる月のにはかにさし出たるとかける詞皆心相似たり。

Keichū zenshū 契沖全集, deel 9, red. Hisamatsu Sen’ichi 久松潜一 (Tokyo: Iwanami Shoten, 1974, 19822), p. 744-745 (dakuten toegevoegd). Toshiyori’s gedicht is Kin’yō wakashū no. 3 (Herfst)-206.

[080]   Horikawa in dienst van de Teruggetreden Vorstin Taikenmon 待賢門院堀河 (actief eerste helft twaalfde eeuw):

hoe lang dit duren mag

dat weet ik van binnen niet

mijn zwarte haren

            deze ochtend totaal verward

zo zink ik in gedachten weg

nagakaramu / kokoro mo shirazu / kurokami no / midarete kesa wa / mono o zo omou

Een ‘ochtend erna’-gedicht (kinuginu no uta 後朝の歌), geschreven vanuit het standpunt van de achtergelaten vrouw. Gedicht naar een opgegeven thema (dai’ei 題詠) voor de Honderd-gedichten-reeksen van het Kyūan-tijdperk (Kyūan hyakushu 久安百首, voltooid in 1150), dus hoogstwaarschijnlijk ‘fictie’ en niet noodzakelijk de weerslag van een doorleefde ervaring. Hofdame Horikawa verknoopt hier het erotische beeld van verwarde haren na een liefdesnacht met dat van haar verwarde gevoelens; haar haar is lang (een schoonheidsideaal), maar of de duur van de relatie ook zo lang zal zijn is de vraag.

Nummers 71 t/m 80 van Van honderd dichters één gedicht (Hyakunin isshu 百人一首).

27 mei is het weer de jaarlijkse ‘Van honderd dichters één gedicht-dag’ (hyakunin isshu no hi 百人一首の日). Daarom maar weer eens verder met dit vertaalproject.

Ik lees momenteel een boek waarin literatuurhistorica Tabuchi Kumiko haar theorie uitwerkt dat Van honderd dichters één gedicht helemaal niet door Fujiwara no Teika is samengesteld maar door een later iemand. Bij de laatste aflevering van mijn vertaling van deze bloemlezing zal ik daarop ingaan (een en ander heeft namelijk veel te maken met de laatste twee gedichten van Hyakunin isshu). Tabuchi schrijft ook dat dat idee niet helemaal nieuw is: in vroegmodern Japan werd dat namelijk ook al eens geopperd, maar de zeventiende-eeuwse filoloog Keichū had daarvan nog geen weet. (Die noot bij gedicht no. 79 is lekkage van huiswerk dat ik in de marge van Tabuchi’s boek deed.)

  • Tabuchi Kumiko 田渕句美子, Hyakunin isshu: hensan ga hiraku shōuchū 百人一首 ―― 編纂がひらく小宇宙 [‘Van honderd dichters één gedicht: een microkosmos blootgelegd via haar redactiewerk’] (Tokyo: Iwanami Shoten, 2024).

De afbeelding toont (rechts) de titelpagina en (links) gedicht no. 71 van Kyōka hyakunin isshu 狂歌百人一首 ( ‘Van honderd dichters één gedrocht’ —of iets braver: ‘Een maffe gedichten-versie van Van honderd dichters één gedicht’—, 1843; postume uitgave) door Ōta Nanpo 大田南畝 (1749-1823). Collectie Waseda University Library, Tokyo. In deze vroeg-negentiende-eeuwse pastiche van Van honderd dichters één gedicht blijft Nanpo heel dicht bij de oorspronkelijke tekst.

                                     Groot-Raadsheer Tsunenobu

als de avond valt

            is het bij rijstplanten naast de poort

                        dat we aanroepen:

als Gonbei thuis is

            zullen we er dan eentje nemen?

yū sareba / kadota no inaba / oto zurete / gonbei uchi nara / ichigō yarō ka

        大納言経信
夕されば門田のいなば音づれて権兵衛内なら一合やろうか

(‘Gonbei’ wordt hier gebruikt als een archetypische boerenpummelnaam.)

Dit parodisch procedé (een variant die wel ‘uncoupled couplets’ genoemd wordt) was in vroegmodern Japan extreem populair maar ook Nederland kent het natuurlijk. Zie bijvoorbeeld Drs. P.’s parodie op een gedicht van A.C.W. Staring (1767-1840):

            Sikkels klinken

            Sikkels blinken

            Ruisend valt het graan

            Als je iemand weg ziet hinken

            Heeft hij ’t fout gedaan.

Coos Neetebeem [Drs. P.], Antarctica (C.J. Aarts, 1980). (Ik dacht trouwens altijd dat de laatste regel was: ‘Dan heeft hij het ’t fout gedaan’, maar nee.)

Categorieën
poëzie

vlinderdromen

Eens op een dag droomde ik, Zhuang Zhou, dat ik een vlinder was, een vlinder die fladderend rondvloog, tevreden met zichzelf, en zich niet bewust dat ze mij was. Plotseling werd ik wakker en begon ik me er rekenschap van te geven dat ik nog altijd [Zhuang] Zhou was. Nu is de vraag of ik [Zhuang] Zhou ben die droomde dat hij een vlinder was, ofwel een vlinder die droomde dat hij mij was. Toch bestaat er noodzakelijkerwijs een verschil tussen mij en die vlinder. Dat noemen we dan maar de Verandering der Dingen.

昔者、莊周、夢為胡蝶。栩栩然胡蝶也。自喩適志与、不知周也。俄然覺、則蘧蘧然周也。不知、周之夢為胡蝶与、胡蝶之夢爲周与。周與胡蝶、則必有分矣。此之謂物化。

Zhuang Zi, De innerlijke geschriften, vertaald door Kristofer Schipper [Hoofdstuk 2, VIII] (Amsterdam: Meulenhoff, 1997), p. 73.

            In de honderd-gedichtenreeks, in het Horikawa-tijdperk:

                                                Minister van Financiën Masafusa

            .

mijn hele leven

            heb ik dwalend tussen bloesems

                        doorgebracht

deze wereld is een vlinders

            droom inderdaad, niets anders

momotose wa / hana ni yadorite / sugushiteki/ kono yo wa chō no / yume ni zarikeru

 堀川御時、百首歌中によめる
         大蔵卿匡房
ももとせは花にやどりて過ぐしてきこのてふゆめにぞありける

Shika wakashū 10-378, door Ōe no Masafusa 大江匡房 (1041-1111). ‘De honderd-gedichtenreeksen ten tijde van de Horikawa-heerschappij’ (Horikawa hyakushu 堀川百首, waarin Masafusa’s gedicht no. 1538 is) werd georganiseerd in 1105-1106; zestien deelnemers leverden daarvoor elk honderd waka in. De openingsregel is letterlijk ‘een honderd jaren’ (momotose 百年), maar de (ideale) duur van een mensenleven werd geschat op het ronde getal van honderd jaar. ‘Zarikeru’ is de samengetrokken vorm van zo arikeru.

in een bloementuin

            een vlinder te zijn geworden

                        dat droomde ik

was dit nu een droombeeld

            of kan het toch werkelijkheid zijn?

hanazono no / kochō to naru to / mishi yume wa / ko wa maboroshi ka / utsutsu to ya sen

花園の胡蝶となると見し夢はこはまぼろしかうつつとやせん

Horikawa hyakushu 1550. Een gedicht van de hofdame Higo 肥後 ‘in dienst van het huishouden van de Kyōgoku-Regent [Morozane 師実, 1042-1101]’ (Kyōgoku Kanpaku-ke no Higo 京極関白家肥後, ook bekend als ‘Higo in dienst van het paleis van de vorstin’ [Kōgōgū Higo 皇后宮肥後]; data onbekend, actief begin twaalfde eeuw).

sombere gedachten

mocht ik tenminste een vlinders

            droom kunnen wezen

dát zou mijn wispelturig hart

            wel vreugde mogen schenken

omoiwabinu / semete kochō no / yume mogana / kokoro no hana no / tanoshimi ni sen

思ひわびぬせめて小蝶の夢もがな心の花のたのしみにせん

Munenaga shin’ō senshu 宗良親王千首 741. Een gedicht van Prins Munenaga 宗良親王 (var. Muneyoshi, 1311-1385). ‘Mijn wispelturig hart’ is mijn oplossing voor het wat lastige kokoro no hana (let. ‘de bloem die mijn hart is’): de uitdrukking kan zowel slaan op iemand van wie de gevoelens snel verwelken als ‘gevoel voor verfijning’ betekenen.

           ‘Vallende bloesems’:

            .

dit tijdelijk bestaan

            is vol ijdel gekleurde liefde

vallende bloesems

            die zich vermengen met vlinders

                        die vlinderdromen hebben

kari no yo no / iro o hakanami / chiru hana ni /majiru kochō mo / yume o miyo to ya

 落花
りの世の色をはかなみ散る花にまじる胡蝶も夢をみよとや

Sōkonshū 草根集 1430. Een gedicht van Shōtetsu 正徹 (1381-1459). Iro 色 betekent zowel ‘kleur’ als ‘liefde’ of ‘lust’. Dat herhalen van ‘vlinder’ is een beetje smokkelen.

niet uitgekeken

samen te smelten met bloesems

            zo’n vlinder te zijn

en wiens droom dat wezen mag

            is mijn groeiende verwarring

akazu miru / hana ni nareyuku / kochō to wa / ta ga miru yume ka / mayoikinuran

あかず見る花になれゆく胡蝶とはたが見る夢かまよひきぬらん

Hikaishū 卑懐集 (Verzameling van eigen simpele gevoelens). Een gedicht van Anegakōji Mototsuna 姉小路基綱 (1441-1504). Masatsuna was iemand die interessant genoeg met één been in de hofcultuur stond (vandaar die poëzie) en met één been in de krijgercultuur; hij stamde uit een familie van hofadel en sloot zich aan bij krijgersgroeperingen en werd zo een militaire daimyō (leenheer).

            ‘Diepe liefde voor insecten’:

            .

wat ik gedroomd heb

en wat de vlinder droomde

            wat daarvan te zeggen?

die gedachte als ik inslaap

            weet mij te achtervolgen

mishi yume mo / kochō no yume mo / nani ka iwan / waga omoi-ne no / waga mi narikeru

 寄虫切恋
みし夢も胡蝶の夢も何かいはん我が思ひ寝の我が身なりける

Hakugyokushū 柏玉集 7-1529. Een gedicht van de Teruggetreden Vorst Gokashiwabara 後柏原院 (1464-1526).

Behoeft de beroemde overpeinzing van ‘Meester Zhuang’ (Zhuangzi 荘子, ca. 369 – ca. 286 v.Chr.) nog toelichting? Ze is in elk geval al vroeg een gedachte die tot de verbeelding van velen heeft gesproken. Ook in klassiek en middeleeuws Japan (en ook daarna, trouwens) trok de ‘ben-ik-een-vlinder-die-droomt-dat-hij-mij-is?’-bespiegeling haar sporen. Bij deze daarvan enkele voorbeelden.

De tekening komt uit Philémon en de wilde piano, door Fred (Dargaud, 1973), p. 25.

Categorieën
poëzie

manuscript in een digitale fles gevonden

‘Helemaal vergeten’ zou een beetje jokken zijn, maar er gaan jaren voorbij dat ik er niet aan denk. Lang geleden was er sprake van plannen voor een herdenkingsbundel voor Frits Vos (1916-2000), te vullen met Japanse poëzie en Nederlandstalige tanka en haiku. Die is er nooit gekomen. Wel schreef ik er een stukje voor dat te beschouwen valt als een uitgebreide voetnoot bij pagina 55 van Vos’ laatste (of bijna laatste) publicatie:

  • Een Nieuwe Vijver, gedichten van de excentrieke Zen-priester Ryokan (1759-1831). Vertaald en toegelicht door Frits Vos. Amsterdam: Meulenhoff 1996.

Dat stukje is dus bijna een kwarteeuw blijven liggen in een digitale la van een harde schijf. Kortgeleden kwam ik die weer tegen, een beetje als de elektronische variant van een bericht in een aangespoelde fles gevonden tijdens een wandeling langs een vertrouwd strand.

Aan de tekst heb ik niets veranderd; alleen het Japans heb ik toegevoegd.

De foto toont een beeld van Teishin en Ryōkan in de lobby van het Ryōkan’s Dorp Museum (Ryōkan no Sato Bijutsukan 良寛の里美術館), Nagaoka, aan de Japanse Zee.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

De laatste dauwdruppel op de lotusbloem

De dichtersliefde tussen de non Teishin en de Zenpriester Ryōkan

Ivo Smits

In 1826 voelde de 69-jarige Japanse dichter en Zenpriester Ryōkan 良寛 (1758-1831) zich fysiek steeds zwakker en besloot zijn kluizenaarshut in de bergen te verlaten en zijn intrek te nemen in een hut op het terrein van zijn oude vriend en toeverlaat, de koopman Kimura Toshizō 木村利蔵 (ook wel: Moto’emon 元右衛門 XI, 1778-1848), in Shimazaki 島崎, bij het dorp Washima dichtbij de Japanse Zee. Daar ontmoette hij, waarschijnlijk in de herfst van datzelfde jaar, de jonge non en dichter Teishin. De ontmoeting met Teishin 貞心 (1798-1872) leidde tot een intense, liefdevolle relatie die niet alleen bepalend was voor het leven van de beide dichters, maar waaraan ook de lezers en liefhebbers van Ryōkan’s poëzie onnoemelijk veel te danken hebben. Het is liefde geweest waardoor het werk van Ryōkan behouden bleef.

Teishin werd geboren als de dochter van Okumura Gohei 奥村五兵衛, een samurai van lage rang in dienst van de heer van Nagaoka. Haar kindernaam was Masu ます. Op haar zeventiende werd zij uitgehuwelijkt aan de arts Seki Chōon 関長温. Dat huwelijk heeft niet heel lang geduurd, want na vijf jaar stierf Chōon (al lijkt dat niet kloppen; bronnen geven 1827 als zijn sterfjaar). Volgens een ander verhaal zou Chōon van Teishin gescheiden zijn, omdat het huwelijk kinderloos bleef. Hoe het ook zij, in 1819 woonde Teishin weer thuis bij haar ouders en een jaar later trad zij toe in een nonnenklooster. Zij was toen 23 jaar oud en het zal rond deze tijd geweest zijn dat zij de naam Teishin (‘Kuis hart’) aannam.

Teishin was volgens de berichten beeldschoon. In de herfst van 1826 was zij 29 jaar oud en woonde sinds kort in de Enmadō 閻魔堂, een tempel gewijd aan de koning-rechter van de onderwereld. In dat jaar zocht zij de veertig jaar oudere Zenpriester voor de eerste keer op. Haar motieven voor een bezoek aan Ryōkan liggen voor de hand: onderricht in boeddhistisch gedachtegoed en gesprekken over poëzie. ‘Het ‘klikte’ meteen tussen de beide religieuzen’, schrijft Frits Vos in Een nieuwe vijver, ‘en er ontwikkelde zich een verhouding die wij misschien het beste als een LAT-relatie avant la lettre kunnen betitelen.’ De twee zagen elkaar vaak gedurende de ruim vier jaar die hun relatie duurde en schreven elkaar veel gedichten.

Elke liefhebber van Ryōkan’s poëzie weet dat zijn eerste bundel gedichten in het Japans (waka), Dauwdruppels op een lotusbloem (Hachisu no tsuyu はちすの露), in 1835 postuum werd uitgebracht door Teishin. Zij speelde ook een cruciale rol in de samenstelling van de eerste verzameling van Ryōkan’s Chinese verzen, die de monnik Zōun 蔵雲 (1813-1869) uiteindelijk in 1867 zou uitbrengen onder de titel Nagelaten geschriften van de beoefenaar van de weg Ryōkan (Ryōkan dōjin ikō 良寛道人遺稿).

            .

Behalve als dichter en literaire sparringpartner was Teishin dus ook actief als bezorgster van Ryōkan’s oeuvre. Haar werk voor het uitbrengen van de poëzie van de man die zij haar ‘meester’ noemde was letterlijk liefdewerk. Wat de meeste vertalingen van Ryōkan’s poëzie niet goed duidelijk maken is dat Dauwdruppels op een lotusbloem behalve als een belangrijke verzameling van Ryōkan’s waka ook gelezen kan worden als Teishin’s verslag van haar relatie met Ryōkan. Dat geldt dan natuurlijk vooral voor het deel waarin de poëtische correspondentie van die twee is opgenomen. Frits Vos schrijft daarover: ‘Hoewel daar geen onvertogen woord in valt, wordt uit de tussen Ryōkan en Teishin uitgewisselde gedichten duidelijk dat hun relatie zeker meer dan platonisch was; ze vormen een ontroerende liefdesgeschiedenis.’ Die ontroering is het krachtigst in de staart: de laatste gedichten die de geliefden vlak voor Ryōkan’s dood uitwisselden. Toen Teishin hoorde dat Ryōkan op sterven lag, vertrok zij onmiddellijk naar zijn hut op het terrein van de familie Kimura en verzorgde hem totaan zijn dood, bijgestaan door onder anderen Ryōkan’s jongere broer Yamamoto Yūshi 山本由之 (ook wel: Yoshiyuki, 1762-1834) die het sterfbed uitgebreid beschreef in zijn dagboek Een volle chrysant (Yaegiku 八重菊).

Ook Teishin beschreef het sterfbed van Ryōkan. Dauwdruppels op een lotusbloem eindigt met de hier volgende reeks gedichten waarin zij haar versie geeft van de laatse momenten die zij samen doorbrachten.

            En zo, aan het einde van de twaalfde maand [van Tenpō 1 = 1830], ontving ik bericht van een kennis dat [Ryōkan’s] ziekte plotseling ernstiger geworden was, maar toen ik me diep geschokt naar zijn huis haastte, maakte hij niet de indruk er zo erg aan toe te zijn. Hij zat rechtop in zijn bed en leek blij te zijn me te zien.

            .

wanneer, wanneer, zo

            bleef ik op jou wachten

                        en je bent gekomen

nu we elkaar zien,

            wat valt er verder nog te denken?

itsu itsu to / machinishi hito wa / kitarikeri / ima wa aimite / nani ka omowamu

                                                                        De meester

  かくてしはすの末つ方、俄に重らせ玉ふよし人のもとより知らせたりければ、うち驚きて急ぎまうでて見奉るにさのみ悩ましき御けしきにもあらず、床の上に座しゐたまへるが、おのがまゐりしをうれしとやおもほしけん
いついつと待ちにし人は来りけり今はあひ見て何か思はむ    師

als dauw op gras

            in het veld van Musashi

                        die, als ze blijft,

zelfs als ze lang blijft liggen toch vervliegt

            zo vervliegt ook ons lichaam.

musashino no / kusaha no tsuyu no / nagaraite / nagarai-hatsuru / mi ni shi araneba

                                                                        De meester

武蔵野の草葉の露のながらひてながらひ果つる身にしあらねば    師

            Zodoende bleef ik dag en nacht aan zijn zijde en ik zag hoe hij met de dag zwakker werd en besefte dat er niets aan te doen viel. Te zien hoe hij binnenkort leek te zullen sterven stemde me zeer droevig.

            .

ook voor iemand

            die voorbij de grens van dood

                        en leven woont

is een schijnbare scheiding

            toch nog droevig stemmend

ikishini no / sakai hanarete / sumu mi ni mo / saranu wakare no / aru zo kanashiki

                                                                        Teishin

  かかれば昼よる御かたはらに在りて御ありさま見奉りゐるに、ただ日にそへてよわりによわり行き玉ひぬれば、いかにせん、とてもかくても遠からずかくれさせ玉ふらめと思ふにいとかなしくて
生きしにの堺はなれて住む身にもさらぬかれのあるぞ悲しき    貞

            Zijn antwoord:

            .

hun achterkant tonen ze

            en ook hun voorkant tonen ze:

vallend herfstblad

ura o mise / omote o misete / momiji

                                                                        De meester

Dit is niet van hemzelf, maar hij citeerde het graag van tijd tot tijd — prachtig.

  御かへし
うらを見せおもてを見せて散るもみぢ    師
  こは御みづからのにはあらねど、時にとりあひの給ふ、いとたふとし。

op komen lijkt het

            en op een terugkeer lijkt ’t —

de golven op zee

kuru ni nite / kaeru ni nitari / okitsunami

                                                                        Teishin

            .

Toen ik dit zei, antwoordde hij:

            .

helder zijn ze inderdaad —

de woorden uit jouw mond

akirakarikeri / kimi no koto no ha

                                                                        De meester

            .

Hij overleed op de zesde dag van de eerste maand van Tenpō 2 [1831], vierenzeventig jaar oud. Getekend: de non Teishin.

くるに似てかへるに似たりおきつ波    貞
  かく申したりければ
あきらかりけり君の言の葉    師
    天保二卯正月六日遷化 よはひ七十四 貞心尼

Verrassend is dat Teishin het nodig vond op te merken dat de enige hokku in de uitwisselingen tussen haar en Ryōkan (‘hun achterkant […]’) niet door de meester zelf was geschreven maar dat hij het aanhaalde om uit te drukken dat blijdschap en droefenis, zwakheden en sterke momenten hebben elkaar afgewisseld in een leven dat nu ten einde loopt. Welk gedicht Ryōkan hier precies citeert is onduidelijk. De grootste kanshebber is een hokku van Tani Boku’in 谷木因 (1646-1725), een vriend van de beroemde dichter Matsuo Bashō 松尾芭蕉 (1644-1694): 

van achteren vallen ze

            en ook van voren vallen ze —

herfstbladeren!

ura chiritsu / omote o chiritsu / momiji kana

裏ちりつ表を散つ紅葉哉

In sommige manuscripten wordt de door Ryōkan geciteerde hokku gevolgd door een achttal hokku van Ryōkan zelf, waaronder zijn spraakmakende

een nieuwe vijver!

een kikvors springt erin —

            geluid blijft uit

ara-ike ya / kawazu tobikomu / oto mo nashi

新池や蛙飛び込む音もなし

Dit is, zoals Frits Vos al schreef, Ryōkan’s ironisch commentaar op Bashō’s beroemde ‘Een oude vijver! / Een kikvors springt erin — / geluid van water’ (furuike ya / kawazu tobikomu / mizu no oto), een gedicht dat ruim een eeuw na Bashō’s dood een kanonieke status had gekregen waardoor het zijn oorspronkelijke lichtheid en vermogen tot verwondering goeddeels was kwijtgeraakt.

De reeks eindigt met een melancholieke samenspraak. Merkwaardig is dat dit allerlaatste kettingvers van Ryōkan en Teishin zelden wordt geciteerd, terwijl het toch de laatste dauwdruppel op de lotusbloem is. Teishin weet de ontmoetingen tussen mensen, hun sterven en het kruisen van hun levenspaden te suggereren met het beeld van golven op open zee die met hun ritmisch bewegen eeuwige cycli van gaan en komen oproepen. Ryōkan’s laatste woorden als dichter beamen de juistheid van dat beeld. Dat zal voor Teishin een belangrijke reden geweest zijn om het vele jaren later nog een keer te gebruiken toen zij haar doodsvers (jisei 辞世) schreef dat haar afscheid van deze wereld uitdrukt. Teishin stierf, vijfenzeventig jaar oud, op de elfde dag van de tweede maand van Meiji 5 (1872). Japan was inmiddels een geheel nieuwe wereld binnengegaan, vol spoorlijnen, telegraafpalen, parlement, gemoderniseerd leger en westerse romans. Zij ligt begraven in de Dōun-ji, de tempel waar zij de laatste dertig jaar van haar leven woonde. Haar doodsvers staat in de grafsteen gebeiteld:

op komen lijkt het

            en op een terugkeer lijkt ’t —

de golven op zee:

hun bewegen aan wind en

            waaien overgelaten

kuru ni nite / kaeru ni nitari / okitsunami / tachi’i wa kaze no / fuku ni makasete

くるに似てかへるに似たり沖つ波立居は風の吹くにまかせて

                                                New Haven, november 2000

Noot

Bij leeftijden volg ik het klassiek Japans gebruik waarbij iemand al bij de geboorte één jaar oud is. De twee door mij geraadpleegde studies van Hachisu no tsuyu zijn: Itō Hiromi 伊藤宏見, Ryōkan to Teishin-ni: ‘Hachisu no tsuyu’ shinshaku 良寛の歌と貞心尼:『はちすの露』新釈 (Shinjinbutsu Ōraisha, 1990) en Kita Noboru 喜多上, ‘Hachisu no tsuyu’ o yomu はちすの露を読む (Shunjūsha, 1997). Verwijzingen naar Frits Vos betreffen zijn bundel Een nieuwe vijver. Gedichten van de excentrieke Zen-priester Ryōkan (1759-1831) (Meulenhoff, 1996).

Categorieën
poëzie

klad

                  Bij de dichtwedstrijd in het Teishi-paleis:

                                                      Tsurayuki

ook al vallen ze

            ik wens dat ze toch blijven

                        de kersenbloesems

dat de lente op haar end loopt

            laat me dat nou niet weten

chirinu tomo / ari to tanomamu / sakurabana / haru wa hatenu to / ware ni shirasu na

   亭子院哥合に   つらゆき
ちりぬともありとたのまむさくらはな/春はゝてぬとわれにしらすな

Shinchokusen wakashū 2-125.

Als iemand dit een nogal saai gedicht vindt, zal ik bekennen: ook ik vind er niet veel aan. Het is een schoolvoorbeeld van een tiende-eeuws gedicht in een formele setting, bedoeld om een sociaal wenselijke omlijsting te verzorgen voor een prestigieus samenzijn georganiseerd door een politiek en cultureel machthebber.

De machthebber in kwestie was de teruggetreden vorst Uda 宇多法皇 (867-931); het samenzijn in zijn in het Teishi-paleis betrof een dichtwedstrijd op de dertiende dag van de derde maand van dertiende jaar van de Engi-periode (22 april 913 — zo’n beetje op de dag af 1.111 jaar geleden). De dichter, Ki no Tsurayuki 紀貫之 (?-946), was de voornaamste redacteur van het comité dat de eerste vorstelijke bloemlezing van Japanse poëzie samenstelde, Verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū 古今和歌集, voltooid in 914).

Dit fragment is spannend om een heel andere reden dan de aanleiding voor en de formulering van het gedicht. Wat er zo geweldig aan is is dat we het gedicht ook kennen in het hier afgebeelde handschrift, en dan vooral dat dat handschrift zo slordig is. We kijken naar een kladje uit het begin van de dertiende eeuw.

Ik had in de vroege herfst van 2023 het grote geluk dat een verzamelaar van vroegmiddeleeuwse Japanse handschriften in Tokyo bereid was me een deel van zijn collectie te tonen. Eén van de schatten die ik te zien kreeg was een fragment met dit gedicht van Ki no Tsurayuki. Het stuk papier met enkele regels handschrift was ‘gemonteerd’ (hyōgu 裱具) op een hangrol (kakemono 掛け物) die aan de muur hing in een kamer met rietmatten op de vloer. Een belangrijke rechtvaardiging voor deze omlijsting die het fragment nadrukkelijk de status gaf van Belangrijk Object was dat het een handschrift betreft van Fujiwara no Teika 藤原定家 (1162-1241).

Teika geldt, terecht, als een van de belangrijkste dichters van middeleeuws Japan én als een van de belangrijkste tekstbezorgers van klassieke poëzieverzamelingen (én van proza: de meeste moderne tekstedities van Het verhaal van Genji zijn op zijn werk gebaseerd). In 1230 kreeg hij, op bijna zeventigjarige leeftijd, de opdracht om in zijn eentje de negende vorstelijke bloemlezing van Japanse poëzie samen te stellen; dat zou de Nieuwe vorstelijke verzameling van Japanse gedichten (Shinchokusen wakashū 新勅撰和歌集) worden. Die opdracht was zowel een buitengewoon eervolle benoeming als een bevel om zijn beide handen in een politiek wespennest te steken.

De politieke problemen rondom dit staatsproject zijn hier niet direct relevant, maar hadden te maken met de vraag of poëzie van dichters die het militaire hof in Kamakura als tegenstanders beschouwde een plek kon krijgen in de vorstelijke bloemlezing.

Het project om de nieuwe vorstelijke bloemlezing samen te stellen kwam maar moeizaam op gang, maar in 1232 had Teika als een substantieel aantal gedichten gekozen die volgens hem in aanmerking kwamen om opgenomen te worden in dit prestigeproject. Het ligt voor de hand aan te nemen dat gedichten van Heel Erg Dode Dichters, zoals de vroeg-tiende-eeuwse Tsurayuki, niet politiek gevoelig waren en dat Teika’s selectie van zulke gedichten ongeschonden in de uiteindelijke bloemlezing terecht kwam. Met andere woorden: het hier vertaalde gedicht zal met heel grote waarschijnlijkheid al in 1232 door Teika zijn gekozen om opgenomen te worden in de Nieuwe vorstelijke verzameling van Japanse gedichten.

Helemaal rechts, onmiddellijk voorafgaand aan Tsurayuki’s gedicht, is nog een snipper van een ander oud gedicht te lezen, dat Teika als no. 117 in de bloemlezing zou opnemen. Van dat gedicht door Fujiwara no Kinzane 藤原公実 (1053-1107) vallen net de laatste woorden op te maken: ‘zon[der dat] iemand [het kan] zien / dwarrelen [haar] bloesems [neer]’ (mi[ru] hito na[shi ni] / hana [zo] chiri[keru] み[る]人な[しに]花[そ]ちり[ける]).

Dan het handschrift: dat is bijna onleesbaar en wijkt daarmee erg af van de meeste aan Teika toe te schrijven manuscripten. Zoals de verzamelaar bij wie ik het origineel mocht bekijken opmerkt: ‘Er is nu eenmaal een verschil tussen een nette kopie van een tekst, bedoeld om door anderen gelezen te kunnen worden, en aantekeningen die je voor jezelf maakt en je later vaak maar met moeite weer kunt ontcijferen.’ Dat is nog steeds heel erg waar, natuurlijk.

De combinatie van twee oude gedichten die Teika naast elkaar opschreef maar die niet naast elkaar in de bloemlezing terecht kwamen én de relatieve onleesbaarheid van een snelle memo-voor-zichzelf wijst erop dat we hier te maken hebben met een kladselectie (senka sōkō 撰歌草稿): dichter-redacteur verzamelt materiaal om later enigszins gespreid op te nemen in een staatsanthologie. Dat is bijzonder, want zulke kladbriefjes eindigen doorgaans in de prullenbak van de geschiedenis. Nu hing die gelukkig ergens voor mijn ogen te pronken aan de muur (om daarna weer netjes te worden opgeborgen).

Kladselectie van gedichten voor de Nieuwe verzameling van gedichten van vroeger en nu (Shinkokin wakashū senka sōkō 新古今和歌集撰歌草稿). Begin dertiende eeuw. Handschrift van Fujiwara no Teika, die lid was van het zeskoppige redactie comité van deze achtste vorstelijke bloemlezing. Het fragment is gemonteerd op een hangrol waarvan een deel te zien is. Collectie National Institute for Japanese Literature, Tokyo. Niet alle kladjes werden weggegooid.

Kinzane’s gedicht vind ik dan net weer wat aardiger dan dat van Tsurayuki:

            Situatie onbekend:

                                    Tijdelijk Groot Raadsheer Kinzane

bergkersbloesem:

een aandenken aan de lente

            vraagt men en daarop

zonder dat iemand het kan zien

            dwarrelen haar bloesems neer

yamazakura / haru no katami ni / tazunureba / miru hito nashi ni / hana zo chirikeru

  題しらず
       権大納言公実
ざくらはるのかたみにたづぬれば見る人なしにはなりける

Ik (her)las:

  • Ikeda Kazuomi 池田和臣, Kohitsu shiryō no hakkutsu to kenkyū 古筆資料の発掘と研究 [‘Oude handschriften verzamelen en bestuderen’] (Tokyo: Seikansha, 2014), p. 198-202.
  • Ivo Smits, ‘The Poet and the Politician: Teika and the Compilation of the Shinchokusenshū’, Monumenta Nipponica 53: 4 (1998), p. 427-472.

De afbeelding toont een fragment met Ki no Tsurayuki’s gedicht, in het handschrift van Fujiwara no Teika, vermoedelijk 1232. Privécollectie; foto genomen op 6 oktober 2023.

Categorieën
poëzie

vergeten geheim

[Gedicht toen hij, na het overlijden van de Kawara Minster ter Linkerzijde, diens verblijf bezocht en zag hoe die de tuin had aangelegd om te laten lijken op de plaats die Shiogama heet:]

                                    [Ki no Tsurayuki]

nu haar heer niet meer is

rijst er geen rook meer op

            uit de Zoutketel-

                        baai — een al te eenzaam droeve

aanblik biedt het zo

kimi masade / keburi taenishi / shiogama no / urasabishiku mo / miewataru kana

[Kenshō:] De Kawara Minister ter Linkerzijde bouwde aan de rivieroever ter hoogte van de Zesde Avenue een prachtig huis, liet er een vijver bij graven en water instromen en daarin elke dag dertig koku zout storten, en hij hield er vissen en schelpdieren. Hij had [de plaats] Shiogama in de provincie Mutsu nagebootst en liet uit vissershutjes rook opstijgen. Dit is een gedicht dat Tsurayuki schreef toen hij na het verscheiden van deze minister zag dat de rook van Shiogama niet meer opsteeg. ‘Baai’ laat zich met allerlei woorden combineren; hier is het gekoppeld aan de Baai van Shiogama. Het is een ontroerend gedicht. Als men het heeft over de oostelijke Zesde Avenue, is dit wat er bedoeld wordt.

[Teika:] Hier zit niets onbegrijpelijks bij.

君まさでけぶりたえにししほがまの浦さびしくもみえわたるかな
 是は河原左大臣、六条河原に、いみじき家つくり池をほり、水をたゝへて、うしほ毎日三十石まで入て、海底の魚貝等を住しめたり。陸奥国しほがまの浦をうつして、あまのしほやにけぶりをたゝせてもてあそばれけるが、彼大臣うせられて後、しほがまのけぶりたえたるをみて、貫之のぬしよめる歌也。浦はよろづのことばにつけたるに、是はやがてしほがまの浦によせたり。あはれなる歌也。東六条と云、是也。
 無不審

Kenchū mikkan shō 顕注密勘抄 (Nihon kagaku taikei, bekkan 5; Tokyo: Kazama Shobō, 1981), p. 252. Commentaar op Kokin wakashū 16-852. Zoutketelbaai (Shiogama-no-ura, in de provincie Mutsu, in noordoost-Japan) was een zgn. poëtisch plaatsnaam (utamakura) die geassocieerd werd met ‘desolate’ ([ura]sabishi) gevoelens, onder meer omdat er zout gewonnen werd en de rook van dat werk vergeleken werd met de rook van crematies. Althans, dat werd Shiogama; het kan heel goed dat die associatie pas begint met dit gedicht van Ki no Tsurayuki 紀貫之 (ca. 868-945). Tsurayuki was een lid van het redactiecomité van Verzameling van gedichten van vroeger en nu (ca. 914), waar dit gedicht in staat. De latere aanname was dus dat de minister in kwestie (Minamoto no Tōru 源融, 822-895) zout in zijn zoetwatervijver liet strooien om een zee na te bootsen. Een koku 石 is een inhoudsmaat; in vroegmodern Japan stond dat gelijk aan ca. 180 liter — moeilijk te zeggen of dat voor de negende eeuw ook al gold (los, natuurlijk, van het feit dat dit commentaar sowieso een fantasieverhaal is).

Afgelopen donderdag kwam het nieuws naar buiten dat in Kyoto het verloren gewaande manuscript van een belangrijk commentaar op Japans eerste vorstelijke poëziebloemlezing na honderddertig jaar weer is teruggevonden. Een onderzoeksteam maakte dat samen met de nazaten van de oorspronkelijke auteur bekend.

Het gaat hier om het oorspronkelijke handschrift van een tekst die we al lang kenden, maar alleen in kopieën. Nu is dan de autograaf van Fujiwara no Teika 藤原定家 (1162-1241) boven water. De teruggevonden tekst is zijn driedelige manuscript van Geheime gedachten bij Kenshō’s aantekeningen (Kenchū mikkan 顕註密勘), een kopie door Teika mét zijn eigen aanvullingen en commentaar op een ouder commentaar op Japans eerste vorstelijke bloemlezing, Verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokin wakashū 古今和歌集, 914). Teika kopieerde die oudere tekst in 1221, voegde daar zijn eigen opmerkingen aan toe en creëerde zo een metacommentaar op Annotaties bij de Verzameling van gedichten van vroeger en nu (Kokinshū chū 古今集註) van de dichter Kenshō 顕昭 (1130-1209). Die geannoteerde versie van de vroeg-tiende-eeuwse bloemlezing was onderdeel van een set van commentaren bij belangrijke poëzieverzamelingen die Kenshō in 1191 had aangeboden aan de Dharma-prins Shukaku 守覚 (1150-1202) — die daar overigens zelf om had gevraagd.

Een ‘dharma-prins’ (hosshinnō 法親王) is een prins die een priesterlijke wijding heeft ontvangen. Dit gebeurde doorgaans al op jonge leeftijd met prinsen die voorbestemd waren voor een carrière binnen boeddhistische instituten.

Het is vrij pikant dat Teika zoveel moeite deed om die commentaareditie van Kenshō te kopiëren, omdat die het product was van een concurrent. Kenshō behoorde namelijk tot het zogenaamde Huis Rokujō 六条家 en dat  was al enkele generaties verwikkeld in een zowel symbolische als economische machtsstrijd met het Huis Mikohidari 御子左家, waartoe Teika behoorde, om te bepalen wie nu de dominantie dichters waren in het veld van hofpoëzie. Het lijkt erop dat Teika, in elk geval voor zichzelf, grote waarde hechtte aan de commentaren van het Huis Rokujō, waarvan Kenshō’s edities een neerslag waren. Dat hij commentaar leverde op het commentaar is een erkenning van het prestige van zijn rivalen.

Het hierboven geciteerde voorbeeld is een beetje flauw, omdat Teika daar in feite niks toe te voegen heeft: ‘Geen ongerijmdheden’ (fushin nashi 無不審) in Kenshō’s commentaar, is zijn boodschap.

Teika signeerde zijn manuscript met ‘De Oude Staatsraadadviseur’ (Hachiza Chinrō 八座沈老; let. ‘De oude man verzonken in [één van] de zetels van de acht [staatsraadadviseurs]’ — inderdaad een functie die hij vanaf 1214 bekleedde). Dat wisten we overigens al uit de later circulerende kopieën van zijn tekst.

De foto toont Teika’s ondertekening (‘De Oude Staatsraadadviseur’) van het teruggevonden manuscript. Bron: Mainchi Shinbun, 18 april 2024.

Dit vergeten manuscript lag al die tijd in een familiearchief vol poëzie-gerelateerd materiaal dat sinds de jaren ’40 van de vorige eeuw bekend staat als ‘De bibliotheek van het Herfstregen-paviljoen’ (Shiguretei Bunko 時雨亭文庫) van de familie Reizei 冷泉家. De Reizei zijn verre nazaten van Teika; zij voeren hun afstamming terug op een kleinzoon van de dichter en zijn altijd in Kyoto blijven wonen. 

Nu is dat archief van de Reizei-familie een schatkamer die nog steeds niet geheel ontsloten is. Sinds in de zeventiende eeuw keizer Gomizuno’o 後水尾天皇 (1596-1680) een ‘vorstelijke verzegeling’ (chokufū 勅封) eiste van een aantal waardevolle manuscripten en het toenmalige familiehoofd dat opvatte als een totaalverbod op het openen van het archief, bleven de stukken eeuwenlang achter slot en grendel. De brandveilige opslagruimte (kura ) kreeg gaandeweg de status van een heiligdom (shinden 神殿), waar alleen het familiehoofd toegang tot had — en tot 1980 het binnengaan ervan door vrouwen al helemaal taboe was. Pas in dat jaar kregen (geselecteerde) onderzoekers toegang tot het archief en begon het langzame proces van ontsluiting.

In 1981 werd het archief een stichting. Het gerucht wil dat deze opmerkelijke omslag afgedwongen werd door de belastingdienst. Om een belastingkwestie op te lossen zou de familie akkoord zijn gegaan me het openen van de opslagruimte.

[21 april 2024] Ik heb het maar eens uitgezocht: de belastingkwestie was het nieuwe structurele probleem dat de Reizei-familie ondervond bij het moeten betalen van successierechten (sōzokusei 相続税). Na de Tweede Wereldoorlog was door hervormingen en het wegvallen van de adeldotatie de familie al haar landgoederen kwijtgeraakt na de dood van het toenmalige familiehoofd in 1946. In 1979 zou het nieuwe familiehoofd Reizei Tametō 冷泉為任 (1914-1986) met pensioen gaan bij de bank waar hij werkte en berekende de familie dat zij na diens dood de successierechten niet zou kunnen betalen. Met behulp van de Afdeling Bescherming Cultureel Erfgoed van de prefectuur Kyoto (Kyōtofu Bunkazai Hogoka 京都府文化財保護課) werd de woning van de familie (de enige bewaard gebleven hofadellijke woning in Kyoto) dat jaar aangemerkt als Belangrijke Cultuurbezit (jūyō bunkazai 重要文化財) en in 1981 de Stichting opgericht. (Reizei Tamehito, Reizeike, kuraban monogatari [2009], p. 104-109; de Tsumugu-site; en Carter, Householders [2007], p. 4.)

In de afgelopen vier decennia zijn zo veel verloren gewaande teksten gevonden. Het huidige hoofd van de Reizei-familie, en voorzitter van de Shiguretei Bunko, Reizei Tamehito 冷泉為人 (1944), legde afgelopen donderdag nog eens uit het manuscript van Geheime gedachten bij Kenshō’s aantekeningen een apart geval is. Die tekst was namelijk zó belangrijk dat hij eeuwen wel degelijk in het zicht van de familie gebleven was. Het manuscript zat in een kistje dat opeenvolgende familiehoofden eenmaal in hun leven openden om daarna als familiegeheim door te geven aan een volgende generatie. Het wonderlijke is dat na het openen van die kist in de Meiji-periode (1868-1911) men vergat waar de kist opgeborgen was. Zo werd het manuscript 130 jaar lang als verloren beschouwd. Tot deze week.

In de media wordt onder meer mijn oude leermeester geciteerd: ‘Emeritus hoogleraar Kubota Jun 久保田淳 (klassieke poëzie) van de Universiteit van Tokyo meldt, “In de autograaf zijn kersverse sporen van Teika’s revisies te zien; je mag stellen dat dit een ontdekking betekent in de orde van een Nationale Schat.”’ (In de collectie van de Shiguretei Bunko zitten overigens al vijf manuscripten met de officiële status van Nationale Schat [kokuhō 国宝].)

Lees ook:

  • Robert H. Brower, ‘The Reizei Family Documents’, Monumenta Nipponica 36: 4 (1981), p. 445-461.
  • Steven D. Carter, Householders: The Reizei Family in Japanese History (Cambridge: Harvard University Asia Center, 2007).
  • Reizei Tamehito 冷泉為人, Reizeike, kuraban monogatari: ‘waka no ie’ sennen o himotoku 冷泉家・蔵番ものがたり:「和歌の家」千年をひもとく (Tokyo: NHK Books, 2009).

De foto toont een deel van het teruggevonden manuscript. Bron: Mainchi Shinbun, 18 april 2024.

Categorieën
poëzie

geen eenzame lente

            Sake, wasabi en jinbaso-zeewier werden bezorgd; dat wordt een vrolijke lente:

bij heerlijk zeewier

            ook nog sake en wasabi

                        te ontvangen mogen:

zo eenzaam zal de lente

            dankzij hen niet langer zijn

jinbaso ni / sake ni wasabi ni / tamawaru wa / haru wa sabishiku / araseji to nari

 酒わさびじん届く春楽し
じんばそに酒に山葵に賜るは春はさびしくあらせじとなり

Door de Zen-monnik en dichter Ryōkan 良寛 (1758-1831) gestuurd aan Abe Sadayoshi 阿部定珍 (var. Teichin, 1774-1838), een leerling en weldoener van hem én een sake-brouwer. Hoogstwaarschijnlijk is dit dus een gedicht uit het eerste kwart van de negentiende eeuw, toen Ryōkan op de Kugami 国上-berg woonde, in de prefectuur Niigata, niet ver van Abe’s woonplaats. Jinbaso 神馬藻 (ook wel nanoriso of hondawara gelezen; let. ‘godenpaardwier’, Sargassum fulvellum) is een type eetbaar zeewier. Tegenwoordig wordt het veel ingezet als een vorm van health food. Dit is een van de weinige waka die ik ken waarin erend taalgebruik gebezigd wordt (tamawaru 賜る, ‘een sociaal hoger geplaatste geeft iets aan iemand lager in de sociale hiërarchie’, dan wel ‘iemand ontvangt iets van een sociaal hoger geplaatste’) — dat is namelijk typisch iets voor proza. 

Een oplettende lezer wijst me erop dat ik weer eens ziende blind was. De inleiding van dit gedicht is namelijk zelf ook een gedicht! En wel een haikai-vers:

sake, wasabi

            en godd’lijk wier nu net bezorgd:

’n vrolijke lente

sake wasabi / jinbaso todoku / haru tanoshi

Dit alles als opmaat naar een teruggevonden manuscript, een volgende keer.

De foto toont een plat mandje (zaru) met een tros jinbasō.

Categorieën
poëzie

ongemerkt ten onder

            Op ‘avondbloesems’:

                                    Vorstin Eifukumon’in

boven de bloesems

            verwijlt vervagend, even,

                        de avondzon

gaat ongemerkt ten onder

            en zo verdwijnt haar licht

hana no ue ni / shibashi utsurou / yūzuku hi / iru to mo nashi ni / kage kienikeri

 夕花を
        永福門院
花の上にしばしうつろふゆふづくいるともなしにかげ消えにけり

Fūga wakashū 2-199. Het helpt te beseffen dat in Japan de avond veel sneller valt dan in Nederland, omdat dat land dichter bij de evenaar ligt.

Ik had iets anders in gedachten voor vandaag, maar geprikkeld door het op zich al bekende nieuws dat de kersen steeds vroeger bloeien (en ja, dat heeft met de opwarming van onze planeet te maken) kies ik toch voor een zeven eeuwen oude waka van vorstin Eifukumon’in 永福門院 (1271-1342). Haar weemoed over de kortstondige pracht van in avondlicht badende kersenbloesems krijgt een bijsmaakje.

De grafiek komt uit de Volkskrant van 9 maart 2024: ‘In Japan, waar al ruim duizend jaar wordt bijgehouden wanneer de kersenbomen bloeien, begint het sakuraseizoen steeds eerder in het jaar.’

Categorieën
poëzie

van honderd dichters één gedicht [7]

[061]   Ise no Tayū 伊勢大輔 (actief begin elfde eeuw):

een fraai vroeger

            kent de hoofdstad Nara waar

                        achtlagige kersen

vandaag wel negenlagig

            schitteren aan dit hof

inishie no / nara no miyako no / yaezakura / kyō kokonoe ni / nioinuru kana

Zoals al eens eerder gemeld, is ‘kokonoe’ 九重 een ‘spilwoord’ (kakekotoba: een woord met dubbele betekenis) dat zowel ‘negenlagig’ of ‘veellagig’ betekent (bijvoorbeeld van kleding of een bloem) als een ander woord is voor ‘paleis’. Ise no Tayū schreef dit gedicht toen haar opgedragen werd namens haar vorstin een bedankje te schrijven voor een geschenk van kersenbloesems uit Nara 奈良 (destijds meer officieel: Heijō-kyō 平城京), een stad die in de achtste eeuw de hoofdstad was geweest. Murasaki Shikibu (gedicht no. 57), in dienst bij dezelfde vorstin, had zich aan deze opdracht onttrokken zodat Ise no Tayū, die nog niet zo lang aan het hof diende, de klus moest klaren.

[062]   Sei Shōnagon 清少納言 (ca. 966-ca. 1017):

diep in de nacht pas

            en de haan zijn vals gekraai

                        klinkt bedrieglijk echt

toch zal op de Ontmoetingsheuvel heus

            de wachtpost jou niet langs laten

yo o komete / tori no sorane wa / hakaru tomo / yo ni ausaka no / seki wa yurusaji

Sei Shōnagon was de achterkleindochter van Kiyowara no Fukayabu (gedicht no. 36) en de dochter van Kiyowara no Motosuke (no. 42). Zij is ook de auteur van het wonderlijke en betoverende Hoofdkussenboek (Makura no sōshi 枕草子; kopen en lezen, alstublieft). Daarin lezen we de context voor dit gedicht, in sectie 129 (of, afhankelijk van de manuscriptversie, 130):

Yukinari, de secretaris-opzichter, kwam ooit naar de kantoren van Harer Majesteits Huishouden en bleef met ons praten tot diep in de nacht.

            ‘Tegen het uur van de Os [tussen twee en vier uur ’s nachts] moet ik terug naar Zijne Majesteit,’ zei hij toen hij vertrok, ‘want morgen is het een dag van Keizerlijke Onthouding.’

            De dag nadien stuurde hij ons een bericht op diverse vellen officieel papier uit het bureau van de kamerheren. Het was erg uitvoerig en boog [sic; =bood, ?] een schitterende aanblik.

            ‘Ik kan onze ontmoeting van gisteravond maar niet van me afzetten,’ schreef hij. ‘Ik had wel tot het ochtendgloren met jullie willen praten, maar het kraaien van de haan heeft me verjaagd.’

            Bij wijze van antwoord schreef ik hem: ‘Die haan van u, in het midden van de nacht, was dat soms de haan van heer Menchang?’

            ‘Volgens de legende opende Menchangs haan de barrière van de Han-vallei, zodat zijn drieduizend aanhangers op het nippertje konden ontsnappen, maar in mijn geval ging het om de barrière van Ausaka[‘Ontmoetingsheuvel’],’ luidde Yukinari’s repliek.

            Daarop zond ik hem dit vers:

            Neem anderen maar in het ootje

            met vals gekraai

            in het holst van de nacht –

            de wachtpost van Ausaka

            kun je niet innemen.

‘Want die wordt streng bewaakt!’

Sei Shōnagon, Het hoofdkussenboek, vert. Jos Vos (Amsterdam: Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2018), p. 181-182. Vos vertaalt het gedicht wat anders dan ik. Toen in het antieke China heer Menchang met zijn gezelschap midden in de nacht wilde vluchten uit het rijk van de Qin imiteerde iemand een haan, zodat de grenswachters dachten dat het al ochtend was en de grenspoorten openden. Het is Jos Vos die met de briljante oplossing ‘vals gekraai’ kwam voor sorane 空音 (‘imitatie-geluid’). In deze context geeft die vertaling een mooie ‘steek-onder-water’-associatie; ik leen dat hier graag van hem. Van zichzelf vond Sei Shōnagon, beweerde ze tenminste, dat zij geen goede dichter was. Toch is dit gedicht heel ad rem; daarom nam ze het ook op in naar boek, natuurlijk. Het traject van gevatte reacties: Sei: die van jou was een nep-haan > Yukinari: nee, geen oude Chinezen maar Japanse geliefden! > Sei: die wannabe-minnaar kan het wel vergeten.

[063]   Directeur voor het Linker Stadsdeel Michimasa 左京大夫道雅 (992-1054):

nu slechts nog dit:

ik zal je moeten opgeven

            dat bericht, meer niet,

niet via een ander maar zelf

            wil ik je kunnen zeggen

ima wa tada / omoitaenamu / to bakari o / hito-zute narade / iu yoshi mogana

Fujiwara no Michimasa 藤原道雅 was de kleinzoon van Takashina no Kishi 高階貴子 (var. Takako; gedicht no. 54). Michimasa zou dit geschreven hebben toen het hof hem verbood nog langer de Hogepriesteres van de Ise-schrijn te zien, met wie hij een niet toegestane verhouding had.

[064]   Boventallig Middelste Raadsheer Sadayori 権中納言定頼 (995-1045):

bleek breekt de dag aan

de riviermist boven de Uji

            dunt in flarden uit

en langzaam openbaren zich

            de visnetstaken op het wad

asaborake / uji no kawagiri / taedae ni / araware-wataru / seze no ajirogi

Fujiwara no Sadayori 藤原定頼 was een zoon van Kintō (gedicht no. 55). Zijn gedicht is geschreven in de winter.

[065]   Sagami 相模 (ca. 999-na 1051):

bitter-verdrietig

niet meer te drogen mouwen

            heb ik aan en toch

zal het mijn door liefde verrotte

            reputatie zijn waarvan ik spijt krijg

urami-wabi / hosanu sode ni / aru mono o / koi ni kuchinamu / na koso oshikere

Ik schreef het al vaker: in de hoofse poëzie zijn mouwen altijd nat van tranen.

[066]   De Voormalig Aartsbisschop Gyōson 前大僧正行尊 (1055-1135):

dat wij aan elkaar

            maar vol warmte blijven denken

                        jij bergkersbloesem

buiten jouw bloesems is er

            niemand die weet hoe ik me voel

morotomo ni / aware to omoe / yamazakura / hana yori hoka ni / shiru hito mo nashi

[067]   De Suō Kamenierster 周防内侍 (actief rond 1100):

in een lentenacht

            gedroomd, zo kortstondig lag

                        mijn hoofd op jouw mouw

dat dat arm aan zin zal blijken

            voor mijn reputatie berouw ik

haru no yo no / yume bakari naru / tamakura ni / kai naku tatamu / na koso oshikere

Woordspel: tamakura (‘iemands mouw als kussen’) wordt gekoppeld aan het ‘spilwoord’ (kakekotoba: een woord met dubbele betekenis) kaina (‘een arm’)/kai naku (‘zinloos’; hier wat flauw vertaald als ‘arm aan zin’). Iets als ‘op jouw mouw mijn / arm aan zin zal blijken / voor mijn reputatie’ komt misschien meer in de buurt van de schakel-ervaring van het origineel, maar doet voor mijn gevoel in het Nederlands wel heel geforceerd aan.

[068]   De Teruggetreden Vorst Sanjō 三条院 (976-1017):

een diepe intentie

            is het niet maar mocht in dit tranendal

                        ik langer verwijlen

dan zal ik liefdevol terugdenken

            aan de maan in deze nacht

kokoro ni mo / arade ukiyo ni / nagaraeba / koishikarubeki / yowa no tsuki kana

Gedicht toen hij ziek was en besloot troonsafstand te doen.

[069]   De priester Nōin 能因法師 (988-?):

een storm raast

            over de berg Mimuro

                        waar herfstbladeren

op de Tatsuta-rivier

            een brokaten weefwerk vormen

arashi fuku / mimuro no yama no / momijiba wa / tatsutagawa no / nishiki narikeri

Net als de berg de Mimuro was de rivier de Tatsuta (zie no. 17), die langs de voet ervan stroomt, een plek die beroemd was om de herfstkleuren daar.

[070]   De priester Ryōzen 良選法師 (actief 1036-1068):

uit eenzaamheid

            ga ik mijn hut uit naar buiten

                        en staar de verte in:

overal is het dezelfde

            avondschemer in de herfst

sabishisa ni / yado o tachi-idete / nagamureba / izuku mo onaji / aki no yūgure

Nummers 61 t/m 70 van Van honderd dichters één gedicht (Hyakunin isshu 百人一首).

Over de fotos: De alleroudste volledige vertaling naar een Europese taal van Van honderd dichters één gedicht is die van de Britse advocaat (én voormalig scheepsarts) Frederick Victor Dickens (1838-1915), die in 1866 zijn Hyak Nin Is’Shiu, or, Stanzas by a Century of Poets, Being Japanese Lyrical Odes uitbracht. Typerend voor zijn tijd is dat hij ervoor koos om de waka in voor westerlingen herkenbare en altijd rijmende dichtvormen te gieten. De afbeelding toont (links) de uitbundige omslag van Dickins’ vertaling en (rechtsboven) zijn vertaling in de vorm van een kwatrijn met a-b-a-b-rijmschema van gedicht no. 69 van Nōin. Leuk vind ik dat Dickins kiest voor een a-a-kreupelrijm voor gevorderden: hij laat het Engelse ‘lustily’ rijmen op het Japanse ‘momiji’ (‘herfstbladeren’). Dit is het exemplaar in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Leiden (cat.no. 863 F 7), dat heeft toebehoord aan ’s werelds eerste hoogleraar Japans, Johann Joseph Hoffmann (1805-1878). Uit het etiket (rechtsonder) van een Leidse boekhandelaar blijkt dat je een boek ‘op zicht’ kon hebben voordat je besloot het al dan niet te kopen. In 1868, dus binnen twee jaar na verschijnen, was de vraagprijs ƒ 6,85 (volgens IISG met een koopkracht van € 69,29 vandaag de dag). Met Hollandse zure zuinigheid noteerde de Duitser Hoffmann ernaast dat hij het boek een jaar later bij de Leidse uitgever en boekhandelaar Brill voor de helft van de prijs (ƒ 3,25 = € 35) had kunnen kopen. Desondanks ben ik blij dat hij het hoe dan ook aanschafte.